← België

Arrest 256708 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.708 Rolnummer: A. 237349/IX-10131 Zaak: Arrest 256708 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-15 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 10:21 Fiche Arrest nr 256.708 van 7 juni 2023 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.708 van 7 juni 2023 in de zaak A. 237.349/IX-10.131 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Gent Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Eerste Minister bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 25 september 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van het Centrum voor Cybersecurity België van 27 juli 2022 waarbij XXXX wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-10.131-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexander De Becker, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 15 december 2021 vat verzoekster haar stage aan in de graad van administratief deskundige bij het Centrum voor Cybersecurity België van de federale overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister (hierna: CCB). Het betreft een betrekking van het Nederlandse taalkader van niveau B, met weddeschaal B
  6. De duur van deze stage bedraagt één jaar. 3.
  7. Verzoeksters functie- en planningsgesprekken vinden plaats op respectievelijk 18 januari 2022 en 15 februari
  8. Verzoekster weigert de verslagen van beide gesprekken te ondertekenen. 3.
  9. In een verslag van 8 april 2022 aan de evaluator en de hiërarchie maakt de functionele chef van verzoekster melding van problematisch gedrag in IX-10.131-2/10 hoofde van verzoekster. Het gaat om insubordinatie en een gebrek aan teamgeest en professionalisme. 3.
  10. Op 20 april 2022 vindt een bemiddelingsgesprek plaats, mede naar aanleiding van beschuldigingen door verzoekster van pesterijen alsook van haar vraag om een andere evaluator toegewezen te krijgen. De directeur van het CCB besluit na het bemiddelingsgesprek dat het pesten niet is aangetoond en er geen reden is om van evaluator te veranderen. 3.
  11. In een verslag van 9 mei 2022 maakt verzoeksters functionele chef opnieuw melding van tekortkomingen in verzoeksters functioneren, zowel wat haar gedrag als wat het afgeleverde werk betreft. 3.
  12. Op 10 mei 2022 wordt tijdens een functioneringsgesprek vastgesteld dat verzoekster geen van de geformuleerde prestatie- en ontwikkelingsdoelstellingen heeft behaald, net zomin als de doelstellingen inzake de beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst of de bijdrage aan de teamprestaties. Verzoekster krijgt de functioneringsvermelding ‘onvoldoende’, waarop het hoofd van het CCB vraagt om verzoeksters stage te onderbreken. 3.
  13. Op 7 juni 2022 wordt het verslag van het functioneringsgesprek samen met het evaluatiedossier bezorgd aan de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. 3.
  14. Op 28 juni 2022 wordt verzoekster gehoord door de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. 3.
  15. Voormelde beroepscommissie formuleert op 11 juli 2022 een unaniem advies om verzoekster te ontslaan wegens arbeidsongeschiktheid. IX-10.131-3/10 3.
  16. Met een schrijven van 18 juli 2022 stelt verzoekster een ‘beroep’ in tegen de uitspraak van de voormelde beroepscommissie. 3.
  17. Op 27 juli 2022 ontslaat de directeur van het CCB verzoekster wegens beroepsongeschiktheid. Dat is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
  18. Op de terechtzitting legt verzoekster een nieuw stuk neer, namelijk een werkloosheidsattest dat dateert van 3 februari 2023 waarin wordt gesteld dat verzoekster “definitief uitgesloten werd van het recht op uitkeringen vanaf 4/12/2017”. 4.
  19. De verwerende partij heeft bezwaar tegen het neerleggen van dat stuk omdat hierover geen tegenspraak is kunnen worden gevoerd. Zij vraagt daarom om het aanvullend stuk uit het debat te weren.
  20. Met het op de terechtzitting neergelegde aanvullend stuk beoogt verzoekster de spoedeisendheid van haar vordering aan te tonen. Om de redenen uiteengezet bij de bespreking van de spoedeisendheid (sub 8), mag dat aanvullend stuk niet bij het debat worden betrokken. V. Schorsingsvoorwaarden
  21. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel IX-10.131-4/10 wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  22. Verzoekster motiveert de spoedeisendheid van de vordering in haar verzoekschrift als volgt: “Verzoekster valt na haar opzegtermijn van drie maanden zonder werk. Tevens is het nadat zij wegens beroepsonbekwaamheid als ambtenaar is ontslagen evident een zeer grote schandvlek die haar sterk professioneel parcours fundamenteel zal imputeren. Het is duidelijk dat verzoekster daarbij niet kan wachten op de normale doorlooptijd van een procedure. Voor een alleenstaande vrouw die net een appartement […] heeft gekocht met stijgende energieprijzen, is het hebben van een maandinkomen evident noodzakelijk. Zij heeft daarbij een afbetaling van 125.000 euro net afgesloten […] hetgeen, zelf als de overheid toepassing zou maken van artikel 100 Werkloosheidsbesluit, met een werkloosheidsuitkering niet betaald kan worden. De onwettige beslissing duwt verzoekster dus als het ware in de armoede. Daarnaast heeft verzoekster zeer voorname posities ingevuld bij de Europese Unie. De schandvlek die een ontslag wegens beroepsonbekwaamheid met zich zou meebrengen, veroorzaakt schade voor haar professionele reputatie. Zij heeft niet meer de naam van de voorbeeldige ambtenaar die ze zorgvuldig had bekomen.” Beoordeling
  23. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. IX-10.131-5/10 Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. Eventueel ter terechtzitting nieuw aangehaalde argumenten kunnen niet in aanmerking worden genomen, aangezien alleen de in het verzoekschrift aangebrachte gegevens de overige partijen toelaten zich daartegen op de geëigende wijze – in hun geschreven procedurestukken – te verweren en het voorwerp kunnen uitmaken van het onderzoek door het auditoraat.
  24. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Overigens moet die verzoekende partij zich er rekenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag worden ingesteld “op elk moment”.
  25. Wat de spoedeisendheid betreft, verwijst verzoekster vooreerst naar de financiële gevolgen van de bestreden beslissing. IX-10.131-6/10 Dat het aan verzoekster gegeven ontslag financiële gevolgen heeft, laat zich raden. Om de rechter evenwel ervan te overtuigen dat de impact van die financiële gevolgen redelijkerwijze niet gedragen kan worden tot een uitspraak volgt over het beroep tot nietigverklaring, mag van verzoekster wel een minimale inspanning worden gevraagd om die impact toe te lichten en op haar individuele situatie te betrekken. Het verzoekschrift bevat evenwel geen enkele becijfering van verzoeksters inkomsten, uitgaven en spaargelden – kortom haar vermogenstoestand – en geen bewijs van haar gezinssituatie. Verzoekster beweert dat haar financiële situatie niet van dien aard is dat zij het opgelegde ontslag het hoofd kan bieden, maar brengt daarvan geen bewijs voor. Integendeel, zij legt zelfs geen enkel stuk voor omtrent haar bestaansmiddelen dat de rechter in staat zou stellen om haar beweringen te toetsen. Ook omtrent de beweerde hoge energiekosten die zij zou moeten dragen, legt zij geen enkel stuk neer. Omtrent de lasten die zij beweert te dragen voor de aankoop van een woning, legt verzoekster als eerste stuk een schriftelijk bod neer dat zij op 30 november 2021 uitbracht voor een woning te Sint-Joost-ten-Node, onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een hypothecaire lening ten belope van een bedrag van 110.000 euro. Uit niets blijkt echter dat dit bod daadwerkelijk is aanvaard, laat staan dat verzoekster de genoemde lening effectief is aangegaan en welk maandelijks bedrag zij daarvoor dan wel zou moeten aflossen. Als tweede stuk legt verzoekster een aanvraag neer voor een kredietopening van 125.300 euro. Anders dan verzoekster laat uitschijnen, is dit geen definitieve kredietaanvaarding. Overigens vermeldt de aanvraag niet eens om welk onroerend goed het gaat. Bovendien dateert de aanvraag van 9 september 2022, zijnde na het bestreden ontslag van 27 juli
  26. Voor zover er dus al sprake zou zijn van een financiële verbintenis in hoofde van verzoekster, is zij deze aangegaan nadat zij van haar ontslag op de hoogte was. Enig oorzakelijk verband tussen de beweerde financiële schade en het bestreden ontslag ontbreekt dan ook. IX-10.131-7/10 De neergelegde stukken kunnen het aangevoerde financiële nadeel niet staven. 11.
  27. Voorts voert verzoekster een moreel nadeel aan, namelijk dat haar ontslag een “zeer grote schandvlek [vormt] die haar sterk professioneel parcours fundamenteel zal imputeren” en “schade [zal veroorzaken] voor haar professionele reputatie”. 11.
  28. Een moreel nadeel wordt in principe goedgemaakt door een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest. Verzoekster toont met geen enkele bijzondere omstandigheid aan dat het aangevoerde moreel nadeel van zodanige aard is dat een dergelijk arrest, waarin de onregelmatigheid van de bestreden beslissing zou worden vastgesteld, haar geen voldoende morele genoegdoening zou kunnen verschaffen. In het bijzonder dient erop te worden gewezen dat verzoekster eraan voorbijgaat dat het in casu gaat om een ontslag wegens beroepsongeschiktheid in het kader van de reglementair voorgeschreven proefperiode die zij als stagedoend ambtenaar vervult. Als stagiair in overheidsdienst bevindt verzoekster zich onvermijdelijk in een precaire situatie aangezien zij steeds het resultaat van haar stage dient af te wachten. De stagiair dient daarbij rekening te houden met de mogelijkheid dat hoewel de stagiair tijdens de selectie als zijnde geschikt wordt beoordeeld, de stage met een ongunstig resultaat wordt beëindigd en de stagiair geen vaste benoeming verkrijgt, maar wordt ontslagen. Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat een personeelslid-stagiair zoals verzoekster die te maken krijgt met een dergelijke beëindiging van haar tewerkstelling als stagiair, zich erop vermag te beroepen dat haar zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Dat verzoekster voor de betrokken functie heeft gekandideerd en geschikt is bevonden, doet daaraan niet af. Een proefperiode strekt ertoe om na te IX-10.131-8/10 gaan of de geschiktheid van verzoekster voor het ambt waarvoor zij heeft gesolliciteerd en waarvoor zij, alvast prima facie, geschikt werd bevonden, aldus in de situatie geplaatst zijnde, ook daadwerkelijk kan worden bevestigd. 11.
  29. In de mate dat verzoekster vreest voor haar professionele reputatie, dient erop te worden gewezen dat dergelijke in algemene termen gestelde verwijzing naar een mogelijke perceptie door derden op zich echter niet aantoont dat verzoekster het resultaat van de annulatieprocedure niet kan afwachten. Zoals hiervóór is opgemerkt, neemt een nietigverklaring in beginsel het stigma van het ontslag weg. Verzoekster moet aantonen waarom dat odium van ontslag wegens beroepsonbekwaamheid zo zwaar drukt dat de gewone procedure niet afgewacht kan worden. 11.
  30. Uit wat voorafgaat volgt dat ook het morele nadeel niet kan worden bijgevallen.
  31. De spoedeisendheid is niet aangetoond. BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt de vordering.
  33. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.131-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-10.131-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.708 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.