id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:A
de motiveringsplicht 5de [middel] Bodem- en grondwater VII-41.147-7/16 De staanplaats voor landbouwvoertuigen heeft geen verharde bodem. Men kan overwegen dat het stallen van voertuigen en eventueel morsen van afvalolie op een niet-verharde ondergrond tot verontreiniging van zowel de bodem als het grondwater kan leiden. Bovenvermelde feiten maken een schending uit van volgende regelgeving: - artikelen 4, § 2 en 22 van het Milieuvergunningsdecreet; - artikelen 2, § 1 en 22 van VLAREM I; - artikelen 5bis.15.5.4.4.2, § 2 en 5bis.15.5.2.13, § 1 van VLAREM II. [Vlaremrubriek 15.5.2.e en 15.1.1] [Artikel 5.9.8.4 Vlarem II] De dieren zouden verdeeld worden over diverse koterijen die geen mestdichte bevloering hebben en de uitlogende mest vermengd met inslag van regenwater kan niet afgeleid worden naar een nog te plaatsen citerne. Op welke manier de verdeling in de koterijen gedaan wordt en op welke oppervlakte deze dieren gehuisvest worden is niet aangegeven. […] Vlarem II Afdeling 5.9.2.3 opslagplaatsen voor mengmest § 3 Het is verboden opslagplaatsen voor mengmest te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput. De provinciale milieuambtenaar ziet een oplossing in het verspreiden van de 35 grote zoogdieren over de diverse andere koterijen en het droog instrooien van de stallen. Dit zijn wankele gebouwvallen waarvan de vloeren een opvang van de uitlogende mest niet afleiden naar een nog te plaatsen citerne. Op welke manier een opvang vanuit de afzonderlijke stalletjes in een niet-geplaatste waterdichte citerne zal gerealiseerd worden is niet uitgelegd. Over een degelijke stalbevloering of riolering richting een niet bestaande citerne wordt geen uitleg verschaft. Dit is een onbegrijpelijke argumentatie die allerminst redelijk is.
de uitdrukkelijke motiveringsplicht Vlarem II Afdeling 5.9.2.3 opslagplaatsen voor mengmest § 2 De bodem, wanden en de kanaalverbindingen met stallen dienen gebouwd uit duurzame en degelijke materialen volgens de regels van goed vakmanschap zoals vermeld in bijlage 5.9, hfdstuk 1 en 2 bij dit besluit derwijze dat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast. De in verval zijnde stallen garanderen geen opvang van vloeibare mest. De belofte van een nieuwe lekvrije citerne is ongeloofwaardig, dan zouden ook de stalvloeren en de riolering vernieuwd moeten worden. Gezien de algehele slechte toestand is dit erg twijfelachtig. Dat de stallen droog ingestrooid zullen worden is onmogelijk. Vanaf de straatzijde in Middeldorpe vertoont de grootste stal een gat van ongeveer 1 m2 in het verzakte dak, dit betekent een regeninstroom die de mest zal meevoeren. De andere koterijen zijn er niet beter aan toe. [Artikel 4.2.19 Vlarem II] De opgelegde voorwaarden zijn niet in verhouding tot vergunde handelingen”. VII-41.147-8/16 5. De verwerende partij antwoordt als volgt: “[…] Vierde middel:
§ 3van artikel 5.9.2.1.
van Vlarem II en van de motiveringsplicht. Artikel 5.9.2.
- §3 van Vlarem II, stelt: ‘Het is verboden vloeren van stallen, mestkanalen en mestkelders te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput.’ De bestreden beslissing laat geenszins toe dat een overstort of afleidingskanaal wordt geplaatst. Tijdens het plaatsbezoek van de provinciale milieudeskundige werd geen overloop vastgesteld, noch werd vastgesteld dat er insijpeling van mestsappen zou zijn naar de aanpalende gracht of het perceel van verzoekende partij. Ter zitting van de POVC lichtte de provinciale milieudeskundige het dossier toe. Hij stelt vast dat de exploitant een groot bedrijf heeft op het adres Middeldorpe
- Op het adres Middeldorpe 12 bevindt zich de ouderlijke hoeve met een aantal verouderde stallingen. Er worden een aantal zaken door elkaar gehaald. De lozing van mestsappen richting de eigendom van appellant, betreft eigenlijk een dispuut op het adres Middeldorpe
- Voorliggende dossiers betreft Middeldorpe 12, waar bij de naastliggende weide eigendom is van de appellant. In het verleden werd vastgesteld dat er op dit adres een overloop was van mest naar de weide en de gracht. Omtrent de opslag van mest op deze locatie werd overleg gepleegd met de exploitant. Men is het er over eens dat de site toe is aan een grondige renovatie en modernisering. De exploitant wenst hier in de nabije toekomst een nieuwe loods te bouwen voor opslag van stro en het stallen van voertuigen, alsook met een aantal stalplaatsen voor runderen, die zouden dienst doen als quarantainestal voor het grote bedrijf. Het is nog de vraag of het aantal runderen zal aangehouden worden. Eventueel zou men in de toekomst voldoende hebben met plaatsen voor 19 runderen, dewelke in agrarisch gebied niet langer ingedeeld zouden zijn. De oude mestkelder die het voorwerp is van de discussie omtrent lekdichtheid, zal worden geledigd en buiten gebruik worden gesteld. De opvang van de mest zou in een cisterne van 10 m³ gebeuren. Het gaat hier over ingestrooide loopstallen waarvoor geen verplichting geldt voor de opvang van mengmest of gier. Voorlopig wenst men de 35 runderen te bestendigen op deze locatie, hetgeen ook mogelijk is in de huidige configuratie van de stallen, voornamelijk omwille van het grote aantal jongvee. De lopende vergunning is nog geldig tot
- Het huidige dossier beperkt zich uiteraard enkel tot het voorwerp van de aanvraag van
- Het buitengebruik stellen van de mestkelder en het vervangen ervan door een cisterne van 10 m³ voor het opvangen van de mestsappen volgens de huidige stalconfiguratie, komt tegemoet aan de argumentatie van de Raad van State. Naar aanleiding van het dossier is bij de exploitant een nieuwe visie ontstaan omtrent de modernisering van het bedrijf, die zal leiden tot een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag. VII-41.147-9/16 In elk geval is het zo dat de bestreden beslissing dus niet toelaat om overstorten of afleidingskanalen te plaatsen. Meer zelfs de bestreden beslissing willigt het beroep van dhr. Vandermarliere deels in. De beroepsargumenten die betrekking hebben op de opslag van 70 m³ mengmest in de mengmestkelder worden gegrond bevonden. Gelet op de ouderdom van het landbouwbedrijf zijn er geen garanties meer m.b.t. de lekdichtheid van de mestkelder en er wordt dan ook in de bijzondere voorwaarden opgelegd: - Dat de opvang van mestsappen/mestuitloging moet gebeuren in een nieuw te plaatsen lekdichte/waterdichte citerne van 10 m³ zonder overloop. - De bestaande mestkelder van 70 m3 mag niet langer worden gebruikt en moet worden leeggemaakt (ontdaan van mengmest). De bestreden beslissing schendt de aangehaalde bepalingen niet, evenmin is de motiveringsplicht geschonden. Uiteraard dient de exploitant de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden na te leven. Dat is een kwestie van handhaving. De beweringen van verzoeker worden op geen enkel manier aannemelijk gemaakt. […] Vijfde middel:
art. 4, §2 en 22 van het Milieuvergunningsdecreet, van art. 2 §1 en 22 van Vlarem I en van de artikelen 5bis 15.5.4.4.2.,§2 en 5bis 15.5.2.13, §1 van Vlarem II.
§1, 2 en 3 van artikel 5.9.2.3.
van Vlarem II en van de motiveringsplicht. De aangehaalde bepalingen van art. 5.9.2.
- van Vlarem II luiden als volgt: […] In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat, naar aanleiding van de herneming van de behandeling van het ingestelde beroep, de provinciale deskundige milieu op 10 maart 2021 een plaatsbezoek heeft gedaan en hierbij tot volgende geactualiseerde bevindingen komt: - Tot 2016 werden nog 15 melkkoeien gemolken op het adres Middeldorpe 12 (ouderlijke hoeve en woonplaats van de moeder van de exploitant); in de loop van 2016 werd de melkinstallatie ontmanteld. - Sinds half 2016 worden er nog af en toe jonge runderen en runderen in quarantaine gestald; het aantal stalplaatsen bedraagt nog steeds 35 maar het gebruik van de stallen is afhankelijk van de doelstellingen jongvee, quarantaine en/of ziekte; er zullen in de praktijk nooit 35 runderen in totaliteit op hetzelfde moment aanwezig zijn; de hoofdactiviteiten voltrekken zich op het bedrijf Middeldorpe 27, een paar honderd meter verderop. - De sporadisch aanwezige dieren worden gestald in ingestrooide stallen; op datum 10 maart 2021 waren er geen dieren aanwezig en alle stallen waren proper geruimd; er was geen vaste mestopslag binnen noch buiten de stallen en derhalve geen mestuitloging. - Door de algeheel verouderde situatie van de exploitatie Middeldorpe 12 zal de mestkelder van 70 m³ niet meer worden gebruikt, ook het kleine oude stalgedeelte met afvoer van mestuitloging naar de metalen opvangkuip zal niet meer worden gebruikt. - Eventuele mestsappen zullen worden afgeleid en opgevangen in een nieuw te plaatsen citerne van 10 m³. VII-41.147-10/16 - In het kader van de noodzakelijke modernisering van de exploitatie Middeldorpe 12, zullen de oude stalgebouwen (boven de mestkelder), de mestkelder zelf, de huidige stro- en machineloods, en de stallen achter de stro- en machineloods in de nabije toekomst worden afgebroken en vervangen door een nieuwe loods met een aantal stalplaatsen voor runderen; het aantal stalplaatsen zal wellicht worden beperkt tot 19 waardoor de runderen niet langer zullen zijn ingedeeld. De nieuw te plaatsen citerne van 10 m³ zal dan blijvend dienst kunnen doen als opvang van eventuele mestuitloging. - Op basis van deze bevindingen is de exploitant akkoord om de bestaande mestopslag van 70 m³ mengmest te annuleren en enkel 10 m³ mengmestopslag op te nemen in de vergunning; de mestkelder van 70 m³ mag niet langer worden gebruikt en moet in tussentijd van de bouw van de nieuwe loods worden leeggemaakt (ontdaan van mengmest). - De vaste mest in de stallen wordt bij het ruimen onmiddellijk afgevoerd naar de hoofdzetel van de exploitatie Middeldorpe 27, wat hiertoe een gangbare en toegelaten praktijk is. Wat bodem en grondwater betreft blijkt uit de bestreden beslissing het volgende: ‘De staanplaats voor de landbouwvoertuigen is verhard. Naar aanleiding van het beroepsschrift in eerste aanleg deelt de exploitant op 14 november 2016 via een schrijven mee dat de aangevraagde mestvaalt buiten gebruik wordt gesteld. De vaste mest zal worden afgevoerd naar het rundveebedrijf op het adres Middeldorpe
- Op dit adres is Rudi Hermie vergund voor o.m. de opslag van 640 m³ vaste mest (besluit van de deputatie van 20 januari 2011 met referentie M03/43014/118/1/A/1). Bij het leegmaken van de ingestrooide stallen wordt de vaste mest rechtstreeks afgevoerd naar de andere inrichting van de exploitant, Middeldorpe
- Gelet op de ouderdom van het landbouwbedrijf zijn er geen garanties meer m.b.t. de lekdichtheid van de mestkelder; de mestkelder van 70 m³ dient buiten gebruik te worden gesteld. De exploitant zal een nieuwe citerne van 10 m³ plaatsen voor de opvang van de eventuele uitloging van de ingestrooide stallen. In verband met de mestopslagcapaciteit staat in de bestreden beslissing: ‘De runderen worden gestald in ingestrooide loopstallen. De minimale behoefde mestopslagcapaciteit voor vaste mest gedurende de voorgeschreven periode van 3 maanden bedraagt: 16 runderen m³ + 4 runderen 1-2 jaar x 3,5 m³ + 15 zoogkoeien x 5,8 m³= 125 m³. Er is niet langer een aparte mestvaalt aanwezig. De vaste mest aanwezig in de stallen is niet vergunningsplichtig, maar kan wel in rekening worden gebracht voor het berekenen van de mestopslagcapaciteit. De mestopslagcapaciteit in de ingestrooide loopstallen bedraagt ongeveer 30 m³. Bij het ruimen van de stallen wordt de vaste mest rechtstreeks afgevoerd naar de andere vergunde veeteeltinrichting van de exploitant, gelegen Middeldorpe
- Opslag op de kopakker is geen permanente opslagmogelijkheid en geldt dus niet als optie. Voor de ingestrooide loopstallen is geen minimaal behoefde mestopslagcapaciteit nodig voor mengmest. Eventuele mestsappen en VII-41.147-11/16 uitloging moeten wel gecontroleerd worden opgevangen in een lek- en waterdichte citerne/mestkelder; hiertoe wordt een lekdichte/waterdichte citerne voorzien van minstens 10 m³ zonder overloop.’ De beweringen van verzoeker als zou de staanplaats voor voertuigen niet verhard zijn, dat er mest uitloogt uit de stallen,... zijn niet correct en worden ook niet aannemelijk gemaakt. Nogmaals wordt erop gewezen dat de exploitant de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden moet naleven. De aangehaalde bepalingen zijn niet geschonden, het vijfde middel is ongegrond”.
- In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker: “Vierde middel: Artikel 5.9.2.1§3 van Vlarem II waarin wordt gesteld dat het verboden is om vloeren van stallen (…) te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of naar een verliesput. Een verslag van de vaststellingen ter plaatse door de provinciale milieudeskundige is nooit voorgelegd. Indien iemand ter plaatse was kan deze de aangelegde overloop van mestsappen naar de ijzeren ton en de gracht in (Middeldorpe 12) gezien hebben. Deze overloop van de gracht naar het naastliggende perceel kan visueel vastgesteld worden en is daar nog steeds te zien in september
- Indien hierover twijfel zou bestaan had een grondstaal dit kunnen bevestigen. Dat een vergelijkbare overtreding, mestlozing in een gracht, vast te stellen is op de locatie Middeldorpe 27 laat zien hoe het niet opvolgen en sanctioneren van overtredingen naar verdere escalatie leidt. Opnieuw vraagt de provinciale overheid om overtredingen toe te staan op grond van allerlei beloftes van saneringen in de toekomst. ‘Omtrent de opslag van mest op deze locatie werd overleg gepleegd met de exploitant … eventueel zou men in de toekomst voldoende hebben met plaatsen voor 19 runderen…’ Dit is allemaal drijfzand met loze beloftes of veronderstellingen. Men doet een aanvraag voor 35 runderen in onaangepaste stalruimtes die moeilijk als dusdanig aan ingrijpende veranderingen te onderwerpen zijn om ze in overeenstemming te brengen tot de normen opgelegd in Vlarem II. Als een overheid vergunning verleend voor het houden van 35 runderen moet de infrastructuur voldoen om effectief 35 runderen te houden. Vijfde middel:
art 4, § 2 en 22 van het Milieuvergunningsdecreet, van art.2 § 1 en 22 van Vlarem I en van de artikelen 5bis 15.5.4.4.2.§2 en 5bis 15.5.2.13, §1 van Vlarem II.
§1, 2 en 3 van artikel 5.9.2.3 van Vlarem II en van de motiveringsplicht.
De provinciale deskundige heeft op 10 maart 2021 een plaatsbezoek gedaan en dit zonder een verslag van zijn vaststellingen neer te leggen in het dossier. Wel geeft hij herhaaldelijk te kennen zich enkel te baseren op hetgeen hem door dhr. Hermie op de mouw wordt gespeld. Er zijn inderdaad sedert 2016 geen runderen meer in de stallen geweest. VII-41.147-12/16 De quarantainestalling is een complete fabel. De oude mestkelder (grootste gebouw) is lek en het afvloeisysteem van stalvloer naar ton, gracht en naastliggend perceel is er nog steeds. Of bij de andere kleinere koterijen mestopvang kan georganiseerd worden is twijfelachtig gezien de bouwvallige toestand. Wordt bij die koterijen ook een waterdichte citerne gestoken voor de opvang van mestsappen? De betreffende koterijen zijn al langdurig in onbruik. Er is vanuit deze gebouwtjes momenteel geen uitloging van mest, het is echter de provinciale deskundige die aangeeft dat deze stallen in de toekomst zouden ingericht worden als stalling voor runderen”.
- In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij nog dat zij de mestopslag op de andere inrichting van de exploitant niet moest beoordelen en dat haar onderzoek beperkt was tot het voorwerp van de aanvraag en de “geografische locatie waarop de ingedeelde activiteiten en inrichtingen worden aangevraagd”. Beoordeling
- Met betrekking tot de problematiek van de mestopslag worden in de bestreden beslissing de vaststellingen van de Provinciale Milieudeskundige aangehaald waarin onder meer wordt aangeven dat op de plaats van exploitatie, Middeldorpe 12 te Sint-Laureins, “een aantal verouderde stallingen” aanwezig zijn, dat na overleg met de exploitant werd overeengekomen dat “de site toe is aan een grondige renovatie en modernisering”, dat de “oude mestkelder die het voorwerp is van de discussie omtrent lekdichtheid, zal worden geledigd en buiten gebruik worden gesteld” en dat de plaatsvervangend voorzitter van de Provinciale Milieuvergunningscommissie over deze vaststellingen samenvattend bedenkt dat er in “de nabije toekomst dus een aanvraag zal zijn voor modernisering van het bedrijf, zodat de discussiepunten zullen aangepakt worden”. Voorts wordt in het in de bestreden beslissing aangehaalde advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie nog het volgende gesteld: “De vertegenwoordiging van de appellant wijst op de hopeloos verouderde toestand van het bedrijf. Er is een modernisering noodzakelijk. Het is dan ook vreemd dat de vergunning zou kunnen verleend worden. […] Er is duidelijk geen enkele intentie om de voorwaarden na te leven. VII-41.147-13/16 Er wordt gevraagd of er nu eigenlijk wel een exploitatie is ter plaatse en of de vergunning niet vervallen is. Als de vaste mest wordt afgevoerd naar de site verderop in de straat, wordt gevraagd of er wel onderzocht is of dit mogelijk is. Er is daaromtrent geen openbaar onderzoek geweest. […] De vertegenwoordiging van de appellant stelt dat er zomaar wordt aangenomen dat er afvoer is van mest naar het ander bedrijf. Kan dit zomaar? […] De plaatsvervangend voorzitter antwoordt dat er geen nieuwe stukken zijn ingediend in het dossier. Er zijn enkel mondelinge elementen toegevoegd bij het plaatsbezoek door de provinciale milieudeskundige. […] De provinciale milieudeskundige antwoordt dat er sporadisch nog dieren zitten, de stallen worden voornamelijk gebruikt als quarantainestallen. De stalplaatsen zijn in stand gehouden. Er is enkel 30 m³ mestopslag in de ingestrooide stallen en er is dus geen capaciteit om drie maanden te overbruggen, maar niets belet dat de exploitant deze mest afvoert naar zijn ander bedrijf verder in de straat. Dit is een gangbare en toegelaten praktijk. Op het ander bedrijf is er voldoende mestopslagcapaciteit. […] De plaatsvervangend voorzitter vraagt of er op de andere inrichting, Middeldorpe 27, voldoende mestopslagcapaciteit is om de mest van voorliggende inrichting op te slaan. De vertegenwoordiging van de exploitant antwoordt bevestigend. De mest kan naar het andere bedrijf worden afgevoerd en zal ook in de te plaatsen cisterne worden opgeslagen”. Tot slot heeft de verwerende partij aangaande de bestaande mestopslagcapaciteit het volgende uitgedrukt: “De runderen worden gestald in ingestrooide loopstallen. De minimale behoefde mestopslagcapaciteit voor vaste mest gedurende de voorgeschreven periode van 3 maanden bedraagt; 16 runderen m³ + 4 runderen 1-2 jaar x 3,5 m³ + 15 zoogkoeien x 5,8 m³ = 125 m³. Er is niet langer een aparte mestvaalt aanwezig. De vaste mest aanwezig in de stallen is niet vergunningsplichtig, maar kan wel in rekening worden gebracht voor het berekenen van de mestopslagcapaciteit. De mestopslagcapaciteit in de ingestrooide loopstallen bedraagt ongeveer 30 m³. Bij het ruimen van de stallen wordt de vaste mest rechtstreeks afgevoerd naar de andere vergunde veeteeltinrichting van de exploitant, gelegen Middeldorpe
- Opslag op de kopakker is geen permanente opslagmogelijkheid en geldt dus niet als optie. Voor de ingestrooide loopstallen is geen minimaal behoefde mestopslagcapaciteit nodig voor mengmest. Eventuele mestsappen en uitloging moeten wel gecontroleerd worden opgevangen in een lek- en waterdichte citerne/mestkelder; hiertoe wordt een lekdichte/waterdichte citerne voorzien van minstens 10 m³ zonder overloop. VII-41.147-14/16 […] Bespreking beroepschrift […] De beroepsargumenten die betrekking hebben op de opslag van vaste mest zijn niet meer relevant vermits de mestvaalt sinds 2016 buiten gebruikt werd gesteld. De beroepsargumenten die betrekking hebben op de opslag van 70 m³ mengmest in de mengmestkelder zijn gegrond. Gelet op de ouderdom van het landbouwbedrijf zijn er geen garanties meer m.b.t. de lekdichtheid van de mestkelder; de mestkelder van 70 m³ dient buiten gebruik te worden gesteld”.
- Op basis van de in de bestreden beslissing opgegeven redengeving staat vast dat op de vergunde inrichting de door het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II) vastgestelde sectorale milieuvoorwaarden omtrent de kwantitatieve en de kwalitatieve opslag van mengmest, niet kunnen worden nageleefd. De onmogelijkheid om deze milieuvoorwaarden na te leven moet in beginsel leiden tot de weigering van de gevraagde milieuvergunning voor het verder exploiteren van de betrokken veeteeltinrichting. Zelfs indien aangenomen zou worden dat in de vergunningsbeslissing op individuele wijze kan afgeweken worden van deze voorwaarden door de afvoer van de vaste mest naar een andere veeteeltinrichting van de exploitant als gelijkwaardig alternatief in aanmerking te nemen, blijkt uit de bestreden beslissing niet, minstens niet afdoende, dat de verwerende partij met de in rechte vereiste zorgvuldigheid heeft onderzocht of op die veeteeltinrichting voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig is die voldoet aan de door Vlarem II gestelde milieuvoorwaarden.
- Het vierde en het vijfde middel zijn in de aangegeven mate gegrond. VII-41.147-15/16 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 8 april 2021 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins van 29 juli 2016, houdende het verlenen aan Rudi Hermie van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een veeteeltinrichting, gelegen Middeldorpe 12 te Sint-Laureins, gedeeltelijk wordt ingewilligd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.147-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.711 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div