← België

Arrest 256713 - Energie - 08/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.713 Rolnummer: A. 230183/VII-40763 Zaak: Arrest 256713 - Energie - 08/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-15 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 10:24 Fiche Arrest nr 256.713 van 8 juni 2023 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.713 van 8 juni 2023 in de zaak A. 230.183/VII-40.763 In zake : de NV COLPAERT ELEKTRO-AUTOMATISATIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom De Sutter en Sander Kaïret kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Smet kantoor houdend te 9630 Zwalm Bruul 27 tegen : de CVBA FLUVIUS SYSTEM OPERATOR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Emma Van Eenoo kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de cvba Fluvius System Operator van 11 december 2019 en bijlagen waarbij de uitbetaling van minimumsteun voor groenestroomcertificaten (hierna: GSC’

  1. s)definitief wordt stopgezet en wordt meegedeeld dat de in het verleden ten onrechte uitbetaalde minimumsteun zal worden teruggevorderd. II. Verloop van de rechtspleging VII-40.763-1/13 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft op 30 november 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart 2023. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sander Kaïret, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Neil Braeckevelt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is eigenaar van een fotovoltaïsche installatie (hierna: PV-installatie) voor de opwekking van zonne-energie, meer bepaald de installatie met nummer PVZG03840 gelegen in de Dragonderdreef 7 te Vichte. VII-40.763-2/13 3.2. Eind 2018 laat de verwerende partij een controle uitvoeren op de betrokken PV-installatie. Uit deze controle blijkt dat het keuringsverslag waarmee de installatie bij de netbeheerder werd aangemeld, niet waarheidsgetrouw is. 3.3. Er wordt op 1 oktober 2019 een verslag van vaststelling opgesteld waarin wordt besloten dat de PV-installatie niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden om GSC’s te verkrijgen, dat de verzoekende partij niet langer recht heeft op de uitbetaling van GSC’s en dat zij voor de betrokken installatie ten onrechte GSC’s heeft verkregen voor een bedrag van 74.700 euro dat moet worden terugbetaald. 3.4. De verzoekende partij dient bij de verwerende partij een schriftelijk bezwaar in tegen het verslag van vaststelling. Vervolgens wordt zij op 20 november 2019 gehoord. Haar bezwaar wordt door de verwerende partij onderzocht in een nota “beoordeling verweer”. 3.5. Op 11 december 2019 wordt de thans bestreden beslissing genomen. De verwerende partij wijst het verweer van de verzoekende partij als ongegrond af. Tegelijk wordt het volgende meegedeeld: “Fluvius zal daarom overeenkomstig artikel 5.1.3. van het Energiedecreet de uitbetaling van minimumsteun voor groenestroomcertificaten definitief stopzetten. Fluvius vordert tevens de ten onrechte uitbetaalde minimumsteun terug op grond van artikel 5.1.3 Energiedecreet en artikelen 55 t.e.m. 57 van de Gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit en, voor de minimumsteun uitgekeerd na 01/01/2012, op grond van de artikelen 11 t.e.m. 14 van de wet van 16 mei 2003”. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij werpt op dat de Raad van State niet over de vereiste rechtsmacht beschikt om kennis te nemen van voorliggend geschil: “Uit artikelen 144 en 145 van de Grondwet volgt dat geschillen over subjectieve rechten (in principe) tot de bevoegdheid van de (gewone) VII-40.763-3/13 rechtbanken en hoven behoren. De Raad van State is dan ook (in principe) niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dit is het geval, indien het annulatieberoep is gericht op de erkenning van een subjectief recht waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. [De] Raad [van State] oordeelde in dit verband reeds eerder: ‘Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van de onbevoegdheid van de Raad van State, is vereist dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft. De bevoegdheid van de Raad van State hangt aldus af van de vraag of wat bestreden wordt een beslissing is waarbij de overheid gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid, of integendeel een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij zich kan beroepen op een welbepaald recht. Voormelde bevoegdheidsverdeling tussen de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en de Raad van State vloeit voort uit de Grondwet. Er kan bijgevolg niet van afgeweken worden. Een andersluidende bepaling in de bestreden beslissing vermag er ook geen afbreuk aan te doen. Zo zullen de vermelding in de bestreden beslissing van een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en het annulatieberoep dat de verzoekende partij vervolgens heeft ingesteld, niet tot het besluit kunnen leiden dat de Raad van State alsnog bevoegd zou zijn, wanneer hij vaststelt dat het beroep strekt tot de erkenning van een subjectief recht (...).’ […] Voormeld arrest betrof overigens een gelijkaardige problematiek, met name een beslissing van de VREG waarbij de toekenning van GSC’en werd geschorst. [De] Raad oordeelde dat toekenning van GSC’en een subjectief recht is dat rechtstreeks aan de rechthebbende toekomt, indien deze aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoet (gebonden bevoegdheid van de VREG). [De] Raad oordeelde dan ook dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk werd ingesteld. In een zeer recent arrest van [de] Raad [van State] dd. 20 april 2020, waarbij eveneens een beslissing tot stopzetting en terugvordering van minimumsteun ingevolge bedrog bij de keuring van een PV-installatie werd bestreden, oordeelde [de] Raad overigens dat de bevoegdheid van verwerende partij inderdaad volledig gebonden is, zodat [de] Raad zonder rechtsmacht is om kennis te nemen van het geschil […]. Zoals supra reeds vermeld, betreft het voorhanden zijn van een geldig AREI-keuringsverslag een basiselement en (basis)voorwaarde voor toekenning van GSC’en en uitbetaling van minimumsteun. Zonder geldig AREI-keuringsverslag kan de PV-installatie inderdaad niet worden aangesloten op het distributienet, kan er dus geen groene stroom worden opgewekt, worden dus geen GSC’en uitgereikt en komt men aldus niet in aanmerking voor steun/subsidie. Dit volgt uit diverse regelgeving, zoals bijvoorbeeld artikelen 6.1.7 Energiebesluit, 7.1.1 Energiedecreet, 7.1.6 Energiedecreet juncto III.4.1.1 van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit (‘TRDE’) […]. VII-40.763-4/13 In casu blijkt onbetwistbaar dat het AREI-keuringsverslag dd. 30 september 2011 werd vervalst door keurder P. Vanrenterghem, zodat keuringsorganisme BTV (evident) overging tot intrekking ervan […]. Verwerende partij kan niet anders dan vaststellen dat geen geldig AREI-keuringsverslag was gevoegd bij de aanvraag én dat het destijds gevoegde AREI-keuringsverslag op heden niet meer bestaat (want ingetrokken is), zodat de voorwaarden voor toekenning van GSC’en en uitbetaling van minimumsteun niet zijn vervuld. Verwerende partij kan aldus niet anders dan vaststellen dat verzoekende partij onterecht -bij gebrek aan enig geldig AREI-keuringsverslag- 249 GSC’en uitbetaald heeft gekregen, zodat deze subsidie/steun moet worden terugbetaald -zie o.a. artikelen 55-57 Gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991 […] en artikelen 11-14 Wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof […] en thans ook expliciet bevestigd in het Energiedecreet onder de noemer ‘energiefraude’, waarin zonder meer wordt gesteld dat de steun wordt stopgezet en teruggevorderd ingeval van energiefraude (zie artikelen 1.1.3, 40°/1,
  2. e)en
  3. f)juncto 5.1.3 Energiedecreet). Verwerende partij heeft hierbij geen enkele beslissingsruimte. Haar bevoegdheid is gebonden”. 5. De verzoekende partij stelt daar het volgende tegenover: “De parallel die verwerende partij meent te ontwaren met arrest nr. 247.426 van 20 april 2020 van [de] Raad [van State], is onbestaande. Het beroep van verzoekende partij is immers niet uitsluitend gericht tegen de loutere beslissing tot terugvorderen van uitbetaalde steun, maar tevens tegen de ‘beoordeling verweer’ (tweede bestreden besluit) alsook het ‘verslag van vaststelling’ (derde bestreden besluit). Essentieel daarbij is dat het aanvankelijke verslag van vaststelling geen enkele melding maakt van energiefraude, noch enige verwijzing naar terugvordering wegens energiefraude of de relevante bepalingen dienaangaande. Het is verzoekende partij die in zijn schriftelijk verweer verwerende partij erop attent maakte dat 1) geen terugvordering mogelijk is bij gebrek aan grondslag, en 2) terugvordering enkel mogelijk is in geval van energiefraude cfr. artikel 5.1.3 Energiedecreet waarvan helemaal geen melding wordt gemaakt in het verslag van vaststelling. […] Geconfronteerd met dit verweer poneert verwerende partij - zonder dienstig verslag van vaststelling - voor het eerst in het eerste en tweede bestreden besluit dat er dan wel sprake moet zijn van energiefraude om alsnog een beslissing tot terugvordering te kunnen nemen. Zelfs indien de stelling wordt gevolgd dat verwerende partij in geval van behoorlijk vastgestelde energiefraude in de zin van artikel 5.1.3 Energiedecreet slechts zou beschikken over een louter gebonden bevoegdheid, is net de kwalificatie en de vaststelling van de ‘energiefraude’ voorwerp van betwisting in onderhavig dossier. VII-40.763-5/13 Ook de beslissingen dienaangaande maken het voorwerp uit van het bij [de] Raad ingestelde beroep. De kwalificatie als ‘energiefraude’ betreft kennelijk de beoordeling van de gegrondheid van de middelen, nu verzoekende partij: - In een eerste middel (onder meer) aanvoert dat verwerende partij de definitie van energiefraude een inhoud toedicht die niet volgt uit het Energiedecreet, minstens kennelijk onjuist oordeelt dat verzoekende partij zich schuldig zou hebben gemaakt aan energiefraude, terwijl uit het dossier kennelijk blijkt dat er geen sprake kan zijn van energiefraude in hoofde van verzoekende partij in de zin van het Energiedecreet; - In een derde middel (onder meer) aanvoert dat het eerste en het tweede bestreden besluit gesteund zijn op de kennelijke onjuiste a posteriori aanname dat het derde bestreden besluit een verslag van vaststelling betreft als bedoeld in artikel 11.1/3.3 Energiebesluit; De exceptie van rechtsmacht gaat -volstrekt ten onrechte- uit van de veronderstelling dat de middelen ongegrond zijn, en dat er sprake zou zijn van energiefraude in de zin van artikel 5.1.3 Energiedecreet. Quod non. Indien de beoordeling van de exceptie dermate nauw verweven is met een vraag die ten gronde wordt gesteld in één of meerdere middelen, behoort het dat de standpunten die partijen daaromtrent innemen in de middelen bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep worden betrokken. […] Tot slot zal [de] Raad met verzoekende partij vaststellen dat zowel het eerste als het derde bestreden besluit uitdrukkelijk vermelden dat het een beslissing betreft die vatbaar is voor vernietiging bij [de] Raad [van State]. Het klemt dat verwerende partij in haar beslissingen steevast de beroepsmogelijkheden bij [de] Raad vermeldt, om vervolgens bij [de] Raad een exceptie van rechtsmacht op te werpen. In zoverre [de] Raad zich zonder rechtsmacht zou verklaren, quod non, behoort het alleszins dat verwerende partij wordt verwezen in de kosten. […]”. 6. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de draagwijdte van de bestreden beslissing(
  4. en)niet beperkt is tot “een loutere beslissing tot stopzetting van de uitbetaling van GSC’s en terugvordering van uitgekeerde steun”, maar dat de “derde bestreden beslissing […] helemaal geen melding [maakt] van enige energiefraude, noch van artikel 5.1.3. Energiedecreet”. Voorts laat zij gelden dat zelfs indien aangenomen zou worden dat de verwerende partij in de bestreden beslissing gewag heeft gemaakt van energiefraude, “net de kwalificatie en de vaststelling van de beweerde ‘energiefraude’ voorwerp van betwisting [is]”. Beoordeling VII-40.763-6/13 7. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten - altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft - tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen en vorderingen waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het beroep of de vordering strekt tot de erkenning van een subjectief recht, waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de uitvoering waarvan die partij belang heeft. Om zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen, is het, zoals gezegd, noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid volledig gebonden is. Er dient dan ook te worden onderzocht of de verwerende partij bij het nemen van de thans bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. De Raad van State is zonder rechtsmacht als het gaat om een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene niet (langer) voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij dat subjectief recht verliest. 8. De toekenning van GSC’s voor elektriciteit, geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, is een subjectief recht dat rechtstreeks aan de rechthebbende toekomt indien deze aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoet. Artikel 6.1.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 ‘houdende algemene bepalingen over het energiebeleid’ (hierna: Energiebesluit) bepaalt in dit verband dat GSC’s “worden” toegekend VII-40.763-7/13 voor de elektriciteit, opgewekt in installaties die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen. 9. In voorliggende zaak vormt de vaststelling van bedrog bij de keuring van de installatie, het decisieve motief voor de definitieve stopzetting en de terugvordering van de minimumsteun. Het oordeel of er al dan niet sprake is van bedrog, kan niet los worden gezien van de vraag of de verzoekende partij aanspraak kan maken op een subjectief recht tot toekenning van GSC’s. Gelet op het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit kan men zich immers nooit op bedrog beroepen, noch in contractuele noch in buitencontractuele verhoudingen, om de toepassing van een rechtsregel in zijn voordeel te rechtvaardigen. Alle rechtsgevolgen die met de bedrieglijke gedragingen worden nagestreefd, moeten volledig worden geneutraliseerd. Bijgevolg kunnen er geen subjectieve rechten ontstaan op basis van de rechtshandeling of de toepassing van de rechtsregel. 10. Als rechtsgrond voor de definitieve stopzetting van de uitbetaling van GSC’s en de terugvordering van de onterecht uitgekeerde steun, verwijst de bestreden beslissing naar artikel 5.1.3 van het decreet van 8 mei 2009 ‘houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid’ (hierna: Energiedecreet). Volgens deze bepaling moet de netbeheerder bepaalde handelingen ondernemen om energiefraude te voorkomen, te detecteren en vast te stellen. Artikel 1.1.3, 40°/1, van het Energiedecreet definieert energiefraude als “elke onrechtmatige actie van eenieder, zowel actief als passief, die gepaard gaat met het verkrijgen van een onrechtmatig voordeel”. Artikel 5.1.3, § 1, eerste lid, 2°, van het Energiedecreet, vervangen bij artikel 22, 1°, van het decreet van 16 november 2018 ‘houdende diverse bepalingen inzake energie’ dat in werking is op 24 december 2018, bepaalt dat “als vaststaat dat er energiefraude als vermeld in artikel 1.1.3, 40°/1,
  5. e)of f), van dit decreet, wordt gepleegd of is gepleegd, [...] de uitbetaling definitief [wordt] stopgezet en [...] de steun [wordt] teruggevorderd die onterecht is uitgekeerd”. VII-40.763-8/13 Voormelde bepaling die de netbeheerders in duidelijk dwingende bewoordingen aanzet om bepaalde handelingen te “ondernemen” in geval van de vaststelling van energiefraude, laat er geen twijfel over bestaan dat de bevoegdheid van de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing volledig gebonden was. Het feit dat artikel 11.1/3.3, § 3, van het Energiebesluit erin voorziet dat de betrokkene schriftelijk zijn verweer kan meedelen aan de netbeheerder, impliceert niet dat de bevoegdheid van de verwerende partij niet volledig gebonden is als zij na onderzoek van het verweer van oordeel is dat energiefraude vaststaat. In dat geval moet de verwerende partij immers overgaan tot de stopzetting van de uitbetaling van de steun en de terugvordering van de onterecht uitbetaalde steun. 11. Daarenboven wordt in de bestreden beslissing ook verwezen naar de artikelen 55 tot en met 57 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit en de artikelen 11 tot en met 14 van de wet van 16 mei 2003 ‘tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof’ (hierna: wet van 16 mei 2003). De artikelen 55 en 57 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit luiden als volgt: “Art. 55. Iedere toelage verleend door het Rijk of door een rechtspersoon, die rechtstreeks of onrechtstreeks door het Rijk gesubsidieerd wordt, daarin begrepen ieder door hen zonder interest verleend terugvorderbaar voorschot, moet aangewend worden voor de doeleinden, waarvoor zij verleend werd. Iedere toelagetrekker is ertoe gehouden verantwoording te verstrekken over de aanwending van de ontvangen bedragen, tenzij de wet hem daarvan vrijstelling verleent. [...] Art. 57. Tot onmiddellijke terugbetaling van de toelage is gehouden de toelagetrekker: 1° die de voorwaarden niet naleeft, waaronder de toelage verleend werd; 2° die de toelage niet aanwendt voor de doeleinden, waarvoor zij verleend werd; 3° die de in artikel 56 bedoelde controle verhindert. VII-40.763-9/13 Blijft de toelagetrekker in gebreke de in artikel 55 bedoelde verantwoording te verstrekken, dan is hij gehouden tot terugbetaling ten belope van het deel dat niet werd verantwoord. [...]”. 12. Uit het hiervoor aangehaalde artikel 57 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit blijkt dat elke toelagetrekker principieel verplicht is de toelage onmiddellijk terug te betalen wanneer de toekenningsvoorwaarden niet worden nageleefd of de toelage niet wordt aangewend voor de doeleinden waarvoor zij verleend werd. In het geval dat de toelagetrekker in gebreke blijft de verantwoording te verstrekken over de aanwending van de ontvangen subsidies, is hij gehouden tot terugbetaling ervan ten belope van het deel dat niet werd verantwoord. Dit betekent dat de verwerende partij over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt, noch met betrekking tot het principe van de terugbetaling, noch met betrekking tot het bedrag ervan. 13. De artikelen 11 tot en met 14 van de wet van 16 mei 2003 bevatten algemene bepalingen inzake de controle op het verlenen en het gebruik van de door de gemeenschappen en gewesten toegekende subsidies. Deze wet is, wat betreft de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, in werking getreden op 1 januari 2012. Voormelde artikelen luiden: “Art. 11. Iedere subsidie verleend door de in artikel 2 opgesomde gemeenschappen en gewesten of door een rechtspersoon, die rechtstreeks of onrechtstreeks door één van die gemeenschappen en gewesten wordt gesubsidieerd, daarin begrepen ieder door hen zonder interest verleend terugvorderbaar voorschot, moet worden aangewend voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend. Behalve wanneer een decreet, ordonnantie of reglementaire bepaling daarin voorziet, worden in iedere beslissing houdende toekenning van een subsidie nauwkeurig de aard, het gebruik en de omvang van en de nadere regels omtrent de door de begunstigde van de subsidie te verstrekken verantwoording vermeld. Iedere begunstigde van een subsidie is ertoe gehouden verantwoording te verstrekken over de aanwending van de ontvangen bedragen, tenzij het decreet of de ordonnantie hem daarvan vrijstelling verleent. Art. 12. Door het aanvaarden van de subsidie verleent de begunstigde meteen aan de in artikel 2 opgesomde gemeenschappen en gewesten het recht om ter plaatse controle te doen uitoefenen op de aanwending van de toegekende gelden. VII-40.763-10/13 De regering of het verenigd college zorgt voor de organisatie en de coo rdinatie van de controle. Voor die controle doen zij onder meer een beroep op de inspecteurs van financie n. Art. 13. Tot onmiddellijke terugbetaling van de subsidie is gehouden de begunstigde: 1° die de voorwaarden niet naleeft, waaronder de subsidie werd verleend; 2° die de subsidie niet aanwendt voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend; 3° die de in artikel 12 bedoelde controle verhindert. Blijft de begunstigde van de subsidie in gebreke de in artikel 11 bedoelde verantwoording te verstrekken, dan is hij gehouden tot terugbetaling ten belope van het deel dat niet werd verantwoord. Art. 14. De uitkering van de subsidies kan worden opgeschort zolang de begunstigde voor soortgelijke subsidies, die hij voordien heeft ontvangen, verzuimt de in artikel 11 bedoelde verantwoording te verstrekken of zich aan de in artikel 12 bepaalde controle te onderwerpen. Wordt een subsidie in tranches uitgekeerd, dan wordt iedere tranche voor de toepassing van dit artikel als een afzonderlijke subsidie beschouwd”. 14. Uit het geciteerde artikel 13 blijkt dat elke toelagetrekker principieel verplicht is de toelage onmiddellijk terug te betalen wanneer de toekenningsvoorwaarden niet worden nageleefd of de toelage niet wordt aangewend voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend. In het geval dat de toelagetrekker in gebreke blijft de verantwoording te verstrekken over de aanwending van de ontvangen subsidies, is hij gehouden tot terugbetaling ervan ten belope van het deel dat niet werd verantwoord. Dit betekent dat de verwerende partij ter zake over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt, noch met betrekking tot het principe van de terugbetaling, noch met betrekking tot het bedrag ervan. 15. Het feit dat de verzoekende partij het beroep mede heeft gericht tegen eerdere stappen in de administratieve besluitvormingsprocedure, zoals tegen de door haar aanvechtbaar geachte handelingen “beoordeling verweer” en het “verslag van vaststelling”, brengt niet mee dat de door de verwerende partij genomen eindbeslissing in de bestuurlijke beroepsprocedure valt onder de rechtsmacht van de Raad van State. 16. De omstandigheid dat de verwerende partij in fine van de bestreden beslissing heeft vermeld dat ertegen beroep kon worden ingediend bij de VII-40.763-11/13 Raad van State, is zonder invloed op de beoordeling van de bevoegdheid van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen vloeien immers voort uit de Grondwet en partijen kunnen daar niet van afwijken. 17. De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van voorliggend geschil. V. Verzoek tot anonimisering 18. De verzoekende partij vraagt om in toepassing van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit zou worden weggelaten. Zij staaft dit verzoek door erop te wijzen dat de benaming van de rechtspersoon herleidbaar is tot één van haar bestuurders en oprichters, die een natuurlijk persoon is. 19. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997, kan bij de publicatie van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. Deze mogelijkheid staat aldus niet open voor de verzoekende partij die een rechtspersoon is. De verzoekende partij toont voorts niet aan dat haar naam bepalend is voor de wijze waarop een natuurlijke persoon in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld in die zin dat haar naam herleidbaar is tot een natuurlijke persoon. 20. Het verzoek wordt niet ingewilligd. VI. Kosten VII-40.763-12/13 21. Aangezien in de bestreden beslissing de Raad van State als het bevoegde rechtscollege werd aangewezen, past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. 22. Een rechtsplegingsvergoeding is, gelet op artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een tegemoetkoming in de kosten van de advocaat van de “in het gelijk gestelde partij”. De verzoekende partij noch de verwerende partij zijn als een dergelijke “in het gelijk gestelde partij” te beschouwen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.763-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.713 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.