← België

Arrest 256719 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.719 Rolnummer: A. 234045/VII-41474 Zaak: Arrest 256719 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-21 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 10:25 Fiche Arrest nr 256.719 van 8 juni 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.719 van 8 jun 2023 in de zaak A. 234.045/VII-41.474 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cara Merckx kantoor houdend te 2600 Berchem Neptunusstraat 54 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 22 juni 2021 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij van 22 april 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. VII-41.474-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 31 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 31 mei
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. VII-41.474-2/10 III. Feiten 3.
  5. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 26 maart 2021 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 20 oktober
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van de betrokkene. 3.
  7. In het Universitair Ziekenhuis Antwerpen ondergaat verzoeker op 15 april 2021 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan achttien jaar. 3.
  8. Op 22 april 2021 stelt de dienst Voogdij vast dat de conclusie van het medisch onderzoek als volgt luidt: “Op basis van het voorgaande onderzoek kunnen we besluiten met een redelijke wetenschappelijke zekerheid dat MIAKHEL Adil op datum van 15.04.2021 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 21.2 jaar met een standaarddeviatie van een 1.9 jaar een goede schatting is” en dat de medische test aantoont dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. De dienst Voogdij stelt vervolgens dat de voorgelegde taskara niet gelegaliseerd is en dat, hoe dan ook, het verschil van bijna 5 jaar tussen het resultaat van de medische test en de verklaringen van verzoeker te groot is en dat zijn documenten niet aanvaard worden maar dat de dienst Voogdij zich baseert op de medische test. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 1 tot en met 4 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen’, van artikel 7 van Titel VII-41.474-3/10 XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003). Hij licht dit als volgt toe: “
  10. Aangezien er ten eerste schending is van de motiveringsplicht, meer bepaald van de artikelen 1 tot 4 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, er schending is van artikel 7 §1 en 3 van Titel XII, hoofdstuk 6, van de programmawet van 24 december 2002,3, alinea 1, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen’ van de programmawet van 24 december 2002, van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Artikel 7 van de Voogdijwet bepaalt dat, wanneer de dienst Voogdij, de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen twijfel koestert over de verklaarde leeftijd van een jongere, die onderworpen wordt aan een medisch onderzoek. Dat leeftijdsonderzoek bepaalt of de jongere minderjarig is of niet, maar stelt geen exacte geboortedatum vast. Indien de arts twijfelt aan de leeftijd - wat gebeurt door een foutenmarge op te nemen bij de eindschatting - moet de dienst Voogdij steeds de jongste leeftijd in acht nemen. Artikel 3 van het Voogdijbesluit voegt hieraan toe dat de dienst Voogdij verklaringen over naam, nationaliteit en leeftijd controleert aan de hand van officiële documenten en inlichtingen door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of andere inlichtingen. In de praktijk bestaat het leeftijdsonderzoek vooral uit een radiografie van sleutelbeen, hand en pols, en gebit. Die wordt eventueel aangevuld met een klinisch onderzoek van het gebit. De arts schat de leeftijd van de verzoeker doorgaans in per test, waarbij hij een foutenmarge aangeeft die kan variëren van zo'n 6 maanden tot 3 jaar. Op basis van deze afzonderlijke testen komt de arts tot een eindschatting, eveneens met foutenmarge. Het verslag van het medisch onderzoek wordt overgemaakt aan de dienst Voogdij, die de eindbeslissing neemt met betrekking tot minder- of meerderjarigheid.
  11. De bestreden beslissing is niet afdoende gemotiveerd. De bestreden beslissing verwijst naar de eindconclusie van het medisch rapport, maar uit niets blijkt hoe de dokter tot deze conclusie is gekomen. Op basis van deze eindconclusie is het niet mogelijk voor verzoeker om te begrijpen waarom hij als plus 18 jaar wordt beschouwd. Verzoeker begrijpt ook niet waarom zijn leeftijd op 21.2 werd bepaald met een standaarddeviatie van 1.9 jaar. Welke test exact heeft de dokter tot deze conclusie gebracht. Bovendien wordt er nergens duidelijkheid verschaft over het resultaat van de verschillende testen. Men geeft enkel een eindconclusie weer, zonder enige verwijzing naar de verschillende resultaten. VII-41.474-4/10 Uw Raad oordeelde reeds bij arrest nr. 246.340 dat de algemene conclusie van dergelijk medisch rapport begrijpelijk moet zijn in het licht van elk van de drie testen. In casu is dat niet het geval. Het medisch verslag toont aan dat er op basis van de orthopantomogram 75% kans is dat hij ouder is dan 19.9 jaar, maar ook 75% is dat hij jonger is dan 22.5 jaar. Volgens deze test kan verzoeker dus wel degelijk minderjarig zijn. 75% is niet sluitend. De handpolsradiografie stelt dat de leeftijd geschat kan worden op 19 jaar, maar er zeker voor de benedengrens rekening gehouden dient te worden met een standaarddeviatie van 1,5 jaar. Dit zou betekenen dat volgens deze test verzoeker wel degelijk minderjarig kan zijn. De radiografie van het sleutelbeen zou bepalen dat verzoeker 20.8 jaar oud is, met een deviatie van 1,7 jaar. Op basis van het medisch verslag kan er niet zomaar gesteld worden dat verzoeker meerderjarig is. Minstens had de arts in het medisch besluit dienen te vermelden waarom bepaalde resultaten weerhouden worden en andere niet. Waarom behoort verzoeker sowieso tot de groep van 75% en waarom zou hij niet kunnen behoren tot de benedengrens rekeninghoudende met de standaarddeviatie. Dit is een ernstig motiveringsgebrek. De bestreden beslissing dient dan ook vernietigd te worden wegens schending van artikel 7 Voogdijwet en schending van het motiveringsbeginsel.
  12. Dienst Voogdij heeft het bijgebrachte document (taskara) door verzoeker gewoon naast zich neergelegd. Het document is niet gelegaliseerd en daarom wordt er geen rekening mee gehouden. Uit de praktijk blijkt echter dat legalisatie voor de dienst Voogdij geen absolute vereiste is. Verzoeker brengt voor het eerst een kopie bij van zijn vaccinatiekaart. Ook deze kaart toont aan dat verzoeker in 2007 als baby zijn eerste vaccinatie kreeg. Verzoeker slaagt er niet in om de documenten te legaliseren, maar brengt wel een vertaling bij (stuk 3). Er wordt door de Dienst Voogdij niet aangetoond dat zij contact opnamen met consulaire of diplomatieke posten om de leeftijd van verzoeker na te gaan. Verzoeker zelf kan gelet op zijn vrees en het bijhorende verzoek om internationale bescherming zelf geen contact opnemen met de overheden van zijn land. Een onderzoek door dienst voogdij bij de diplomatieke diensten, had al kunnen uitwijzen dat de leeftijdsbepaling van verzoeker als ouder dan 18 jaar gewoonweg niet correct kan zijn, gelet op de leeftijden van de broers en zussen van verzoeker. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de Dienst Voogdij dergelijk onderzoek heeft uitgevoerd. De bestreden beslissing dient dan ook omwille van schending van artikel 3 Voogdijbesluit vernietigd te worden.” Beoordeling
  13. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de VII-41.474-5/10 bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit wordt afgeleid dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker heeft er duidelijk kennis van kunnen nemen vermits hij het aan zijn verzoekschrift toevoegt en in het middel ingaat op de verschillende deelonderzoeken. Het enige middel is ongegrond wat de voorgehouden schending betreft van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
  14. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2, van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Nu het medisch onderzoek door de wet zelf is ingesteld als bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd, blijkt geen schending van artikel 7 van de voogdijwet door de bestreden beslissing te steunen op het resultaat van dergelijk onderzoek. Verzoeker bekritiseert niet het gebruik van de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode (tripletest), maar wel de conclusie die de arts trekt uit de concrete testresultaten. Hij meent dat ten onrechte geen rekening werd VII-41.474-6/10 gehouden met de jongste leeftijd, zoals blijkt uit het resultaat van het medisch onderzoek. Naar luid van voormeld artikel 7, § 3, van de voogdijwet wordt ingeval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek rekening gehouden met de jongste leeftijd. Te dezen blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat de arts zich steunt op een drieledig onderzoek, bestaande uit een radiografie van het handpolsgewricht, van de tanden en van het sleutelbeen, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Overigens heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te achterhalen, doch enkel uitsluitsel te krijgen dat de betrokkene al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. In de huidige zaak bedraagt deze op het ogenblik van het medisch onderzoek (dus voordat de bestreden beslissing werd genomen) “21.2 jaar met een standaarddeviatie van een 1.9 jaar”. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, wordt in het medisch verslag niet enkel een eindconclusie weergegeven, maar wordt ook verwezen naar de verschillende testresultaten, die elk afzonderlijk besproken worden. Uit het medisch verslag kan in casu op basis van de handpolsradiografie worden afgeleid dat verzoeker minstens 18 jaar is. Zo wordt vermeld dat “bij de betrokkene (...) er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd. Op basis van de handpolsradiografie kan de skelettale leeftijd geschat worden met een redelijke zekerheid op 19 jaar of ouder. Een standaard deviatie van ongeveer 1,5 jaar dient hierbij gerespecteerd te worden, althans voor de benedengrens. Voor de VII-41.474-7/10 bovengrens kan deze veel hoger liggen aangezien met toenemende leeftijd er geen veranderingen meer optreden in het polsgewricht”. Daarnaast toont het radiologisch onderzoek van het sleutelbeen aan dat verzoeker minstens 18 jaar is, nu dit onderzoek aantoont dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen partieel verbeend is, wat volgens het onderzoek van Schmeling (..) overeenkomt met stadium type
  15. Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van 20.8 jaar met een standaarddeviatie van 1.7 jaar”. Uit dit onderzoek blijkt derhalve zeer duidelijk dat verzoeker meer dan 18 jaar is. Op grond van het radiologisch onderzoek van de tanden besluit de arts dat “alle tanden exclusief de wijsheidstanden volledig afgevormd zijn. Gezien dit gegeven bekomt men (…) een stadium G met een leeftijd van 21.2 jaar, waarbij een standaarddeviatie van 1.9 jaar dient in acht genomen te worden. Volgens dit zelfde onderzoek bestaat er een kans van 75% dat het individu in kwestie ouder is dan 19.9 jaar, en 75% kans dat hij jonger is dan 22.5 jaar”. Uit het verslag blijkt aldus dat verzoeker op basis van het orthopantomogram ouder dan 19,2 jaar is. De aangegeven deviatiefactor van “75% kans dat hij jonger is dan 22.5 jaar” doet daar dan ook geen afbreuk aan en houdt hoogstens in dat er 75% kans is dat verzoeker tussen de 19,2 jaar en de 22,5 jaar is. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Dat één van de onderzoeken, waarvan uitdrukkelijk wordt gesteld dat het wijst op een volwassen skelettale leeftijd van minstens 19 jaar, een deviatiefactor van 1,5 jaar vermeldt, doet hieraan evenmin afbreuk, mede gelet op de resultaten van de twee andere onderzoeken waaruit blijkt dat verzoeker minstens 18 jaar is. Verzoeker toont niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de voornoemde vaststellingen, vermits op basis van de hand/polsradiografie een “biologisch matuur skelet” blijkt wat neerkomt “op een leeftijd van minstens 19 jaar”, op basis van de radiografie van de sleutelbeenderen “een gemiddelde leeftijd van 20.8 jaar met een standaarddeviatie van 1.7 jaar” blijkt en op basis van het radiologisch onderzoek van de tanden een leeftijd van 21.2 jaar met een standaarddeviatie van 1.9 jaar blijkt. VII-41.474-8/10 Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of hij meer dan achttien jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. Verzoeker voert voorts aan dat de dienst Voogdij de door hem voorgelegde taskara naast zich neerlegt omdat het document niet gelegaliseerd is. Nog daargelaten de vaststelling dat conform artikel 30 van het Wetboek van Internationaal privaatrecht (hierna: het WIPR) zelfs authentieke documenten geen bewijskracht hebben indien ze niet gelegaliseerd werden, dient de dienst Voogdij een neergelegde taskara niet te laten primeren op het medisch onderzoek. Ingevolge artikel 28, § 2, van het WIPR mag het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten immers met alle middelen van recht worden aangebracht en het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Om die reden rust er op de dienst Voogdij evenmin een verplichting om contact op te nemen met consulaire of diplomatieke posten om de leeftijd van verzoeker na te gaan. In zoverre dat verzoeker thans zijn vaccinatiekaart overlegt waaruit volgens hem zijn voorgehouden minderjarigheid eveneens zou moeten blijken, blijkt echter niet dat de verwerende partij reeds over dit stuk beschikte bij het nemen van de bestreden beslissing. Er kan derhalve geen rekening mee worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing.
  16. Het enig middel is ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing VII-41.474-9/10
  17. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  20. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.474-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.719 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.