← België

Arrest 256720 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.720 Rolnummer: A. 235914/VII-41561 Zaak: Arrest 256720 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-21 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 10:26 Fiche Arrest nr 256.720 van 8 juni 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.720 van 8 juni 2023 in de zaak A. 235.914/VII-41.561 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benedikte Timmermans kantoor houdend te 8200 Brugge Vaartdijkstraat 19 B1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 25 januari 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste VII-41.561-1/9 lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 31 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 31 mei
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 20 december 2021 aan bij de dienst Voogdij als niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Verzoeker verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit en 15 jaar en 10 maanden oud te zijn (administratieve geboortedatum: 28 februari 2006). De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van de betrokkene. 3.
  6. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 7 januari 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De artsen besluiten dat verzoeker “op datum van 07-01-2022 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 18,5 jaar een minimum leeftijd is” die waarschijnlijk nog hoger ligt. VII-41.561-2/9 3.
  7. Op 25 januari 2022 beslist de dienst Voogdij op grond daarvan dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 1 tot en met 4 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003) en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en de zorgvuldigheidsplicht. Verzoeker voert tevens de manifeste appreciatiefout en fout in de motivering aan. Hij licht dit als volgt toe: “Het weze benadrukt te worden dat artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind bepaalt dat: ‘Het belang van het kind moet voorop staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. De overheid moet het welzijn van alle kinderen bevorderen en houdt toezicht op alle voorzieningen voor de zorg en bescherming van kinderen.’ Aldus dient te worden afgeleid dat men in alle zekerheid moet kunnen beslissen dat de betrokkene meerderjarig is alvorens hem zijn voogd te onttrekken. Volgens een advies van de Nationale Raad betreffende de testen voor leeftijdsbepaling bij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen dd. 20 februari 2010 geldt het volgende: ‘De interpretatie van een röntgenfoto is geen onfeilbare methode om de leeftijd van een persoon te bepalen. Voor deze interpretatie is een bijzondere expertise vereist. De techniek van de botleeftijdsbepaling laat enkel toe de leeftijd van het skelet vast te stellen. Het overeenstemmen met de burgerlijke leeftijd van de persoon is een diagnostische beoordeling. Verschillende factoren (etnische, genetische, endocrinische, sociaal-economische, nutritionele, medische, ...) kunnen de groei van een individu beïnvloeden. De tabellen voor de botleeftijdsbepaling die als referentie dienen, zijn opgemaakt op grond van een bepaalde bevolking; de meest gebruikte zijn gebaseerd op de westerse blanke bevolking. Opdat de verwijzing relevant zou zijn, dient de persoon op wie ze toegepast worden tot dezelfde VII-41.561-3/9 bevolking te behoren. De dentale criteria hangen in het bijzonder of van de etnische oorsprong en van het sociaal-economisch en nutritioneel niveau van het individu.’ Schatting houdt altijd een onnauwkeurigheidsfactor in en kan bijgevolg slechts leiden tot een betrouwbaarheidsinterval. Twijfel moet altijd uitvallen in het voordeel van de persoon die verklaart minderjarig te zijn. De termen ‘redelijke wetenschappelijke zekerheid’ kunnen alleszins niet overtuigen dat de uitkomst van het medisch onderzoek een voldoende basis voor dergelijke belangrijke beslissing vormt. Op datum van 07.01.2022 onderging verzoeker een radiologisch onderzoek, opgedeeld in: een radiografie van het handpolsgewricht, van de tanden en van de sternoclaviculaire gewrichten. Uit het tandheelkundig onderzoek zou blijken dat de leeftijd geschat wordt op 18,5 jaar, dit is echter met een 95% predictie-interval tussen 16,2 — 19,9 jaar en een kans van 54% dat deze persoon ouder is dan 18 jaar. Aldus kan niet met zekerheid worden gezegd dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Er is slechts sprake van een kans van 54%. Verder wordt er geen rekening gehouden met de etnische oorsprong van verzoeker. Bovendien kan van een zorgvuldige overheid verwacht worden dat zij tevens bijkomende onderzoeksdaden zouden verrichten teneinde met zekerheid te kunnen vaststellen dat verzoeker meerderjarig is, doch dit in casu niet het geval is. Tevens kan een Taskara (Afghaanse identiteitskaart) worden voorgelegd waaruit de leeftijd van verzoeker duidelijk blijkt. (stuk 2) Tevens wordt een vaccinatiekaart neergelegd waaruit de exacte geboortedatum van verzoeker blijkt. (stuk 3) Volgens de Taskara was verzoeker in het jaar 2011 5 jaar oud. Dit stemt overeen met zijn vaccinatiekaart waar volgens de Perzische jaartelling de geboortedatum 23.08.85 werd genoteerd. Volgens de Gregoriaanse jaartelling is de geboortedatum van verzoeker 14.11.
  9. Op heden staat onbetwistbaar vast dat verzoeker minderjarig is. Deze documenten werden in datum van 08.03.2022 bezorgd aan de Dienst Voogdij met verzoek de procedure te heropenen. Op heden bleef de Dienst Voogdij in gebreke hierop een antwoord te verschaffen, zodat verzoeker genoodzaakt was zich te voorzien in beroep, gelet de lopende beroepstermijn. (stuk 4) Art. 3, lid 1, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 bepaalt nochtans dat de voogdijdienst ‘de niet-begeleide buitenlandse minderjarige identificeert en zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd verifieert aan de hand van zijn officiële documenten of van inlichtingen die hij heeft ingewonnen bij de consulaire of diplomatieke diensten van het land van herkomst of doorreis, of van enige andere informatie’, quod non in casu. Uit niets blijkt dat de Dienst Voogdij de Taskara en/of de vaccinatiekaart in aanmerking heeft genomen, noch dat zij ‘enige informatie heeft gevraagd aan de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst’ of dat er op enigerlei wijze controles zijn verricht, hoewel verzoeker over zijn Taskara beschikt en de dienst deze informatie dus had kunnen verifiëren. De Rechtbank van Eerste Aanleg van Hasselt oordeelde bij vonnis dd. 25.02.2008 dat de bewijswaarde van de identiteitsdocumenten groter is dan VII-41.561-4/9 die van het medisch onderzoek. Aldus dient een groter belang te worden gehecht aan de Taskara van verzoeker. (Rb. Hasselt 25 februari 2008, Rev.dr.étr. 2008 (samenvatting), afl. 150, 572; TJK 2010 (samenvatting), afl. 1, 81; T.Vreemd. 2009 (samenvatting), afl. 2, 127, noot WISSING, R.). Tevens wordt de beslissing van de overheid onvoldoende nauwkeurig gemotiveerd. De motivering van de beslissing gaat niet verder dan het verwijzen naar het besluit van de medische test. Er wordt geen melding gemaakt van de bijzonderheden van de verschillende medische onderzoeken en in de beslissing wordt uitsluitend uitgegaan van de conclusie van het medisch rapport, welke duidelijk onjuist is. Gelet het bovenstaande dient de beslissing van Dienst Voogdij dd. 25.01.2022 te worden vernietigd.” Beoordeling
  10. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker “zeker ouder [is] dan 18 jaar, waarbij 18,5 jaar een minimum leeftijd is” die waarschijnlijk nog hoger ligt. Verduidelijkt wordt dat “[i]mmers eens de wijsheidstanden volgroeid zijn (…) ook met de toenemende leeftijd deze methode de werkelijke leeftijd (zal) onderschatten aangezien geen verdere veranderingen radiologisch optreden” en benadrukt wordt dienvolgens “het belang van de radiografie van het sleutelbeen”. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont evenmin aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Het enige middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ vastgelegde formelemotiveringsplicht betreft. VII-41.561-5/9
  11. Verzoeker is voorts van mening dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat hij ouder is dan 18 jaar, vermits uit de resultaten van de radiologie van de tanden blijkt dat er sprake is van een kans van 54%. Verzoeker betoogt dat de medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling slechts een schatting zijn, die steeds een onnauwkeurigheidsfactor inhoudt en dat twijfel altijd in het voordeel van de minderjarige moet zijn. Hij toont evenwel niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen is de eindconclusie dat verzoeker “op datum van 07-01-2022 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 18,5 jaar een minimum leeftijd is” . Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken en dat één van de deelonderzoeken geen honderd procent zekerheid biedt, doet op zich geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid waaruit met VII-41.561-6/9 redelijke wetenschappelijke zekerheid vaststaat dat verzoeker een leeftijd van “zeker ouder dan 18 jaar” heeft. Dat uit de radiografie van de tanden blijkt dat er een “95% predictie-interval tussen 16,2 – 19,9 jaar (is) en een kans van 54% dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”, doet hieraan dan ook evenmin afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de voornoemde vaststellingen, vermits uit de handpolsradiografie een biologisch matuur skelet blijkt, wat neerkomt op een leeftijd van minstens 18 jaar, en op basis van de radiografie van het sleutelbeen een “gemiddelde leeftijd van 26,7 jaar met een standaarddeviatie van 2,3 jaar” blijkt. In het medisch verslag wordt overigens duidelijk aangegeven, wat de radiografie van de tanden betreft, dat de wijsheidstanden de laatste tanden zijn die afgevormd worden en op de leeftijd van 16 tot 23 jaar de enige tanden zijn die nog in ontwikkeling zijn en dat het ontwikkelingsstadium van de wijsheidstanden wordt geregistreerd aan de hand van een 10-puntscoringssysteem, waarbij een tand met een beginnende ontwikkeling score 1 krijgt, een volledig ontwikkelde tand score 10 krijgt, en de 8 stadia tussenin gradueel de radiologisch geobserveerde tandontwikkeling weergeven. Hierbij wordt aangegeven dat “[d]it impliceert dat, net zoals bij de handpolsradiografie, er een bovengrens is voor de toepassing van deze techniek, namelijk eens alle wijsheidstanden stadium 10 bereikt hebben en dus volledig afgevormd zijn, kan men niet juist vaststellen hoeveel dagen, maanden of jaren het geleden is dat stadium 10 bij het betrokken individu bereikt werd. In dat geval levert de dentale leeftijd een schatting op van de minimale gemiddelde chronologische leeftijd van een individu met volledig gemineraliseerde wijsheidstanden welk 23,0/23,5 jaar (percentiel 50) bedraagt, respectievelijk voor mannen/vrouwen”. Bij de eigenlijke leeftijdsschatting van verzoeker wordt aldus vermeld dat de ontwikkelingsstadia van de tanden, die zich bevinden tussen stadium 7 en 10, wijzen op een leeftijd van 18,5 jaar. In zijn eindconclusie verduidelijkt de arts daarbij uitdrukkelijk dat “[i]mmers eens de wijsheidstanden volgroeid zijn (…) ook met de toenemende leeftijd deze methode de werkelijke leeftijd (zal) onderschatten aangezien geen verdere veranderingen radiologisch optreden” en benadrukt wordt dienvolgens “het belang van de radiografie van het sleutelbeen”. VII-41.561-7/9 Verzoeker zet weliswaar vraagtekens bij de resultaten van het onderzoek van de tanden, doch hij toont daarmee niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de gedane vaststellingen. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, dient de jongste leeftijd, zoals bepaald in artikel 7, § 3, van de voogdijwet, te worden afgeleid uit de eindconclusie en niet uit één deelonderzoek. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag.
  12. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. De voornoemde bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd, te dezen op grond van het fysieke voorkomen van verzoeker, wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Verzoeker legt thans zijn taskara en een vaccinatiekaart voor waaruit zijn voorgehouden minderjarigheid zou moeten blijken. Het blijkt echter niet dat de verwerende partij reeds over deze stukken beschikte bij het nemen van de bestreden beslissing. Er kan derhalve geen rekening mee worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. VII-41.561-8/9
  13. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het beroep.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.561-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.