← België

Arrest 256721 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.721 Rolnummer: A. 236650/VII-41537 Zaak: Arrest 256721 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-21 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 10:26 Fiche Arrest nr 256.721 van 8 juni 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.721 van 8 juni 2023 in de zaak A. 236.650/VII-41.537 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 22 april 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.537-1/11 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 31 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 31 mei
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 4 april 2022 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 20 februari
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over deze leeftijd. 3.
  7. Op 14 april 2022 vindt een medisch onderzoek plaats in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, teneinde na te gaan of betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 14.04.2022 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 22.5 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. 3.
  8. Op 15 april 2022 legt de sociaal assistent van het Oriëntatie- en VII-41.537-2/11 Observatiecentrum van Sint-Pieters-Woluwe een foto van een Afghaans identiteitsdocument voor. 3.
  9. Op 22 april 2022 beslist de dienst Voogdij dat voormeld document niet kan aanvaard worden omdat het geen eensluidend verklaarde kopieën zijn en baseert hij zich op de eindconclusie van het medisch onderzoek om te beslissen dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  10. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van artikel 7 van titel XIII, hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van titel XIII, hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van artikel 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht’ (hierna: het WIPR), van artikel 25 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: de procedurerichtlijn)’, van artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht. Verzoeker verwijst voorts naar de procedurerichtlijn, die volgens hem directe werking heeft, en stelt dat hij op basis van de bestreden beslissing en het medisch dossier niet kan nagaan welke elementen hebben geleid tot de twijfel VII-41.537-3/11 over zijn leeftijd waardoor een medisch leeftijdsonderzoek is gevraagd. Verzoeker stelt dat uit de bestreden beslissing bovendien niet blijkt dat hij werd geïnformeerd over het verloop van het onderzoek, namelijk of hij in kennis is gesteld over dat onderzoek in een taal die hij kon begrijpen, wat de onderzoeksmethoden zijn, wat de gevolgen van het onderzoek zijn en wat er gebeurt indien hij zijn medewerking zou hebben geweigerd. Bovendien is er volgens verzoeker op basis van die elementen ook sprake van een schending van de formelemotiveringsplicht. Tevens stelt verzoeker vast dat bij aankomst met zijn verklaringen geen rekening is gehouden en aldus een medisch onderzoek naar zijn leeftijd werd ingesteld. Dergelijk onderzoek wordt volgens hem echter fel bekritiseerd. Verwijzend naar een resolutie van het Europees parlement stelt verzoeker dat er gerede twijfel bestaat over de nauwkeurigheid van de medische testen. Op zijn minst moeten volgens hem zijn socio-economische achtergrond, nutritioneel niveau en etnische achtergrond in rekening worden gebracht. Bovendien voorziet het koninklijk besluit van 22 december 2003 in de mogelijkheid voor het uitvoeren van psycho-affectieve testen. Verzoeker krijgt met de bestreden beslissing geen inzicht in de uitgevoerde testen bij het medisch onderzoek. Hij stelt vast dat in de bestreden beslissing bovendien melding wordt gemaakt van de zinssnede “op basis van het voorgaande onderzoek” zonder dat duidelijk is op welk onderzoek dat slaat. Verzoeker stelt dat de uitslag van het medisch onderzoek hem niet kenbaar is gemaakt en kennelijk niet zorgvuldig in de besluitvorming wordt betrokken. Ondergeschikt stelt verzoeker nog vast dat de beoordeling van de bestreden beslissing geen blijk geeft van een redelijk of zorgvuldig oordeel aangezien niet op zorgvuldige wijze rekening is gehouden met zijn verklaring en het door hem voorgelegde identiteitsdocument. Bovendien blijkt volgens verzoeker niet dat hij de gelegenheid heeft gekregen om een eensluidende verklaring of afschrift betreffende het identiteitsdocument af te leveren. De verwerende partij kon dit document niet zomaar op rechtmatige wijze naast zich neerleggen, waardoor ze volgens hem de bewijswaarde ervan miskent. VII-41.537-4/11 Beoordeling
  11. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan achttien jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Het verslag van het deskundig onderzoek maakt deel uit van het administratief dossier. Verzoeker voert niet aan, en maakt hoegenaamd niet aannemelijk, dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen. Zoals hoger reeds werd opgemerkt blijkt uit de bestreden beslissing dat deze is gesteund op de resultaten van het medisch onderzoek, dat een dragend en afdoend motief vormt zodat, zoals verder zal blijken, de verwerende partij er zich wettig op vermocht te steunen. In de bestreden beslissing wordt de op 4 april 2022 door de dienst Vreemdelingenzaken geuite twijfel aan de door VII-41.537-5/11 verzoeker opgegeven leeftijd vermeld. Net omwille van het objectief medisch verslag is een nadere motivering waarom werd getwijfeld aan verzoekers leeftijd, niet vereist in het licht van de formelemotiveringsplicht. Het enige middel is ongegrond wat de voorgehouden schending van de in de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet vervatte formelemotiveringsplicht betreft.
  12. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32/EU kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. In de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling”, die deel uitmaakt van het administratief dossier, staat overigens aangegeven dat wordt getwijfeld over de ingeroepen minderjarigheid omwille van verzoekers fysiek voorkomen en dat verzoeker werd geïnformeerd over de geuite twijfel. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32:EU zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, VII-41.537-6/11 alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Te dezen staat in de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” betreffende verzoeker vermeld dat hij het document dat hem informeert over het verloop van de leeftijdstest heeft ontvangen en dat hij zich niet verzet tegen de uitvoering van een leeftijdstest. Uit het verslag van het leeftijdsonderzoek blijkt dat verzoeker op 14 april 2022 “o.a. vergezeld (was) van de heer [R. B.] van de dienst Voogdij”. Ook toen heeft verzoeker zich niet verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Omwille van deze elementen blijkt dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32/EU niet werden gerespecteerd. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
  13. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk VII-41.537-7/11 leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich op basis van een citaat uit een resolutie van het Europees parlement tot algemene kritiek op het gebruik van de drievoudige test als methodologie doch hij toont daarmee niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zoals hoger reeds werd vastgesteld, toont verzoeker niet aan dat hij geen kennis kon nemen of krijgen van het medisch verslag. Uit dit verslag blijkt nochtans dat de arts de gebruikte methodes toelicht en eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen, doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Op basis van het orthopanthomogram stelt de arts vast dat alle tanden, inclusief de wijsheidstanden afgevormd zijn, en wijst het tandheelkundig onderzoek in de richting van een persoon die 22,5 jaar is waarbij een standaarddeviatie van 1,7 jaar dient in acht genomen te worden en waarbij een kans van 75% bestaat dat deze persoon ouder is dan 21,4 jaar. Op basis van de handpolsradiografie stelt de arts vast dat er een VII-41.537-8/11 volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomst met een volwassen skelettale leeftijd. Op basis van de radiografie van het sleutelbeen stelt de arts dan weer vast dat de mesiale epiphyse tussen beide sleutelbeenderen onverbeend is, wat overeenstemt met een gemiddelde leeftijd jonger dan 20,8 jaar. De arts besluit op grond van deze drie testen dat het te dezen op datum van 14 april 2022 gaat om “een leeftijd van ouder dan 18 jaar, waarbij 22.5 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. Zoals hoger werd opgemerkt, toont verzoeker niet aan dat hij, niettegenstaande in de bestreden beslissing expliciet wordt vermeld dat hij een kopie van het medisch verslag kan bekomen, dit verslag niet kon raadplegen. Uit voormeld verslag blijkt duidelijk hoe de arts tot het besluit komt dat verzoeker minstens 18 jaar oud is. Verzoeker betwist in het middel voorts niet op concrete wijze de door de arts gevolgde onderzoeksmethodologie noch gaat hij hierop in concreto in. De algemene kritiek vervat in de resolutie waaraan verzoeker refereert, is onvoldoende om ervan te overtuigen dat het concrete medische onderzoek dat hij heeft ondergaan, aanleiding geeft tot twijfel. Met die algemene kritiek doet verzoeker aldus wel blijken van een eigen standpunt of visie omtrent de opportuniteit van de keuze van de tripletest als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar hij doet evenwel niet blijken dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is, noch gericht is op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoeker al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Aldus doet verzoeker niet blijken dat de verwerende partij niet op grond van een deskundige onderzoeksmethode is overgegaan tot de leeftijdstest. Verzoeker bekritiseert overigens niet in het minst de conclusie die de artsen trekken uit de concrete testresultaten. VII-41.537-9/11 Het enige middel is ongegrond wat de voorgehouden schending van artikel 7 van de voogdijwet en van de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur betreft.
  14. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Gezien hetgeen supra is gesteld over het medisch onderzoek als door de wet ingesteld bewijsmiddel bij twijfel over de opgegeven leeftijd, was de dienst Voogdij er evenmin toe gehouden andere vormen van onderzoek te voeren. Het enige middel is in die mate ongegrond.
  15. De dienst Voogdij dient een neergelegde foto van een Afghaans identiteitsdocument niet te laten primeren op het medisch onderzoek. Ingevolge artikel 28, § 2, van het WIPR mag het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten immers met alle middelen van recht worden aangebracht en het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat conform artikel 30 van het WIPR zelfs authentieke documenten geen bewijskracht hebben indien ze niet gelegaliseerd werden. Te dezen heeft verzoeker zelfs geen authentiek document neergelegd, doch slechts een foto van een identiteitsdocument. Verzoekers kritiek dat niet blijkt dat hij in de mogelijkheid is gesteld om een eensluidend verklaarde kopie of het originele identiteitsdocument voor te leggen, is niet dienstig. Niets weerhield verzoeker ervan om de betreffende eensluidend verklaarde of originele documenten voor te leggen. VII-41.537-10/11
  16. Vermits uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker op 14 april 2022 meer dan 18 jaar oud is en verzoeker de onwettigheid van deze vaststelling niet aantoont, kan hij zich niet dienstig beroepen op artikel 24.2 van het Handvest. Het enige middel is in die mate niet ontvankelijk.
  17. Het enige middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.537-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.721 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.