id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.722 Rolnummer: A. 236722/VII-41563 Zaak: Arrest 256722 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-21 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 10:26 Fiche Arrest nr 256.722 van 8 juni 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.722 van 8 juni 2023 in de zaak A. 236.722/VII-41.563 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Van Overdijn kantoor houdend te 1180 Brussel Messidorlaan 330/box 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 29 juni 2022 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij van 2 mei 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-41.563-1/13 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 31 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 31 mei
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 2 maart 2022 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart aan de dienst Vreemdelingenzaken van Afghaanse afkomst en minderjarig te zijn, met name 17 jaar oud te zijn (administratieve geboortedatum: 28 februari 2006). De dienst Vreemdelingenzaken uit evenwel twijfels over deze VII-41.563-2/13 leeftijd. 3.
- Op 7 maart 2022 vindt een medisch onderzoek plaats in het Universitair Ziekenhuis St-Rafaël te Leuven, teneinde na te gaan of betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar. De artsen besluiten dat verzoeker “een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. 3.
- Op 2 mei 2022 beslist de dienst Voogdij op grond daarvan dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker leidt een enig middel af uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht en de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van de manifeste appreciatiefout, van de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mensen en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: EVRM), van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet), van artikel 7 van de wet van 24 december 2002 - Programmawet (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (hierna: de voogdijwet) en van het recht op verdediging. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing gebaseerd is op en verwijst naar het medisch verslag, doch dat dit verslag niet werd overgemaakt op het moment van de kennisgeving van de bestreden beslissing. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de VII-41.563-3/13 deskundigen in hun medisch verslag verschillende bronnen citeren om hun standpunt te staven, doch dat deze bronnen zich niet in het dossier bevinden, evenmin als de radiografieën, zodat de Raad van State zijn legaliteitscontrole niet kan uitoefenen en bijgevolg artikel 14 RvS-wet en het zorgvuldigheidsbeginsel worden geschonden. Dit brengt volgens verzoeker tevens een schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: vreemdelingenwet) en van de artikelen 1 tot en met 3 van de motiveringwet met zich mee, nu deze artikelen de overheid opleggen elke administratieve handeling zowel in rechte als in feite adequaat te motiveren. In een derde middelonderdeel betoogt verzoeker dat het bestuur hem niet gehoord heeft na de kennisname van het resultaat van het medische onderzoek, terwijl het bestuur een beslissing heeft genomen die zware en negatieve gevolgen heeft op zijn situatie. Verzoeker voegt eraan toe dat de verwerende partij “ook een psychoaffectieve gehoor (zou) organiseren in het kader van deze gehoor”. In een vierde middelonderdeel stelt verzoeker dat de bestreden beslissing gebaseerd is op het medisch verslag, waarvan de betrouwbaarheid niet aangetoond is, zodat er een schending is van de artikelen 8 en 13 EVRM, artikel 7 van de voogdijwet, de zorgvuldigheidsplicht en de artikelen 1 tot 3 van de motiveringwet. Verzoeker wijst erop dat uit het dossier niet blijkt dat hij werd ingelicht over de procedure en de gevolgen en of hij zijn toestemming heeft gegeven voor het medisch onderzoek. Verzoeker erkent dat de mogelijke twijfel over de leeftijd en het medisch onderzoek door de wet zijn voorzien doch ziet de noodzaak ervan in een democratische samenleving, noch welk belang zou beschermd worden, in. In dergelijke omstandigheden moet worden onderlijnd dat de bestreden beslissing het artikel 8 EVRM schendt, temeer nu niet blijkt dat hij zijn toestemming heeft gegeven. Bovendien merkt verzoeker op dat, om een daadwerkelijk rechtsmiddel te hebben, hij het medisch verslag in het kader van de onderhavige procedure moet kunnen bestrijden, alsook de gebruikte methodologie. Verzoeker wijst erop dat het medisch verslag bijzonder kort is en weinig VII-41.563-4/13 informatie over de gebruikte methodologie bevat. Vervolgens bekritiseert verzoeker elk van de drie deelonderzoeken en haalt hij diverse factoren aan die de medische methodologie kunnen beïnvloeden, zoals de etnische origine, de medische voorgeschiedenis, en andere elementen. Hij wijst erop dat een holistische benadering noodzakelijk is en dat een beslissing die louter steunt op het medisch onderzoek artikel 7 van de voogdijwet en artikel 8 EVRM schendt. In een vijfde middelonderdeel stelt verzoeker dat het verslag van de arts niet aantoont dat hij ouder dan 18 jaar is. Verzoeker wijst er vooreerst op dat het onderzoek van de tanden werd gevoerd door een radioloog en niet door een arts die in tandheelkunde specialist is, zodat de bestreden beslissing niet correct gemotiveerd is en aldus een schending van de artikelen 1 tot 3 van de motiveringswet en van artikel 7 van de voogdijwet inhoudt. Verzoeker stelt verder dat de radioloog van mening is dat 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar een “goede schatting” is. Dergelijk besluit is volgens verzoeker onbegrijpelijk ten aanzien het resultaat van de verschillende testen. Voor wat de radiografie van de hand en de pols betreft, stelt verzoeker vast dat de benedengrens daarvan resulteert in een persoon met een matuur skelet, doch dat dit onderzoek de minderheid niet uitsluit. Met betrekking tot de radiografie van het sleutelbeen wijst verzoeker erop dat de radioloog van mening is dat hij tot het stadium 3 van de Schmeling schaal behoort, hetgeen volgens de radioloog overeen zou komen “met een gemiddelde leeftijd van rond 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Verzoeker stelt evenwel vast dat hij op grond van de standaarddeviatie minderjarig is en onderlijnt dat de door de arts vastgestelde leeftijd van 20 jaar onbegrijpelijk is ten aanzien van de Schmeling schaal, nu volgens die schaal een stadium 3 overeenkomt met een persoon van ten minste ongeveer 16 jaar oud is. Verzoeker stelt zich de vraag waarom de radioloog de leeftijd van 20 jaar behoudt, terwijl de auteur van de schaal in een andere richting gaat, temeer nu dit een belangrijk invloed kan hebben op het finaal besluit en het niet kan uitgesloten worden dat hij minder dan 18 jaar oud is. Verzoeker meent dan ook dat het besluit van de arts en van het bestuur bijgevolg onbegrijpelijk is, en de bestreden beslissing bijgevolg niet correct gemotiveerd is. VII-41.563-5/13 Beoordeling
- De schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die is genomen met toepassing van Titel XIII, hoofdstuk 6, “voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, van de programmawet (I) van 24 december 2002 en dus niet van de vreemdelingenwet. In die mate is het enige middel niet ontvankelijk.
- Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van het medisch onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker “op datum van 07-03-2022 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar (…)” en derhalve ouder is dan achttien jaar. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Uit de uiteenzetting van het vierde middelonderdeel blijkt overigens dat verzoeker kennis heeft van het medisch verslag. Het enige middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet betreft.
- Verzoeker stelt tevens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel vast omdat de bronnen van het medisch onderzoek en de radiografieën niet in dat onderzoek zelf, noch in de bestreden beslissing worden weergegeven. VII-41.563-6/13 Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het medisch onderzoek, dat als basis diende voor de bestreden beslissing, verwijst naar verschillende bronnen en is onder meer gebaseerd op radiografieën. Dat die bronnen en radiografieën niet in het medisch onderzoek zelf worden opgenomen (als bijlage) doet niet terzake, vermits verzoeker geen dergelijke rechtsplicht aantoont. Zo hij dit wenste, kon hij de geciteerde bronnen eenvoudig zelf opzoeken en/of inzage vragen van deze bronnen en van de radiografieën. Er kan niet worden ingezien in welke mate de verwerende partij niet zorgvuldig heeft gehandeld en in welke mate verzoekers belangen zijn geschaad. Om die redenen kan ook geen schending van de formele motiveringsplicht of van artikel 14 RvS-wet worden aangenomen.
- Wat de hoorplicht betreft, dient te worden opgemerkt dat dit beginsel inhoudt dat het bestuur, bij afwezigheid van een formele regeling terzake, niemand een voordeel kan weigeren dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, noch hem dergelijk voordeel kan ontnemen noch hem een sanctie met een voldoende ernstig karakter kan opleggen zonder dat de betrokkene vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Aan dit beginsel is voldaan wanneer de aanvrager in zijn aanvraag alle nuttige elementen kan laten gelden. Te dezen blijkt uit de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” van 2 maart 2022 dat verzoeker op de hoogte werd gebracht van de twijfel van de dienst Vreemdelingenzaken over de ingeroepen minderjarigheid omwille van zijn fysieke verschijning, dat verzoeker documenten heeft ontvangen met informatie over het verloop van de leeftijdstest en dat verzoeker zich niet verzette tegen de uitvoering van de leeftijdstest. De hoorplicht houdt niet in dat de dienst Vreemdelingenzaken verzoeker eerst op de hoogte VII-41.563-7/13 moest brengen van de uitslag van het medisch onderzoek alvorens de bestreden beslissing te nemen. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar in de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en uit wat volgt blijkt dat de kritiek die verzoeker ter zake heeft aangevoerd, niet gegrond is.
- Zoals reeds opgemerkt werd, blijkt uit de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” van 2 maart 2022 dat verzoeker op de hoogte werd gebracht van de twijfel van de dienst Vreemdelingenzaken over de ingeroepen minderjarigheid, dat verzoeker documenten heeft ontvangen met informatie over het verloop van de leeftijdstest en dat verzoeker zich niet verzette tegen de uitvoering van de leeftijdstest, die zonder zijn toestemming overigens niet had kunnen plaatsvinden. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de formele-motiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich hierbij eerst tot algemene kritiek, doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de artsen eventuele VII-41.563-8/13 afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de artsen zich steunen op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de artsen voor hun eindconclusie een deviatiefactor vermelden, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 7 maart 2022 om “een leeftijd […] van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Het medisch onderzoek heeft aangetoond dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Op grond van dit onderzoek wordt geen exacte leeftijd vastgesteld, maar enkel een leeftijd met een standaarddeviatie van 2 jaar. Bovendien betreft de voogdijbeslissing geen beslissing over het persoonlijk statuut van verzoeker en heeft deze dus geen invloed op de staat van persoon van verzoeker, en diens leeftijd. Met de bestreden beslissing wordt de geboortedatum van verzoeker, en dus zijn leeftijd niet bepaald of gewijzigd, en raakt deze aldus verzoekers personeel statuut en identiteit niet. De bestreden leeftijdsbeslissing maakt geen schending uit van artikel 8 EVRM, noch van artikel 7 van de voogdijwet. VII-41.563-9/13 Een daadwerkelijk rechtsmiddel conform artikel 13 EVRM dient volgens verzoeker open te staan bij elke schending van de in het EVRM beschermde rechten. Er blijkt echter geen schending van artikel 8 EVRM voor te liggen, zodat artikel 13 EVRM geen toepassing vindt. Bovendien is er wel degelijk een beroepsmogelijkheid voorzien bij de Raad van State, mogelijkheid waarvan verzoeker overigens gebruik heeft gemaakt. Verzoeker merkt tenslotte op dat hij ook nieuwe elementen moet kunnen indienen, zonder te verduidelijken om welke elementen het zou gaan, om van een daadwerkelijk rechtsmiddel te genieten. Niets staat verzoeker in de weg om nieuwe elementen ter beoordeling voor te leggen aan de dienst Voogdij. Het enige middel is in de aangegeven mate ongegrond.
- Verzoeker verduidelijkt voorts niet waarom het medisch onderzoek niet door een radioloog zou mogen worden uitgevoerd. Te dezen blijkt dat de onderzoeken zijn uitgevoerd door dr. G. W., gerechtsdeskundige bij de afdeling tandheelkunde, en door dr. M. A., staflid radiologie. Verzoeker maakt geenszins aannemelijk dat een gerechtsdeskundige in de afdeling tandheelkunde en een radioloog niet zouden kunnen vaststellen dat alle tanden van verzoeker volledig afgevormd zijn en dat bij verzoeker alle wijsheidstanden stadium 10 bereikt hebben en dus volledig afgevormd zijn. Hij maakt evenmin aannemelijk dat de artsen hieruit ten onrechte zouden afleiden dat niet precies kan worden vastgesteld hoeveel dagen, maanden of jaren het geleden is dat stadium 10 bij het betrokken individu bereikt werd en dat de dentale leeftijd in dat geval een schatting oplevert van de minimale gemiddelde chronologische leeftijd van een individu met volledig gemineraliseerde wijsheidstanden, welk 23,0 / 23,5 jaar (percentiel 50) bedraagt, respectievelijk voor mannen en vrouwen. Verzoeker bekritiseert voorts ook de concrete testresultaten. In het verslag van het door twee artsen van het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël uitgevoerde medische onderzoek wordt op omstandige wijze de methodologie en VII-41.563-10/13 de concrete radiologische leeftijdsschatting van verzoeker uiteengezet. Zo wordt het protocolleren en de wijze van besluitvorming met inbegrip van de grenzen ervan uiteengezet, verwijzend naar wetenschappelijk onderzoek. Ook blijkt dat een standaarddeviatie inherent aan het type onderzoek is gehanteerd en wordt een betrouwbaarheidsinterval berekend. Wat te dezen de handpolsradiografie betreft, stelt het medisch onderzoek: “blijkt nu bij de betrokkene dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 18 jaar”. Wat het onderzoek op basis van de orthopantogram betreft, blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat de wijsheidstanden zich in stadium 10 bevinden van hun ontwikkeling, en de artsen op basis hiervan besluiten dat “[g]ezien dit gegeven bekomt men volgens onze eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 23,0 jaar. Het 95% predictie-interval is 18,8 – 25,0 jaar met een kans van 99% dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Wat het onderzoek op basis van de radiografie van het sleutelbeen betreft, blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat de artsen bij hun onderzoek vaststelden dat de mesiale epipyse van beide sleutelbeenderen overeenstemt met het rijpingsstadium type 3 van de ossificatie van het kraakbeen van het sleutelbeen, hetwelk luidens het overgelegde verslag, volgens het onderzoek van Schmeling en anderen, overeenstemt met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. De algemene kritiek dat stadium 3 begint op 16 jaar is te dezen niet relevant, nu blijkt dat de artsen - die luidens het medisch verslag “van beide claviculae het been met de laagste ontwikkelingsscore [hebben] opgenomen in de test” - in concreto hebben vastgesteld dat bij verzoeker stadium 3 aanwezig is en dat zij bij hun beoordeling daarvan het criterium hanteerden van de gemiddelde leeftijd met een standaarddeviatie van 2 jaar. De algemene bemerking van verzoeker dat stadium 3 VII-41.563-11/13 begint bij 16 jaar en dat verzoeker 16 jaar zou kunnen zijn volgens deze test doet blijken van een eigen beoordeling van de waarde van de door de artsen gehanteerde evaluatiemethode en standaarddeviatie gesteund op gemiddelde leeftijden, maar verzoeker maakt hiermee niet aannemelijk dat de verwerende partij onzorgvuldig is geweest in haar beoordeling door niet uit te gaan van het begin van stadium 3, maar van het feit dat stadium 3 overeenstemt met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Aldus geeft verzoeker een eigen feitelijke beoordeling van de wetenschappelijke en deskundige waarde van de deelonderzoeken, maar verzoeker maakt hiermee niet aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of verzoeker meer dan achttien jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, noch dat de verwerende partij aldus op onzorgvuldige wijze de haar voorliggende gegevens heeft geapprecieerd of gebrekkig heeft gemotiveerd. De dienst Voogdij heeft zich dus terecht gebaseerd op de jongste leeftijd zoals afgeleid uit de conclusie van het medisch onderzoek om te besluiten dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag.
- Het enige middel is, in zoverre het ontvankelijk is, ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing
- Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. VII-41.563-12/13 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.563-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div