← België

Arrest 256724 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.724 Rolnummer: A. 236823/VII-41590 Zaak: Arrest 256724 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-21 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 10:27 Fiche Arrest nr 256.724 van 8 juni 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.724 van 8 juni 2023 in de zaak A. 236.823/VII-41.590 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katelijne Van Bellingen kantoor houdend te 1653 Beersel Gemeenthuisstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 15 juli 2022 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij van 2 juni 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-41.590-1/9 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 31 maart 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 31 mei
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 16 mei 2022 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart 16,2 jaar oud te zijn (hetgeen overeenkomt met de administratieve geboortedatum van 31 maart 2006). De dienst Vreemdelingenzaken uit evenwel op grond van het fysiek voorkomen van verzoeker twijfels over deze leeftijd. VII-41.590-2/9 3.
  6. Op 20 mei 2022 vindt een medisch onderzoek plaats in het Universitair ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven, teneinde na te gaan of verzoeker al dan niet jonger is dan 18 jaar. De eindconclusie van het medisch rapport luidt dat verzoeker “op datum van 20-05-2022 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. 3.
  7. Op 2 juni 2022 beslist de dienst Voogdij op basis van de eindconclusie van het medisch onderzoek, dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Hij licht dit als volgt toe: “Dat de bestreden beslissing een bestuurshandeling uitmaakt overeenkomstig de wet op de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen; Dat bijgevolg de Dienst Voogdij haar beslissingen op gemotiveerde wijze dient te nemen en dat zulks niet geschied is; Gebrek aan vermelding uitgevoerde medische onderzoeken Dat dit niet geschied is, minstens op zeer gebrekkige wijze, moge blijken uit het feit dat in de motivering van de huidige bestreden beslissing wordt verwezen naar een uitgevoerde medische test in het UZ Leuven terwijl er geen enkele duidelijkheid is of niet wordt meegedeeld op basis van welke medische test(en?) men is gekomen tot het besluit dat verzoeker meerderjarig zou zijn. Het medisch onderzoek is inderdaad door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd maar dat betekent niet dat aan verzoeker niet moet worden meegedeeld in de bestreden beslissing welke medische onderzoeken nu werden uitgevoerd en op welke resultaten men zich dan VII-41.590-3/9 ook baseert van welke medische onderzoeken. Verzoeker toont aan dat de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en ook artikel 7, § 1, van de voogdijwet werd geschonden. Verzoeker kan bij gebrek aan de nodige informatie van de uitgevoerde onderzoeken niet nagaan of de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de resultaten van de mogelijk uitgevoerde deelonderzoek(en). Verzoeker weet zo niet of de leeftijdsschatting gebeurde op basis van objectieve gegevens die bij de arts voorlagen en of deze wel rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard waarbij verschillende factoren (etnische, genetische, endocrinische, sociaal-economische, nutritionele, medische, ...) de groei van een individu kunnen beïnvloeden. De tabellen voor de botleeftijdsbepaling die vaak als referentie dienen, zijn namelijk opgemaakt op grond van een bepaalde bevolking; de meest gebruikte zijn gebaseerd op de westerse blanke bevolking. Opdat de verwijzing of het zich erop baseren relevant zou zijn, dient de persoon op wie ze toegepast worden tot dezelfde bevolking te behoren. De dentale criteria hangen in het bijzonder af van de etnische oorsprong en van het sociaal-economisch en nutritioneel niveau van het individu. Voorts schuilt een moeilijkheid in de reproduceerbaarheid van de interpretatie van de onderzoeken tussen de verschillende deskundigen. Het is wel zo dat hoewel enkel de algemene conclusie van het medisch rapport bepalend is voor de leeftijdsbepaling, moet de algemene conclusie begrijpelijk zijn in het licht van de drie testen die normaal moeten uitgevoerd worden maar waar hier al niet kan worden nagegaan of deze werden uitgevoerd. In België wordt meestal een drievoudige medische test gebruikt om de leeftijd van een jongere te schatten: een onderzoek en radiografie van de tanden, een radiografie van de pols, en een radiografie van het sleutelbeen. Verzoeker kan zo vb niet nagaan of de resultaten van een test(en) onderling tegenstrijdig waren enz. Het is duidelijk dat de bestreden beslissing een gebrek kent in de motiveringsverplichting. Het uitspreken van een twijfel over de leeftijd Het uitspreken van twijfel over de leeftijd van verzoeker zette de procedure van de ‘vaststelling van de leeftijd’ in gang. Echter zijn er geen criteria bepaald voor het uiten van een twijfel over de leeftijd van een persoon. De bestreden beslissing motiveert op generlei wijze het uiten van een twijfel over de leeftijd van verzoeker op een formele wijze waarbij er overigens totaal geen rekening werd gehouden met de taskara die verzoeker in kopie bijbracht. Dit ligt niet in lijn met het internationaal privaatrecht. Volgens artikel 28 van het Wetboek van internationaal privaatrecht hebben, als er aan de voorwaarden van het artikel voldaan is, de aktes die de geboortedatum vastleggen (geboorteakte, identiteitsdocument, paspoort, of andere) de nodige bewijskracht, tenzij ernstige twijfel de bewijskracht hiervan omdraait. Het feit dat het geen eensluidend verklaarde kopie is geeft de Dienst Voogdij nog niet de bevoegdheid om de taskara in twijfel te trekken . De Dienst Voogdij motiveert op geen enkele wijze waarom de taskara niet in aanmerking kan worden genomen en geloofwaardigheid mist. Bijgevolg is het niet mogelijk om de leeftijd van een persoon die een identiteitsdocument voorlegt, in twijfel te trekken, enkel op basis van zijn VII-41.590-4/9 voorkomen. Het uiten van de twijfel is de oorzaak van het ondergaan van de medische testen. Er is dus sprake van een administratieve beslissing, die dus als zodanig gemotiveerd zou moeten worden. Een formele motivering is een noodzakelijke voorwaarde wat hier evenmin het geval is”. Beoordeling
  9. De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van Titel XIII, hoofdstuk 6, “voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, van de programmawet (I) van 24 december 2002 en dus niet van de vreemdelingenwet is genomen. Het eerste middel is in die mate niet-ontvankelijk.
  10. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek wordt vermeld in de bestreden beslissing. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker op 20 mei 2022 een leeftijd had “van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Het is niet vereist dat ook wordt aangegeven waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken. De formelemotiveringsplicht vereist immers niet dat de overheid de gronden van haar motieven specificeert. Het is evenmin vereist dat de beslissing motiveert welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Overigens bevindt het verslag van het medisch onderzoek, waarin ook wordt aangegeven welke deviatiemarge wordt gehanteerd, zich in het administratief dossier. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Zoals verzoeker zelf in het middel vermeldt, is het medisch onderzoek door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de VII-41.590-5/9 betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. De dienst Voogdij dient een neergelegde taskara niet te laten primeren op het medisch onderzoek. Ingevolge artikel 28, § 2, van het Wetboek Internationaal Privaatrecht mag het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten immers met alle middelen van recht worden aangebracht en het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Te dezen blijkt echter niet dat verzoeker een taskara of enig ander document zou hebben voorgelegd aan de dienst Voogdij. Aangezien niet blijkt dat de verwerende partij kennis had of moest hebben van een taskara alvorens zij de bestreden beslissing nam, kan haar derhalve niet ten kwade worden geduid geen rekening te hebben gehouden met dit stuk bij het beoordelen van de wettigheid van de bestreden beslissing. Het eerste middel is in die mate ongegrond.
  11. Verzoeker levert voor het overige geen enkele inhoudelijke kritiek op de motivering van de bestreden beslissing en toont evenmin aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie VII-41.590-6/9 een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 20 mei 2022 om een leeftijd van “21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Het eerste middel is in de aangegeven mate ongegrond.
  12. Het eerste middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  13. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van artikel 7 van titel XIII, hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet). Hij licht dit als volgt toe: “De Dienst Voogdij heeft haar bevoegdheid tot identificatie en verificatie van de leeftijd van verzoeker als NBMV overschreden nu ze verzoeker een andere leeftijd toekent dan diegene die verzoeker zelf verklaarde nl geboren zijnde op 31 maart
  14. Art 7 van de Voogdijwet bepaalt dat de leeftijdsbepaling van een veronderstelde NBMV er enkel toe strekt vast te stellen of deze persoon al dan niet minderjarig is. De bevoegdheid van de Dienst Voogdij strekt zich echter niet uit tot het vaststellen van een nieuwe geboortedatum van verzoeker anders dan wat hij verklaarde. Dit blijkt uit art 6,§2,1° van de Voogdijwet en art 3 van het KB tot uitvoering van Hoofdstuk 6 van de Voogdijwet. Door te oordelen dat de verklaarde leeftijd niet in overweging kan worden genomen en te bepalen dat verzoeker 21,5 jaar oud is , kent de bestreden beslissing verzoeker impliciet maar zeker een andere fictieve geboortedatum toe. Op deze manier overschrijdt de Dienst Voogdij zijn bevoegdheid tot identificatie en verificatie van de verklaarde leeftijd van verzoeker”. Beoordeling
  15. Artikel 7, § 1, van de voogdijwet bepaalt dat, wanneer de dienst Voogdij of de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf VII-41.590-7/9 en verwijdering twijfel koesteren omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, de dienst Voogdij onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts laat uitvoeren teneinde na te gaan of deze persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Anders dan hoe verzoeker het ziet, wordt met de bestreden beslissing geenszins zijn geboortedatum bepaald noch wordt hem een andere leeftijd toegekend dan de door hem verklaarde leeftijd. Terecht stelt verzoeker dat het niet aan de verwerende partij toekomt om een nieuwe geboortedatum vast te stellen in het kader van het leeftijdsonderzoek. Evenwel heeft de verwerende partij dat op geen enkele wijze gedaan. Met de bestreden beslissing wordt enkel op basis van het medisch onderzoek vastgesteld dat verzoeker “ouder dan 18 jaar” is en geen voogd wordt toegewezen. De leeftijd die in het verslag van het medisch onderzoek wordt vermeld, namelijk 21,5 jaar, betreft enkel een schatting, reden waarom een deviatiefactor van 2 jaar in aanmerking wordt genomen. Die leeftijdsschatting heeft de verwerende partij in staat gesteld om verzoeker als ouder dan 18 jaar te beschouwen zonder dat het nodig is om de specifieke geboortedatum te achterhalen. Het tweede middel is ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing
  16. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. VII-41.590-8/9 BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  19. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.590-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.