← België

Arrest 256727 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.727 Rolnummer: A. 238018/VII-41830 Zaak: Arrest 256727 - Niet begeleide minderjarigen - 08/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-21 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 10:28 Fiche Arrest nr 256.727 van 8 juni 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.727 van 8 juni 2023 in de zaak A. 238.018/VII-41.830 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 26 december 2022 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij van 28 oktober 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-41.830-1/12 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei 2023, om 10u30 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gérald Gaspart, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Inge De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De dienst Vreemdelingenzaken meldt verzoeker op 19 oktober 2022 aan bij de dienst Voogdij. Verzoeker verklaart aan de dienst Vreemdelingenzaken minderjarig te zijn, met name op 5 april 2006 te zijn geboren. De dienst Vreemdelingenzaken uit evenwel twijfels over deze leeftijd. 3.
  5. Op 21 oktober 2022 vindt een medisch onderzoek plaats in VII-41.830-2/12 het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven, teneinde na te gaan of de betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 21-10-2022 minstens ouder is dan 18 jaar”. 3.
  6. Op 28 oktober 2022 besluit de verwerende partij op basis van de eindconclusie van het medisch onderzoek, dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van titel XIII, hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december
  7. Op datum van kennisgeving vervalt de voogdij aldus van rechtswege. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker leidt een enig middel af uit de manifeste beoordelingsfout, alsook uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel “als onderdeel van het beginsel van behoorlijk bestuur, die de administratie verplicht om alle elementen van het dossier in aanmerking te nemen en haar beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en te nemen”, van de artikelen 7 en 8 van hoofdstuk 6, titel XIII van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003). Hij licht dit als volgt toe: VII-41.830-3/12 “
  9. ONDUIDELIJKHEID VAN DE CONCLUSIE VAN HET VERSLAG VAN DE ARTS Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de methodologie van de ‘triple tests’, die gebruikt wordt bij leeftijdsonderzoeken, noodzakelijkerwijze vereist dat de resultaten van de drie testen in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Wat betreft de handpolsradiografie, stelt de arts dat verzoeker een biologisch matuur skelet heeft, wat neerkomt op een leeftijd van minstens 18 jaar. Doch stelt de bestreden beslissing wat dit betreft: ‘In het geval van een volledig beëindigde skeletale groei opgemerkt ter hoogte van het handpolsgewricht, zal het resultaat van de handpolsradiografie niet meer meetellen voor de eigenlijke leeftijdsschatting, net omdat men niet juist kan vaststellen sinds hoeveel dagen, maanden of jaren deze groei volledig beëindigd is. De resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken zijn dan determinerend.’ Het resultaat van de handpolsradiografie is bijgevolg niet voldoende om te concluderen dat verzoeker ouder zou zijn dan 18 jaar en er dient noodzakelijkerwijze gekeken te worden naar het resultaat van de twee andere testen, namelijk de orthopantomogram en de radiografie van het sleutelbeen. Wat betreft de analyse van de orthopantomogram stelt de arts als volgt: ‘Gezien dit gegeven bekomt men volgens onze eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 16.8 jaar. Het 95% predictie-interval in 13.3 – 21.0 jaar, met een kans van 26% dat deze persoon ouder is dan 18 jaar’. Deze leeftijd van 16.8 jaar komt bijgevolg wel degelijk overeen met de leeftijd die verzoeker opgaf, zijnde 16 jaar. Bovendien bedraagt de kans dat verzoeker ouder is dan 18 jaar op basis van deze test opvallend genoeg slechts 26%, wat een zeer laag percentage uitmaakt en betekent dat er maar liefst 74% kans bestaat dat verzoeker jonger is dan 18 jaar, zoals hij zelf verklaarde. Verzoeker kan dan ook niet begrijpen hoe de arts, één paragraaf verder, tot de conclusie komt dat het ‘aannemelijk lijkt om er van uit te gaan’ dat verzoeker minstens ouder is dan 18 jaar. Op geen enkel moment legt de arts concreet uit hoe zij tot deze conclusie komt en afwijkt van de analyse volgens dewelke er slechts 26% kans bestaat dat verzoeker ouder zou zijn dan 18 jaar. Bovendien is een formulering als ‘het lijkt aannemelijk om ervan uit te gaan dat…’ op zijn minst vaag te noemen en kan deze onmogelijk leiden tot de vaststaande conclusie dat verzoeker ouder zou zijn dan 18 jaar, vooral omdat er eerst wordt gesteld dat 16.8 jaar een goede schatting is en er slechts 26% kans bestaat dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Ten slotte werd er een radiografie van het sleutelbeen uitgevoerd, naar aanleiding waarvan er geconcludeerd werd tot een leeftijd van ‘rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar.’ Opvallend genoeg luidt de uiteindelijke conclusie van de arts als volgt: (…) Bijgevolg stelt de arts enerzijds dat er slechts 26% kans bestaat dat verzoeker ouder is dan 18 jaar, om vervolgens te concluderen dat ‘het aannemelijk lijkt om ervan uit te gaan’ dat hij minstens ouder is dan 18 jaar. Dit is geenszins een duidelijke conclusie, en deze stellingen zijn zelfs volkomen tegenstrijdig. Evenmin bevatten het medisch verslag en de leeftijdsbeslissing een schatting van de leeftijd van verzoeker met de gebruikelijke standaarddeviatie, waardoor verzoeker onmogelijk kan begrijpen welke leeftijd hem uiteindelijk gegeven wordt. De bestreden beslissing bevat op haar beurt enkel een selectieve interpretatie van het medisch verslag, in die zin dat er enkel rekening gehouden wordt met de stelling van de arts volgens dewelke verzoeker ouder zou zijn dan 18 jaar, terwijl VII-41.830-4/12 er volledig voorbijgegaan wordt aan de vermelding dat er slechts 26% kans bestaat dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Dit is een flagrante schending van de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die het bestuur verplichten om alle elementen van het dossier in aanmerking te nemen en haar beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en te nemen. Er werd kennelijk geen rekening gehouden met de volledige conclusie van de arts. Dit rechtvaardigt de vernietiging van de bestreden beslissing. De verplichting tot uitdrukkelijke motivatie, vervat in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een ‘afdoende’ wijze. Het begrip ‘afdoende’ impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. Hetzelfde geldt voor artikel 62 van de Vreemdelingenwet. De beslissingen van de overheid moeten duidelijk de determinerende motieven aangeven op grond waarvan de bestreden beslissingen genomen zijn. Een gebrekkige motivering staat hierbij gelijk aan een afwezigheid van motivering. Immers, een vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet-plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn hierbij niet afdoende (VAN HEULE, D., De motiveringsplicht en de vreemdelingenwet, T.V.R. 1993/2, 67-71). De formele motiveringsplicht waarborgt niet alleen dat de burger hierdoor duidelijk kennis kan nemen van alle elementen welke aan de basis van de beslissing liggen, alsook van de draagwijdte van deze beslissing (o.a. RvS nr. 45.623 van 30 december 1993), doch deze formele motiveringsplicht waarborgt tevens de goede werking van het gerechtelijk apparaat (o.a. RvS nr. 44.847 van 9 november 1993). Bij de beoordeling van de materiële motivering moet Uw Raad nagaan of deze overheid bij de beoordeling is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissingen op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op wettelijke bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid moeten worden vastgesteld. De zorgvuldigheidsplicht legt de overheid onder meer op om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden. Al deze bepaling werden geschonden door de verwerende partij doordat zij geen rekening heeft gehouden met de volledige conclusie van de arts. Verzoeker kan niet begrijpen waarom er geen rekening werd gehouden of in welke mate er rekening werd gehouden met de passage van de conclusie van de arts die stelt dat verzoeker waarschijnlijk 16.8 jaren oud is en er slechts 26% waarschijnlijkheid is dat hij ouder dan 18 jaar is. Evenmin werd er uitgelegd, noch in de bestreden beslissing, noch in het advies van de arts, waarom er uiteindelijk VII-41.830-5/12 toch beslist wordt dat verzoeker ouder is dan 18 jaar, en op basis van welke overweging. Zowel de formele als de materiele motiveringsplicht worden hierdoor geschonden. Dit toont eveneens aan dat de verwerende partij haar beslissing onzorgvuldig[e] voorbereidde. De selectieve lezing die wordt gedaan van de conclusies van de arts laat uitschijnen dat de andere delen van deze conclusies niet in overweging genomen werden, wat neerkomt op een onzorgvuldige voorbereiding van de beslissing.
  10. VOORDEEL VAN DE TWIJFEL TOEGEKEND IN HET BELANG VAN DE ONDERZOCHTE PERSOON Artikel 7, §3 van de programmawet van 24 december 2002 luidt als volgt: ‘§
  11. Ingeval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, wordt met de jongste leeftijd rekening gehouden.’ Deze bepaling laat de overheid niet toe om te besluiten dat een persoon meerderjarig zou zijn indien de uitslag van het medisch onderzoek enige twijfel toelaat hieromtrent. In casu bestaat er duidelijk twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, aangezien het medisch verslag geen eensluidende conclusie bevat en het eerste deel van de conclusie stelt dat verzoeker een leeftijd heeft van 16.8 jaar, wat dus wel degelijk jonger is dan 18 jaar. Het is niet alleen mogelijk dat verzoeker minderjarig zou zijn, maar het is zelfs aannemelijk gezien er slechts 26% kans bestaat dat hij meerderjarig zou zijn. Het bestaan van de twijfel is dus onbetwistbaar. Deze twijfel blijkt niet uit slechts één van de testen maar werd hernomen in de conclusie van de arts zelf en maakt dus deel uit van wat als de uitslag van het medisch onderzoek moet worden beschouwd. Het voordeel van de twijfel dient bijgevolg toegekend te worden in het belang van verzoeker, waardoor er rekening gehouden dient te worden met de jongste leeftijd binnen de conclusie van de arts, zijnde 16.8 jaar. Door te beschouwen dat verzoeker ouder is dan 18 jaar, schendt verwerende partij artikel 7, §3 van de programmawet van 24 december 2004, zodoende dat de bestreden beslissing vernietigd dient te worden. De dienst voogdij diende in tegendeel te besluiten dat verzoeker minderjarig is en hem bijgevolg een voogd toe te wijzen in uitvoering van artikel 8 van de voogdijwet. Deze bepaling werd dus eveneens geschonden door de bestreden beslissing.” Beoordeling Eerste middelonderdeel
  12. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van het medisch onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden VII-41.830-6/12 betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker “op datum van 21-10-2022 minstens ouder is dan 18 jaar”. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Het enig middel is in de aangegeven mate ongegrond.
  13. Verzoeker acht de formele- en de materiëlemotiveringsplicht evenals de zorgvuldigheidsplicht geschonden doordat geen rekening werd gehouden met de volledige conclusie van de arts en niet gemotiveerd wordt waarom uiteindelijk beslist wordt dat hij ouder is dan 18 jaar, gelet op de conclusie van bepaalde deelonderzoeken. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiële-motiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. De leeftijdsschatting van verzoeker gebeurde aan de hand van de tripletest, bestaande uit een radiografie van het handpolsgewricht, van de tanden en van de sternoclaviculaire gewrichten. Te dezen blijkt het verslag van het door een college van twee artsen uitgevoerde medische onderzoek op omstandige wijze de onderzoeksmethodiek en het verloop van het deskundig onderzoek te beschrijven. Inzonderheid wordt de wetenschappelijkheid van de door hen gebruikte tripletest als onderzoeksmethode toegelicht, met inbegrip van de beperkingen van elk der VII-41.830-7/12 deelonderzoeken waaruit die bestaat, alsook de correctiefactoren of standaarddeviaties die hieraan wetenschappelijk tegemoet komen. In zoverre dat verzoeker de concrete testresultaten bekritiseert, blijkt concreet dat de arts zich steunt op het hierboven geciteerde meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. De uitslag van het medisch onderzoek laat, anders dan hoe verzoeker het meent, geen ruimte voor twijfel over het feit dat hij een leeftijd heeft van meer dan achttien jaar. De omstandigheid dat blijkens het medisch verslag, op grond van één van de deelonderzoeken er 74% kans is dat verzoeker jonger is dan 18 jaar, leidt niet tot een ander besluit omdat de eindconclusie met betrekking tot de schatting van de leeftijd immers is opgesteld op grond van de voormelde drie radiologische onderzoeken. Op basis van de radiografie van het sleutelbeen stelt de arts vast “dat de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen slechts partieel verbeend is in combinatie met een zichtbare fissuur”, wat overeenkomt met stadium type 3, dat overeenstemt met “een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op grond van deze test blijkt verzoeker aldus hoe dan ook minstens 18 jaar oud te zijn. VII-41.830-8/12 Wat de handpolsradiografie betreft, blijkt uit het medisch verslag “dat er een volledige fusie van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet” en “wat neer komt op een leeftijd van minstens 18 jaar”. Uit de toelichting bij de gebruikte onderzoeksmethodiek, blijkt voorts dat wanneer “de skeletale groei beëindigd [is], (…) het individu biologisch gezien matuur (is) en (…) men voor jongens (spreekt) over een persoon ouder dan 18 jaar. Hoeveel ouder deze individuen zijn, kan men aan de hand van de radiografie van het handpolsgewricht niet meer bepalen. In het geval van een volledig beëindigde skeletale groei opgemerkt ter hoogte van het handpolsgewricht, zal het resultaat van de handpolsradiografie niet meer meetellen voor de eigenlijke leeftijdsschatting, net omdat men niet juist kan vaststellen sinds hoeveel dagen, maanden of jaren deze groei volledig beëindigd is. De resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken zijn dan determinerend”. Uit deze toelichting bij de handpolsradiografie blijkt aldus dat in verzoekers geval een volledig beëindigde skeletale groei wordt vastgesteld, hetgeen blijkens voormelde toelichting impliceert dat hij ook op grond van deze test minstens 18 jaar is. Omdat men evenwel “niet juist kan vaststellen sinds hoeveel dagen, maanden of jaren deze groei volledig beëindigd is”, wordt in de toelichting verduidelijkt dat het resultaat van dit deelonderzoek voor het overige niet meer in aanmerking wordt genomen. Wat het onderzoek op basis van het orthopantogram betreft, blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat “alle tanden afgevormd zijn” en dat slechts één wijsheidstand die zich in stadium 6 bevindt, aanwezig is. De arts stelt vast dat men op grond van het tandheelkundig onderzoek “een leeftijd van 16.8 jaar” bekomt, waarbij het “95% predictie-interval (…) 13.3 – 21.0 jaar (is), met een kans van 26% dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Wijzend op “de algemene gebitsstatus, de maturiteit van het handpolsgewricht, en het ontwikkelingsstadium van het claviculaire gewricht”, verduidelijkt de arts dat “men ervanuit (mag) gaan dat de ontwikkeling van de wijsheidstanden in de VII-41.830-9/12 onderkaak sterk vertraagd verloopt. Het is onmogelijk om de ontwikkeling van de wijsheidstanden correct in te schatten doch op basis van handpols en clavicula lijkt het aannemelijk om er van uit te gaan dat Ishaq Karimi op datum van 21-10-2022 minstens ouder is dan 18 jaar”. Er wordt dus wel degelijk uitgelegd waarom de arts tot de conclusie komt dat verzoeker, gelet op het feit dat zowel de radiografie van handpols als van het sleutelbeen resulteren in een leeftijd van minstens 18 jaar, ook op grond van het orthopantomogram, een leeftijd heeft van minstens 18 jaar. Gelet op het resultaat van de deelonderzoeken en de duidelijke toelichting bij elk deelonderzoek, blijkt aldus geen schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht of van de zorgvuldigheidsplicht. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Tweede middelonderdeel
  14. In een tweede middelonderdeel meent verzoeker dat hem het voordeel van de twijfel dient te worden toegekend omdat duidelijk twijfel bestaat over de uitslag van het medisch onderzoek. Door hem als ouder dan 18 jaar te beschouwen, schendt de verwerende partij volgens hem artikel 7, § 3, van de voogdijwet. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te VII-41.830-10/12 gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Voorts heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te achterhalen, doch enkel uitsluitsel te krijgen dat de betrokkene al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Voorts bepaalt de overheid op discretionaire wijze het uit te voeren medisch onderzoek en beoordeelt de arts(en) die tot het medisch onderzoek overgaat, eveneens op discretionaire wijze de bekomen resultaten ervan om tot zijn of hun eindconclusie te komen. Zoals uit de bespreking van het eerste middelonderdeel blijkt, laat de uitslag van het medisch onderzoek, anders dan hoe verzoeker het meent, geen ruimte voor twijfel over het feit dat verzoeker een leeftijd heeft van meer dan achttien jaar. De omstandigheid dat blijkens het medisch verslag, het orthopantomogram een kans van slechts 26% oplevert dat verzoeker ouder is dan 18 jaar, leidt niet tot een ander besluit omdat de eindconclusie met betrekking tot de schatting van de leeftijd immers is opgesteld op grond van de voormelde drie radiologische onderzoeken. Gezien de duidelijke conclusie van het leeftijdsonderzoek, diende verzoeker niet “het voordeel van de twijfel” te worden toegekend.
  15. Het enige middel is ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing
  16. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. VII-41.830-11/12 BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  19. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Chantal Bamps VII-41.830-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.727 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.