id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.737 Rolnummer: A. 233570/IX-9879 Zaak: Arrest 256737 - Tucht (openbaar ambt) - 08/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-09 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-10 10:32 Fiche Arrest nr 256.737 van 8 juni 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.737 van 8 juni 2023 in de zaak A. é.570/IX-9879 In zake: An TIREZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Van Steenbrugge kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaan Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Justitie van 2 maart 2021 waarbij aan An Tirez de tuchtstraf ‘verplaatsing’ wordt opgelegd. IX-9879-1/24 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 252.921 van 8 februari 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 mei
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Esther Theyskens, die loco advocaat Walter Van Steenbrugge verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-9879-2/24 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is statutair ambtenaar in dienst van de verwerende partij. Sedert 2014 is zij tewerkgesteld als penitentiair beambte in de gevangenis van Beveren. 3.
- Op 12 november 2019 wordt verzoekster door haar hiërarchische meerdere verzocht zich schriftelijk te verantwoorden voor de volgende ten laste gelegde feiten: “Op 2/11 weigerde u een schaderapport op te maken ondanks de opdracht van PA […]. U antwoordde dat u enkele een schaderapport zou opmaken indien u daartoe wordt gedwongen, door een VoU met de vraag waarom de gekende procedure bij vaststelling van schade niet werd gevolgd. Op 4/11 schreef u een opmerking op het briefje sociale tabak: u achtte het niet nodig dat de gedetineerde moet teken. De handtekening dient om te verifiëren dat de gedetineerde de goederen heeft ontvangen. In beide gevallen weigert u de uitgeschreven richtlijnen van de inrichting te volgen en gaat u in tegen de richtlijn van uw overste. U verklaarde verder openlijk dat u uw naam op de arm van een gedetineerde geschreven hebt, om alzo deze man van zijn fixatie op 2 personeelsleden af te helpen.” In haar verantwoording van 13 november 2019 met betrekking tot de haar ten laste gelegde feiten, stelt verzoekster onder meer dat zij zich aan de Belgische wetgeving houdt, hetgeen impliceert dat zij “niet-gewettigde bevelen/-opdrachten moet weigeren”. Bij discrepantie zijn “richtlijnen en dienstnota’s van ondergeschikte orde”. Voor verzoekster primeert het humane op het repressieve. Aangaande het tweede feit stelt zij dat de handtekening niet zozeer dient “voor aflevering” maar wel het akkoord betreft dat het bedrag van de rekening van de gedetineerde mag worden gehaald. Om te vermijden dat de betrokken gedetineerde tweemaal zou moeten betalen voor hetzelfde pakje tabak is de vraag genoteerd om na te kijken of de tabak al was betaald. IX-9879-3/24 3.
- Op 19 november 2019 wordt verzoekster uitgenodigd voor een verhoor in het kader van een tuchtprocedure. Na een opsomming van de mogelijke tuchtstraffen, vermeldt de brief: “Volgende feiten worden U ten laste gelegd: - U weigert de uitgeschreven richtlijnen van de inrichting te volgen; - U weigert de richtlijn van uw overste; - U noteert uw naam op de arm van een gedetineerde. Ik ben van oordeel dat deze feiten een inbreuk vormen op: - Art. 7, par. 1 van het statuut van de rijksambtenaar - Art. 8, par. 1 van het statuut van de rijksambtenaar - Art. 3 van het deontologisch kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt (omzendbrief 573 van 17 augustus 2006 B.S. 27 augustus 2007). - Art. 14 van het deontologisch kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt (omzendbrief 573 van 17 augustus 2006 B.S. 27 augustus 2007). - Art. 27 van het deontologisch kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt (omzendbrief 573 van 17 augustus 2006 B.S. 27 augustus 2007). - Art. 29 van het deontologisch kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt (omzendbrief 573 van 17 augustus 2006 B.S. 27 augustus 2007).” Op 17 december 2019 vindt het verhoor plaats in het kader van de tuchtprocedure. Van dit verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld. Op 11 februari 2020 wordt het tuchtdossier verzonden naar de voorzitter van het directiecomité van de verwerende partij. Vijf feiten worden aan verzoekster ten laste gelegd: de weigering om een schaderapport op te stellen, het niet volgens de richtlijnen afhandelen van een document ‘sociale tabak’, het schrijven van haar naam op de arm van een gedetineerde, het contact opnemen met een professor van het Nationaal Instituut voor de Criminalistiek en Criminologie (NICC) zonder de hiërarchie daarin te kennen en het contact opnemen met de strafuitvoeringsrechtbank (SURB) om de voortgang van het dossier van een gedetineerde aan de voorzitter ervan voor te leggen. De feiten worden bewezen geacht en als tuchtinbreuken gekwalificeerd. Desbetreffend staat in de brief van 11 februari 2020 te lezen: IX-9879-4/24 “Het weigeren van opdrachten wordt als werkweigering beschouwd. Doorheen het kaderen van deze werkweigering stuitten we echter op een algemeen attitudeprobleem waar PBA Tirez al geruime tijd en via verschillende kanalen over werd aangesproken. De ruimere context waarin PBA Tirez zich onrespectvol gedraagt naar haar hiërarchische lijn, functies binnen deze lijn als incompetent omschrijft en nu zelfs hiermee buiten de organisatie stapt, zijn een regelrechte inbreuk tegen de kernwaarden van onze organisatie waarin respect en loyauteit centraal staan. Alle verantwoordelijkheden worden hierbij buiten haarzelf gelegd, zelfinzicht of zoeken naar eigen verantwoordelijkheid is hierbij afwezig. Steeds kruipt PBA Tirez in een agressieve defensiemechaniek waardoor samenwerken bemoeilijkt wordt en bijsturing onmogelijk wordt gemaakt door betrokkene zelf aangezien ze haar gesprekspartner niet erkent in zijn/haar rol en/of expertise.” Tot slot worden nog de verzachtende en verzwarende omstandigheden vermeld. 3.
- Op 8 juli 2020 stelt het directiecomité met eenparigheid van stemmen voor om verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit voorstel steunt op de volgende overwegingen: “Overwegende dat vaststaat dat betrokkene op 2 november 2019 de opdracht van het hoofd van de bewaking, HPA […], om een schaderapport op te maken geweigerd heeft; Overwegende dat vaststaat dat betrokkene op 4 november 2019 de opdracht van haar ploegchef, […], om het document sociale tabak te laten aftekenen zoals voorzien geweigerd heeft; Overwegende dat vaststaat dat betrokkene op 2 november 2019 haar naam heeft laten schrijven op de arm van een gedetineerde; Overwegende dat vaststaat dat betrokkene twee externe diensten, het NICC en de strafuitvoeringsrechtbank, gecontacteerd heeft; Overwegende dat de feiten een inbreuk vormen op artikel 7, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van de Rijksambtenaar dat bepaalt dat een ambtenaar zijn ambt uitoefent op loyale, zorgvuldige en integere wijze en de van kracht zijnde wetten, reglementen en richtlijnen dient na te leven; Overwegende dat de feiten een inbreuk vormen op artikel 8, § 1, tweede lid van voormeld koninklijk besluit waarin staat dat een ambtenaar, wanneer hij in contact komt met het publiek, elk woord, elke houding, elk voorkomen vermijdt die van die aard zouden kunnen zijn dat het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zou kunnen brengen; Overwegende dat betrokkene opdrachten weigert; Overwegende dat betrokkene vaak in discussie gaat met haar hiërarchische IX-9879-5/24 meerderen en wantrouwen vertoont ten aanzien van haar hiërarchie; Overwegende dat betrokkene niet loyaal en niet hoffelijk is ten aanzien van haar hiërarchie; Overwegende dat dossiers aan externen voorleggen absoluut niet kan; dat dit bovendien zonder enig overleg met haar hiërarchie gebeurd is, wat voor imagoschade aan de FOD Justitie kan zorgen; Overwegende dat betrokkene toegeeft dat ze de opdracht om een schaderapport op te maken geweigerd heeft; dat ze dit wijt aan het te weinig opvolgen van de gedetineerde; Overwegende dat betrokkene toegeeft dat ze haar naam op de arm van een gedetineerde heeft laten schrijven; dat ze dit een goede oplossing vond om de fixatie die de gedetineerde op twee andere collega’s had weg te krijgen; dat ze zelf een probleem denkt op te lossen en niet ziet dat andere collega’s bevoegd zijn om zijn mentale gezondheid op te volgen; Overwegende dat betrokkene toegeeft dat ze het NICC gecontacteerd heeft omdat ze vindt dat de drugsproblematiek niet opgelost wordt; Overwegende dat betrokkene vastgestelde problemen zelf wilt oplossen zonder samenspraak met haar hiërarchie; dat ze bovendien het probleem steeds bij anderen legt, wat van een gebrek aan zelfinzicht getuigt; Overwegende dat betrokkene niet beseft dat haar gedrag fout is; Overwegende dat betrokkene zelf aangaf tijdens haar tuchtverhoor dat ze geen vertrouwen heeft in haar hiërarchie; Overwegende dat het vertrouwen in betrokkene ernstig en definitief geschaad is.” Tegen het voorstel van tuchtstraf stelt verzoekster op 20 juli 2020 een beroep in bij de raad van beroep. 3.
- In zijn advies stelt de raad van beroep voor om het voorstel van tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ te hervormen en te verklaren dat er bij gebrek aan een bewezen verklaard tuchtfeit geen aanleiding is tot het opleggen van een tuchtstraf. Dit voorstel steunt op de volgende motieven: “Beoordeling De Raad van beroep is van oordeel dat het onderzoek voldoende grondig werd gevoerd zodat er geen aanvullend onderzoek nodig is.
- Omtrent de feiten. De Raad van Beroep stelt vast dat de brief van 19 november 2019 inhoudende de ‘uitnodiging voor een verhoor in het kader van een tuchtprocedure’ behoudens het feit betreffende het noteren van haar naam op de arm van een gedetineerde, zeer vaag is en geen concrete feiten aangeeft. De Raad stelt dat de feiten ‘U weigert de uitgeschreven richtlijnen van de inrichting te volgen’ en ‘u weigert de richtlijn van uw overste’ vaag zijn en IX-9879-6/24 niet geconcretiseerd zijn, niettegenstaande de ‘feiten’ die aan het lid ten laste worden gelegd concreet moeten worden omschreven. Bij gebreke hieraan worden de rechten van verdediging van de appellante geschonden. De Raad stelt verder vast dat uit de stukken en uit de debatten naar voor komt dat het feit inzake de sociale tabak niet is bewezen. Uit de debatten komt naar voor dat de appellante het document ‘sociale tabak’ diende voor te leggen aan de gedetineerde […]. Het document ‘sociale tabak’ heeft tot doel om de prijs voor de geleverde tabak te kunnen in mindering brengen van de rekening van de gedetineerde. Uit de stukken van het dossier blijkt dat er een discussie ontstond met de gedetineerde die aan de appellante voorhield dat hij reeds betaald had voor de tabak. De appellante heeft dit op het document ‘sociale tabak’ vermeld ten einde de bewering van de gedetineerde te laten controleren. De Raad van Beroep is van oordeel dat de gedraging van de appellante een normale reactie is op de bewering van de gedetineerde en geen tuchtfeit uitmaakt. Ook wat betreft de ten lasteleggingen dat de appellante geweigerd zou hebben een schaderapport op te maken en het laten noteren van haar naam op de arm van een gedetineerde is de Raad van oordeel dat deze feiten niet als tuchtfeiten bewezen voorkomen. Uit de debatten komt naar voor dat de appellante is tussengekomen bij de gedetineerde […] toen hij een psychotische opstoot had. De appellante kon de gedetineerde […] kalmeren door op hem in te praten ten einde zijn fixatie op haar collega’s […] af te leiden en hen tegen deze gedetineerde te beschermen. De appellante kon de gedetineerde overhalen om de tekens die hij op de celmuur schreef af te kuisen. Volgens de appellante was de celmuur nadat ze vertrok niet beschadigd. De appellante stelt terecht dat ze niks kan doen aan de beschadigingen die […] op de muren zou hebben toegebracht wanneer ze al weg was. Ze stelt dat ze de gedetineerde kon kalmeren en dat ze hem zei dat als hij kalm was hij haar naam op zijn arm mocht schrijven. De appellante geeft toe dat dit onorthodox is maar dat het geholpen heeft de gedetineerde te kalmeren. De Raad stelt vast dat dit gegeven bezwaarlijk een tuchtfeit oplevert. Evenmin levert de gedraging van de appellante een gevaar op voor haar collega’s, de hiërarchie, de gedetineerden en de penitentiaire instelling. Wat betreft het opvragen van informatie over drugs aan het NICC is de Raad van Beroep van oordeel dat het NICC geen externe partner is maar een onderdeel is van de FOD Justitie. De Raad van Beroep is van oordeel dat de bevraging van het NICC door de appellante niet ingegeven is van uit een individuele casus maar vanuit haar verlangen om inlichtingen te bekomen over drugs. Het behoort tot het spreekrecht van de ambtenaar. Het is niet bewezen dat de appellante het drugbeleid van de penitentiaire instelling wilde doorkruisen of bekritiseren. IX-9879-7/24 Het feit dat betrokkene haar naam gebruikt in het e-mailverkeer met het NICC kadert in de verplichting van de ambtenaar om dit te doen en kan geenszins worden beschouwd als deloyale houding tegenover de hiërarchie maar net als een betrachting van de appellante om de richtlijnen na te leven. Bovendien heeft de appellante haar hiërarchie van haar e-mail aan het NICC ter kennis gebracht. Hierbij aansluitend is de Raad van Beroep ook van oordeel dat de omstandigheid dat de appellante tijdens de hoorzitting in het kader van de tuchtprocedure zou hebben aangegeven dat ze contact had opgenomen met de strafuitvoeringsrechtbank, alwaar haar dochter op de griffie werkte, teneinde de voortgang van het dossier van gedetineerde […] voor te leggen aan de voorzitter, evenmin een tuchtfeit oplevert. Uit de debatten is gebleken dat de appellante geen contact opnam met de strafuitvoeringsrechtbank doch enkel haar dochter, die op de griffie van de SURB werkt, thuis, aansprak over de gedetineerde […]. De Raad van Beroep is van oordeel dat de appellante, als penitentiair beambte, niet gehouden is tot beroepsgeheim maar als ambtenaar wel een discretieplicht heeft. De Raad van Beroep is van oordeel dat de appellante in casu de discretieplicht niet heeft geschonden, vermits verwacht mag worden dat het dossier van […] gekend is bij de SURB. Ook toont het tuchtdossier niet aan welke informatie de appellante zou hebben medegedeeld waardoor zij te kort zou hebben geschoten in haar plicht tot discretie. Het loutere feit dat zij haar dochter aansprak over het dossier […] acht de Raad van Beroep onvoldoende om te gewagen van een tuchtfeit. Overwegende dat de Raad van Beroep na geheime stemming, waaraan de griffier-rapporteur geen deel neemt, met 1 stem ja tegenover 6 stemmen neen van oordeel is dat de aan de appellante ten laste gelegde feiten namelijk het weigeren van de uitgeschreven richtlijnen van de inrichting te volgen, het weigeren van de richtlijn van haar overste, het noteren van haar naam op de arm van een gedetineerde ten genoege van het recht bewezen zijn.
- Omtrent de bestreden tuchtmaatregel. De Raad van Beroep is van oordeel dat bij gebreke aan een bewezen verklaard tuchtfeit er dan ook geen enkele aanleiding bestaat tot het opleggen van een tuchtstraf ten aanzien van de appellante. Om deze redenen, Brengt de Raad van Beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren, na geheime stemming waaraan de griffier-rapporteur geen deel nam, het advies uit dat het ingestelde beroep ontvankelijk is, en tevens gegrond is; Adviseert de Raad van Beroep om het voorstel van tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ te hervormen en te verklaren dat er bij gebreke aan een bewezen verklaard tuchtfeit geen aanleiding is tot het opleggen van een tuchtstraf.” IX-9879-8/24 3.
- Op 2 maart 2021 beslist de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie om verzoekster de tuchtstraf ‘verplaatsing’ op te leggen. Dat is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat mevrouw Tirez het volgende ten laste wordt gelegd: - het weigeren van de uitgeschreven richtlijnen van de inrichting te volgen; - het weigeren van de richtlijn van haar overste; - het noteren van haar naam op de arm van een gedetineerde. Overwegende dat de Raad van Beroep in haar advies van 16 februari 2021 van oordeel is dat de ten laste gelegde feiten in de brief van 19 november 2019 inhoudende de ‘uitnodiging voor een verhoor in het kader van een tuchtprocedure’ zeer vaag is en geen concrete feiten aangeeft, behoudens het feit betreffende het noteren van haar naam op de arm van een gedetineerde; dat hierdoor de rechten van verdediging geschonden zijn; Overwegende dat betrokkene omtrent deze feiten een vraag om uitleg had gekregen die wel telkens de concrete feiten bespreken en dat uit het verhoor van 17 december 2019 blijkt dat ze wel degelijk wist over welke feiten het ging; dat ze zich dus op een behoorlijke wijze heeft kunnen verdedigen tijdens het tuchtverhoor waardoor de rechten van verdediging niet geschonden zijn; Overwegende dat de Raad van Beroep in haar advies van 16 februari 2021 van oordeel is dat er een gebrek is aan een bewezen verklaard tuchtfeit; Overwegende dat het Directiecomité in het voorstel van tuchtstraf van 8 juli 2020 stelt dat het vaststaat dat betrokkene op 2 november 2019 de opdracht van het hoofd van de bewaking […] om een schaderapport op te maken geweigerd heeft; Overwegende dat Raad van Beroep oordeelt dat er volgens betrokkene geen schade was toen ze vertrok en dat ze terecht stelt dat ze niks kan doen aan de schade die de gedetineerde zou hebben aangebracht wanneer ze al weg was; Overwegende dat uit het tuchtdossier wel blijkt dat er schade was, maar dat er niet bewezen kan worden dat deze schade er al was voordat betrokkene vertrokken is; dat de Raad van Beroep dus gevolgd kan worden dat dit feit niet naar voldoening van recht bewezen is; Overwegende dat het Directiecomité in het voorstel van tuchtstraf van 8 juli 2020 stelt dat het vaststaat dat betrokkene op 2 november 2019 haar naam heeft laten schrijven op de arm van een gedetineerde; Overwegende dat de Raad van Beroep oordeelt dat dit geen tuchtfeit uitmaakt; dat de Raad van Beroep hierin gevolgd kan worden aangezien het niet duidelijk is welke regel betrokkene hier geschonden zou hebben; Overwegende dat het Directiecomité in het voorstel van tuchtstraf van 8 juli 2020 stelt dat het vaststaat dat betrokkene op 4 november 2019 de opdracht van naar ploegchef […] om het document sociale tabak te laten aftekenen zoals voorzien geweigerd heeft; Overwegende dat de Raad van Beroep oordeelt dat het document sociale tabak tot doel heeft om de prijs voor de geleverde tabak in mindering te brengen van de rekening van de gedetineerde en dat er discussie ontstond IX-9879-9/24 met de gedetineerde die beweerde dat hij al betaald had voor de tabak; dat betrokkene dit genoteerd heeft op het document ten einde de bewering van de gedetineerde te controleren; dat de Raad van Beroep van oordeel is dat de gedraging van betrokkene een normale reactie is en geen tuchtfeit uitmaakt; Overwegende dat betrokkene de opdracht kreeg om het document sociale tabak te laten aftekenen en dat de regels hierover voorschrijven dat er altijd afgetekend moet worden voor ontvangst, ook als er opmerkingen zijn; dat betrokkene het niet nodig vond dat de gedetineerde moest tekenen; dat de Raad van Beroep niet gevolgd kan worden aangezien ze wel degelijk een opdracht van een hiërarchische meerdere geweigerd heeft en de geldende regels niet gevolgd heeft; Overwegende dat het Directiecomité in het voorstel van tuchtstraf van 8 juli 2020 stelt dat het vaststaat dat betrokkene twee externe diensten, het NICC en de strafuitvoeringsrechtbank, gecontacteerd heeft; Overwegende dat de Raad van Beroep van oordeel is dat het niet bewezen is dat betrokkene, door haar mail aan het NICC, het beleid van de instelling wilde bekritiseren of doorkruisen; dat betrokkene enkel inlichtingen wilde bekomen over drugs en dit behoort tot het spreekrecht van een ambtenaar; dat het NICC bovendien geen externe dienst is, maar een onderdeel van de FOD Justitie en betrokkene heeft haar hiërarchie op de hoogte gebracht van haar mail; Overwegende dat de Raad van Beroep oordeelt dat betrokkene enkel met haar dochter, die op de griffie van de SURB werkt, over de gedetineerde […] gesproken heeft en haar dochter dit heeft voorgelegd aan de Voorzitter van de SURB; dat betrokkene dus niet zelf contact heeft opgenomen; dat volgens de Raad van Beroep betrokkene een discretieplicht heeft en ze deze niet geschonden heeft aangezien de SURB normaal gezien ook al kennis heeft van het dossier van […]; Overwegende dat betrokkene misschien niet de intentie had om het imago te schaden, maar dat men uit haar mail aan het NICC zou kunnen afleiden dat het drugsbeleid in de gevangenis van Beveren faalt en dat er niets aan gedaan wordt; dat dit dus wel degelijk tot imagoschade geleid heeft; Overwegende dat betrokkene een PBA is en het dus niet haar taak is om de drugsproblematiek in de gevangenis op te lossen en het is al zeker niet haar taak om dit op haar eentje te doen; dat ze indien er problemen zijn, deze intern in de gevangenis kan aankaarten bij de bevoegde personen, maar ze heeft ervoor gekozen om de vastgestelde problemen aan andere diensten voor te leggen; bovendien heeft ze haar hiërarchie pas achteraf op de hoogte gebracht van haar mail aan het NICC; dat dit dus betekent dat ze een deloyale houding heeft aangenomen ten aanzien van haar collega’s en haar hiërarchie; Overwegende dat de feiten een inbreuk vormen op artikel 7, §1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van de Rijksambtenaar dat bepaalt dat een ambtenaar zijn ambt uitoefent op loyale, zorgvuldige en integere wijze en de van kracht zijnde wetten, reglementen en richtlijnen dient na te leven; Overwegende dat de feiten een inbreuk vormen op artikel 8, §1, tweede lid IX-9879-10/24 van voormeld koninklijk besluit waarin staat dat een ambtenaar, wanneer hij in contact komt met het publiek, elk woord, elke houding, elk voorkomen vermijdt die van die aard zouden kunnen zijn dat het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zou kunnen brengen; Overwegende dat betrokkene weigert de opdracht van haar hiërarchische meerdere uit te voeren; Overwegende dat betrokkene vaak in discussie gaat met haar hiërarchische meerderen en wantrouwen vertoont ten aanzien van haar hiërarchie; Overwegende dat betrokkene niet loyaal en niet hoffelijk is ten aanzien van haar hiërarchie; Overwegende dat dossiers voorleggen aan het NICC en, onrechtstreeks, aan de strafuitvoeringsrechtbank absoluut niet kan; dat dit bovendien zonder enig overleg met haar hiërarchie gebeurd is; dat dit getuigt van een deloyale houding en dat dit voor imagoschade aan de FOD Justitie kan zorgen; Overwegende dat betrokkene toegeeft dat ze het NICC gecontacteerd heeft omdat ze vindt dat de drugsproblematiek niet opgelost wordt; Overwegende dat betrokkene vastgestelde problemen zelf wilt oplossen zonder samenspraak met haar hiërarchie; dat ze bovendien het probleem steeds bij anderen legt, wat van een gebrek aan zelfinzicht getuigt; Overwegende dat betrokkene niet beseft dat haar gedrag fout is; Overwegende dat betrokkene zelf aangaf tijdens haar tuchtverhoor dat ze geen vertrouwen heeft in haar hiërarchie; Overwegende dat de Raad van Beroep gevolgd wordt wat betreft het weigeren om het schaderapport op te maken en het laten schrijven van haar naam op de arm van een gedetineerde en dat deze feiten dus niet meer ten laste worden gelegd; dat daarmee rekening dient te worden gehouden bij het toekennen van de tuchtstraf; Overwegende dat de tuchtstraf ontslag van ambtswege te zwaar is, maar dat het vertrouwen van de directie in betrokkene nog steeds geschaad is; Overwegende dat het dus wenselijk is dat betrokkene in een andere penitentiaire inrichting tewerkgesteld wordt.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 7 en 8, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ en van het recht op vrije meningsuiting, zoals gewaarborgd bij artikel 10 EVRM en artikel 19 van de Grondwet. IX-9879-11/24 In een eerste middelonderdeel voert verzoekster aan, met betrekking tot het zogenaamde “document sociale tabak”, dat nergens in de bestreden beslissing wordt aangetoond “welke de geldende regels waren, op welke wijze [zij] deze niet gevolgd zou hebben, en welke opdracht van de hiërarchisch meerdere [zij] zou hebben geweigerd”. Verzoekster stelt dat zij de procedure heeft gevolgd en zij verwijst naar haar verweerschrift voor de raad van beroep alsook naar het advies van de raad van beroep, namelijk dat het om een normale reactie ging. In een tweede middelonderdeel gaat verzoekster in op haar contacten met het NICC en met de SURB. In dat verband voert zij aan dat de vrijheid van meningsuiting inhoudt dat zij kritiek mag hebben op het bestuurlijk optreden. Zij had al geruime tijd het desastreuze effect van drugs op gedetineerden vastgesteld, terwijl de drughonden die blijkbaar niet konden opsporen. Zij schreef daarover naar het NICC met een vraag om informatie en zij stuurde een kopie van haar e-mail naar haar hiërarchie. Zij had absoluut niet de intentie de penitentiaire inrichting (PI) Beveren imagoschade te berokkenen. Zij wijst erop dat zowel het NICC als de SURB deel uitmaken van de verwerende partij. In een derde middelonderdeel ten slotte voert verzoekster aan dat nergens in de bestreden beslissing wordt verduidelijkt in welke mate zij in haar contact met het publiek een inbreuk zou hebben gepleegd op artikel 8, § 1, tweede lid, van het statuut van het Rijkspersoneel. Zij heeft zich immers nooit uitgelaten naar “het publiek”.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster in het kader van het eerste middelonderdeel, dat zij het pak tabak niet heeft afgegeven aan de betrokken gedetineerde, gelet op de discussie die bestond omtrent de betaling. Bij gebrek aan enige afgifte van het pak tabak, is zij niet gehouden tot het laten aftekenen voor ontvangst door de gedetineerde. Conform de procedure IX-9879-12/24 betrok zij haar overste erbij om de zaak uit te klaren. Aangezien de ploegchef niet op zijn bureau was, noteerde verzoekster het probleem op het ontvangstbewijs dat zij met het pakje tabak met een elastiekje samengebonden op zijn bureau achterliet. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel merkt verzoekster op dat “de verwerende partij niet aantoont dat er vanuit het NICC ook maar enige opmerking is gekomen omtrent het functioneren van de gevangenis van Beveren”. Ook vanuit de SURB is geen kritiek gekomen; zij heeft ook nooit zelf contact gehad met de voorzitter van de SURB. Bezwaarlijk kan worden gesteld, aldus verzoekster, dat het imago van de gevangenis van Beveren doelbewust werd geschaad doordat externe derden werden geraadpleegd.
- In haar laatste memorie argumenteert verzoekster “dat de betaling pas geschiedt op het moment van de ontvangst van de sociale tabak”. Doordat in casu de gedetineerde beweerde dat de betaling uitzonderlijk reeds zou zijn gebeurd voorafgaand aan de ontvangst van de tabak, besliste verzoekster om dit eerst te laten nakijken alvorens de tabak te overhandigen en de gedetineerde te laten tekenen voor ontvangst. De verwerende partij gaat integraal voorbij aan het gegeven dat verzoekster het pakje tabak niet heeft overhandigd, waardoor er uiteraard niet voor ontvangst diende te worden getekend. Wat haar contactname betreft met het NICC herhaalt verzoekster dat dit louter informatief was en niet met het oog kritiek te geven op het gevangenisbeleid. Dat zij de PI Beveren imagoschade zou hebben bezorgd is puur hypothetisch. Beoordeling a. vooraf IX-9879-13/24
- Verzoekster betoogt meermaals dat zij bij geen van haar gedragingen de intentie had om de PI Beveren te schaden of imagoschade te doen lijden. Dat verweer kan niet slagen. Geen van de haar ten laste gelegde feiten vereist immers een bijzonder opzet, opdat het als deontologische misstap aangemerkt kan worden. IX-9879-14/24 b. eerste middelonderdeel
- Het eerste onderdeel van het eerste middel betreft de weigering van verzoekster om het document ‘sociale tabak’ te laten ondertekenen door de betrokken gedetineerde.
- Dat “de regels” omtrent het ondertekenen van het document ‘sociale tabak’ niet uitdrukkelijk hernomen zijn in de bestreden tuchtbeslissing, kan verzoekster geen nadeel hebben opgeleverd – daargelaten nog dat zij in het middel niet de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht. Reeds in de vraag om uitleg van 12 november 2019 wordt haar erop gewezen dat de handtekening van de gedetineerde dient “om te verifiëren dat de gedetineerde de goederen heeft ontvangen” en dat zij aldus de uitgeschreven richtlijn van de inrichting weigert te volgen en ingaat tegen een richtlijn van haar overste. De verwerende partij legt in de memorie van antwoord uit: “Los van het gegeven dat verzoekende partij wou nagaan of er niet reeds betaald zou geweest zijn voor de tabak – en zij dus een opmerking op het document kon noteren – weerhield niets haar ervan om de gedetineerde toch het document te laten ondertekenen tot bewijs van afgifte van de tabak. De gedetineerden dienen dergelijke documenten te ondertekenen omdat dit juist het bewijs levert van de ontvangst van de geleverde goederen aan de gedetineerde. Het gebeurde immers maar al te vaak dat tabak werd aangekocht door gedetineerden en aan hen werd gegeven, waarna de gedetineerden de afgifte van de tabak hadden betwist. Personeel werd dan beschuldigd dat de tabak zou achtergehouden zijn. Om die reden is de richtlijn er gekomen (richtlijn waarvan verzoekende partij duidelijk erkent dat die bestaat en ze er kennis van heeft) dat bij de afgifte van de tabak er altijd moet worden ondertekend door de gedetineerde zodat er bewijs is dat de gedetineerde de tabak in ontvangst genomen heeft. De argumentatie van verzoekende partij heeft enkel betrekking op de opmerking die ze op het document geplaatst heeft. Er bestond blijkbaar twijfel over de vraag of er niet al betaald was door de gedetineerde. Het moet echter herhaald worden dat de ondertekening, eerder dan de betaling door te voeren, als doel heeft om de afgifte van de tabak te kunnen controleren.” IX-9879-15/24 Verzoekster kan niet geloofwaardig stellen dat zij niet bekend was met deze richtlijnen en de achterliggende doelstelling ervan. Zij noemt het te ondertekenen document zelf een “afleverdocument”.
- Niet wordt betwist dat verzoekster de gedetineerde het document niet heeft laten ondertekenen. Zij had daarvoor haar redenen. Ze nemen niet weg dat de tuchtoverheid mocht overwegen “dat betrokkene de opdracht kreeg om het document sociale tabak te laten aftekenen en dat de regels hierover voorschrijven dat er altijd afgetekend moet worden voor ontvangst, ook als er opmerkingen zijn; dat betrokkene het niet nodig vond dat de gedetineerde moest tekenen; dat de Raad van Beroep niet gevolgd kan worden aangezien ze wel degelijk een opdracht van een hiërarchische meerdere geweigerd heeft en de geldende regels niet gevolgd heeft”. Terecht merkt de verwerende partij op dat zelfs al wou verzoekster nagaan, of laten nagaan, of er sprake was van een dubbele betaling, “niets haar ervan [weerhield] om de gedetineerde toch het document te laten ondertekenen ter bewijs van afgifte van de tabak”. In de huidige procedure stelt verzoekster dat zij het pakje tabak niet heeft afgegeven aan de gedetineerde – en in de memorie van wederantwoord voegt zij daaraan toe dat zij hem daarom niet moést laten aftekenen. De Raad van State stelt vast dat verzoekster dit noch in haar verhoor op 17 december 2019, noch in haar bezwaarschrift bij de raad van beroep zo heeft doen gelden. De Raad van State, die als wettigheidsrechter geen hogere beroepsinstantie is en niet tot taak heeft om zelf de feiten vast te stellen, mag geen rekening houden met die laattijdige voorstelling van de feiten, welke zo niet aan de tuchtoverheid is voorgelegd. Er valt overigens niet in te zien waarom verzoekster het pakje tabak niet kon afgeven en het document kon laten ondertekenen. De discussie omtrent de dubbele betaling staat daar immers los van en kon later worden uitgeklaard. Feit blijft dat de regels niet werden gevolgd. IX-9879-16/24 Het – al dan niet bewust, zie sub 7 – niet opvolgen van de uitgeschreven richtlijnen en een directe opdracht van haar hiërarchische meerdere weigeren, mag worden gekwalificeerd als een inbreuk op artikel 7, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel.
- Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. c. tweede middelonderdeel
- Het tweede onderdeel van het eerste middel heeft betrekking op de contacten van verzoekster met het NICC en de SURB. Dat verzoekster, al dan niet rechtstreeks, met die instellingen contact heeft gehad, wordt niet door haar betwist. Zij stelt dat zij zich enkel wilde laten informeren om haar job beter te kunnen uitoefenen.
- Onder het recht op vrije meningsuiting zoals gewaarborgd in artikel 19 van de Grondwet en artikel 10 EVRM valt ook een spreekrecht voor de ambtenaar, dat de vrijheid insluit om kritiek te geven op het beleid van de overheid. Dat spreekrecht doet echter geen afbreuk aan de verplichting voor de ambtenaar om tijdens en buiten de uitoefening van zijn ambt elke handelwijze te vermijden die het vertrouwen van de bevolking in de overheidsdienst kan aantasten, zodat de uitoefening van het spreekrecht tuchtrechtelijk mag worden bestraft. Overigens aanvaardt de ambtenaar, door zijn benoeming te aanvaarden en de eed af te leggen, de verplichtingen van zijn ambt, waaronder de meervermelde verplichting om bij het uitoefenen van zijn spreekrecht binnen zekere perken te blijven, ingegeven door het belang van de dienst en de waardigheid van het ambt. Die plicht tot gereserveerdheid vormt een maatregel die nodig is in een democratische samenleving en die in beginsel niet strijdig is met de Grondwet noch met het EVRM. IX-9879-17/24
- De e-mail van verzoekster aan het NICC, met als onderwerp ‘risico oneigenlijk gebruik geneesmiddelen’, luidt: “Deze vraag vanuit bezorgdheid als beambte in het gevangeniswezen: Dagelijks wordt het personeel geconfronteerd met gedetineerden onder invloed. Naar mijn bescheiden mening, is dit niet altijd het gevolg van de ‘normale’ verboden middelen. Het is heel moeilijk aan te tonen, voor een leek, maar ik ben ervan overtuigd dat de nieuwe ‘hype’ bestaat uit het opsnuiven en oproken van allerhande medicatie, gaande van paracetamol tot benzo’s en een mengeling ervan. Dit is, volgens mij, niet alleen levensgevaarlijk voor de gebruikers, maar ook voor het personeel: na inname zijn gedetineerden totaal onvoorspelbaar (ijlen, janken zoals een dier, waanbeelden, hyper, angstig, helemaal van de wereld, psychotisch,...) Gezien wij hiertoe niet opgeleid zijn (wij werken in een normale gevangenis, niet in een forensisch centrum) zou ik graag hierover meer informatie hebben: - heeft u een idee, aan de hand van de symptomen, welk middel en werd gesnoven/gerookt? - wat moeten wij doen in dat geval? (als leek) - waar/hoe kunnen gedetineerden/personeel voorgelicht worden omtrent de risico’s (docu’s, flyers, affiches,..)? Alvast heel erg bedankt voor elke uitklaring.”
- Onder de mantel van een vraagstelling, gaat verzoekster met deze e-mail verder. Zij formuleert een overtuiging, zij noemt de situatie “levens- gevaarlijk” voor het personeel en zij stelt aan de kaak, “hiertoe” niet opgeleid te zijn als personeelslid. Zij wenst te weten hoe zij druggebruik bij gedetineerden moet aanpakken. Zij wenst voorgelicht te worden over de risico’s. Door zulke overtuiging en vragen rechtstreeks aan het NICC te sturen – verzoekster beweert niet dat zij vooraf en vergeefs intern informatie heeft gevraagd – kan zij de indruk wekken dat het gevangenisbeleid ten aanzien van het drugsbeleid en de informatie aan en de opleiding van het personeel tekortschiet. De e-mail is ook een eigen initiatief. De hiërarchie stelde zij pas achteraf in kennis van haar demarche. Verzoekster schrijft in het verzoekschrift dat zij beoogt “mee te helpen een acuut probleem op te lossen”, maar omzeilt haar hiërarchie. IX-9879-18/24
- Naar het oordeel van de Raad is het dan niet onredelijk te noemen als de tuchtoverheid vaststelt “dat men uit haar mail aan het NICC zou kunnen afleiden dat het drugsbeleid in de gevangenis van Beveren faalt en dat er niets aan gedaan wordt” en “dat betrokkene een PBA is en het dus niet haar taak is om de drugsproblematiek in de gevangenis op te lossen en het is al zeker niet haar taak om dit op haar eentje te doen; dat ze indien er problemen zijn, deze intern in de gevangenis kan aankaarten bij de bevoegde personen, maar ze heeft ervoor gekozen om de vastgestelde problemen aan andere diensten voor te leggen; bovendien heeft ze haar hiërarchie pas achteraf op de hoogte gebracht van haar mail aan het NICC; dat dit dus betekent dat ze een deloyale houding heeft aangenomen ten aanzien van haar collega’s en haar hiërarchie”.
- Zoals verzoekster opmerkt, is het NICC een “andere dienst” in de FOD Justitie. Dat is precies wat haar wordt verweten: dat zij haar problemen eerst intern had moeten aankaarten bij de bevoegde personen in de gevangenis en niet de hiërarchie moest passeren door op haar eentje rechtstreeks andere diensten te contacteren en problemen te willen oplossen “zonder samenspraak met haar hiërarchie”. De redenering van verzoekster zou erop neerkomen dat zij elke instantie binnen de FOD Justitie mag contacteren – bijvoorbeeld alle andere gevangenissen – om problemen binnen de eigen PI aldaar aan te kaarten, zonder haar discretieplicht in het gedrang te brengen. Zo ver reikt het spreekrecht van de ambtenaar niet.
- Uit de motivering van de tuchtmaatregel valt te begrijpen dat de contactname met het NICC en niet meer het onrechtstreekse contact met de SURB doorslaggevend is geweest voor dit tuchtfeit.
- Het tweede middelonderdeel is ongegrond. IX-9879-19/24 d. derde middelonderdeel
- In het derde middelonderdeel voert verzoekster tot slot aan dat zij zich nooit heeft uitgelaten naar “het publiek” en dat zowel het NICC als de SURB onderdelen zijn van de FOD Justitie. Van een inbreuk op artikel 8, § 1, tweede lid, van het statuut van het Rijkspersoneel kan volgens haar dan ook geen sprake zijn.
- Het is niet omdat het NICC deel uitmaakt van de FOD Justitie dat het niet moet worden aangezien als een instantie “extern” aan de PI Beveren en dus als een “publiek” in de zin van artikel 8, § 1, tweede lid, van het statuut van het Rijkspersoneel. Ook de dochter van verzoekster, langsom wie verzoekster contact heeft gezocht bij de strafuitvoeringsrechtbank en aan wie zij een geanonimiseerd dossier van een gedetineerde heeft bezorgd, is “publiek” in de zin van die bepaling.
- Het derde middelonderdeel gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt naar recht. e. besluit
- Het eerste middel is in genen dele gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert als tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in samenhang met het recht op vrije meningsuiting. IX-9879-20/24 Zij wijst erop dat zij de op twee na zwaarste tuchtstraf kreeg opgelegd: die straf wordt slechts na verloop van achttien maanden uitgewist en heeft zeer zware repercussies voor haar professionele toekomst. De ernst van de inbreuken staat in schril contrast met de zware repercussies van de opgelegde straf. De overplaatsing wordt in de bestreden beslissing wenselijk geacht omdat het vertrouwen van de directie nog steeds geschaad is. De overwegingen steunen echter op de inhoud van vroegere functioneringsgesprekken sedert
- Tot slot verwijst zij naar haar eerste middel waaruit blijkt dat van tuchtinbreuken geen sprake is. Aangezien vanuit het NICC noch vanuit de SURB enige opmerking kwam omtrent het functioneren van de PI toont dit aan dat van imagoschade al evenmin sprake is. Beoordeling a. vrijheid van meningsuiting
- Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat verzoekster een schending van de discretieplicht mocht worden verweten, zonder dat hieruit een ongeoorloofde inbreuk op haar vrijheid van meningsuiting volgt. Het tweede middel voert daaraan niets toe, zodat die beoordeling overeind blijft. b. zorgvuldigheidsbeginsel
- De in het middel aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt niet nader toegelicht. In die mate is het middel niet ontvankelijk. c. proportionaliteitsbeginsel
- Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Die discretionaire bevoegdheid is begrensd door het redelijkheidsbeginsel, wat inzake tucht impliceert dat een IX-9879-21/24 tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid moet staan tot de tuchtfeiten. Bij het beoordelen van de evenredigheid van een tuchtmaatregel mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid. Er kan slechts sprake zijn van de schending van het evenredigheidsbeginsel wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan de verzoekende partij de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door de verzoekende partij in het middel aangevoerde argumenten die volgens haar ervan doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op de verzoekende partij rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door haar aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de tuchtoverheid.
- Bij het onderzoek naar de redelijkheid van die sanctie, kan niet om de vaststelling heen dat de in aanmerking genomen tuchtfeiten er telkens op neerkomen dat verzoekster de hiërarchie binnen de PI Beveren heeft genegeerd of gepasseerd. Daarbij komt dat zijzelf heeft verklaard geen vertrouwen te hebben in die hiërarchie. Verzoekster weerspreekt dit in haar laatste memorie. Dat is laattijdig, maar hoe dan ook mocht de verwerende partij het gebrek aan vertrouwen in de hiërarchie ook afleiden uit het tuchtfeit zélf, namelijk het passeren van de hiërarchie en het betrekken van externe diensten zonder samenspraak met de hiërarchie. En ook al heeft verzoekster tijdens haar verhoor misschien niet expressis verbis de woorden in de mond genomen dat zij geen IX-9879-22/24 vertrouwen heeft in haar meerderen, dan heeft zij wél verklaard “ik heb een probleem met mijn leidinggevenden” en ademt dat wantrouwen uit alle antwoorden die zij geeft op de vragen waarom zij de opdrachten van de PA niet uitvoert, waarom zij dienstnota’s naast zich neerlegt en waarom zij rechtstreeks contact neemt met de SURB en het NICC. De overweging in de bestreden beslissing “dat het vertrouwen van de directie in betrokkene nog steeds geschaad is”, is gegeven die omstandigheden geenszins onredelijk. De verwerende partij mocht in de gegeven omstandigheden vaststellen dat er wederzijds geen vertrouwen meer is, waardoor samenwerken niet langer mogelijk is of effectief imagoschade is berokkend, doet aan die vaststelling geen afbreuk. De tuchtsanctie ‘verplaatsing’ is in die omstandigheden niet onredelijk, aangezien het de lichtste tuchtmaatregel is die aan de situatie een einde kan maken, naast het ontslag van ambtswege en de afzetting. Bij het opleggen van een tuchtsanctie moet eveneens rekening worden gehouden met de werking van de dienst. Ook vanuit die optiek toont verzoekster niet de onredelijkheid aan van de opgelegde sanctie. Louter ten overvloede merkt de Raad op dat, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, de motivering van de tuchtmaatregel niet refereert aan functioneringsgesprekken uit het verleden.
- Een schending van het evenredigheidsbeginsel is niet aangetoond. d. besluit
- Ook het tweede middel is in genen dele gegrond. IX-9879-23/24 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9879-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.737 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.921 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div