← België

Arrest 256744 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 09/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.744 Rolnummer: A. 233632/XIV-38696 Zaak: Arrest 256744 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 09/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-15 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 10:35 Fiche Arrest nr 256.744 van 9 juni 2023 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 256.744 van 9 juni 2023 in de zaak A. é.632/XIV-38.696 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5437 BUGGENHOUT-LEBBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van: 1° de beslissing van de politieraad van de politiezone Buggenhout-Lebbeke van 2 maart 2021 waarbij werd beslist tot de stopzetting van de lopende procedure tot aanwerving van een hoofdcommissaris-korpschef; 2° de beslissing van de politieraad van de politiezone Buggenhout-Lebbeke van 2 maart 2021 waarbij werd beslist tot de vacantverklaring van de functie van korpschef, tot vaststelling van de termijn waarbinnen de kandidaturen worden ingediend en tot het bepalen van de samenstelling van de plaatselijke selectiecommissie. XIV-38.696-1/14 Verzoeker vordert in zijn verzoekschrift tevens een schadevergoeding tot herstel. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 251.598 van 23 september 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-38.696-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 251.598 van 23 september
  6. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie wegens gebrek aan belang bij het beroep Standpunt van de partijen
  7. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het beroep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is omdat niet is in te zien welk voordeel verzoeker bij de nietigverklaring kan hebben. De eerste bestreden beslissing is een louter voorbereidende handeling die tot doel heeft het mandaat van korpschef opnieuw vacant te verklaren. De tweede bestreden beslissing verschafte verzoeker de mogelijkheid om opnieuw te kandideren voor dit mandaat. Verzoeker heeft dit echter nagelaten. Hij heeft zich geen kandidaat gesteld, zoals hij zelf bevestigt in zijn verzoekschrift. Door zijn eigen nalatigheid kan hij dan ook niet meer worden benoemd in het mandaat van korpschef, wat hem het belang ontzegt bij het beroep. Verzoeker voert aan dat niet kan worden verwacht dat hij deelneemt aan een procedure waarvan hij de wettigheid betwist, doch dat excuus kan niet worden aanvaard. Verzoekers redenering gaat voorbij aan de eenzijdige verbindende kracht en uitvoerbaarheid van bestuurshandelingen: een bestuurshandeling wordt geacht wettig te zijn. Niets belette overigens dat verzoeker én de eerste bestreden beslissing aanvocht, én zich kandidaat stelde (na de nieuwe vacantverklaring). Er bestaat geen verschoning voor het feit dat XIV-38.696-3/14 verzoeker zich geen kandidaat heeft gesteld en door dit na te laten heeft hij de kans verloren om als korpschef aangesteld te worden. In haar laatste memorie voert de verwerende partij aan dat verzoekers argument dat zijn belang zit in de mogelijkheid om alsnog te worden aangesteld als korpschef in het kader van de eerste stopgezette benoemingsprocedure, vreemd is aan verzoekers belang bij de huidige procedure. In het kader van de door de tweede bestreden beslissing gestarte nieuwe benoemingsprocedure kan verzoeker nooit worden benoemd, daar hij zich geen kandidaat stelde. Deze vaststelling volstaat om hem het belang bij zijn beroep te ontzeggen. Ook de vraag of de nieuw voorgedragen kandidaat intussen al dan niet is aangesteld als korpschef, is niet relevant om het belang van verzoeker te beoordelen. Verzoeker kan in toepassing van de nieuwe benoemingsprocedure immers niet worden aangesteld bij gebrek aan kandidatuur, zodat hij geen belang heeft bij het aanvechten van de beslissing waarmee die nieuwe benoemingsprocedure wordt gestart en hetzelfde geldt voor de benoeming waarmee de procedure zal worden beëindigd. Verzoeker heeft zijn belang verloren, daar hij heeft verzuimd zich kandidaat te stellen; dit verzuim moet niet worden rechtgezet door de Raad van State door verzoeker alsnog een belang toe te kennen bij het aanvechten van de beslissing om het ambt vacant te verklaren. Het verlies aan belang bij het aanvechten van de tweede bestreden beslissing wegens het gebrek aan een kandidatuur heeft tot gevolg dat verzoeker ook zijn belang verliest om de eerste bestreden beslissing aan te vechten. Immers, zelfs indien hij een degelijk belang zou hebben gehad ten tijde van de totstandkoming van die beslissing, dan is dit belang minstens teloor gegaan op het ogenblik dat verzoeker zich geen kandidaat stelde (en niet meer kon stellen) in het kader van de nieuwe vacature. Tot slot doet de verwerende partij gelden dat verzoeker moet worden tegengesproken in zijn standpunt dat ook de minister “lijkt rekening te houden” met een vernietiging van de bestreden beslissingen. Dit blijkt geenszins uit de stukken die verzoeker bijkomend neerlegt. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de minister van Binnenlandse Zaken geenszins de twee bestreden beslissingen XIV-38.696-4/14 heeft aangevochten. De verwerende partij concludeert dat de minister eerder een afwachtende houding lijkt aan te nemen, dan verzoeker bij te vallen in zijn visie.
  8. In het verzoekschrift zet verzoeker, wat zijn belang betreft, in essentie uiteen dat hij door de beëindiging van de aanstellingsprocedure en de opstart van de nieuwe aanstellingsprocedure rechtstreeks geraakt wordt in zijn beroepsuitoefening, evenals in zijn reputatie en imago. De bestreden beslissingen zijn er bovendien op gericht zijn aanstelling in het nagestreefde mandaat te verhinderen, terwijl de verwerende partij er ingevolge de artikelen 48 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) en VII.III.43 RPPol toe gehouden is een kandidaat voor te dragen, waarbij verzoeker als enige geschikt bevonden kandidaat voorgedragen had moeten worden. Nu poogt de verwerende partij ook de aanstelling door de minister van Binnenlandse Zaken te beletten, die volgens verzoeker hem wel degelijk wil aanstellen aangezien hij de verwerende partij overeenkomstig artikel 52 van de wet van 7 december 1998 heeft aangeschreven met de vraag een kandidaat voor te dragen. De huidige bestreden beslissing verhindert definitief de toepassing van artikel 52 van de wet van 7 december 1998 en zorgt er voor dat de aanstellingsprocedure definitief wordt beëindigd waardoor verzoeker onherstelbaar benadeeld wordt, hetgeen zijn belang bij zijn beroep aantoont. Verzoeker stelt nog dat het overigens geen enkele zin heeft deel te nemen aan een nieuwe selectieprocedure wanneer de verwerende partij de voordracht van verzoeker, ondanks het feit dat hij geschikt bevonden is, weigert en meer nog de benoeming door de Koning tegenwerkt. In die omstandigheden kan van verzoeker niet worden verwacht dat hij zou deelnemen aan de nieuwe selectieprocedure. Een dergelijke deelname zou integendeel een erkenning inhouden van het rechtsgeldig en regelmatig karakter ervan. Ook werden volgens verzoeker de bestreden beslissingen “meteen en zonder dralen” aangevochten. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker zijn standpunt dat beide bestreden beslissingen erop zijn gericht zijn voor de hand XIV-38.696-5/14 liggende benoeming overeenkomstig artikel 48 van de wet van 7 december 1998 definitief en onomkeerbaar te verhinderen. Bij vernietiging van de eerste bestreden beslissing zou die uit het rechtsverkeer verdwijnen en zou de Koning op die wijze opnieuw in de gelegenheid worden gesteld alsnog tot zijn benoeming over te gaan. Ook de tweede bestreden beslissing heeft dergelijke verregaande gevolgen, doordat die een nieuwe benoemingsprocedure opstart ter vervanging van de lopende eerste procedure. Ze declareert de beschikbaarheid van de mandaatfunctie, zodat zij rechtsgevolgen heeft voor zijn kans om zelf te worden benoemd. Voorts herneemt hij zijn standpunt dat omwille van het herhaaldelijk aangevoerde gebrek aan vertrouwen in verzoeker door de verwerende partij, van hem redelijkerwijze geen nieuwe deelname aan een benoemingsprocedure voor dezelfde politieraad kan worden verwacht. Hij wijst er ook op dat de politieraad, naar aanleiding van de nieuwe vacantverklaring (tweede bestreden beslissing), op 21 december 2021 een kandidaat als nieuwe korpschef heeft voorgedragen, doch dat de benoeming van die persoon nog niet is bekrachtigd door een benoeming bij koninklijk besluit. Hij wijst er tot slot ook op dat hij tevens een verzoek tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend, zodat hij minstens en ondergeschikt belang behoudt bij het beoordelen van de middelen door de Raad. Het feit dat verzoeker intussen bij mobiliteit een nieuwe functie binnen de federale politie uitoefent ontneemt verzoeker evenmin zijn belang: hij heeft onafgebroken zijn interesse betoond om het mandaat van korpschef te bekomen en heeft daaraan nooit verzaakt. Het feit dat verzoeker een mobiliteitsfunctie aanvaardde verhindert weliswaar dat hij een andere mobiliteitsfunctie zou innemen, maar verhindert niet dat hij benoemd wordt in een mandaatfunctie waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Verzoeker stelt dan ook minstens een gekwalificeerd moreel belang bij zijn beroep te hebben aangezien de bestreden beslissingen gesteund worden op een gebrek aan vertrouwen in verzoeker. In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat er nog steeds geen koninklijk besluit is genomen tot benoeming van de voorgedragen kandidaat. De nieuwe aanwervingsprocedure is niet gefinaliseerd, zodat er geen sprake is van enig verlies aan belang. Hij kan immers bij vernietiging van de bestreden XIV-38.696-6/14 beslissing nog steeds het voordeel bekomen van de eigen benoeming overeenkomstig artikel 52 van de wet van 7 december
  9. Volgens verzoeker stemt dat bovendien overeen met de invulling die het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) geeft aan de vereiste van het actueel belang, waarbij blijkt dat het ogenblik waarop de vordering werd ingesteld en het tijdsverloop mee in de beoordeling moet worden genomen bij de beoordeling van verzoekers belang. In casu is het volgens verzoeker dan ook “alleen maar redelijk om eveneens het verloop van het traject tussen verzoekende en verwerende partij omtrent de benoeming van verzoekende partij mee in rekening te nemen, aangezien deze zich reeds op 30 oktober 2018 kandidaat stelde […] en zijn benoeming dus reeds bijna 4 jaar aansleept.” Tot slot stelt verzoeker dat “ook de minister […] rekening [lijkt] te houden met een vernietiging van beide beslissingen, hetgeen de vermoedelijke reden is waarom [de voorgedragen kandidaat] nog niet definitief werd benoemd” en kan “bovendien […] uit de passieve en afwachtende houding van de minister geenszins enige goedkeuring van de gang van zaken worden afgeleid, maar bevestigt dit dat het kabinet bij uitstek rekening houdt met de mogelijkheid dat de bestreden beslissingen worden vernietigd en dat zij verzoekende partij alsnog kan benoemen in het mandaat.” Beoordeling
  10. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring XIV-38.696-7/14 van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.
  11. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
  12. Het voorwerp van de eerste bestreden beslissing is de beslissing van 2 maart 2021 om de lopende procedure voor benoeming van een hoofdcommissaris-korpschef stop te zetten. Het voorwerp van de tweede bestreden beslissing is de beslissing van dezelfde datum tot het opnieuw vacant verklaren van het mandaat van korpschef. Zoals verzoeker het ook stelt in het verzoekschrift, impliceren beide beslissingen samen de definitieve – en volgens verzoeker wederrechtelijke – beëindiging van de eerdere benoemingsprocedure waarin verzoeker de enige kandidaat was en de opstart van een tweede benoemingsprocedure. Voorts blijkt uit de door verzoeker overgelegde stukken dat de op 17 maart 2021 gepubliceerde “2e oproep tot kandidaatstelling voor het mandaat van korpschef van de lokale politiezone 5437 Buggenhout-Lebbeke”, de XIV-38.696-8/14 uiterste datum voor het indienen van de kandidatuur om ontvankelijk te zijn vastlegde op 21 april 2021 inbegrepen, i.e. voor het indienen op 14 mei 2021 van het voorliggende beroep. Voorst wordt niet betwist dat verzoeker zich geen kandidaat heeft gesteld voor de tweede benoemingsprocedure in het vacantverklaarde mandaat van korpschef, alsook dat in het kader van die tweede procedure zich een derde persoon kandidaat heeft gesteld, dat die door de politieraad is voorgedragen, maar dat op het ogenblik van het sluiten van het debat die benoemingsprocedure nog niet is gefinaliseerd. Verzoeker kan in toepassing van de nieuwe benoemingsprocedure, opgestart ingevolge de tweede bestreden beslissing, niet worden aangewezen bij gebrek aan kandidaatstelling. Hierdoor heeft hij geen belang bij het betwisten van de (tweede) bestreden beslissing waarmee de tweede benoemingsprocedure is gestart. Hij kan aldus op grond van met de tweede bestreden beslissing ingestelde (tweede) benoemingsprocedure nooit worden aangewezen voor het opnieuw vacantverklaarde mandaat van korpschef. Zulks volstaat om verzoeker het belang bij zijn beroep tegen de tweede bestreden beslissing te ontzeggen nu hij, door zijn verzuim om zich kandidaat te stellen, reeds bij het indienen van het voorliggende beroep geen belang had bij zijn beroep tegen die beslissing. Dat de aanwijzingsprocedure op grond van de tweede vacantverklaring bij de sluiting van het debat nog niet definitief is beëindigd, is niet relevant ter beoordeling van verzoekers belang: wat van tel is, is dat verzoeker bij het inleiden van het voorliggende beroep, ingevolge zijn stilzitten, in ieder geval niet kan worden aangewezen op grond van de tweede benoemingsprocedure noch de wettigheid ervan noch die van de (te verwachten) eindbeslissing ter zake wettig kan betwisten. De eigen beoordeling van het (juridische en feitelijk) (on)nut van het indienen van een kandidatuur in het raam van de tweede benoemingsprocedure verschoont niet wettig het verzuim om zich kandidaat te stellen. Ze gaat immers voorbij aan de dwingende kracht (“privilège du préalable”) en de uitvoerbare kracht van een administratieve handeling die de XIV-38.696-9/14 vacantverklaring is en die inhouden dat zolang een rechter zulks niet tegenspreekt, de vacantverklaring in overeenstemming is met het recht en uitvoerbaar is. Een eigen persoonlijke beoordeling of perceptie ter zake inzake de wettigheid ervan, doet deze principes niet wijken en verschoont aldus niet het verzuim van verzoeker. A fortiori is de door hemzelf (gering) ingeschatte eigen slaagkansen geen gegronde verschoningsgrond ter zake. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker op het ogenblik van het indienen van het beroep, geen belang had bij het betwisten van de wettigheid van de tweede bestreden beslissing. Het gebrek aan belang bij het betwisten van de tweede bestreden beslissing wegens gebrek aan kandidaatstelling, heeft ook tot gevolg dat verzoeker evenmin belang heeft bij het betwisten van de eerste bestreden beslissing. Vooreerst moet worden vastgesteld dat verzoeker impliciet maar zeker erkent door het gelijktijdig in een enkel verzoekschrift instellen van twee vorderingen – wat enkel op ontvankelijke wijze mag indien bij uitzondering de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd, meer bepaald indien de vorderingen, wat hun voorwerp of wat hun grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot de ene vordering, een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere vordering – van oordeel is dat de beide bestreden beslissingen samenhangend zijn in de voormelde zin. Voorts stelt verzoeker zelf in het verzoekschrift, dat beide bestreden beslissingen samen de (definitieve) beëindiging impliceren van de eerste benoemingsprocedure en de opstart van een tweede benoemingsprocedure. Voorts blijkt uit wat voorafgaat, dat de tweede bestreden beslissing op een voor verzoeker onaantastbare wijze uitvoering krijgt. Een desgevallend tussen te komen vernietiging van de beslissing tot stopzetten van de eerste benoemingsprocedure zal zulks niet beletten. Hieruit volgt dat, zelfs al wordt de onlosmakelijk met de tweede bestreden beslissing verbonden beslissing tot stopzetting van de eerste benoemingsprocedure vernietigd, die niet tot gevolg zal hebben dat verzoeker op het ogenblik dat hij het voorliggende beroep inleidde, nog een kans maakt op XIV-38.696-10/14 benoeming op grond van de eerste benoemingsprocedure, aangezien in elk geval de tweede benoemingsprocedure, waarvan zoals gesteld verzoeker de wettigheid ervan niet meer kan betwisten en hem dus tegenwerpelijk is, impliceert dat die eerste procedure niet tot benoeming kan leiden. Er is immers op het ogenblik van het indienen van het beroep – en overigens ook bij het sluiten van het debat – een wettige aan verzoeker tegenwerpelijke procedure lopende tot benoeming van een korpschef, zodat hoe dan ook artikel 52 van de wet van 7 december 1998 geen toepassing kan vinden, nu blijkt dat de gemeenteraad daadwerkelijk een geschikt bevonden kandidaat heeft voorgedragen. Anders dan hoe verzoeker het derhalve ziet, is het voordeel dat de vernietiging de weg voor hem (en voor de minister) vrij zou maken om alsdan nog te beslissen om hem, met toepassing van de door verzoeker geciteerde bepalingen, te benoemen in het mandaat van korpschef, vreemd aan verzoekers belang bij de voorliggende procedure en in wezen niet anders dan een onrechtstreeks voordeel. Zelfs al zou het waar zijn dat de vernietiging van beide bestreden beslissingen er toe zou leiden dat verzoeker terug als enige geschikte kandidaat wordt beschouwd dan nog gaat dit voordeel slechts kunnen worden gerealiseerd indien de weg tot vernietiging van beiden open ligt. Hiervoor is evenwel vastgesteld dat verzoeker, door zijn stilzitten, zulks heeft belet.
  13. Inzake het argument dat verzoeker (tijdig) een verzoek tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend, zodat hij minstens en ondergeschikt een belang behoudt bij het beoordelen van de middelen, verliest verzoeker uit het oog dat uit wat voorafgaat, verzoeker reeds bij het indienen van het beroep geen actueel belang had bij zijn beroep. Een verzoek tot schadevergoeding tot herstel kan alsnog aan verzoeker geen belang toekennen dat hij ontbeerde bij het inleiden van het voorliggende beroep. Ten overvloede wordt overigens bemerkt dat, zelfs indien verzoeker bij het indienen van het beroep getuigde van het vereiste belang, zijn verlies van belang bij het voorliggende beroep in elk geval het gevolg is van een handeling die verzoeker zelf heeft nagelaten te stellen en die hem persoonlijk verwijtbaar is, met name niet te hebben gekandideerd voor het door de tweede bestreden beslissing opengevallen mandaat. In die omstandigheden en in XIV-38.696-11/14 overeenstemming met hetgeen de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, in algemene vergadering, heeft overwogen bij haar arrest Moors nr. 244.015 van 22 maart 2019, volstaat in dat geval het instellen van een dergelijke vordering op zich niet om de middelen te onderzoeken indien het belang bij het beroep tot nietigverklaring is teloorgegaan. Voorts doet verzoeker niet blijken van bijzondere omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat dit voor hem wel het geval is. Verzoeker beroept zich eveneens op de invulling die het EHRM volgens hem geeft aan de vereiste van het actueel belang. Dit argument wordt evenmin bijgevallen omwille van de hierover gedane vaststelling dat verzoeker geen actueel belang heeft, c.q. had bij het inleiden van het voorliggende beroep. Zoals het ook door verzoeker aangehaalde arrest Vermeulen van het EHRM (EHRM 17 juli 2018, nr. 5475/06) in herinnering brengt, mogen de voorwaarden van ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State er niet toe leiden dat ze het recht op toegang in de kern aantasten, wat het geval is wanneer deze voorwaarden niet evenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. In dit verband dient de Raad van State de annulatieprocedure in haar geheel te beoordelen en in het bijzonder rekening te houden met de eventuele invloed van de duur ervan op het verlies van het belang van een verzoekende partij. In de voorliggende zaak blijkt evenwel uit wat voorafgaat dat verzoeker het voorliggende beroep heeft ingediend (14 mei 2021), dit is na de uiterste datum voor het indienen van de kandidatuur waaraan hij heeft verzaakt (21 april 2021 inbegrepen). In deze context is het ontzeggen aan verzoeker van het vereiste actuele belang (bij het indienen van het beroep) geen disproportionele belemmering van verzoekers recht op toegang tot de rechter. Anders dan hoe verzoeker het ziet, staat voorts ter zake niet ter beoordeling het tijdsverloop tussen het ontstaan van het conflict tussen verzoeker en de verwerende partij, en de uitspraak in het voorliggende geschil.
  14. In de mate dat verzoeker zich tot slot beroept op een (gekwalificeerd) moreel belang bij het beroep, volstaat de vaststelling dat verzoeker door zijn eigen niet-verschoond nalaten, heeft belet dat de tweede XIV-38.696-12/14 benoemingsprocedure uitvoering krijgt. Zulks volstaat om hem het ingeroepen moreel nadeel te ontzeggen.
  15. De exceptie wegens gebrek aan actueel belang is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. V. Verzoek tot schadevergoeding tot herstel
  16. In zijn verzoekschrift vraagt verzoeker de Raad van State om de verwerende partij te veroordelen tot betaling van 175.568, 92 euro, te verhogen in elk geval met de gerechtelijke interesten.
  17. Overeenkomstig artikel 25/3, §§1 en 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, dient het verzoek om schadevergoeding tot herstel eveneens te worden afgewezen. Immers, indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, wijst het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af. Nu te dezen geen onwettigheid is vastgesteld, moet het verzoek om schadevergoeding tot herstel worden afgewezen. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, het beroep tot nietigverklaring en het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 60 euro en rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.696-13/14
  20. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.696-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.744 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.598 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.