← België

Arrest 256753 - Voedselveiligheid (FAVV) - 09/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.753 Rolnummer: A. 239238/VII-42071 Zaak: Arrest 256753 - Voedselveiligheid (FAVV) - 09/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-09 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-18 15:03 Fiche Arrest nr 256.753 van 9 juni 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.753 van 9 juni 2023 in de zaak A. 239.238/VII-42.071 In zake: de BVBA BELFORT CATERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joost Bosquet, Eveline Van Laere en Valérie De Bruyckere kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 juni 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van Vice-eerste Minister en Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing David Clarinval van 26 mei 2023 tot intrekking van de toelating 1.1 met nummer AER/BRU/029909 voor de activiteit Eetgelegenheid, productie en distributie van maaltijden (PL92 AC66 PR152) van Belfort catering met ondernemingsnummer 0458.408.538 en vestigingseenheidnummer 2.078.226.483, gelegen te Sint-Katelijnestraat 26/28 te 1000 Brussel.” II. Verloop van de rechtspleging VII-42.071-1/13
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juni 2023, om 14.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaten Joost Bosquet, Eveline Van Laere en Valérie De Bruyckere, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Joost Hoste, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
  3. Verzoekende partij baat een restaurant (Amadeo) uit aan de Sint-Katelijnestraat 26- 28 in Brussel.
  4. Op 7 augustus 2018 trekt de verwerende partij de toelating van verzoekende partij met nummer AER/BRU/022408 als detailhandel in levensmiddelen (toelating 1.1) met als activiteit eetgelegenheid (PL92 AC66 PR152) van de verzoekende partij in wegens inbreuken op de regels van de voedselveiligheid.
  5. Op basis van een controle op 4 oktober 2018 wordt aan de verzoekende partij een voorwaardelijke toelating toegekend waarna de zaak kan VII-42.071-2/13 worden heropend. Indien de controle binnen de drie maanden gunstig zou zijn, zou een definitieve toelating worden verleend. Op 17 december 2018 wordt, volgens een mededeling bij schrijven van 7 januari 2019 van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) aan de verzoekende partij, een definitieve toelating verleend.
  6. In de daaropvolgende jaren worden diverse missierapporten en processen-verbaal van vaststelling van inbreuken opgemaakt en werden diverse waarschuwingen gegeven aan de verzoekende partij.
  7. Op 2 maart 2023 deelt het FAVV in toepassing van art. 16, §1 van het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: KB van 16 januari 2006) de gemotiveerde intentie tot intrekking van de toelating aan de verzoekende partij mee.
  8. De verzoekende partij dient op 16 maart 2023 haar bezwaar in tegen deze intentie tot intrekking.
  9. Op 29 maart 2023 voert het FAVV een nieuwe controle uit bij de verzoekende partij. Een missierapport en een proces-verbaal van vaststelling overtredingen worden opgemaakt.
  10. Op 4 april 2023 deelt het FAVV aan de verzoekende partij mee dat haar toelating wordt ingetrokken.
  11. De verzoekende partij dient tegen de intrekking administratief beroep in op 11 april
  12. Een hoorzitting vindt plaats op 9 mei
  13. De verzoekende partij dient op 10 mei 2023 bijkomende stukken in. VII-42.071-3/13
  14. Op 16 mei 2023 adviseert de beroepscommissie de intrekking van de toelating.
  15. Op 26 mei 2023 neemt de minister de bestreden beslissing.
  16. Op 31 mei 2023 wordt verzoekende partij in kennis gesteld van het advies van de beroepscommissie dd. 16 mei 2023 en van de bestreden beslissing. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  17. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen
  18. De verzoekende partij zet uiteen wat volgt: “
  19. De loutere nietigverklaring van de bestreden beslissing is niet van aard de dreigende schade te remediëren. Ook de gewone vordering tot schorsing kan hier geen oplossing bieden. De sluiting brengt immers onmiddellijke desastreuze financiële gevolgen met zich mee voor verzoekende partij, zeker gelet op de verregaande engagementen, maatregelen, samenwerkingen en aanpassingen die verzoekende partij heeft gedaan gedurende de procedure voor het FAVV. Deze investeringen in combinatie met de sluiting die volgt uit de bestreden beslissing, maken dat het VII-42.071-4/13 faillissement van verzoekende partij nakend en onafwendbaar dreigt te worden. Dit wordt voor zoveel als nodig bevestigd in de verklaring van de boekhouder[…]. Verzoekende partij zou immers worden geconfronteerd met een verplichte sluiting van maanden, de verplichting personeel te ontslaan (gezien zij deze onmogelijk op een normale wijze verder kan tewerkstellen), en zal alle reserves op minimale tijd opbranden, zodat het voortbestaan van verzoekende partij in het gedrang wordt gebracht bij gebrek aan onmiddellijk optreden van uw Raad. Zo blijven de vaste kosten van om en bij de 23.000 euro per maand doorlopen en zullen enkel en alleen al in juni niet periodieke uitgaven van minstens 21.000 euro betaald moeten worden. Daarnaast heeft verzoekende partij net grote investeringen ten belope van 147.793 euro gedaan om tegemoet te komen aan de opmerkingen van verwerende partij. Door de definitieve sluiting is zij ten slotte genoodzaakt om haar vast personeel te ontslaan hetgeen ook ontslagvergoedingen ten belope van 368.432 euro veroorzaakt. Het spreekt voor zich dat verzoekende partij hierdoor afstevent op faillissement […]. Het schokken van de kredietwaardigheid van de verzoekende partij door een verplichte sluiting als gevolg van een intrekking van de erkenning maakt dat een gewone schorsingsprocedure noch een vernietigingsprocedure tot deugdelijk rechtsherstel kunnen leiden. Het vooruitzicht om minstens gedurende 5 à 6 maanden (de doorlooptijd van een gewone schorsingsprocedure) geen enkele vorm van inkomsten te genereren, het personeel te moeten ontslaan, en klandizie onherroepelijk te verliezen in geval van een sluiting van maanden kan niet worden hersteld. Een ingrijpen bij uiterst dringende noodzaak waarbij van uw Raad hic et nunc een uitspraak wordt verwacht is in die omstandigheden verantwoord. Daarenboven staat de zomer voor de deur. Het is algemeen bekend dat horeca-uitbatingen steeds meer omzet hebben tijdens zomermaanden gelet op de vakantieperiodes. Uw Raad heeft dan ook ten aanzien van een mogelijke sluiting van een camping terecht geoordeeld dat het begin van de zomermaanden een beroep op de procedure bij uiterst dringende noodzaak verantwoordt. Het voorgaande geldt eens te meer daar een intrekking van de toelating van het FAVV rechtstreeks verwijst naar voedselveiligheid, waardoor zij een dusdanig smet werpt op de reputatie van de exploitant van een horecazaak dat deze onherroepelijke en onherstelbare imagoschade leidt. Dergelijke schade kan door een gewone schorsing na 5 à 6 maanden of een nietigverklaring niet worden hersteld. Zij betreft een onmiddellijke reputatieschade die zelf in hoofde van een rechtspersoon nefast is voor de klandizie die als activa werd opgebouwd. Deze schade is onherstelbaar, en leidt ertoe dat klanten voor goed weg blijven, en de handelszaak die wordt geëxploiteerd alle waarde verliest voor gebeurlijke overname. Ook het aanvragen van een nieuwe toelating (proces dat ook enige tijd in beslag neemt en pas na talloze weken redelijkerwijze tot succes zou kunnen leiden) kan aan dergelijke reputatieschade niet tegemoet komen. Dergelijke onherroepelijke reputatieschade is vergelijkbaar met de situatie van ambtenaren waaraan een al dan niet onwettige tuchtmaatregel opgelegd VII-42.071-5/13 wordt. Het is ondertussen vaste rechtspraak van Uw Raad dat dergelijke tuchtmaatregelen onherroepelijke schade op moreel en sociaal vlak kan teweeg brengen waaraan een latere vernietiging niet kan tegemoet komen. De intrekking van de toelating van verzoekende partij kan gelijkgesteld worden met tuchtmaatregelen bij ambtenaren aangezien deze intrekking ook een sanctionerend karakter heeft die verantwoord kan zijn indien uitbatingen niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Net zoals tuchtmaatregelen is de intrekking in feite geen sanctie maar een loutere maatregel die poogt om het algemeen belang te vrijwaren. De intrekking en dus de verwijdering van de toelating maakt de strengst mogelijke maatregel uit die kan worden getroffen en heeft dan ook een impact die elke dag dat deze intrekking voortduurt leidt tot verlies van klandizie en geloofwaardigheid. Zij raakt de kern van het maatschappelijk doel van verzoekende partij. Zelfs indien de intrekking finaal wordt vernietigd zal zij voor klandizie geen afbreuk meer doen aan het stigma dat de horeca zaak inmiddels heeft verkregen wegens een zogenaamde sluiting door het FAVV. Ook de geloofwaardigheid van verzoekende partij en ook andere Amadeus-restaurants (die verzoekende partij echter niet uitbaat) komen door de intrekkingsbeslissing in het gedrang: de sluiting van één van de belangrijkste vestigingen van de Amadeo-restaurants is van aard om onherstelbare reputatieschade met zich mee te brengen voor zowel verzoekende partij als deze andere Amadeus-restaurants. Aan de vereiste van de aanwezigheid van een uiterst dringende noodzaak is dan ook voldaan. Verzoekende partij ziet de mogelijkheid om diens activiteiten uit te oefenen tenietgaan indien niet onmiddellijk door de Raad van State wordt ingegrepen.”
  20. Verwerende partij repliceert wat volgt: “In dezer legt zij in wezen eenvoudig een schrijven voor van haar interne boekhouder, dat uiteraard met de nodige ‘voorzichtigheid’ dient benaderd te worden, én waarbij deze louter stelt dat bij een sluiting de kosten oplopen. Verzoekende partij zou in een financieel zeer precaire situatie terechtkomen en een faling zou ‘niet uitgesloten’ zijn. Onterecht stelt verzoekende partij in haar verzoekschrift dat de boekhouder zou attesteren dat een faillissement nakend en ‘vanzelfsprekend’ zou zijn. Dit wordt niet geattesteerd […]. Doch, met deze eenvoudige en éénzijdige verklaring, die niet onderbouwd wordt door stukken, kan noch Uw Raad noch verwerende partij genoegen nemen. Uit niets blijkt dat een gewone schorsingsprocedure onvermijdelijk te laat zou komen… Zelfs de eigen boekhouder attesteert dit niet… Bovendien bestaat een zeer belangrijk deel van de voorgehouden onvermijdelijke kosten uit de opzeggingsvergoedingen die aan de VII-42.071-6/13 werknemers zouden moeten worden uitbetaald […]. De arbeidsovereenkomsten liggen niet voor zodat dit onmogelijk te controleren is. Deze stukken konden nochtans eenvoudig voorgelegd worden. Er liggen geen balansen voor, geen jaarrekeningen, geen kopieën van lopende overeenkomsten. Verzoekende partij bewijst en toont het UDN karakter van haar vordering niet aan. Het is tevens de taak niet van verwerende partij en noch uiteraard van Uw Raad om te gaan nagaan welke het eigen vermogen is , welke reserves, participaties in andere ondernemingen enz…verzoekende partij heeft. Verzoekende partij dient dit voor te leggen. Een loutere verklaring van haar boekhouder is onvoldoende. Verzoekende partij toont aldus niet op afdoende en zeker niet op objectieve wijze aan dat de bestreden beslissing het voortbestaan van haar onderneming in het gedrag brengt of dat een gewone schorsingsprocedure onvermijdelijk te laat zou komen. Verzoekende partij verwijst tevens naar ‘reputatieschade’. Deze bewering is uiteraard louter hypothetisch en wordt zelfs niet vermeld in het attest van de eigen interne boekhouder. Daarenboven, het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat imagoverlies wordt gecompenseerd door een eventuele vernietigingsbeslissing, waardoor dit niet kan meespelen bij de overwegingen inzake het spoedeisend karakter van de vordering. Dit geldt des te meer wanneer de bestreden beslissing niet werd gepubliceerd, zoals in casu het geval is. De verwijzing naar rechtspraak inzake tuchtsancties van ambtenaren heeft overigens betrekking op rechtspraak in het kader van de gewone schorsingsprocedure, en betreft opnieuw uitzonderingsrechtspraak – dit keer inzake ambtenarentuchtrecht. Bovendien betreft dit geen ‘vaste rechtspraak’ zoals verzoekende partij beweert. De verwijzing naar andere Amadeus-restaurants is niet pertinent daar zij worden uitgebaat door andere vennootschappen. Dit aspect raakt verzoekende partij dus niet persoonlijk.
  21. Ten slotte verwijst verzoekster naar art. 6 EVRM en 13 EVRM, en het recht op toegang tot de rechter. De Raad van State kan bij toepassing van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging van een bestreden administratieve beslissing schorsen. Het loutere feit dat verzoekende partij dergelijk beroep heeft ingesteld, toont al aan dat zij toegang heeft tot een rechter conform art. 13 EVRM. Bovendien moet ermee rekening worden gehouden dat in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de rechten van verdediging dermate beperkt worden dat een strenge toepassing van de vereiste van de ‘uiterst dringende noodzaak’ verantwoord is.” VII-42.071-7/13 Beoordeling
  22. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
  23. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.
  24. Deze stelplicht impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar verzoekschrift aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen VII-42.071-8/13 om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  25. Hoewel de Raad van State geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat de verzoekende partij niet met gepaste spoed en diligentie haar vordering heeft ingesteld, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
  26. Evenmin volstaat het gegeven dat de bestreden beslissing “onmiddellijke” nadelige gevolgen zou hebben niet opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring of VII-42.071-9/13 een gewone schorsingsprocedure maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepsindiener en het staat aan een verzoekende partij die erop aandringt dat haar zaak bij voorrang wordt behandeld om aan te tonen, en zulks aan de hand van concrete, specifieke op haar betrekking hebbende en verifieerbare gegevens, dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken de verzoekende partij nalaat te doen.
  27. De verzoekende partij beroept zich in eerste instantie op de “desastreuze financiële gevolgen” van de sluiting van haar zaak “zeker gelet op” de investeringen die zij zegt te hebben gedaan “gedurende de procedure voor het FAVV” waardoor “het faillissement van verzoekende partij nakend en onafwendbaar dreigt te worden”. Zij beroept zich daarvoor op een “verklaring van de boekhouder” die antwoordt op de vraag “hoelang Belfort Catering het financieel kan volhouden, als het restaurant gesloten blijft”.
  28. Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden beslissing voor de verzoekende partij gevolgen kan hebben op financieel vlak, dan nog is vereist dat zij, wil zij spoedeisendheid -te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid-, verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid -laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid- tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten, bewijs dat zoals hierna zal blijken door de verzoekende partij niet wordt geleverd. VII-42.071-10/13
  29. De verzoekende partij laat na overtuigende bewijsstukken over te leggen die aantonen dat haar activiteit op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht waardoor zij op een faillissement zou afstevenen of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van de verzoekende partij ernstig in gevaar wordt gebracht. De verklaring van haar boekhouder die de verzoekende partij bijbrengt, dat zij “na zes maanden in een zeer precaire situatie terecht [zou] komen, en […] een faling niet [is] uitgesloten”, reveleert dit niet. De verklaring in verband met de liquide middelen, vaste kosten, periodieke uitgaven, extra geplande uitgaven en ontslagvergoedingen, worden niet hard gemaakt met stavingsstukken die de Raad van State zouden toelaten ervan overtuigd te worden dat haar activiteit op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht door de bestreden beslissing waardoor zij op een faillissement afstevent of minstens het financieel evenwicht van de verzoekende partij ernstig in gevaar wordt gebracht indien zij de normale afloop van de schorsingsprocedure zou moeten afwachten. Om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen voor de verzoekende partij onomkeerbaar zijn. De verzoekende partij bewijst dat niet. De verklaring van de boekhouder zonder stavingsstukken getuigt er slechts van dat de verzoekende partij na zes maanden in een zeer precaire situatie zou terecht komen en stelt enkel dat een faling niet is uitgesloten. De onomkeerbaarheid van het gevaar voor het financieel evenwicht van de verzoekende partij door het moeten afwachten van de normale afloop van de gewone schorsingsprocedure is hiermee niet aangetoond.
  30. In zoverre de verzoekende partij zich nog beroept op imago-/reputatieschade en “verlies van klandizie en geloofwaardigheid”, laat het zich verstaan dat de bestreden beslissing de reputatie, het imago, de geloofwaardigheid van de verzoekende partij en haar klantenbestand geen goed zou kunnen doen. De verzoekende partij maakt evenwel niet aannemelijk dat de imago-/reputatieschade die de bestreden beslissing haar zou berokkenen, van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op dat nadelig gevolg dat moet worden toegeschreven aan de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een VII-42.071-11/13 schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit moreel nadeel ongedaan kan maken en haar naam opnieuw kan zuiveren. Er moet tevens aangetoond worden dat die welbegrepen imago-/reputatieschade van die aard en omvang is dat de verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. De verzoekende partij laat na die loutere bewering dienaangaande concreet te staven. Zij laat tevens na de beweerde impact van de bestreden beslissing op haar klantenbestand ook maar enigszins concreet voor te stellen, laat staan dat zij het onherstelbaar karakter van die impact concreet toelicht. De beweerde reputatieschade voor de “andere Amadeus-restaurants” kan niet zonder meer ingeroepen worden om aan te nemen dat aan de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid voor de verzoekende partij zou worden voldaan
  31. Uit wat voorafgaat, volgt dat geen uiterst dringende noodzakelijkheid is aangetoond, hoewel die procedure slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter door een verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond, daarbij in acht genomen dat de vordering tot schorsing, ook deze bij uiterst dringende noodzakelijkheid, “op elk moment” kan worden ingesteld. Evenmin is aangetoond dat het doorlopen van een gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  32. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond. Conclusie
  33. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. VII-42.071-12/13 BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt de vordering.
  35. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-42.071-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.753 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.