← België

Arrest 256757 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 12/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.757 Rolnummer: A. 233661/IX-9883 Zaak: Arrest 256757 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 12/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-19 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-10 10:42 Fiche Arrest nr 256.757 van 12 juni 2023 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.757 van 12 juni 2023 in de zaak A. é.661/IX-9883 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carine Flamend kantoor houdend te 1930 Zaventem Leuvensesteenweg 510 bus 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 12 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepsinstantie van Defensie van 16 maart 2021, waarin wordt gesteld dat XXXX de vereiste professionele hoedanigheden bezit, zijn ongunstige karakteriële beoordeling wordt bevestigd en hij definitief mislukt is. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. IX-9883-1/29 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 maart
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carine Flamend, die verschijnt voor de verzoekende partij en onderluitenant Marie-Sofie Thiriaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Sinds 2011 is verzoeker beroepsvrijwilliger bij Defensie in de eenheid 10e Groep Communicatie- en informaticasystemen (10 Gp CIS) in de functie van operator. 3.
  6. Op 16 oktober 2018 begint verzoeker aan de cyclus basisvorming als kandidaat-beroepsonderofficier (KBOO) aan de Koninklijke School voor Onderofficieren (KSOO) in Sint-Truiden voor de functie van technicus communicatie- en informatiesystemen. De cyclus basisvorming bevat naast een periode van opleiding, een periode van evaluatie. De periode van opleiding wordt opgedeeld in een deelperiode militaire basisvorming (MBV) en een deelperiode gespecialiseerde IX-9883-2/29 vorming (GPV). De deelperiode militaire basisvorming (MBV) bevat een militaire initiatiefase (MIF) en een militaire basisopleiding (MBO). Omdat verzoeker sinds 2011 bij Defensie werkzaam is, wordt hem een vrijstelling verleend voor de militaire initiatiefase (MIF), onderdeel van de militaire basisvorming (MBV). 3.
  7. Van 15 februari 2019 tot 25 augustus 2019 volgt verzoeker de militaire basisopleiding (MBO) en meer bepaald de fases ‘kader’ en ‘sectie’. 3.
  8. Naar aanleiding van een functioneringsgesprek van 29 mei 2019, dat is gevoerd (of gehouden) tijdens de fase ‘sectie’ met het oog op het opstellen van de karakteriële statutaire beoordeling, geeft de verantwoordelijke officier voor de vorming, de volgende opmerking omtrent de zwakke punten van verzoeker: “Opvolgen van regels, komt te vaak chaotisch over.” Voor de eigenlijke karakteriële statutaire beoordeling van 24 juni 2019 gedaan tijdens de fase ‘sectie’, behaalt verzoeker de score van 42,42/100 met de volgende opmerking vanwege de verantwoordelijke officier voor de vorming: “Sgt KBOO XXXX geeft af en toe blijk van een chaotische indruk. Daartegenover staat wel dat hij goed in de groep ligt en een gemotiveerd element is. Probeer in de volgende fase van je opleiding zeker en vast je collega’s bij te staan met raad en daad.” 3.
  9. Van 19 november 2019 tot 5 juni 2020 volgt verzoeker de gespecialiseerde professionele opleiding (GPO) ‘LOO [lager onderofficier] CIS’ die ertoe strekt de kandidaat-onderofficieren de werkmethode van een onderofficier aan te leren binnen een dienst verantwoordelijk voor de communicatie- en informatiesystemen van Defensie. Die gespecialiseerde professionele opleiding maakt deel uit van de deelperiode gespecialiseerde vorming (GPV). IX-9883-3/29 3.
  10. Op 19 november 2019 neemt verzoeker kennis van een document met een overzicht van de veertien karakteriële competenties waarvan hij tijdens de GPO blijk dient te geven. 3.
  11. In het kader van het functioneringsgesprek van 12 maart 2020, gevoerd tijdens de gespecialiseerde professionele opleiding met het oog op het opstellen van de karakteriële statutaire beoordeling tijdens deze opleiding, geeft de verantwoordelijke officier de volgende opmerking omtrent de zwakke punten van verzoeker: “Komt ongeïnteresseerd over. Geeft een slecht voorbeeld als sociale promotie door het minimale objectief te bereiken. Moet actiever deelnemen. Tijd en stress beter beheren. Frustratie niet uitwerken op het materiaal. Door zijn zwakke punten kan hij moeilijk de andere motiveren.” 3.
  12. In het kader van de karakteriële statutaire beoordeling van 25 juni 2020, tijdens de gespecialiseerde professionele opleiding, behaalt verzoeker de score van 49,58/100 met onder meer de volgende opmerkingen vanwege de verantwoordelijke officier: “Past zijn werkwijze nauwelijks aan in functie van tijdsdruk of behoefte. Moet eerlijk blijven in alle omstandigheden. Stuurt niet genoeg bij in geval van tegenvallende resultaten, moet meer blijk geven van belang te hechten aan zijn werk. Moet meer bewijs van respect tonen tegenover de hiërarchische keten. Drukt zich niet altijd uit op de gepaste wijze.” 3.
  13. Van 3 augustus 2020 tot 3 november 2020 volgt verzoeker een evaluatieperiode in de eenheid 10e Groep Communicatie- en informaticasystemen (10 Gp CIS). 3.
  14. Op 17 en 18 augustus 2020 begaat verzoeker volgens de verwerende partij het tuchtvergrijp van het niet correct naleven van de procedure “afwezigheid om gezondheidsredenen”. Op 25 augustus 2020 worden twee informatieverslagen aan hem overhandigd omtrent deze tuchtvergrijpen. 3.
  15. Op 4 december 2020 vindt een functioneringsgesprek plaats tussen de verantwoordelijke officier voor de vorming en verzoeker. IX-9883-4/29 Dezelfde dag vraagt de verantwoordelijke officier voor de vorming per e-mail aan verzoeker om te bevestigen dat er functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden die betrekking hebben op de maanden augustus en september
  16. Verzoeker bevestigt dat deze gesprekken hebben plaatsgevonden. 3.
  17. Op 4 december 2020 vindt ook het evaluatiegesprek plaats in het kader van de statutaire beoordeling voor de periode van 3 augustus 2020 tot 3 november
  18. Verzoeker krijgt een “onvoldoende” voor zijn “professionele hoedanigheden” en verkrijgt voor zijn “karakteriële hoedanigheden” een score van 47/100 – en dus een onvoldoende – zodat hij niet geslaagd is voor die evaluatieperiode. Verzoeker ondertekent deze evaluatie op 8 december 2020 voor kennisname. 3.
  19. Op 4 december 2020 ondertekent verzoeker ook de drie adviezen van zijn “peter” voor kennisname. Die adviezen hebben betrekking op de periodes van, respectievelijk, 3 augustus 2020 tot 3 september 2020, 3 september 2020 tot 3 oktober 2020 en 3 oktober 2020 tot 3 november
  20. 3.
  21. Op 28 januari 2021 komt de evaluatiecommissie bijeen ter beoordeling van de professionele en karakteriële hoedanigheden van verzoeker. Verzoeker dient vooraf op 27 januari 2021 een verweer in. De evaluatiecommissie delibereert verzoeker voor zijn professionele hoedanigheden (voldoende), maar bevestigt de ongunstige karakteriële beoordeling, waardoor verzoeker definitief mislukt is voor de vorming. Deze beslissing is gemotiveerd als volgt: “Betrokkene bevestigt dat hij zich tijdens de Mod 5 TRG meer had kunnen inzetten en niet het nodige initiatief getoond heeft die verwacht wordt van IX-9883-5/29 een toekomstig OOffr. Betrokkene miste een proactieve houding over de volledige lijn. Hiervoor heeft hij de nodige controle nodig. Als OOffr wordt echter van hem verwacht dat hij zelfstandig kan functioneren en de nodige verantwoordelijkheden die hieraan verbonden zijn kan dragen. De evaluatiecommissie is ervan overtuigd dat hij niet het nodige leidinggevende potentieel bezit. Betrokkene kreeg twee informatieverslagen omwille van een onwettige afwezigheid en het niet opvolgen van de AGR-procedure. Betrokkene heeft al heel wat ervaring als Vrijw en zou de te volgen procedures en regelgeving die van toepassing zijn binnen Defensie ondertussen moeten kennen en correct toepassen. Tijdens de zitting wordt echter duidelijk dat de inzet van betrokkene afhankelijk is van zijn gemoedstoestand en motivatie. Tijdens tussentijdse informele gesprekken werd betrokkene wel op de hoogte gebracht van zijn te verbeteren punten. Dit werd ook bevestigd door betrokkene. Er werd geen takenschrift overhandigd aan betrokkene. Betrokkene had echter al ervaring als Vrijw in de Eenh waarbij hij zelf ook de ‘peterfunctie’ op zich diende te nemen. Bij aankomst in de Eenh kreeg betrokkene de nodige informatiebriefings. Tijdens eerdere schoolse vormingen werd betrokkene reeds op de hoogte gebracht van objectieven voor de karakteriële beoordelingen, waardoor ervan uitgegaan kan worden dat betrokkene wist wat er van hem verwacht werd.” Diezelfde dag ontvangt verzoeker de beslissing van de evaluatiecommissie. 3.
  22. Op 10 februari 2021 stelt verzoeker een beroep in bij de beroepsinstantie tegen de beslissing van de evaluatiecommissie. In zijn “motivering aantekening beroep” betoogt verzoeker: “
  23. Er heeft tijdens de evaluatieperiode op geen enkel moment een formeel functioneringsgesprek plaatsgevonden met de bespreking van mijn competenties – gedrag, noch over een duidelijk gewenst gedrag dat geconcretiseerd is a.d.h.v. gedragsindicatoren.
  24. Er zijn voor wat betreft te stellen gedrag en omgangsvormen geen enkel objectief of deelobjectief gesteld.
  25. Het gedrag van een jonge kandidaat OOffr tijdens een evaluatiecommissie is niet representatief voor zijn algemene houding, inzet en potentieel, gezien het vrij indrukwekkend is om te verschijnen voor een commissie van deze aard. De zitting is een momentopname waarbij het gedrag van de kandidaat niet representatief is voor zijn kunnen en zijn.” IX-9883-6/29 3.
  26. Op 16 maart 2021 bevestigt de beroepscommissie de ongunstige beoordeling van de karakteriële hoedanigheid van verzoeker, zodat deze definitief is mislukt voor de vorming. De beslissing van de beroepsinstantie is gemotiveerd als volgt: “Ref: Proces-verbaal No 160321-01B van de zitting van de beroepsinstantie van 03 Mar 21 betreft Sgt KBOO XXXX

(1100373)
  1. Motivering in rechte betreffende hoedanigheid: GI90, Art. 7, 1° G1, Art. 97/2, §2, tweede lid, 1° G1, Art. 98/1, §2, tweede lid
  2. Motivering in feite betreffende hoedanigheid: De verantwoordelijk officier bevestigt dat de kandidaat sinds de evaluatiecommissie progressie heeft gemaakt en de nodige inzet heeft vertoond tijdens de geplande oefening met de eenheid de afgelopen twee weken. De evaluatiecommissie van 28 Jan 21 heeft de kandidaat gedelibereerd voor de professionele hoedanigheden. De beroepsinstantie bevestigt deze beslissing. De gemoedstoestand van de kandidaat heeft geen invloed gehad op het werk tijdens deze oefening. Voor de evaluatiecommissie had de kandidaat al heel wat kansen gekregen om zijn gedrag aan te passen. De beroepsinstantie heeft de formele elementen die ook aangehaald werden tijdens de evaluatiecommissie in beschouwing genomen. Tijdens de zitting zijn geen bijkomende nieuwe elementen aangehaald. De beroepsinstantie is niet overtuigd dat de kandidaat dit gedrag zal blijven bestendigen.
  3. De beroepsinstantie neemt de volgende beslissing: Het bevestigen van de beslissing waartegen het beroep wordt ingediend. De kandidaat bezit de vereiste professionele hoedanigheden waarbij hem voor de betrokken beoordeling de vermelding ‘voldoende’ wordt toegekend. Bevestigt de ongunstige karakteriële beoordeling.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4.
  4. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 7bis van het koninklijk besluit van 13 november 1991 ‘tot bepaling van de regels IX-9883-7/29 die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de Krijgsmacht’ (hierna: koninklijk besluit van 13 november 1991), van artikel 25 van het koninklijk besluit van 7 november 2013 ‘betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader’ (hierna: koninklijk besluit van 7 november 2013), van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, van “de reglementen DGHR-SPS-FMNBAS-003”, de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het billijkheidsbeginsel en wijst hij op “motieven die niet in feite en in rechte aanvaardbaar zijn”. 4.
  5. Met verwijzing naar artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 en naar de specifieke procedure ‘betreffende de coördinatie en controle van de stage- en evaluatieperiode van de kandidaat-militairen’ DGHR-SPS-FMNBAS-003 (hierna: de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003) en de specifieke procedure ‘vormingsdossier’ DGHR-SPS-FMNGEST-001, stelt verzoeker dat geen takenschrift werd opgemaakt, hetgeen de evaluatiecommissie heeft erkend en dat hij evenmin aan het begin van de betrokken evaluatieperiode geïnformeerd is over die vaardigheden en attitudes die worden verwacht en hoe deze worden beoordeeld. De evaluatiecommissie meent echter ten onrechte dat dit niet problematisch is omdat verzoeker bij vorige schoolse vormingen reeds op de hoogte is gebracht van de doelstellingen voor de karakteriële beoordelingen, zodat er mag worden van uitgegaan dat hij wist wat van hem werd verwacht. De beroepsinstantie gaat hier zelfs niet op in. Verzoeker wijst erop dat een afschrift van het takenschrift moet worden gevoegd bij het stage- of evaluatiedossier. Door geen takenschrift op te maken, is hij in het ongewisse gelaten over de doelstellingen, deeldoelstellingen en de beoordelingsfactoren voor de betrokken evaluatieperiode. Door het ontbreken van deze gegevens was het ook niet mogelijk om op een meetbare en objectieve wijze het gedrag en de prestaties van verzoeker te meten en te evalueren. Al deze tekortkomingen houden volgens verzoeker eveneens een schending in van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. IX-9883-8/29 4.
  6. Met verwijzing naar artikel 7bis, §§ 2 tot 4, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 zet verzoeker vervolgens uiteen dat er ook maar één functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, namelijk op 4 december 2020 en dan nog wel onmiddellijk voorafgaand aan de statutaire beoordeling van diezelfde dag. Waar het doel van een functioneringsgesprek erin bestaat het functioneren optimaal te laten verlopen en eventueel bij te sturen, heeft verzoeker die kans niet gekregen. Voorts wijst verzoeker erop dat de verantwoordelijke officier voor de vorming – die ook diende in te staan voor het takenschrift – zich waarschijnlijk bewust was van deze onvolkomenheid, reden waarom hij op 4 december 2020 verzoeker heeft verzocht te bevestigen dat er een aantal functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden op 24 en 25 augustus 2020, begin september 2020 en tijdens “Prontex”. Dit waren volgens verzoeker echter geen functioneringsgesprekken maar vluchtige informele terechtwijzingen. Van enig verslag waartegen bezwaar kon worden ingediend, was helemaal geen sprake. Nochtans bepaalt artikel 66 van de wet van 28 februari 2007 ‘tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht’ dat “[d]e hiërarchische keten geen vermelding ‘onvoldoende’ [kan] geven op de statutaire evaluatie van een militair indien geen functioneringsgesprek voordien werd gehouden volgens de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgelegd na overleg in ministerraad”. Volgens verzoeker gaat het niet op dat de verwerende partij nog een reeks van opmerkingen en verslagen voorlegt aan de kandidaat, om onmiddellijk nadien een negatieve evaluatie op te stellen op basis van deze opmerkingen. Door het functioneringsgesprek te laten plaatsvinden op dezelfde dag als het evaluatiegesprek, kon verzoeker geen gebruik maken van de in artikel 7bis, § 4, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 voorziene mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de inhoud van het verslag van het functioneringsgesprek. Ook van de mogelijkheid om binnen vijf dagen bezwaar in te dienen tegen de inhoud van het verslag van het evaluatiegesprek heeft verzoeker IX-9883-9/29 geen gebruik kunnen maken vermits hij reeds op 8 december 2020 de beslissing van de korpscommandant dat hij niet geslaagd was voor kennisname heeft ondertekend, terwijl hij overeenkomstig voormelde bepaling ook over een termijn van vijf werkdagen beschikte om hiertegen bezwaar in te dienen. Verzoeker stelt ook dat de inhoud van het functioneringsgesprek van 4 december 2020 niet overeenstemt met wat normaal gezien onder een functioneringsgesprek moet worden verstaan – het waren terloopse, informele terechtwijzingen – waarvan de verantwoordelijke officier per e-mail de bevestiging heeft gevraagd dat ze hebben plaatsgevonden. In het functioneringsgesprek van 4 december 2020 worden bovendien veel meer nieuwe opmerkingen geformuleerd, waar geen tegenspraak mogelijk is geweest. Tevens werd volgens verzoeker geen gebruik gemaakt van de door de reglementen opgelegde fiche voor het functioneringsgesprek (positieve en negatieve opmerkingen met vermelding van de juiste datum en datum van kennisneming). Daarnaast wijst verzoeker erop dat hij slechts drie punten te weinig had om te slagen, zodat de mogelijkheid om bezwaar in te dienen een verschil had kunnen maken. Ten slotte verwijst verzoeker ook nog naar arrest nr. 247.960 van 30 juni 2020, waarin de Raad van State heeft geoordeeld dat het voorschrift van artikel 7bis, § 3, eerste en vierde lid, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 een substantieel vormvoorschrift is. 4.
  7. Met verwijzing naar de artikelen 2, 10°, en 25 van het koninklijk besluit van 7 november 2013 en naar de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003, zet verzoeker vervolgens uiteen dat hij tijdens de evaluatieperiode door een peter moest worden begeleid en geadviseerd, wiens taak van zeer groot belang is aangezien hij een belangrijke bijdrage dient te leveren in de uiteindelijke praktijkvorming van de kandidaat-militair. Verzoeker wijst daarbij in het bijzonder op de taken die een peter te vervullen heeft. Zo dient de peter onder IX-9883-10/29 meer de kandidaat te informeren over het verloop van de stage- of de evaluatieperiode waarbij tevens een exemplaar van het stageschrift aan de kandidaat moet worden overhandigd en door hem dient te worden getekend voor ontvangst. Ook dient een peter de kandidaat te begeleiden en te adviseren gedurende de volledige stage- en evaluatieperiode en moet hij de kandidaat regelmatig debriefen waarbij desgevallend de belangrijkste elementen worden genoteerd in voorbereiding van de maandelijkse schriftelijke adviezen die aan de verantwoordelijke officier voor de vorming moeten worden bezorgd. In casu werden echter geen maandelijkse verslagen opgesteld door de peter en evenmin een niet-statutaire beoordeling door de verantwoordelijke officier voor de vorming opgemaakt. De maandelijkse verslagen werden daarentegen opgesteld na de volledige vorming, namelijk op 1 december 2020 en ze werden op 4 december 2020 aan verzoeker voorgelegd voor kennisneming en ter ondertekening. 4.
  8. Ten slotte benadrukt verzoeker nog, nadat hij de verslagen van de peter en het functioneringsgesprek heeft gekregen, dat hij wel vooruitgang heeft geboekt zoals in de bestreden beslissing wordt bevestigd. Aangezien de toepasselijke regelgeving niet is nageleefd, kon de verwerende partij onmogelijk overgaan tot een objectieve beoordeling van verzoeker. Niettegenstaande de opmerkingen van verzoeker hieromtrent, heeft de beroepsinstantie besloten deze beoordeling toch te bevestigen, terwijl dit volstrekt ongerechtvaardigd was en gedaan is zonder inachtneming van de toepasselijke richtlijnen die onder meer de rechten van verdediging waarborgen. Volgens verzoeker spreekt het voor zich dat de bevestiging van een volstrekt ongerechtvaardigde beoordeling ook het voorzorgsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het billijkheidsbeginsel schendt. 5.
  9. In haar memorie van antwoord bevestigt de verwerende partij, zoals ook blijkt uit de beslissing van de evaluatiecommissie, dat aan verzoeker geen takenschrift is overhandigd. Hoewel dit nochtans is voorgeschreven door artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 en in de IX-9883-11/29 specifieke DGHR-SPS-FMNBAS-003, wijst zij erop dat slechts het eerste van de vijf onderdelen van het takenschrift, namelijk “de algemene objectieven van de betrokken stage- en/of evaluatieperiode”, enigszins betrekking heeft op de karakteriële beoordeling en dat in de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 voorbeelden worden gegeven van algemene doelstellingen die tijdens de evaluatieperiode dienen te worden behaald. De verwerende partij stelt dat het hier gaat over dermate algemene en logische attitudes waarvan een kandidaat tijdens zijn evaluatieperiode blijk dient te geven, en dat verzoeker bezwaarlijk kan stellen hiervan niet op de hoogte te zijn. Zij betoogt voorts dat de afwezigheid van een takenschrift in casu gerechtvaardigd was, omdat verzoeker reeds op de hoogte was van de vereiste competenties die gehanteerd worden ter beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat en dit op grond van zijn eerder genoten vormingsperiodes. In dit verband benadrukt zij ook dat verzoeker op 19 november 2019, op het moment van de aanvang van zijn gespecialiseerde professionele opleiding, een document voor kennisname heeft ondertekend met een overzicht van de veertien competenties op basis waarvan hij karakterieel zal worden beoordeeld. Uit de statutaire karakteriële beoordeling van 4 december 2020 in het kader van de evaluatieperiode en de statutaire karakteriële beoordeling van 25 juni 2020 in het kader van de gespecialiseerde professionele opleiding, blijkt bovendien dat verzoeker op dezelfde competenties beoordeeld is geweest. Volgens verzoeker kon de evaluatiecommissie dan ook, ter remediëring van de afwezigheid van een takenschrift, terecht verwijzen naar de eerdere schoolse vormingen waarbij verzoeker op de hoogte is gebracht van diezelfde doelstellingen of competenties ter beoordeling van de karakteriële hoedanigheden. 5.2.
  10. Met betrekking tot het functioneringsgesprek stelt de verwerende partij dat op 4 december 2020 een gesprek is gevoerd tussen de verantwoordelijke officier voor de vorming en verzoeker en dit aan de hand van competenties en gedragsindicatoren bepaald in de bijlage gehecht aan het koninklijk besluit van 13 november
  11. Verzoeker erkent dit zelf in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring en bevestigt dat dit gesprek heeft IX-9883-12/29 plaatsgevonden voorafgaand aan de statutaire karakteriële beoordeling van diezelfde dag. Vanuit reglementair oogpunt heeft het functioneringsgesprek dus plaatsgevonden vóór de eerste statutaire beoordeling in het kader van de evaluatieperiode. Het koninklijk besluit van 13 november 1991 schrijft voor dat minstens één functioneringsgesprek dient plaats te vinden, zodat het gesprek van 4 december 2020 volstond. Uit het verslag van het functioneringsgesprek blijkt dat verzoeker ook helemaal niet de intentie had om bezwaren te uiten met betrekking tot de inhoud van het verslag van het functioneringsgesprek. Verzoeker kan dan ook niet meer ernstig aanvoeren dat hij dit wel had willen doen en dat het recht op tegenspraak niet is gerespecteerd. 5.2.
  12. Wat de informele gesprekken tijdens de evaluatieperiode betreft, benadrukt de verwerende partij dat vanuit reglementair oogpunt het organiseren van minstens één functioneringsgesprek, vóór de eerste statutaire beoordeling, voldoende was. De informele gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de verantwoordelijke officier voor de vorming en verzoeker, moeten echter niet voldoen “aan de reglementaire regels aangaande het functioneringsgesprek”. Het gaat namelijk om gegeven opmerkingen die verkeerdelijk als functioneringsgesprekken zijn gekwalificeerd. De informele gesprekken die hebben plaatsgevonden gedurende de evaluatieperiode dienen gewoonweg gekaderd te worden in de algemene bevoegdheid van de militaire chefs om de orde binnen de eenheid te handhaven en de hiermee samenhangende verplichting van de ondergeschikte om de militaire bevelen en voorschriften correct uit te voeren. Het is dus niet zo dat elke opmerking die een meerdere doet gedurende een evaluatieperiode, noodzakelijkerwijze de vorm dient te krijgen van een functioneringsgesprek met verslag en wederwoord. 5.
  13. Met betrekking tot de begeleiding van een peter stelt de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat, aangezien de evaluatieperiode van verzoeker slechts één trimester omvatte, namelijk van 3 augustus 2020 tot 3 november 2020, de trimestriële beoordeling van de karakteriële hoedanigheden zoals bepaald in artikel 7, § 2, van het koninklijk IX-9883-13/29 besluit van 13 november 1991, samenviel met de beoordeling na het einde van de evaluatieperiode zoals bepaald in artikel 7, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 november
  14. Bijgevolg diende dit noodzakelijkerwijze een statutaire karakteriële beoordeling te zijn, vermits hiermee werd vastgelegd of verzoeker al dan niet geslaagd was voor zijn evaluatieperiode. Dat het wel degelijk een statutaire karakteriële beoordeling betrof, wordt ook bevestigd door de artikelen 98, § 2, en 98/1 van de wet van 28 februari 2007 ‘tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht’. Aangezien een negatieve karakteriële beoordeling op het einde van de evaluatieperiode, zoals in casu, leidt tot het voorleggen van deze beoordeling aan de evaluatiecommissie, bezit ze een statutair karakter. Nu het een statutaire beoordeling betrof, dienden er ook geen maandelijkse schriftelijke verslagen opgesteld te worden door de peter van verzoeker. Overeenkomstig paragraaf 4, d,
(6), van de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 dienen de maandelijkse schriftelijke verslagen immers als basis voor het opstellen van de niet-statutaire beoordeling, een beoordeling waarin in casu niet was voorzien. De reglementen bepalen ook nergens dat de maandelijkse verslagen van de peter aan de kandidaat moeten worden bezorgd. Deze dienen enkel ter voorbereiding van de voormelde niet-statutaire beoordeling door de verantwoordelijke officier voor de vorming. Ten overvloede wijst de verwerende partij er nog op dat, hoewel het niet verplicht was, er wel maandelijks een schriftelijk verslag is opgesteld dat tijdig aan de verantwoordelijke officier voor de vorming is bezorgd, opdat deze vervolgens de korpscommandant kon adviseren voor het opmaken van de statutaire beoordeling. 5.
  1. Ten slotte wijst de verwerende partij er nog op dat verzoeker buiten de wettelijke bepaalde beoordelingsmomenten (functionerings- en evaluatiegesprek) ook op regelmatige tijdstippen beoordeeld is geweest, zodat hij afdoende kon weten wat van hem werd verwacht en hoe hij kon bijsturen. De naar IX-9883-14/29 aanleiding daarvan geformuleerde opmerkingen liggen volgens haar bovendien in het verlengde van de eerdere statutaire karakteriële beoordelingen. Zij verwijst daarbij naar het functioneringsgesprek van 12 maart 2020, gevoerd tijdens de gespecialiseerde professionele opleiding met het oog op het opstellen van de karakteriële statutaire beoordeling tijdens deze opleiding en naar de uiteindelijke karakteriële statutaire beoordeling van 25 juni 2020, telkens door de verantwoordelijke officier. Ook wijst de verwerende partij nog op de beslissing van de evaluatiecommissie die haar beslissing steunt op het gebrek aan inzet en motivatie van verzoeker waarvan het niet naleven van de procedure bij afwezigheid om gezondheidsredenen getuigt. De beroepsinstantie heeft zich, hoewel uit haar onderzoek was gebleken dat verzoeker blijk had gegeven van wat meer inzet tijdens een oefening die had plaatsgevonden na de zitting van de evaluatiecommissie, hierbij aangesloten. 6.
  2. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij nog dat bij het document met een overzicht van de veertien competenties op basis waarvan verzoeker karakterieel beoordeeld zal worden en waarvan hij kennis heeft kunnen nemen op 19 november 2019 bij aanvang van zijn gespecialiseerde professionele opleiding ‘LOO [lager onderofficier] CIS’, de bijlage bij het koninklijk besluit van 13 november 1991 was gevoegd, meer specifiek de tabel 2.3 ‘kandidaat-onderofficier, andere dan diegene bedoeld in tabel 2.2’. In deze tabel worden de competenties uitvoerig gespecificeerd aan de hand van een overzicht van de gedragsindicatoren die van toepassing zijn op de situatie van verzoeker. Het gegeven dat deze competenties en specificerende gedragsindicatoren niet opnieuw aan verzoeker werden meegegeven bij het begin van de evaluatieperiode, doet hieraan geen afbreuk aangezien voor deze evaluatieperiode dezelfde beoordelingscriteria werden gehanteerd. De ratio legis van het takenschrift werd bij deze, wat de beoordeling van de karakteriële competenties betreft, bereikt. De te behalen doelstellingen konden namelijk IX-9883-15/29 opgevolgd worden en verzoeker kon objectief beoordeeld worden aan de hand van de meegegeven uitvoerige bijlage bij het koninklijk besluit van 13 november
  3. 6.
  4. Met betrekking tot de begeleiding door een peter stelt de verwerende partij nog dat vermits de verslagen van de peter een niet-statutaire beoordeling mogelijk moeten maken, hun nut in casu is voorbijgestreefd. Ze werden desalniettemin opgesteld, zij het op het einde van de evaluatieperiode. Dit gegeven hoeft evenwel geen afbreuk te doen aan de waarde van de verslagen. De indrukken van de peter variëren naargelang de betrokken periode van de opleiding en bieden aldus een representatieve – zij het a posteriori – weergave van verzoekers evolutie. Er werd aldus in ieder geval voldaan aan de specifieke procedure Vormingsdossier DGHR-SPS-FMNGEST-
  5. Beoordeling 7.
  6. Verzoeker stelt vooreerst dat geen takenschrift werd opgemaakt en dat hij evenmin aan het begin van de evaluatieperiode is geïnformeerd over de vaardigheden en attitudes die worden verwacht en hoe deze worden beoordeeld. 7.
  7. Artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 luidt als volgt: “§
  8. Bij de aanvang van elk vormingsjaar van een periode van schoolvorming, evenals bij de aanvang van elke vormingsperiode en vormingsgedeelte bedoeld in bijlage bij dit besluit wordt de kandidaat schriftelijk ingelicht betreffende de volgende punten : 1° de tijdstippen en de al dan niet statutaire aard van de beoordelingen; 2° de competenties die beoordeeld worden, evenals de gedragsindicatoren die voor deze beoordeling gebruikt zullen worden; 3° de te behalen cijfers en vermeldingen om te slagen.” In de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 wordt in verband met het takenschrift het volgende bepaald: “
(1)Gezien de periodiciteit en het wisselvallig aantal kandidaten dat in de eenheden toekomt, zal buiten het opvangprogramma zoals beschreven in de IX-9883-16/29 richtlijn DGHR-SPS-FMNPOL-002, geen specifiek onderrichtprogramma ‘kandidaten’ worden opgesteld. De kandidaten nemen deel aan het gewone onderrichtprogramma en de trainingscyclus van de eenheid er rekening mee houdend dat er welbepaalde objectieven in het kader van de kandidatuur moeten bereikt worden.
(2)Teneinde het verwezenlijken van deze objectieven te kunnen opvolgen en de kandidaten op een objectieve manier te kunnen beoordelen, dient de eenheid, per kandidaat, een takenschrift op te maken volgens het model in Bijl A. Wegens de specificiteit van de Marine wordt het opmaken van dit takenschrift gestuurd op het niveau van de marinecomponent.
(3)Het takenschrift bevat: (
  1. a)de algemene objectieven van de betrokken stage- en/of evaluatieperiode (zie Par 2.c.); (
  2. b)de deelobjectieven gespreid in de tijd m.a.w. de concretisering van de algemene objectieven in een lijst die de professionele en militaire taken herneemt die dienen uitgevoerd te worden tijdens de betrokken beoordelingsperiode, zowel statutair als niet-statutair; (
  3. c)de beoordelingsfactoren op professioneel vlak; (
  4. d)een informatiebrochure van de eenheid; (
  5. e)een kopie van de huidige richtlijn.
(4)Een afschrift van het takenschrift, met uitzondering van de ‘eenheidsbrochure’ en de kopie van de huidige richtlijn, zal toegevoegd worden aan het stage- of evaluatiedossier van de kandidaat-militair.” De bijlage A waar in punt 2 naar verwezen wordt, betreft het ‘Model takenschrift’. Onder punt 1 (‘Inhoud’) wordt onder punt c vermeld dat het takenschrift “[d]e beoordelingsfactoren op professioneel, karakterieel en fysiek vlak” moet bevatten. 7.
  1. Luidens artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 moet de kandidaat bij de aanvang van elke vormingsperiode en vormingsgedeelte schriftelijk worden ingelicht over de competenties die worden beoordeeld, evenals over de gedragsindicatoren die voor deze beoordeling zullen worden gebruikt. Het wordt niet betwist dat verzoeker die schriftelijke inlichting niet bij de aanvang van de betrokken evaluatieperiode heeft ontvangen en ook niet nadien. Evenmin wordt betwist dat verzoeker – ondanks hetgeen is voorgeschreven in de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 – geen IX-9883-17/29 takenschrift heeft gekregen, hetgeen de evaluatiecommissie trouwens uitdrukkelijk heeft erkend, terwijl dit noodzakelijk was om de te bereiken doelstellingen te kunnen opvolgen en de kandidaten op een objectieve manier te kunnen beoordelen, aangezien het takenschrift hiervoor onder meer de beoordelingsfactoren op karakterieel vlak dient te bevatten. De verwerende partij poogt echter de gevolgen van het ontbreken van het takenschrift wat de karakteriële hoedanigheden betreft, af te zwakken. Zij stelt dat slechts één van de vijf onderdelen die een takenschrift dient te bevatten, enigszins betrekking heeft op de karakteriële beoordeling, namelijk het onderdeel ‘de algemene objectieven van de betrokken stage- en/of evaluatieperiode’. Zij verwijst daarbij naar de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 waarin de volgende voorbeelden van “algemene objectieven/attitudes” worden gegeven die tijdens de evaluatieperiode dienen te worden verwezenlijkt en waarvan verzoeker bezwaarlijk kan stellen hiervan niet op de hoogte te zijn: “- opvolgen van de regels; - zorg dragen voor zichzelf, de kledij en de uitrusting; - respecteren van overeengekomen beloften en afspraken; - voorschriften in verband met welzijn (veiligheid, gezondheid, hygiëne) consequent toepassen; - samenwerken, blijk geven van groepsgeest.” Met betrekking tot deze “objectieven” (lees doelstellingen) dient te worden vastgesteld dat de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 hierover stelt dat het een niet-limitatieve lijst betreft en dat het voorbeelden zijn van “algemene objectieven”. De verwerende partij beperkt de te bereiken doelstellingen aldus achteraf tot een eigen selectie uit een niet-limitatieve lijst van algemene voorbeelden, zonder dat verzoeker hiervan vooraf schriftelijk in kennis was gesteld. Overigens kan uit de vermelding van deze algemene doelstellingen niet worden afgeleid welke specifiek in casu de beoordelingsfactoren zijn. De algemene doelstellingen moeten bovendien blijkens de specifieke procedure, ook IX-9883-18/29 onderverdeeld worden in “deelobjectieven” gespreid in de tijd, hetgeen dan de “concretisering van de algemene objectieven”’ is. 7.
  2. In de mate dat door de evaluatiecommissie is gesteld en door de beroepscommissie is bevestigd dat verzoeker door eerdere schoolse vormingen reeds voldoende op de hoogte was van de te bereiken doelstellingen voor de karakteriële beoordeling, moet erop worden gewezen dat die kennis te algemeen en te onbepaald is om concreet beoordeeld te kunnen worden op basis van deeldoelstellingen gespreid in de tijd. 7.
  3. Voor zover de verwerende partij voorts poogt de invloed af te zwakken van het takenschrift wat de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden betreft, door erop te wijzen dat verzoeker op 19 november 2019 bij aanvang van zijn gespecialiseerde opleiding (LOO CIS) een document voor kennisneming heeft ondertekend waarin een overzicht wordt gegeven van veertien competenties op basis waarvan hij karakterieel zal worden beoordeeld, alsook dat verzoeker bij de statutaire beoordeling van 4 december 2020 op diezelfde competenties is beoordeeld, dient te worden gewezen op wat volgt. Met betrekking tot dit argument moet worden vastgesteld dat de op 19 november 2019 meegedeelde competenties betrekking hadden op het vormingsgedeelte gespecialiseerde vorming, terwijl de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 voor het vormingsgedeelte ‘evaluatieperiode’ voorschrijft dat een takenschrift moet worden opgesteld waarin de algemene doelstellingen geconcretiseerd moeten worden in deeldoelstellingen gespreid in de tijd. De kennisneming van de competenties in het kader van de gespecialiseerde vorming kan aldus het ontbreken van het takenschrift voor de evaluatieperiode niet verschonen. 7.
  4. Uit het voorgaande blijkt dat er geen takenschrift is opgemaakt en verzoeker zowel aan het begin, als tijdens de betrokken evaluatieperiode, in het ongewisse is gelaten over de doelstellingen en de deeldoelstellingen, alsook de IX-9883-19/29 beoordelingsfactoren die zouden worden gebruikt. Door het ontbreken van al deze gegevens was het dan ook niet mogelijk om op een meetbare en objectieve wijze het gedrag en de prestaties van verzoeker te meten en te evalueren. 7.
  5. In zoverre is het middel gegrond. 8.
  6. Voor zover verzoeker de schending aanvoert van artikel 7bis van het koninklijk besluit van 13 november 1991 met betrekking tot het gevoerde functionerings- en evaluatiegesprek moet worden gewezen op wat volgt. Artikel 7bis, §§ 2 tot 4, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 luidt als volgt: “§
  7. Ten minste één functioneringsgesprek tussen de kandidaat en zijn beoordelaar vindt plaats : 1° voor de eerste statutaire beoordeling; 2° tussen twee opeenvolgende statutaire beoordelingen. Tijdens het functioneringsgesprek worden de competenties van de kandidaat met hem besproken met behulp van de competenties en gedragsindicatoren bepaald in de bijlage bij dit besluit. Een beknopt verslag van het functioneringsgesprek wordt opgesteld. Dit verslag omvat ten minste de sterke en zwakke punten van de kandidaat Het wordt door de kandidaat ondertekend voor gezien en opgenomen in zijn vormingsdossier. §
  8. Elke beoordeling wordt opgesteld na afloop van een evaluatiegesprek tussen de kandidaat en zijn beoordelaar. Tijdens dit evaluatiegesprek worden de sterke en de zwakke punten van de kandidaat toegelicht. Elke vermelding ‘zeer slecht’, ‘slecht’, ‘onvoldoende’ of ‘te verbeteren’ voor een competentie moet door de beoordelaar gemotiveerd worden aan de hand van de gedragsindicatoren bepaald in de bijlage bij dit besluit. Elke beoordeling wordt schriftelijk aan de kandidaat betekend ten laatste vijf werkdagen volgend op de dag van het evaluatiegesprek. Ze wordt door de kandidaat ondertekend voor gezien en opgenomen in zijn vormingsdossier. §
  9. De kandidaat kan zijn bezwaren uiten op de inhoud van het verslag van het functionerings- of evaluatiegesprek opgesteld door zijn beoordelaar. De gemotiveerde bezwaren worden schriftelijk bij de beoordelaar ingediend ten laatste op de vijfde werkdag volgend op de kennisgeving aan de kandidaat van de inhoud van het betrokken verslag. Indien de beoordelaar van mening is dat hij zijn verslag niet hoeft te wijzigen, noch beschouwingen hoeft toe te voegen aan het verweerschrift van de kandidaat, dagtekent en ondertekent hij het verweerschrift en voegt IX-9883-20/29 hij dit verweerschrift aan het vormingsdossier van de kandidaat toe. Iedere beschouwing die de beoordelaar aan dit verweerschrift nodig mocht achten toe te voegen aan de inhoud van het betrokken verslag, evenals de punten waarop hij het eens is met de kandidaat, worden schriftelijk ter kennis van deze laatste gebracht, die eventueel nieuwe en laatste argumenten kan toevoegen. De kandidaat dagtekent en ondertekent deze documenten na de vermelding ‘gezien en voor kennisname’. Vervolgens worden deze documenten door de beoordelaar aan het vormingsdossier van de kandidaat toegevoegd.” 8.
  10. Luidens voormeld artikel 7bis, § 2, moet er ten minste één functioneringsgesprek plaatsvinden tussen twee opeenvolgende statutaire beoordelingen waarin de competenties met de kandidaat worden besproken en waaruit ten minste de sterke en zwakke punten moeten blijken die in een verslag worden opgenomen. Het doel van een functioneringsgesprek bestaat erin de betrokken kandidaat “te informeren over de actuele perceptie, de te verbeteren punten en de manier waarop hij zich kan verbeteren” (punt 202, c,
(1), van het reglement ‘Basisvorming van de kandidaat-militairen van het actief kader voor het vormingsjaar 2020’ DGHR-REG-FMNBAS-020-001) teneinde een negatieve evaluatie te vermijden. Het functioneringsgesprek moet de kandidaat begeleiden naar een optimale uitoefening van zijn functie en vervult alzo een cruciale rol. In casu mocht van de officier verantwoordelijk voor de vorming dan ook worden verwacht dat hij, wanneer hij vaststelde dat het functioneren van verzoeker niet optimaal was, het initiatief zou nemen om met verzoeker in het kader van een functioneringsgesprek de nodige afspraken te maken of ten minste zijn zwakke punten te signaleren, temeer wanneer hij een ongunstige evaluatie riskeerde. Het functioneringsgesprek diende dan ook plaats te vinden op een zinvol tijdstip. In punt 202, c,
(3), van voormeld reglement DGHR-REG-FMNBAS-020-001 wordt trouwens in dit verband het volgende bepaald: “Voorbeelden van momenten waarop ‘een functioneringsgesprek moet plaatsvinden (niet-limitatieve lijst): (
  1. a)in de helft van de stageperiode; (
  2. b)halverwege tussen het einde van de stageperiode en de eerste statutaire IX-9883-21/29 beoordeling van de evaluatieperiode; (
  3. c)halverwege tussen de voorlaatste statutaire beoordeling van de evaluatieperiode en de laatste statutaire beoordeling op het einde van de Fmn’.” 8.3. Dat een functioneringsgesprek en een evaluatiegesprek niet op dezelfde dag kunnen worden gehouden, volgt ook uit artikel 7bis, § 4, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 november 1991, naar luid waarvan de kandidaat uiterlijk de vijfde werkdag volgend op de kennisgeving van de inhoud van het verslag van het functioneringsgesprek, een schriftelijk gemotiveerd bezwaar kan indienen. Mede gelet op het bepaalde in artikel 7bis, § 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit, namelijk dat een functioneringsgesprek moet worden gehouden vóór de statutaire beoordeling, volgt hieruit dat minstens die termijn van vijf dagen in acht moet worden genomen vooraleer een evaluatiegesprek kan plaatsvinden, daargelaten of dit nog een zinvol tijdstip is. 8.4. De gesprekken die de officier verantwoordelijk voor de vorming met verzoeker heeft gevoerd en waarvan hij op de dag van het functioneringsgesprek en het evaluatiegesprek de bevestiging heeft gevraagd dat ze hebben plaatsgevonden, kunnen niet als functioneringsgesprek worden gekwalificeerd. Niet alleen omdat de verwerende partij zelf toegeeft dat die “gesprekken” geen functioneringsgesprekken maar “terloopse terechtwijzingen waren die dienen gekaderd te worden in de algemene bevoegdheid van de militaire chefs om de orde binnen de eenheid te handhaven en de hiermee samenhangende verplichting van de ondergeschikte om de militaire bevelen en voorschriften correct uit te voeren”, maar ook omdat het geen gesprekken waren waarin de sterke en zwakke punten van verzoeker aan bod zijn gekomen en waarover een verslag is opgemaakt dat aan verzoeker ter kennis is gebracht met de mogelijkheid om hiertegen enig nuttig bezwaar in te dienen met toepassing van artikel 7bis, § 4, van het koninklijk besluit van 13 november 1991. 8.5. Luidens artikel 7bis, § 4, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 kan de kandidaat uiterlijk de vijfde werkdag IX-9883-22/29 volgend op de kennisgeving van de inhoud van het verslag van het functioneringsgesprek, een schriftelijk gemotiveerd bezwaar indienen. Door reeds op dezelfde dag als het functioneringsgesprek het evaluatiegesprek te houden, is verzoeker de mogelijkheid ontnomen om nog bezwaar in te dienen tegen het verslag van het functioneringsgesprek. 8.6. Door bijgevolg het functioneringsgesprek te laten plaatsvinden op dezelfde dag als het evaluatiegesprek maar vóór het evaluatiegesprek, heeft de verwerende partij de draagwijdte van artikel 7bis, § 2, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 en voormeld reglement DGHR-REG-FMNBAS-020-001 miskend. Uit het voorgaande volgt ook dat de verwerende partij de substantiële vormvoorschriften van artikel 7bis, §§ 2 en 4, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 niet heeft nageleefd. Verzoeker is daardoor in zijn rechten geschaad en heeft een nadeel geleden. 8.7. Ook in die mate is het middel gegrond. 9.1. Verzoeker voert ook de schending aan van artikel 25 van het koninklijk besluit van 7 november 2013 en van de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003, aangezien er tijdens de evaluatieperiode maandelijks geen verslag is opgesteld door de peter maar pas erna, alsook dat de verantwoordelijke officier voor de vorming geen ‘niet-statutaire beoordelingen’ heeft opgesteld op basis van deze verslagen. 9.2. Artikel 25 van het koninklijk besluit van 7 november 2013 luidt als volgt: “Tijdens een stage- of evaluatieperiode wordt de kandidaat begeleid door een peter aangeduid door de korpscommandant De peter moet hetzij tot hetzelfde taalstelsel behoren als de kandidaat hetzij de grondige kennis bezitten van de taal van de kandidaat. De nadere regels en de samenstelling van het stage- of evaluatiedossier tijdens de stageperiode en/of een evaluatieperiode worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.” IX-9883-23/29 In artikel 2, 10°, van hetzelfde besluit wordt bepaald wat onder het begrip peter moet worden verstaan: “de peter: de militair van het actief kader, van dezelfde personeelscategorie en, naargelang het geval, van dezelfde vakrichting of hetzelfde ambt als de kandidaat, die door de korpscommandant aangewezen wordt om een kandidaat te begeleiden, naargelang het geval, gedurende de opleiding on the job of gedurende de stage- of evaluatieperiode.” In punt 4, e, van de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 wordt de taak van de peter nader omschreven als volgt: “De peter is de militair […] die de kandidaat adviseert en begeleidt gedurende zijn volledige stage- en/of evaluatieperiode. Zijn taak is van zeer groot belang aangezien hij een grote bijdrage dient te leveren in de uiteindelijke praktijkvorming van de kandidaat-militair. Hij fungeert als tussenpersoon (begeleider) tussen enerzijds de kandidaat en anderzijds de verantwoordelijke officier voor de vorming.” Luidens punt 4, e,
(4), van de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 valt onder de verantwoordelijkheid van de peter: “het regelmatig debriefen van de kandidaat – desgevallend worden de belangrijkste elementen genoteerd in voorbereiding van de maandelijkse schriftelijke adviezen die aan de verantwoordelijke officier voor de vorming worden overgemaakt.” Op basis van deze maandelijkse verslagen kan de officier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat onder meer de niet-statutaire beoordeling opmaken na overleg met de peter. Punt 4, d,
(6), van de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 bepaalt namelijk dat onder de verantwoordelijkheid van de officier verantwoordelijk voor de vorming valt: “het opmaken van de niet-statutaire beoordelingen op basis van de maandelijkse schriftelijke verslagen van de peter en dit na overleg met de peter – ook tijdens een eventuele inzet in buitenlandse operaties.” IX-9883-24/29 9.
  1. In casu werd er door de peter niet iedere maand een verslag opgesteld. De peter heeft louter drie verschillende maandelijkse verslagen (voor de periode augustus-september 2020, september-oktober 2020 en oktober-november 2020) opgesteld op 1 december 2020 – dit is ná de evaluatieperiode – om ze daarna te laten ondertekenen door verzoeker op 4 december
  2. De verwerende partij stelt dat geen maandelijkse verslagen dienden te worden opgesteld, omdat voor de betrokken evaluatieperiode een statutaire beoordeling moest worden opgemaakt en geen niet-statutaire beoordeling, gelet op het bepaalde in punt 4, d,
(6), van de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003. Dit standpunt kan niet worden bijgevallen. Vooreerst omdat uit voormeld punt 4, d,
(6), niet kan worden afgeleid dat de peter enkel een maandelijks verslag moet opstellen indien voor de betrokken evaluatieperiode een niet-statutaire beoordeling moet worden gemaakt. Uit die bepaling volgt enkel dat de verantwoordelijke officier voor de vorming wanneer hij een niet-statutaire beoordeling dient op te maken, dit moet doen op basis van die maandelijkse verslagen en na overleg met de peter. Daarnaast dient te worden gewezen op punt 4, g, van de specifieke procedure ‘Vormingsdossier’ SPS-FMNGEST-001 waarin wordt bepaald: “De rubriek ‘Stage- en evaluatiedossier’ Voor elke Kand in een stage- of evaluatieperiode wordt, naargelang het geval, een stage- en/of evaluatiedossier bijgehouden door de dienst verantwoordelijk voor de stage- en evaluatieperiodes in de eenheid. Dit dossier, dat deel uitmaakt van het vormingsdossier, bevat volgende gegevens:
(1)De aanduidingsnota van de officier verantwoordelijk voor de vorming en van de peter van de Kand door de korpscommandant of een afschrift van de dagelijkse orders (DO) die deze aanduidingen bevatten;
(2)Een afschrift van het takenschrift dat omvat: (
  1. a)de algemene objectieven van de betrokken stage- en/of evaluatieperiode; (
  2. b)de deelobjectieven gespreid in de tijd, m.a.w. de professionele en militaire activiteiten/taken die dienen uitgevoerd te worden tijdens de IX-9883-25/29 betrokken beoordelingsperiode; (
  3. c)de beoordelingsfactoren op professioneel, karakterieel en fysiek vlak.
(3)De maandelijkse schriftelijke verslagen van de peter (Bijl Q).
(4)De individuele opmerkingsfiche die de tijdens de betreffende periode opgemerkte positieve en negatieve punten bevat (Bijl R).
(5)De beoordelingsfiches van de professionele hoedanigheden tijdens de stage-en/of evaluatieperiodes (Bijl S en S bis).
(6)Voor de Kand-hulpofficieren, de beoordelingsfiches van de professionele hoedanigheden tijdens de evaluatieperiode (Bijl T en T bis).
(7)De stage- en/of evaluatieverslagen, met de globale beoordeling van de professionele en de karakteriële hoedanigheden evenals van de fysieke conditie van een Kand (Bijl U).” Uit voormeld punt 4, g,
(3)blijkt dat het evaluatiedossier voor elke evaluatieperiode onder meer “[d]e maandelijkse schriftelijke verslagen van de peter” moet bevatten, ongeacht of na die evaluatieperiode een statutaire of niet-statutaire beoordeling dient te volgen. Aangezien verzoeker van 3 augustus 2020 tot 3 november 2020 een evaluatieperiode in de eenheid 10e Groep Communicatie- en informaticasystemen volgde, diende ook voor die evaluatieperiode iedere maand een schriftelijk verslag te worden opgesteld. 9.4. In punt 4, e,
(4), van de specifieke procedure DGHR-SPS-FMNBAS-003 wordt bepaald dat de taak van de peter onder meer erin bestaat om de kandidaat regelmatig te debriefen en dat desgevallend de belangrijkste elementen worden genoteerd in voorbereiding van de maandelijkse schriftelijke adviezen die aan de verantwoordelijke officier voor de vorming worden bezorgd. Het is mede op basis van die maandelijkse schriftelijke verslagen dat de betrokken kandidaat zal worden geëvalueerd. Dit laatste wordt trouwens door de verwerende partij toegegeven waar zij in haar memorie van antwoord stelt, dat “hoewel het niet verplicht was, er wel degelijk maandelijkse schriftelijke verslagen opgesteld geweest zijn en deze tijdig de verantwoordelijke officier voor de vorming hebben bereikt zodat deze vervolgens de korpscommandant kon adviseren voor het opmaken van de statutaire beoordeling”. IX-9883-26/29 In tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar memorie van antwoord beweert, namelijk dat in “[d]e reglementen […] ook nergens [is voorzien] dat de maandelijkse verslagen van de peter aan de kandidaat overgemaakt moeten worden”, blijkt echter dat deze verslagen in casu conform de eigen voorschriften zo zijn opgesteld dat ze telkens opmerkingen bevatten die rechtstreeks zijn gericht aan verzoeker. Bovendien bevatten ze een vak waarop de kandidaat moet aangeven dat hij hiervan kennis heeft genomen. Door in casu niet iedere maand een verslag op te stellen maar dit te doen na het verstrijken van de evaluatieperiode, zijn deze verslagen naar verzoeker toe in grote mate dan ook ontdaan van ieder nut, omdat het doel van die verslagen er ook in bestaat om gedurende de evaluatieperiode de kandidaat de kans te bieden zich te conformeren aan de opmerkingen die zijn opgenomen in de door de peter opgestelde verslagen. 9.
  1. In deze mate is het middel evenzeer gegrond.
  2. Uit wat voorafgaat volgt dat in de bestreden beslissing de karakteriële beoordeling van verzoeker niet is gebeurd met inachtneming van de procedurele voorschriften die voor deze beoordeling zijn vastgesteld.
  3. Het eerste middel is in de hiervóór aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  4. De Raad van State vernietigt de beslissing van de beroepsinstantie van Defensie van 16 maart 2021, waarin wordt gesteld dat XXXXde vereiste professionele hoedanigheden bezit, zijn ongunstige karakteriële beoordeling wordt bevestigd en hij definitief mislukt is.
  5. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9883-27/29
  6. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9883-28/29 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9883-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.