id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.772 Rolnummer: A. 238363/XIV-39126 Zaak: Arrest 256772 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 14/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-20 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-10 10:54 Fiche Arrest nr 256.772 van 14 juni 2023 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 256.772 van 14 juni 2023 in de zaak A. 238.363/XIV-39.126 In zake: Toon FONTEYNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5459 SPOORKIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 9 februari 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 12 december 2022 van de korpschef van de politiezone Spoorkin tot herplaatsing van verzoeker. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. XIV-39.126-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Rob Trips verschijnt voor verzoeker en advocaat Chloé Van Landeghem, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is commissaris van politie bij de politiezone 5459 Spoorkin. Hij oefent tot aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, de betrekking uit van directeur Operaties. 3.
- Op 12 december 2022 beslist de korpschef om verzoeker met ingang van 15 december 2022 te herplaatsen in de gespecialiseerde functie van liason/OBP. Voorts is beslist dat de herplaatsing na zes maanden zal worden geëvalueerd. Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.126-2/8 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
- Verzoeker wijst erop dat de herplaatsing leidt tot onmiddellijke gevolgen van morele schade en een onmiddellijke negatieve impact heeft op de prerogatieven verbonden aan zijn graad en functie: hij heeft niet langer de dagdagelijkse leiding over alle operationele diensten, maakt geen deel meer uit van de korpsleiding en kan geen beroep meer doen op zeven hoofdinspecteurs. Dit resulteert in het in vraag stellen van zijn individuele bekwaamheden wat tot onherroepelijke imagoschade leidt en aanleiding geeft tot speculaties en geruchten. De hem toebedeelde functie is ook niet gelijkwaardig maar van geringer aanzien en verschilt fundamenteel van zijn kennis en kunde als directeur Operaties. De bestreden beslissing moet dan ook worden gezien als een straf. De herplaatsing werpt eveneens een smet op zijn aanzien binnen het korps maar ook daarbuiten. XIV-39.126-3/8 Verzoeker besluit dat de bestreden beslissing hem in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen is in afwachting van een uitspraak ten gronde: zolang de beslissing gehandhaafd blijft, loopt zijn reputatie verdere schade op. Hierdoor kan hij ook geen mutatie maken naar een andere zone of federale entiteit gezien zijn besmeurde reputatie hem voorafgaat. Verzoeker concludeert dat hij aan de vereisten van spoedeisendheid voldoet, gezien hij op basis van de bestreden beslissing dient vast te stellen dat deze onmiddellijke gevolgen heeft voor zijn professionele status, zijn carrièreplanning en zijn mentaal welzijn. Tot slot wijst hij op de middelen “ter adstructie van het feit dat de schorsing van de tenuitvoerlegging noodzakelijk is gezien hij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten nu dit onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen en om verzoekers belangen veilig te stellen.” Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De XIV-39.126-4/8 spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Het komt er voor een verzoeker, die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die hij in zijn vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt om aan zijn zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door verzoeker worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd.
- Te dezen verantwoordt verzoeker het spoedeisend karakter in essentie op grond van het feit dat het voor hem moreel ondraaglijk is om te worden herplaatst naar een, volgens verzoeker, lagere, niet-gelijkwaardige functie waar hij niet langer beschikt over de prerogatieven die hij in zijn vorige betrekking wel had. XIV-39.126-5/8 Dit werpt eveneens een smet op zijn aanzien en brengt zijn reputatie ernstige schade toe. De bestreden beslissing is een herplaatsing op grond van artikel VI.II.85, 8° RPPol., die uit zijn aard de schuld van verzoeker buiten beschouwing laat. Dat een dergelijke herplaatsing aan verzoeker morele schade berokkent of kan berokkenen doordat verzoeker niet langer zijn oorspronkelijke betrekking mag uitoefenen, geldt voor alle personeelsleden die tegen hun wil door een dergelijke maatregel worden getroffen en in afwachting van een uitspraak die ten gronde moeten ondergaan. Een schorsingsprocedure strekt er evenwel niet toe om élk moreel nadeel dat met een bestreden beslissing, zoals een herplaatsing, gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de herplaatsing immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en zal het vereiste rechtsherstel moeten volgen. De genoegdoening van een annulatiearest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van dien aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht.
- Verzoeker toont dergelijke bijzondere omstandigheden niet aan. In zoverre verzoeker het ondraaglijke karakter van zijn moreel nadeel afleidt uit de herplaatsing naar een, volgens hem, lagere, niet-gelijkwaardige functie waarin hij niet langer beschikt over de prerogatieven die hij in zijn vorige betrekking wel had, gaat hij uit van een eigen beoordeling en perceptie van de betrekking waarin hij werd herplaatst. Aldus doet verzoeker mogelijks blijken van een moreel nadeel gesteund op deze eigen beoordeling of perceptie, maar bij gebrek aan bijgebrachte eigen, specifieke gegevens toont zulks evenwel op zich niet in concreto aan waarom dat moreel nadeel niet kan worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en XIV-39.126-6/8 waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. In de mate dat dit aangevoerde moreel nadeel overigens betrekking heeft op de wettigheid van de herplaatsing, kan de onwettigheid ervan niettemin op zich niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter is immers een op zich staande voorwaarde die moet zijn vervuld, los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Leidt evenmin tot dat besluit, het argument dat hij in de huidige omstandigheden ook geen mutatie kan maken naar een andere politiezone of federale entiteit “gezien zijn besmeurde reputatie hem voorafgaat.” In de huidige stand van het geding lijkt dit een (mogelijks) toekomstig nadeel nu niet blijkt dat verzoeker ter zake dit beoogt, zodat niet moet worden onderzocht of dit het spoedeisend karakter van de voorliggende vordering kan staven. In acht genomen het feit dat een vordering tot schorsing “op elk moment” kan worden ingediend, maakt verzoeker aldus niet aannemelijk dat dit (hypothetisch) nadeel thans in concreto inhoudt dat hij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, zonder dat hij zich daardoor in een toestand zou bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet overtuigt dat het aangevoerde nadeel veroorzaakt door de bestreden beslissing van die aard is dat het inhoudt dat hij daardoor niet de procedure ten gronde kan afwachten.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. XIV-39.126-7/8 Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.126-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.772 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.701 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.