← België

Arrest 256773 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 14/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.773 Rolnummer: A. 238313/XIV-39122 Zaak: Arrest 256773 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 14/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-20 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-10 10:54 Fiche Arrest nr 256.773 van 14 juni 2023 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 256.773 van 14 juni 2023 in de zaak A. 238.313/XIV-39.122 In zake: Philippe MAQUESTIAU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5341 ZUID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de politieraad van de lokale politiezone Zuid van 29 november 2022 waarbij de betrekking van diensthoofd financiën (adviseur klasse A3) vacant is verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en XIV-39.122-1/10 over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cara Janssens, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor verzoeker, en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, wat de vordering tot schorsing betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.1 Verzoeker is adviseur bij de politiezone

(5341)Brussel-Zuid. Hij oefent tot aan de tenuitvoerlegging van de hieronder vermelde beslissing tot herplaatsing (infra, punt 3.2.), de betrekking van diensthoofd Financiën uit. 3.
  1. Op 18 augustus 2022 beslist de korpschef om verzoeker met ingang van 1 september 2022 te herplaatsen naar de dienst Organisatiebeheersing. Verzoeker vordert de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van deze beslissing (A.237.242/XIV-39.071). Bij arrest nr. 255.368 van 22 december 2022 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing. XIV-39.122-2/10 3.
  2. Op 28 november 2022 verklaart de politieraad de betrekking van diensthoofd financiën (adviseur klasse A3) vacant. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  3. Drie personen stellen zich kandidaat voor de vacant verklaarde betrekking, waaronder verzoeker. 3.
  4. Op 15 februari 2023 acht de selectiecommissie geen van de drie kandidaten geschikt en beslist dat niemand wordt “weerhouden.” IV. Toepassing kortedebattenprocedure Exceptie wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft Standpunt van de partijen
  5. Onder het kopje “in hoofdorde: verzoekschrift is zonder voorwerp” werpt de verwerende partij in haar nota op dat, gelet op het feit dat geen van de kandidaten werd weerhouden, er geen beraadslaging van de resultaten in de politieraad werd voorzien en dat de gevoerde selectieprocedure “zonder verder gevolg” werd afgesloten. Gegeven het feit dat de betrekking van diensthoofd Financiën nog steeds moet worden ingevuld, zal er mogelijks een nieuwe vacantverklaring van de betrekking worden gepubliceerd. In voorkomend geval heeft verzoeker opnieuw de kans om zich kandidaat voor de functie te stellen. De verwerende partij besluit dat de bestreden beslissing geen rechtsgevolgen heeft gekend zodat de voorliggende vordering zonder voorwerp is geworden.
  6. Onder het kopje “ontvankelijkheid van het annulatieberoep ratione materiae” zet verzoeker, onder verwijzing naar het arrest nr. 220.036 van 28 juni 2012, uiteen dat de bestreden beslissing een rechtstreeks aanvechtbare rechtshandeling is. Hij wijst erop dat de vacantverklaring op zich reeds voor hem XIV-39.122-3/10 grievend is, aangezien de vacantverklaring de betrekking betreft waarvan hij titularis was voor zijn bestreden herplaatsing en waarop hij na de eventuele inwilliging van zijn beroep tegen die herplaatsing (gekend onder nummer A.237.242/XIV-39.071), weer aanspraak op zou kunnen maken. Beoordeling
  7. De bestreden beslissing is een vacantverklaring van een betrekking. Het is de eerste stap in een complexe administratieve procedure en is specifiek en noodzakelijk gericht op de eindbeslissing waarbij een kandidaat in de vacantverklaarde – en door verzoeker teruggewenste - betrekking wordt benoemd. In de regel kan een dergelijke vacantverklaring niet op een ontvankelijke wijze het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing. Wel kan de eventuele onwettigheid ervan worden aangevoerd tegen de aanvechtbare eindbeslissing. Anders is het evenwel wanneer de vacantverklaring op zich reeds grievend is voor betrokkene, zoals wanneer de vacantverklaring de betrekking betreft waarvan verzoeker de titularis was en verzoeker er na inwilliging van het beroep tegen de beslissing waarbij hij werd herplaatst, weer aanspraak zou kunnen op maken. Het is binnen dat kader dat de opgeworpen exceptie moet worden beoordeeld. Te dezen blijkt uit de niet-betwiste gegevens van de zaak dat de selectieprocedure in uitvoering van de bestreden vacantverklaring en waaraan ook verzoeker deelnam, ondertussen haar verder verloop kende. Tevens blijkt dat de selectiecommissie geen enkele kandidaat geschikt achtte voor het bekleden van de vacantverklaarde betrekking. Naar de verwerende partij in haar nota verklaart, werd er gelet op het feit dat geen enkele kandidaat in aanmerking werd genomen, geen beraadslaging in de politieraad voorzien “en werd de gevoerde selectieprocedure zonder verder gevolg afgesloten.” XIV-39.122-4/10 Centraal staat ter beoordeling of uit deze gegevens moet worden afgeleid of, zoals de verwerende partij betoogt, de bestreden vacantverklaring nog enig rechtsgevolg kan teweegbrengen. Essentieel ter beoordeling hiervan is de vaststelling of in hoofde van alle kandidaten die deelnamen aan de selectieprocedure en die niet geschikt werden bevonden door de selectiecommissie, het in hun hoofde (negatieve) resultaat van de selectieprocedure definitief is, zodat aldus op definitieve wijze blijkt dat de selectieprocedure geen (voor verzoeker griefhoudende) uitkomst heeft gekend. Zolang zulks niet vaststaat, is het immers niet uit te sluiten dat de selectieprocedure alsnog wel een uitkomst kan kennen en leiden tot een (eind)beslissing waarbij een kandidaat in de vacantverklaarde – en door verzoeker teruggewenste – betrekking wordt benoemd vooraleer uitspraak is gedaan over zijn beroep tegen de beslissing tot herplaatsing. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat in hoofde van de kandidaten het negatief resultaat van de selectieprocedure definitief is. Evenmin werd zulks in het debat betrokken.
  8. De vraag of de bestreden vacantverklaring zonder rechtsgevolgen bleef, c.q. verzoeker als gevolg daarvan geen belang meer heeft, kan derhalve te dezen niet met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ worden beslecht. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State de conclusie van het auditoraatsverslag dat de zaak met korte debatten kan worden beslecht, niet bijvalt. De zaak dient voor de behandeling ten gronde dan ook te worden verwezen naar de gewone rechtspleging. XIV-39.122-5/10 V. Onderzoek van de vordering tot schorsing A. Schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. B. Ontvankelijkheid van de vordering
  10. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. C. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
  11. Verzoeker zet uiteen dat het voor hem moreel ondraaglijk is dat hij op een dergelijke wijze, zonder dat hem iets kan worden verweten, niet langer de functie van diensthoofd financiën kan uitoefenen en dit om reden van zowel de vacantverklaring als de herplaatsing. Dit moreel nadeel verstaat zich niet met de te verwachten duur van de vernietigingsprocedure. Daar komt nog bij dat hij ook de beslissing tot zijn herplaatsing aanvecht en dat, wanneer de Raad van State in die procedure, tot nietigverklaring overgaat, er dan een vacantverklaring actief zou zijn in het rechtsverkeer betreffende de betrekking waarin hij ingevolge de nietigverklaring dient te worden hersteld, temeer dat dan ondertussen ingevolge XIV-39.122-6/10 die vacantverklaring en de navolgende selectie gebeurlijk een (andere) kandidaat zou zijn geroepen om in die betrekking te worden aangewezen. Zulks zou aanleiding kunnen geven tot malversaties en bemoeilijking dan wel verwikkelingen omtrent dit herstel, wat op zich ook een voldoende bijzondere omstandigheid is die de spoedeisendheid schraagt. Beoordeling
  12. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  13. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). XIV-39.122-7/10 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  14. Het door verzoeker aangevoerde (moreel) nadeel gelegen in het feit dat hij niet langer de betrekking van diensthoofd Financiën kan uitoefenen, volgt niet uit de bestreden beslissing, maar uit de beslissing tot zijn herplaatsing. Deze heeft immers, op uitvoerbare wijze, tot gevolg dat verzoeker thans niet langer de betrekking van diensthoofd Financiën uitoefent. In de mate dat verzoeker zijn (moreel) nadeel ziet in het niet langer uitoefenen van de betrekking van diensthoofd Financiën, is dit geen (moreel) nadeel dat ter adstructie van het spoedeisend karakter van de voorliggende vordering kan worden in aanmerking genomen. Een schorsingsprocedure strekt er voorts niet toe om élk moreel nadeel dat met een bestreden beslissing gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de bestreden vacantverklaring immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en zal het vereiste rechtsherstel moeten volgen. De genoegdoening van een annulatiearrest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker voert dergelijke bijzondere omstandigheden gegrond op de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet aan. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de schorsing van de bestreden beslissing hem kan behoeden van de gevreesde schade en de moeilijkheid tot rechtsherstel indien de door hem bestreden herplaatsing wordt vernietigd, blijkt uit de gegevens van de zaak zoals die thans aan de Raad van State zijn gekend, dat de selectieprocedure in uitvoering van de bestreden XIV-39.122-8/10 vacantverklaring en waaraan ook verzoeker deelnam, haar verder verloop kende. Tevens blijkt dat de selectiecommissie geen enkele kandidaat geschikt achtte voor het bekleden van de vacantverklaarde betrekking. Voorts werd er, naar de verwerende partij in haar nota verklaart, gelet op het feit dat geen enkele kandidaat in aanmerking werd genomen, geen beraadslaging in de politieraad voorzien “en werd de gevoerde selectieprocedure zonder verder gevolg afgesloten.” Aldus blijkt in de huidige stand van het geding dat de selectieprocedure in uitvoering van de thans bestreden vacantverklaring, geen resultaat kent. Hieruit volgt dat de door verzoeker gevreesde (rechts)gevolgen zich thans niet voordoen. De betrekking van diensthoofd Financiën staat nog steeds open en de bestreden beslissing belet in de huidige stand van het geding alvast niet dat de weg vrij is om rechtsherstel te bieden na een eventuele navolgende nietigverklaring van de beslissing tot herplaatsing. In het licht hiervan biedt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voordeel, minstens is het aangevoerde nadeel afgeleid uit de “malversaties en bemoeilijking” van het rechtsherstel in het kader van een ander beroep, voorbarig en hypothetisch. Het toont derhalve het spoedeisend karakter van de vordering niet aan. Hieruit volgt dat, zelfs al mochten de door verzoeker aangevoerde argumenten overtuigend zijn, dan nog zou de schorsing van de bestreden beslissing niet meer opleveren dan wat er nu reeds voorligt, met name dat de weg naar rechtsherstel na een eventuele nietigverklaring van de eerdere beslissing tot herstel, nog steeds open ligt.
  15. Uit wat voorafgaat, blijkt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. D. Conclusie
  16. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die XIV-39.122-9/10 cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  17. De Raad van State heropent het debat.
  18. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging.
  19. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.122-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.773 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.