← België

Arrest 256795 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.795 Rolnummer: A. 228491/IX-9582 Zaak: Arrest 256795 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-26 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-06 05:08 Fiche Arrest nr 256.795 van 15 juni 2023 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.795 van 15 juni 2023 in de zaak A. 228.491/IX-9582 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Gentstraat 152 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy-Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Financiën van 26 april 2019 waarbij de aan XXXX toegekende vermelding ‘onvoldoende’ voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2018, definitief wordt; - het advies van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie van 11 april 2019 waarbij de aan XXXX toegekende vermelding ‘onvoldoende’ wordt behouden; IX-9582-1/6 - het evaluatieverslag van de leidend ambtenaar van 7 februari 2019 waarbij aan XXXX de eindvermelding ‘onvoldoende’ wordt toegekend voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verwerende partij ter kennis gebracht op 23 juli
  4. Op 20 september 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verwerende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 maart
  5. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Jan Opsommer, die verschijnt voor de verzoekende partij en adviseur Ann Lauwens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-9582-2/6 Eerste auditeur Melissa Celis heeft een gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Toepassing van artikel 30, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quinquies van het algemeen procedurereglement
  7. Gelet op artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ kan de beslissing waarvan de nietigverklaring gevorderd wordt volgens een versnelde rechtspleging nietig worden verklaard indien noch de verwerende partij, noch degene die belang heeft bij de beslechting van het geschil, een verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld. 4.
  8. In het auditoraatsverslag wordt de nietigverklaring van de bestreden beslissingen voorgesteld. 4.
  9. Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, wordt overwogen dat zowel de door de hiërarchische meerdere genomen evaluatiebeslissing waarbij aan verzoeker de eindvermelding ‘onvoldoende’ wordt toegekend (de derde bestreden beslissing) als het advies van de (voorzitter van de) interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie om de aan verzoeker toegekende vermelding ‘onvoldoende’ te behouden (de tweede bestreden beslissing) aanvechtbare rechtshandelingen zijn en dat het, ten behoeve van de duidelijkheid in het rechtsverkeer, aangewezen is om het schrijven van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën (de eerste bestreden IX-9582-3/6 beslissing) bij wijze van gevolgtrekking eveneens te vernietigen indien de tweede en de derde bestreden beslissing worden vernietigd. 4.
  10. Inzake de gegrondheid van het beroep wordt vastgesteld dat uit het advies van de beroepscommissie van 11 april 2019 niet blijkt dat verzoekers argumenten uit het beroepschrift daadwerkelijk en zorgvuldig zijn onderzocht en beoordeeld en dat deze argumenten ook maar enigszins zijn beantwoord, zelfs niet wat hun essentie betreft. De beroepscommissie heeft aldus nagelaten om op zorgvuldige wijze te handelen, de opgegeven motivering is niet afdoende en het advies is niet met redenen omkleed in de zin van artikel 31, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’.
  11. De verwerende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. Kennelijk kan zij zich vinden in de beoordeling van het auditoraatsverslag. 6.
  12. Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, ziet de Raad van State het anders dan het auditoraat. 6.
  13. Het schrijven van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën van 26 april 2019 dat verzoeker tot het eerste voorwerp van zijn beroep maakt, is slechts een loutere mededeling van het voormelde advies van de beroepscommissie en geen rechtshandeling die middels een beroep bij de Raad van State kan worden aangevochten. 6.3.
  14. Het met redenen omkleed advies van de beroepscommissie van 11 april 2019, waarin wordt voorgesteld om de in het evaluatieverslag toegekende vermelding ‘onvoldoende’ te behouden, maakt de voor verzoeker griefhoudende akte uit. Het is immers deze met redenen omklede beoordeling door de beroepscommissie – die inhoudt dat het evaluatiedossier opnieuw is onderzocht nadat het betrokken personeelslid werd gehoord en die bij bevestiging van de in het IX-9582-4/6 evaluatieverslag toegekende vermelding deze laatste definitief maakt – die moet worden aangemerkt als de laatste handeling van de verwerende partij met betrekking tot de evaluatie van het personeelslid. Wanneer de beoordeling in dit met redenen omkleed advies van de beroepscommissie de vermelding uit het evaluatieverslag behoudt, moet dat advies geacht worden in de plaats te zijn gekomen van de beoordeling in het evaluatieverslag. 6.3.
  15. Hieruit volgt dat de derde bestreden beslissing, namelijk het evaluatieverslag van de leidend ambtenaar van 7 februari 2019 waarbij aan XXXX de eindvermelding ‘onvoldoende’ wordt toegekend voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2018, geen voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling is. 6.
  16. Wat voorafgaat laat besluiten dat het beroep onontvankelijk is, wat de eerste en de derde bestreden beslissing betreft.
  17. Wat de gegrondheid van het beroep betreft, ziet ook de Raad van State, na een eigen onderzoek, geen reden om de beoordeling door het auditoraat niet bij te vallen. Het beroep is in de voormelde mate gegrond. BESLISSING
  18. De Raad van State vernietigt het met redenen omkleed advies van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie van 11 april 2019 waarbij de aan XXXX toegekende eindvermelding ‘onvoldoende’ wordt behouden.
  19. De Raad van State verwerpt het beroep, voor zover het is gericht tegen: - de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Financiën van 26 april 2019 waarbij de aan XXXX IX-9582-5/6 toegekende vermelding ‘onvoldoende’ voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2018, definitief wordt; - het evaluatieverslag van de leidend ambtenaar van 7 februari 2019 waarbij aan XXXX de eindvermelding ‘onvoldoende’ wordt toegekend voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december
  20. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
  21. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9582-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.795 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.