id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.799 Rolnummer: A. 222889/IX-9116 Zaak: Arrest 256799 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-26 Raadplegingen: 255 - laatst gezien 2026-06-19 06:00 Fiche Arrest nr 256.799 van 15 juni 2023 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.799 van 15 juni 2023 in de zaak A. 222.889/IX-9116 In zake : XXXX woonplaats kiezend te 3060 Bertem Groenendaal 21 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy - Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2017, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van 31 mei 2017 […] van de Voorzitter van het Directiecomité van de federale overheidsdienst financiën waarbij [XXXX] van rechtswege in non-activiteit zonder wedde wordt gesteld telkens de namiddag op 21 en 27 maart 2017 en de volledige dag op 24 en op 28 maart 2017, en zij haar rechten op bevordering in graad en haar rechten op bevordering in weddenschaal verliest”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9116-1/15 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is als adviseur (klasse A3) verbonden aan het Enig Kantoor – Geïntegreerde Verwerking, Dienst TAO (lees: “Team voor aangifteopvolging”) van de algemene administratie van de Douane en Accijnzen van de federale overheidsdienst Financiën (hierna: FOD Financiën) te Leuven. 3.
- Met een op 24 maart 2017 gedateerde brief schrijft de Attaché-Teamchef TAO Leuven het volgende aan verzoekster: “Gelet op uw regelmatige afwezigheden, zonder dat de correcte procedure gevolgd wordt, wijs ik u bij deze er nogmaals op dat afwezigheden IX-9116-2/15 van elke aard correct en tijdig dienen aangevraagd te worden. Uw functionele chef dient op voorhand uw aanvragen te ontvangen in myP&O, en de mogelijkheid te hebben om hier advies op te geven. Verder verwijs ik naar de nota betreffende het inbelsysteem in bijlage, u ook al overhandigd op 7/2/
- U kan uw functionele chef bereiken op het nummer 0257 87 504, of, bij diens afwezigheid, kan u uw afwezigheid melden op het nummer 0257 38
- Aangaande uw afwezigheden op: - 20/3/2017: ik heb u niet gezien op de dienst TAO. U bent wel in de voormiddag opgemerkt in de keuken, en nadien zittende op de lavabo’s in het toilet. U was aanwezig in het gebouw tot omstreeks 11u40, en bent naar huis gegaan omdat u zich ziek voelde. Ik heb u gezien in de gang naar het EHBO-lokaal vlak voor u vertrok. U meldde dat u deze week enkele zaken moest regelen, maar wat precies, en wanneer precies, en hoe lang deze zaken zouden duren was niet duidelijk. U had in de voormiddag de ‘dringende werkverlating (H6)’ in myP&O kunnen aanvragen. Dit is tot op heden 24/03/2017 nog niet gebeurd. - 21/3/2017: Ik heb u niet gezien op de dienst TAO. Er is geen dienstopdracht of andere afwezigheid aangevraagd in myP&O. Er is geen ziekte ingebeld in het inbelsysteem. De regiomanager [B.V.] meldt dat u op 20/3/2017 na 16u een voicemail ingesproken heeft bij hem, waarin u meldt dat u gaat langsgaan op de rechtbank en in het ziekenhuis. [B.V.] is niet uw functionele chef. Verder wijs ik er op dat u uw ziekenhuisbezoeken zoveel mogelijk dient te plannen in de dagen dat u niet werkt, gezien u halftijds werkt om medische redenen. - 24/3/2017: Ik heb u niet gezien op de dienst TAO. Er is geen dienstopdracht of andere afwezigheid aangevraagd in myP&O. Er is geen ziekte ingebeld in het inbelsysteem. U bent opgemerkt in het gebouw iets na 8 uur, en bent bij de diensten van de regiomanager gaan vragen of de regiomanager aanwezig was, hetgeen niet het geval was. Nadien bent u buiten opgemerkt op weg naar de parking. Zonder verklaring zijn we genoodzaakt om uw afwezigheid als onwettig te beschouwen. Gelieve voor elk van deze dagen schriftelijk een verklaring te bezorgen van uw afwezigheid, alsook in het bijzonder voor 21/3 en 24/3 de reden dat u in de onmogelijkheid verkeerde om terug te keren naar de dienst TAO. Verder wil ik vragen u in de toekomst te houden aan de geldende afspraken.” 3.
- Op 3 april 2017 wordt aan verzoekster een tweede gelijkluidende brief verstuurd teneinde haar afwezigheden op 27 en 28 maart 2017 te verantwoorden. Wat die afwezigheden betreft, wordt in deze brief het volgende gesteld: “Aangaande uw afwezigheden op : - 27/3/2017: Ik heb u niet gezien op de dienst TAO. Er is geen dienstopdracht of andere afwezigheid aangevraagd in myP&O. Er is geen ziekte ingebeld in het inbelsysteem. [K.L.] meldt dat u ’s ochtends telefonisch ingebeld heeft bij de diensten van de regiomanager om te laten weten dat u die dag bij een zitting van de Raad van State aanwezig zal zijn. De heer Vleugels is niet uw functionele chef. - 28/3/2017: Ik heb u niet gezien op de dienst TAO. Er is geen dienstopdracht of andere afwezigheid aangevraagd in myP&O. Er is geen ziekte ingebeld in het inbelsysteem. U bent wel tweemaal opgemerkt in de IX-9116-3/15 keuken op de tweede verdieping. Gelieve voor elk van deze dagen schriftelijk een verklaring te bezorgen van uw afwezigheid, alsook de reden dat u in de onmogelijkheid verkeerde om naar uw bureau op de dienst TAO terug te keren. Gelieve ons deze verklaring te bezorgen ten laatste op 17/04/
- Zonder verklaring zijn we genoodzaakt om uw afwezigheid als onwettig te beschouwen. Verder wil ik vragen u in de toekomst te houden aan de geldende afspraken.” Op die brief vermeldt de adviseur-generaal nog dat de procedure aan verzoekster “al meermaals uitgelegd” werd. 3.
- Met een brief van 7 april 2017 antwoordt verzoekster hierop als volgt: “Ik verwijs naar mijn antwoord op uw brief van 2 februari 2017 waarmee ik u meedeelde ‘dat ik om medische en persoonlijke redenen niet kan werken in het lokaal en de dienst TAO Leuven’. Bij het persoonlijk onderhoud op 27 februari 2017 met de Administrateur-generaal, [D.] dienst P&O en uzelf is de werkgever hiervan ook nog eens op de hoogte gebracht. Op doktersbevel mag ik hierover niet meer communiceren. Het betreft de behandeling van bijzondere persoonsgegevens zoals gezondheidsgegevens. Op verzoek van [D.] op 27 februari 2017 werd een nieuwe functie aangevraagd langs de FOD Volksgezondheid – dienst Empreva. Ik heb u hiervan op de hoogte gebracht met mijn brief van 24 maart
- Bij mijn werkhervatting na een arbeidsongeval – verkeersongeval (werkhervatting op 01/10/2016) heeft u mij gezegd ‘dat doktersoproepingen en attesten van afwezigheid ter beschikking gehouden moeten worden’. Ik heb u in oktober uitdrukkelijk gevraagd welke de procedure is. Hierbij heeft u voor de werkdagen 20, 21 en 24/03/2017 en 27-28/03/2017 de nodige (dokters)attesten ter beschikking. Het betreft geen Inbel procedures van Medex. Op de werkdagen 20, 21 en 24/03/2017 en 27-28/03/2017 is elke werkdag beëindigd te Leuven Philipssite: FOD Financiën – AADA en/of FOD Volksgezondheid Medex – Empreva. Voor de terugkeer naar de dienst met de fiets zal ik de fietsvergoeding aanvragen. Voor de regularisatie van ziekte in de loop van de werkdag in ‘myP&O’ is dit nieuw voor mij. In mijn vroegere diensten in de directie Hasselt werd de hiërarchische chef mondeling of telefonisch op de hoogte gebracht. Wanneer ik op 20 maart 2017 het EHBO lokaal verlaat heeft u mij niet gezegd om eerst in te loggen in ‘my P&O’. Dat zou ook niet gekund hebben omdat er niet met een computer van een collega kan ingelogd worden met mijn gebruikersaccount en/of paswoord. Dat is op 8/11/2016 door uzelf vastgesteld en ook op de dienst TAO op 27/02/
- Ook bij mij thuis heb ik met de laptop en de VPN-verbinding nog niet kunnen inloggen op ‘my P&O’ en ik heb u dat meegedeeld, ik denk zelfs per mail. Op 31/03/2017 heb ik u vanuit het UZ Leuven telefonisch trachten te bereiken om 8.25 u, 8.45 u en omstreeks 9.45 u denk ik, heb ik u ervan op de hoogte gebracht dat mijn laptop een kortsluitingsignaal geeft. Ook dat ik ’s avonds op de KULeuven zou langs gaan om opnieuw een VPN-verbinding trachten tot stand te brengen. Dat is niet mogelijk geweest op 31/03/2017 gedurende twee uur namelijk IX-9116-4/15 tussen 17.00 en 19.00 u. De enige keer dat ik met mijn zoon op de KUL heb kunnen inloggen hebben wij 1 u 20 min moeten wachten op de verbinding. Dat was ook de enige keer dat ik met de applicatie ‘my P&O’ heb kunnen werken. Voor technische problemen en verbindingsproblemen met de hardware of software van de werkgever kan ik mijns inziens niet verantwoordelijk geacht worden. Om wettelijk en reglementair in orde te zijn ben ik dus genoodzaakt om telefonisch te verwittigen bij een afwezigheid en dat heb ik ook telkens gedaan. Ik heb bovendien per brief op 5 februari 2017 een gsm toestel aangevraagd corresponderend aan mijn FOD Financiën telefoonnummer 0257/
- In de standplaats Leuven AADA heb ik ook geïnformeerd wie de hiërarchische chef is van de ambtenaren klasse A
- Het is passend dat ik gelijk behandeld word.” 3.
- Met een aangetekende brief van 8 mei 2017 vraagt het diensthoofd van de stafdienst Personeel en Organisatie, dienst Tijdsbeheer, van de FOD Financiën aan verzoekster om binnen vijf werkdagen de redenen en de bewijsstukken mee te delen die haar afwezigheden op 21, 24, 27 en 28 maart 2017 verantwoorden. Zij wordt tevens erop gewezen dat zij voor de duur van voornoemde afwezigheden in non-activiteit zal worden geplaatst op grond van artikel 106, 7°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ) zo zij haar afwezigheden niet kan staven. 3.
- Verzoekster antwoordt hierop op 9 mei 2017 en deelt mee dat zij, ten gevolge van hersenschade naar aanleiding van het arbeidsongeval, moeilijkheden ondervindt om over te schakelen naar het nieuwe systeem voor het indienen van verlofaanvragen. Tevens deelt zij ook stukken mee die haar afwezigheden zouden moeten verantwoorden. 3.
- Bij besluit van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën van 31 mei 2017 wordt verzoekster van rechtswege in non-activiteit zonder wedde gesteld, telkens de namiddag op 21 en 27 maart 2017 en de volledige dag op 24 en op 28 maart
- Ook bepaalt het besluit dat zij “in deze stand […] haar rechten op bevordering in graad en op bevordering in weddeschaal [verliest]”. IX-9116-5/15 De overwegingen van dat besluit luiden als volgt: “Overwegende dat mevrouw XXXX, […] adviseur bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, hierna vermeld, van de dienst afwezig was op 21, 24, 27 en 28 maart 2017 zonder dat zij daartoe vooraf een verlof of dienstvrijstelling heeft gekregen; Overwegende dat betrokkene bij aangetekende brief van 8 mei 2017, ervan verwittigd werd dat elke afwezigheid voorafgaandelijk en tijdig dient aangevraagd te worden; Overwegende dat uit het antwoord van betrokkene bleek dat zij opgeroepen werd om op 21 maart om 9u00 te verschijnen voor de Arbeidsrechtbank te Leuven en dat zij op 27 maart om 9u15 aanwezig was op de zitting van de Raad van State; Dat overeenkomstig artikel 15, 13° van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, voor de nodige duur een omstandigheidsverlof wordt toegekend indien het personeelslid wordt opgeroepen persoonlijk te verschijnen op aanmaning van een rechtscollege; Dat betrokkene niet het bewijs levert dat enerzijds bij de Arbeidsrechtbank anderzijds bij de Raad van State, haar aanwezigheid vereist was gedurende de volledige dag; Dat mevrouw XXXX voor haar afwezigheden op 24 en 28 maart 2017 geen afdoende reden opgeeft.” Dat is het bestreden besluit. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil betreft over een subjectief recht waarvoor uitsluitend de hoven en rechtbanken bevoegd zijn. Zij wijst erop dat het bestreden besluit genomen werd op grond van de artikelen 104 en 106, 7°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en van de artikelen 3, 4, 61, 62 en 63 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 ‘betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 1998) en dat uit die bepalingen kan worden afgeleid dat een ambtenaar die zonder toestemming afwezig is, meer bepaald zonder dat vooraf een verlof of een dienstvrijstelling werd verkregen, in non-activiteit zonder wedde wordt gesteld. Dit is ook het geval IX-9116-6/15 indien een ambtenaar die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn ambt uit te oefenen, nalaat een geneeskundig getuigschrift in te dienen. Volgens de verwerende partij vereist het van rechtswege in non-activiteit stellen van een ambtenaar geen constitutieve handeling van de overheid. Het betreft een gebonden bevoegdheid waarbij de overheid geen beleidsvrijheid heeft: eens de voorwaarden vervuld zijn, dan moet de overheid de ambtenaar in non-activiteit stellen. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de mogelijkheid de afwezigheden te regulariseren. De verwerende partij besluit dan ook dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Beoordeling
- Uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in beginsel, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een – in dit geval niet bestaande – toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Het bestaan van een subjectief recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, is het vereist dat de bevoegdheid van die overheid gebonden is (Cass. 24 september 2010, C.08.0429.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100924.1). IX-9116-7/15
- Krachtens artikel 14, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en C.11.0457.F).
- De thans bestreden beslissing steunt op de artikelen 104 en 106, 7°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en op de artikelen 1, § 1, 3, 4, 61, 62 en 63 van het koninklijk besluit van 19 november
- Op grond van die bepalingen wordt een ambtenaar van rechtswege in non-activiteit zonder wedde gesteld wanneer hij afwezig is van zijn dienst zonder dat hij een verlof of dienstvrijstelling heeft gekregen.
- Het beroep tegen een dergelijke beslissing heeft in het licht van voornoemde arresten van het Hof van Cassatie van 8 september 2016, als werkelijk en rechtstreeks voorwerp, de nietigverklaring van de beslissing die de administratieve stand van verzoekster wijzigt en het herstellen ervan in de stand zoals deze was voordat de bestreden beslissing is genomen (zie ook Cass. 11 juni 2010, C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6). Verzoekster zou dat doel niet kunnen bereiken met een vordering bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde. Het gegeven dat, eens wordt vastgesteld dat de ambtenaar afwezig is geweest van zijn dienst zonder dat hij een verlof of dienstvrijstelling heeft gekregen, de overheid verplicht is om de betrokken ambtenaar in non-activiteit te plaatsen waarbij zij in geen enkel stadium van het besluitvormingsproces aan beleidsvoering heeft moeten doen, maar slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die IX-9116-8/15 interpreteert, vervuld waren, is niet van die aard de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten, als die voormelde verplichting niet aansluit op een subjectief recht in hoofde van de betrokken ambtenaar (cfr. Cass. 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en C.11.0457.F).
- Overeenkomstig de meervermelde arresten van het Hof van Cassatie van 8 september 2016, beroept verzoekster zich niet op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt en bij de nakoming waarvan zij belang heeft. Zij betwist daarentegen wel het bestaan van een verplichting waartoe de verwerende partij beweert gehouden te zijn en bij de uitvoering waarvan zij geen voordeel heeft aangezien deze haar administratieve stand in ongunstige zin beïnvloedt. Aldus betreft het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep niet een geschil over een subjectief recht, waarvoor uitsluitend de hoven en rechtbanken bevoegd zouden zijn.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State bevoegd is om van het voorliggende beroep kennis te nemen.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- In het enige middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 4, 61, 62 en 63 van het koninklijk besluit van 19 november 1998, gelezen in samenhang met de materiëlemotiveringsplicht. Zij licht dit middel toe als volgt: IX-9116-9/15 “
- Verwerende partij gaat er in de bestreden beslissing ten onrechte van uit dat verzoekende partij ‘afwezig was’ op 24 en 28 maart (volledige dag) en op 21 en 27 maart 2017 (in de namiddag). Verzoekende partij had reeds in haar eerdere brief van 07 april 2017 (op 14 april met de nodige documenten bezorgd aan attaché-teamchef [S.P.] geantwoord op de onterechte bewering dat zij ‘afwezig’ zou geweest zijn op de voormelde data. 21 maart 2017: Was verzoekster in de voormiddag vereist op de zitting van de arbeidsrechtbank te Leuven in de procedure gekend onder rolnr. 10/1437/A i.v.m. het arbeidswegongeval van verzoekende partij […]. Was verzoekster in de namiddag samen met haar dochter aanwezig op dienst orthodontie UZ Leuven […]. Is verzoekster nog teruggekeerd naar haar dienst, en eindigde zij haar werkdag op haar dienst te Leuven Philipssite: FOD Financiën — AADA. Wist verwerende partij dit trouwens op voorhand, zoals ook blijkt uit een brief van 24 maart 2017 van verwerende partij, waarin zij zelf stelt […]: ‘De regiomanager meldt dat u op 20/3/2017 na 16u een voicemail ingesproken heeft bij hem, waarin u meldt dat u gaat langsgaan op de rechtbank en in het ziekenhuis. [B.V.] is niet uw functionele chef. Verder wijs ik er op dat u uw ziekenhuisbezoeken zoveel mogelijk dient te plannen in de dagen dat u niet werkt, gezien u halftijds werkt om medische redenen.’ Verzoekster was dus niet afwezig, en zeker niet ongewettigd afwezig. 24 maart 2017: Was verzoekster wel degelijk om 08:15u aanwezig op haar dienst. Op 24 maart 2017 is verzoekster, op uitdrukkelijke vraag van de dienst EMPREVA (Gemeenschappelijke dienst voor Preventie en bescherming op het werk), een aantal documenten gaan afgeven. Deze waren noodzakelijk o.w.v. de procedure tot aangepast werk en aangepaste werkmiddelen. Deze dienst bevindt zich tevens op de Philipssite te Leuven […]. Verwerende partij kan bezwaarlijk voorhouden dat verzoekster ‘afwezig was’. Zij stelt zelf in haar brief van 24/03/2017 […]: ‘24/3/2017: lk heb u niet gezien op de dienst TAO. Er is geen dienstopdracht of andere afwezigheid aangevraagd in myP&O. Er is geen ziekte ingebeld in het inbelsysteem. U bent opgemerkt in het gebouw iets na 8 uur, en bent bij de diensten van de regiomanager gaan vragen of de regiomanager aanwezig was, hetgeen niet het geval was. Nadien bent u buiten opgemerkt op weg naar de parking.’ Verwerende partij kan niet voorhouden dat verzoekster ‘afwezig was’, quod non. 27 maart 2017: Was verzoekster in de voormiddag aanwezig op de zitting van de Raad van State, gekend onder rolnr. G/A 221.001/ IX-
- Was zij in de namiddag aanwezig op dienst, maar had zij om 14:00u een onderhoud met vrijgestelde van haar vakbond (ACV) om o.a. meer uitleg te krijgen over de geldende procedures, waarover verzoekster onterecht aanmaningen krijgt van verwerende partij […]. Hierbij valt trouwens op te merken dat verwerende partij nooit geantwoord heeft op de pertinente vragen van de advocaat van verzoekende partij zoals gesteld in de aangetekende brief van 14.12.
- Daarna is verzoekster nog teruggekeerd naar haar dienst, en eindigde zij haar werkdag op haar dienst te Leuven Philipssite: FOD Financiën – AADA. 28 maart 2017: Was verzoekster aanwezig op dienst vanaf 08:15u. Is verzoekster echter in spoed naar haar dokter PUTSEYS vertrokken waar zij zich heeft aangeboden op consultatie om 10:41u […]. Is verzoekster nog teruggekeerd naar haar dienst, en eindigde zij haar werkdag op haar dienst te Leuven Philipssite: FOD Financiën – AADA. Verwerende partij kan bezwaarlijk voorhouden dat verzoekster ‘afwezig IX-9116-10/15 was’. Zij stelt zelf in haar brief van 03/04/2017 […]: ‘28/3/2017: lk heb u niet gezien op de dienst TAO. Er is geen dienstopdracht of andere afwezigheid aangevraagd in myP&O. Er is geen ziekte ingebeld in het inbelsysteem. U bent wel twee maal opgemerkt in de keuken op de tweede verdieping.’
- De bestreden beslissing verwijst naar art. 4 van het KB van 19 november
- Dit artikel bepaalt: ‘Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf of een administratieve maatregel is de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, van rechtswege in non-activiteit. Dit artikel is niet van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.’ Verzoekende partij kan niet anders dan meedelen dat zij op de voormelde data niet afwezig was, en zeker niet ongewettigd afwezig. Verzoekende partij toont dit ook aan met alle mogelijke elementen, die hiervan minstens een begin van bewijs vormen.
- Waar de verwerende partij in de bestreden [beslissing] dus éénzijdig stelt dat verzoekende partij ‘afwezig was’ op 24 en 28 maart (volledige dag) en op 21 en 27 maart 2017 (in de namiddag), is dit feitelijk niet correct en ook niet bewezen (in tegendeel). Doordat de bestreden beslissing steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan niet naar behoren is bewezen en die dus ook niet in rechte ter verantwoording van de bestreden beslissing worden genomen, schendt verwerende partij art. 4 van het KB van 19 november 1998 in samenhang gelezen met de materiële motiveringsplicht. (zie R. v. St. nr. é.674 van 1 februari 2016 in de zaak A. 211.607/IX-8318)
- De bestreden beslissing verwijst verder nog naar de art. 61, 62, 63 van het KB van 19 november 1998, maar deze hebben betrekking op ‘Controle op de afwezigheden ten gevolge van ziekte of ongeval’, wat hier volstrekt niet aan de orde is. Ook de verwijzing naar deze artikelen kan de bestreden beslissing dus niet afdoende en deugdelijk motiveren.”
- In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekster nog met betrekking tot de beweerde afwezigheden van 24 maart en 28 maart 2017 het volgende toe: “24 maart 2017 […] Verzoekster is op 24/3/2017 documenten gaan afgeven in het dienstgebouw FAC Leuven bij de FOD Volksgezondheid dienst EMPREVA na het onderzoek van de arbeidsgeneesheer Dr. [C.V.]. […] In de namiddag op 24/3/2017 heeft zij (gezien de regiomanager gewestelijk directeur afwezig was) op zijn bureau een brief gelegd waarin verzoekster verwijst naar het medisch onderzoek van de dag ervoor.[…] […] 28 maart 2017 […] Verwerende partij kan bezwaarlijk voorhouden dat verzoekster ‘afwezig was’. Zij stelt zelf in haar brief van 03/04/2017 […]: ‘28/3/2017: lk heb u niet gezien op de dienst TAO. Er is geen dienstopdracht of andere afwezigheid aangevraagd in myP&O. Er is geen ziekte ingebeld in het inbelsysteem. U bent wel twee maal opgemerkt in de keuken op de tweede verdieping.’ IX-9116-11/15 Inderdaad, Op dinsdag 28 maart 2017 is de regiomanager gewestelijk directeur niet aanwezig en legt verzoekster om 15.00 u een brief op zijn bureau in verband met haar verlofsaldo. Daags ervoor had zij van haar vakbond ACV onder meer vernomen welke haar rechtspositie is na een arbeidsongeval. […] Op dinsdag 28 maart 2017 rond 16.00 u heeft het antennehoofd van de stafdienst logistiek Vlaams-Brabant vastgesteld dat verzoekster aan het werken was in de refter. Mevrouw [B.] verlaat het lokaal en gaat in haar bureau haar vaststellingen per mail aan verzoekster en aan de regiomanager [B.V.] bevestigen. […] Eén en ander betekent dat verzoekster minstens tot 16.15 u op het werk was. 13.
- Verzoekster vindt het niet onbelangrijk hierbij nogmaals haar werkomstandigheden op de werkvloer te schetsen, die duidelijk maken dat verwerende partij geen enkele rekening houdt met de medische voorschriften. Op 08 november 2016 vond in Leuven (de huidige standplaats van verzoekster) een ‘functioneringsgesprek’ plaats waarbij aan verzoekster een beslissing dd.07 november 2016 wordt overhandigd […] waarmee zij wordt aangewezen voor de dienst TAO – Team voor aangifteopvolging. Het lokaal 2.R.13 van de dienst TAO is een polyvalente zaal in de rechtervleugel van het dienstgebouw FAC Leuven. De werkpost van verzoekster is ingericht aan de toegangsdeur van de tweede verdieping voor de liften en toiletten. In de gang van de toegangsdeur staat een kopiemachine en is een bel aangebracht. Het afhalen van badges en materiaal is aan het einde van de gang bij de logistieke dienst. De deur van de polyvalente zaal 2.R.13 moet van de teamchef altijd open staan. Ook de radio staat aan, meestal radio 2 Vlaams-Brabant. Het lokaal waarin verzoekster is tewerkgesteld lijkt soms meer op een marktkramerslokaal of café. Op 15 november 2016 verklaart Dr. [S.]: ‘dat in het kader van haar werkhervatting op 1 oktober 2016 omwille van sekwellen van het arbeidsongeval medisch gezien noodzakelijk is een lokaal te voorzien aan de Noordkant dat beantwoordt aan de minimum vereisten van ergonomie op de werkvloer voor bedienden die een bureau en materiaal in een geluidsarm lokaal met adekwate verlichting en verluchting voorzien van de mogelijkheid om een bezoeker te ontvangen.’[…] De arbeidsgeneesheer van de FOD Volksgezondheid dienst EMPREVA verklaart op 26/1/2017, 7/3/2017 en 05/05/2017: ‘dat een aangepast werklokaal en rustige omgeving aangewezen is; een groter beeldscherm en een goed geventileerd lokaal aan de noordkant (geen oplopende temperaturen) aangewezen zijn.’” Voorts wijst verzoekster er nog op dat in zoverre in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de artikelen 61 tot 63 van het voormelde koninklijk besluit van 19 november 1998, het ziekteverzuim echter niet aan de orde is en licht zij toe dat voor geen enkele zogenaamde afwezigheid de reglementering is gevolgd. Beoordeling IX-9116-12/15
- In de bestreden beslissing wordt met betrekking tot de afwezigheden op 21 maart 2017 en 27 maart 2017 – telkens voor de namiddag – overwogen dat verzoekster niet het bewijs levert dat haar aanwezigheid op de zitting van de arbeidsrechtbank en op de zitting van de Raad van State gedurende de volledige dag vereist was. Uit de uiteenzetting van haar middel blijkt dat verzoekster minstens gedurende een bepaalde tijd niet aanwezig is geweest op haar dienst. Zij stelt zelf dat zij op 21 maart 2017, in de namiddag, met haar dochter aanwezig was op de dienst orthodontie van het UZ Leuven – uit het door verzoekster voorgelegde attest blijkt niet dat haar aanwezigheid vereist was tijdens die medische behandeling – en dat zij op 27 maart 2017, in de namiddag, een onderhoud had met haar vakbond, waarvan verzoekster zelf aangeeft dat zij daar aanwezig was om uitleg te krijgen over de geldende procedures waarover verzoekster aanmaningen heeft gekregen. Aldus geeft zij toe niet aanwezig te zijn geweest op haar dienst. Het feit dat zij – in ieder geval en blijkbaar uitsluitend – voor haar afwezigheid op 21 maart 2017 (namiddag) de dag voordien bij de regiomanager een voicemailbericht heeft ingesproken, doet aan die vaststelling niets af. Artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 vereist immers dat er toestemming voor de afwezigheid wordt gegeven. Het louter melden van de afwezigheid volstaat derhalve niet. De loutere bewering – want niet gestaafd door enig stuk – van verzoekster dat zij nadien nog is teruggekeerd naar haar dienst maakt uiteraard haar afwezigheid niet ongedaan. Met betrekking tot de afwezigheid van 21 en 27 maart 2017, telkens in de namiddag, mocht de verwerende partij dan ook terecht oordelen dat verzoekster zich in de administratieve stand non-activiteit bevond.
- Voor haar afwezigheden op 24 en 28 maart 2017 is verzoekster telkens voor een volledige dag in de stand non-activiteit gesteld. In de bestreden IX-9116-13/15 beslissing wordt daarover gesteld – nadat verzoekster daartoe was uitgenodigd – dat de opgegeven redenen niet afdoende waren. Wat haar afwezigheid op 24 maart 2017 betreft, stelt verzoekster dat zij documenten diende af te geven bij Empreva. Deze dienst is gevestigd in hetzelfde gebouw waarin verzoekster werkzaam is. Nadien is verzoekster opgemerkt, buiten, op weg naar de parking. Wat haar afwezigheid op 28 maart 2017 betreft, verklaart verzoekster om 08.15 uur aanwezig te zijn geweest, doch nadien “in spoed” naar dokter P. te zijn vertrokken voor een consultatie om 10.41u. Uit het administratief dossier blijkt dat zij voor beide data weliswaar in het gebouw is opgemerkt doch niet op de dienst TAO alwaar zij tewerkgesteld is. In haar verzoekschrift weerspreekt verzoekster trouwens niet dat zij op voormelde dagen het gebouw en derhalve ook haar dienst – daargelaten of zij al dan niet aldaar aanwezig is geweest – verlaten heeft. Zij voert al evenmin aan dat zij voor die afwezigheden telkens voorafgaandelijk de toestemming zou hebben gekregen.
- Uit het voorgaande mocht de verwerende partij dan ook in redelijkheid besluiten dat verzoekster afwezig was op haar dienst en dat de door haar hiervoor gegeven verantwoording niet afdoende is.
- Het enige middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. IX-9116-14/15
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, Bert Thys, staatsraad, Kaat Leus staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9116-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.799 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100924.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div