id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.803 Rolnummer: A. 233021/XIV-39104 Zaak: Arrest 256803 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 15/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-26 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-06 05:10 Fiche Arrest nr 256.803 van 15 juni 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 256.803 van 15 juni 2023 in de zaak A. é.021/XIV-39.104 In zake : Catherine HAENTJENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristin Dewever en Aniek Van de Velde kantoor houdend te 8720 Wakken Kasteeldreef 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING kantoor houdend te 1210 Brussel Galileelaan 5/01 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het RIZIV van 27 november 2020 waarbij verzoeksters aanvraag tot het uitoefenen van een bijkomende activiteit als collecte-arts bij het Rode Kruis wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. XIV-39.104-1/6 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
- Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Aniek Van de Velde, die verschijnt voor verzoekster en attaché Jonathan Owczarek, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is voltijds adviserend geneesheer bij de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen en wenst daarnaast een bijkomende medische activiteit als collecte-arts bij het Rode Kruis uit te oefenen. 3.
- Zij vraagt daarvoor op 1 september 2020 toestemming aan de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV. 3.
- Het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV (hierna: het Comité) beslist op 27 november 2020 de aanvraag van verzoekster niet goed te keuren, op grond van de volgende motivering: XIV-39.104-2/6 “[…] Overeenkomstig artikel 4, §1, eerste lid van het Koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend artsen, voert een adviserend arts zijn opdracht voltijds uit. U oefent uw functie als adviserend arts echter niet voltijds uit (90%). Artikel 4, §2 van het Koninklijk besluit nr. 35 bepaalt dat het Comité een adviserend arts kan erkennen voor een deeltijdse functie, mits naleving van enkele voorwaarden: (…) Uw aanvraag betreft echter een bijkomende medische beroepsactiviteit. Een collecte-arts bij het Rode Kruis neemt namelijk een anamnese af van vrijwilligers die bloed willen doneren om na te gaan of zij wel degelijk bloed mogen geven of niet. Het gaat hier dus duidelijk niet over een onderzoeks- of onderwijsactiviteit. Het Comité is dan ook van oordeel dat uw aanvraag onverenigbaar is met uw functie als adviserend arts en besliste unaniem uw aanvraag niet goed te keuren. […].” Dit is de bestreden beslissing, waarvan verzoekster op 22 december 2020 wordt in kennis gesteld. 3.
- Vooraleer verzoekster het voorliggende beroep heeft ingediend, vraagt zij op 28 januari 2021 het Comité de sub 3.
- genoemde beslissing met betrekking tot het uitoefenen van het bijberoep als zelfstandige collecte-arts bij het Rode Kruis te willen herzien. 3.
- Op 23 april 2021 spreekt het Comité zich uit over verzoeksters vraag tot herziening en beslist andermaal om haar aanvraag voor een bijkomende activiteit als collecte-arts bij het Rode Kruis niet goed te keuren, op grond van de volgende motivering: “Het Comité van de DGEC ging in de beslissing van 27 november 2020 er ten onrechte van uit dat u een deeltijdse activiteit als adviserend arts uitoefende, terwijl u de activiteit als adviserend arts voltijds uitoefende. Uw nieuwe aanvraag werd opnieuw beoordeeld door het Comité van de DGEC op basis van artikel 4, §1 van het Koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994: […] Het Comité van de DGEC heeft uw aanvraag evenwel afgewezen. Het Comité van de DGEC overwoog dat er een algemeen beleid dient te worden gehuldigd waarbij de adviserend arts geen andere bijkomende medische activiteit kan uitoefenen, met uitzondering van onderzoeks- of onderwijsactiviteiten. Dat XIV-39.104-3/6 geldt dus ook voor een adviserend arts die zijn opdracht voltijds uitoefent. De activiteiten voor het Rode Kruis, vermeld in uw aanvraag, betreffen evenwel geen onderzoeks- of onderwijsactiviteiten. Het Comité van de DGEC besliste dus om uw aanvraag niet goed te keuren. […].” Deze beslissing is door verzoekster bestreden met een op 9 juli 2021 ingediend beroep tot nietigverklaring, dat gegrond is bevonden bij arrest nr. 256.802 van heden, in de zaak gekend onder het rolnummer A. 234.075/XIV-39.
- IV. Ontvankelijkheid van het beroep - voorwerp
- Het beroep in de voorliggende zaak beoogt de nietigverklaring van de beslissing van het Comité van 27 november 2020 waarbij verzoeksters aanvraag tot het uitoefenen van een bijkomende activiteit als collecte-arts bij het Rode Kruis werd geweigerd. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat op 23 april 2021 het Comité opnieuw beslist om de aanvraag van verzoekster voor een bijkomende activiteit als collecte-arts bij het Rode Kruis niet goed te keuren, naar aanleiding van een door haar gevraagde herziening van de beslissing van 27 november
- Noch de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 ‘houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna: het koninklijk besluit nr. 35), noch enig andere normatieve bepaling voorziet in de mogelijkheid van een ‘verzoek tot herziening’, nadat de aangevraagde bijkomende activiteit door de bevoegde overheid werd geweigerd. Verzoekster heeft niettemin op 28 januari 2021 – dit is vooraleer zij het voorliggende beroep heeft ingediend – een dergelijk verzoek tot herziening ingediend bij het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle. XIV-39.104-4/6 Aangezien een dergelijk verzoek tot herziening niet door het koninklijk besluit nr. 35, noch door enige andere normatieve bepaling wordt voorzien, was het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle niet verplicht een nieuwe beslissing te nemen naar aanleiding van dit verzoek tot herziening en dient dit verzoek derhalve als een ‘willig beroep’ te worden beschouwd. Hoewel het Comité niet verplicht was opnieuw te beschikken naar aanleiding van het verzoek tot herziening, heeft het dit wel gedaan, en dit na een nieuw onderzoek van de bezwaren van verzoekster, die het in de nieuw tussengekomen beslissing van 23 april 2021 weerlegt. Deze beslissing die door verzoekster eveneens met een vernietigingsberoep werd bestreden (zaak met rolnummer A. 234.075/XIV-39.103), is geen loutere bevestiging van de beslissing van dat Comité van 27 november 2020, nu blijkt dat haar verzoek tot herziening werd beoordeeld rekening houdende met het gegeven dat “(h)et Comité van de DGEC (…) in de beslissing van 27 november 2020 er ten onrechte van uit (ging) dat u een deeltijdse activiteit als adviserend arts uitoefende, terwijl u de activiteit als adviserend arts voltijds uitoefende”, maar een nieuwe beslissing die in de plaats is gekomen van de thans bestreden beslissing die deze laatste heeft opgeslorpt. Het voorliggende beroep heeft derhalve geen voorwerp meer en is om die reden niet-ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-39.104-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.104-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.803 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div