← België

Arrest 256850 - Wapens - 20/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.850 Rolnummer: A. 227613/XIV-39352 Zaak: Arrest 256850 - Wapens - 20/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-26 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-06 05:13 Fiche Arrest nr 256.850 van 20 juni 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.850 van 20 juni 2023 in de zaak A. 227.613/IX-10.077 In zake : Jules VAN DEN PUTTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederic Lenders kantoor houdend te 2000 Antwerpen Godefriduskaai 18 bus 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 12 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 14 januari 2019 waarbij de erkenning van Jules Van Den Putte als bijzondere veldwachter wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. IX-10.077-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Attachés Karolien Geers en Eveline Strobbe, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is bijzondere veldwachter en beschikt over vergunningen tot het voorhanden hebben van twee vuurwapens. 3.
  6. Op 29 augustus 2018 adviseert de procureur des Konings van Turnhout ongunstig over verzoekers wapenbezit en diens aanstelling als bijzondere veldwachter nadat bij hem onder meer inbreuken op het jachtdecreet en de milieuwetgeving zijn vastgesteld. 3.
  7. Op 14 januari 2019 trekt de gouverneur van de provincie Antwerpen de wapenvergunningen van verzoeker in, omdat “er inzake de algemene moraliteit en persoonlijkheid van betrokkene problemen bestaan, die onverenigbaar zijn met het bezit van vuurwapens”. Tegen die beslissing stelt verzoeker op 29 januari 2019 administratief beroep in. IX-10.077-2/12 3.
  8. Eveneens op 14 januari 2019 trekt de gouverneur van de provincie Antwerpen verzoekers erkenning als bijzondere veldwachter in. Dat is de bestreden beslissing, die onder meer als volgt wordt gemotiveerd: “Overwegende dat betrokkene gekend is voor inbreuken op het jachtdecreet en op de milieuwetgeving; Overwegende dat dit in hoofde van een bijzondere veldwachter, hulpofficier van de procureur des Konings, een ernstig misdrijf uitmaakt omdat hij daarbij de geldende regelgeving negeerde terwijl hij er in zijn bediening als bijzondere veldwachter moet op toezien dat eenieder in het Moretusbos te Boechout alle wetten en voorschriften naleeft die gericht zijn op veiligheid en de vrijwaring van de integriteit van fauna en flora; Overwegende dat de vastgestelde inbreuken diametraal staan op het gedragsprofiel van een hulpofficier van de procureur des Konings; Overwegende dat betrokkene – alhoewel hij tot nog toe enkel een veroordeling opliep wegens onopzettelijke slagen in het verkeer en vluchtmisdrijf – alleszins niet de waarborgen biedt om het ambt van bijzondere veldwachter op zich te nemen en de erkenning van zijn aanstelling daardoor risico’s inhoudt voor de openbare orde; Overwegende dat aangezien betrokkene jachtrechthouder is van het gebied waarop hij is aangesteld als bijzondere veldwachter hij bovendien niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, zoals bepaald in artikel 3, 10° van het koninklijk besluit van 10 september 2017 tot regeling van het statuut van de bijzondere veldwachters; Overwegende dat aangezien de wapenvergunningen van betrokkene worden ingetrokken met het besluit van de gouverneur d.d. 14 januari 2019, hij bovendien niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, zoals bepaald in artikel 3, 12° van het koninklijk besluit van 10 september 2017 tot regeling van het statuut van de bijzondere veldwachters; Overwegende dat de erkenning als bijzondere veldwachter om die redenen moet worden ingetrokken.” 3.
  9. Op 8 maart 2022 verwerpt de minister van Justitie het door verzoeker op 29 januari 2019 ingestelde beroep. Hij is van oordeel dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. IX-10.077-3/12 Tegen die beslissing heeft verzoeker geen annulatieberoep ingesteld. IV. Toepassing kortedebattenprocedure A. Vooraf
  10. Het auditoraat heeft geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Het heeft beide middelen ongegrond bevonden. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 11, 12 en 13 van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”) en artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 september 2017 ‘tot regeling van het statuut van de bijzondere Veldwachters’ (“het koninklijk besluit van 10 september 2017”) “juncto het materieel motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, alsook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoeker voert aan dat de beslissing eensdeels is genomen “zonder rekening te houden met de concrete achterliggende feiten” en anderdeels steunt op onjuiste informatie verstrekt door de procureur des Konings van Turnhout. Volgens verzoeker steunt de verwerende partij de bestreden beslissing enkel op het advies van de procureur des Konings, zonder rekening te houden met het door hem ingediende verweer. In dat advies worden vier elementen vermeld die de procureur des Konings nopen tot een ongunstig advies. Verzoeker stelt dat die elementen bijzonder summier worden omschreven en dat ze ook niet worden gestaafd met enig objectiveerbaar stuk. Hij tracht vervolgens in het IX-10.077-4/12 daaropvolgende betoog elk van die elementen te weerleggen of uiteen te zetten waarom het element geen grond kan zijn voor de intrekking van zijn erkenning als bijzondere veldwachter. Verzoeker verwijst daarbij ook naar de beslissing tot intrekking van zijn wapenvergunningen. Daaromtrent stelt hij: “Als laatste wenst verzoeker op te merken dat bij de intrekking van een wapenvergunning op basis van de openbare orde (art 11§1 Wapenwet) de ingeroepen feiten en omstandigheden in verband moeten staan met het wapenbezit en tevens actueel moeten zijn. Gelet op het feit dat de verwerende partij eveneens verwijst naar art.3, 12° van het KB van 10.09.2017 dient een en ander eveneens mee in ogenschouw te worden genomen. Zeker gelet op het feit dat er eveneens beroep is aangetekend tegen de beslissing tot intrekking van de wapenvergunningen van verzoeker. […] Niet alleen heeft deze opschorting niets te maken met de wapenvergunning van verzoeker, dan wel diens aanstelling als bijzonder veldwachter, zodoende dat een en ander niet relevant is. De feiten dateren bovendien van meer dan 9 jaar geleden, zodanig dat deze bezwaarlijk actueel kunnen worden genoemd. […] Zeker gelet op de eenmaligheid van de zogenaamd vermeende inbreuk. Verzoeker verzoekt u dan ook met eerbied hiermee derhalve geen rekening mee te willen houden bij de beoordeling van dit dossier en derhalve de beslissing tot intrekking van de aanstelling tot bijzonder veldwachter te vernietigen.” Beoordeling
  12. Het auditoraat komt in zijn onderzoek van de zaak tot de conclusie dat de verwijzing naar de intrekking van verzoekers wapenvergunningen een deugdelijk motief is voor de bestreden beslissing. Volgens het auditoraat mag worden aangenomen dat, hoewel artikel 3, 12°, van het koninklijk besluit van 10 september 2017 als erkenningsvoorwaarde bepaalt dat de kandidaat-bijzondere veldwachters “in de loop van de drie laatste jaren geen voorwerp [mogen] hebben uitgemaakt van een beslissing tot beperking, schorsing of intrekking van het recht op het voorhanden hebben van een wapen in toepassing van artikel 13 van de [wapenwet]” en de intrekking van verzoekers wapenvergunningen niet met toepassing van het voornoemd artikel 13 van de wapenwet is geschied maar met toepassing van artikel 11, § 1, tweede lid, van de wapenwet, artikel 63, derde lid, van het Veldwetboek dat de gouverneur machtigt om de erkenning als bijzondere IX-10.077-5/12 veldwachter in te trekken, aan de verwerende partij toelaat om aldus te handelen wanneer de wapenvergunningen van verzoeker zijn ingetrokken omwille van een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Aangezien verzoeker de intrekking van zijn wapenvergunningen niet heeft bestreden met een annulatieberoep is deze definitief geworden. Aldus blijft een dragend motief voor de intrekking van verzoekers erkenning als bijzondere veldwachter overeind zodat zijn kritiek op de overige motieven waarop de intrekking van de erkenning steunt niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden.
  13. Artikel 63, derde lid, van het Veldwetboek bepaalt dat “[d]e gouverneur […] de erkenning van de bijzondere veldwachters [kan] intrekken”. In het Veldwetboek wordt niet bepaald in welke gevallen de gouverneur de erkenning kan intrekken. Er kan echter niet worden aangenomen dat elk feit aanleiding kan geven tot de intrekking van de erkenning als bijzondere veldwachter. Dit geldt des te meer daar in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 10 september 2017 wordt bepaald: “De erkenning is vijf jaar geldig te rekenen vanaf de afgifte van de erkenningsakte zoals bedoeld in artikel 7, behalve wanneer gedurende deze periode wordt vastgesteld dat de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 3, 2° tot 12° niet meer geheel of gedeeltelijk worden vervuld door de bijzondere veldwachter. De erkenning wordt dan ook ingetrokken, nadat de gouverneur of zijn vertegenwoordiger de betrokkene heeft gehoord.” Er moet dan ook worden aangenomen dat de intrekking van de erkenning enkel kan geschieden indien de betrokkene niet langer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 3, 2° tot 12°, van het koninklijk besluit van 10 september
  14. 8.
  15. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar het feit dat verzoekers wapenvergunningen zijn ingetrokken op 14 januari 2019 zodat hij niet langer voldoet aan de erkenningsvoorwaarde bedoeld in artikel 3, 12°, van het koninklijk besluit van 10 september
  16. IX-10.077-6/12 8.
  17. De erkenningsvoorwaarde bedoeld in artikel 3, 12°, van het koninklijk besluit van 10 september 2017 luidt als volgt: “in de loop van de drie laatste jaren geen voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot beperking, schorsing of intrekking van het recht op het voorhanden hebben van een wapen in toepassing van artikel 13 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens”. 8.
  18. Te dezen is de intrekking van verzoekers wapenvergunningen echter niet gebeurd met toepassing van artikel 13 van de wapenwet, maar met toepassing van artikel 11, § 1, tweede lid, van de wapenwet. In dat geval kan niet worden aangenomen dat verzoeker niet meer zou voldoen aan de erkenningsvoorwaarde bedoeld in artikel 3, 12°, van het koninklijk besluit van 10 september 2017 aangezien daarin enkel en alleen wordt verwezen naar een beperking, schorsing of intrekking van het recht op het voorhanden hebben van een wapen in toepassing van artikel 13 van de wapenwet. Dit noopt tot het besluit dat de verwijzing naar het feit dat verzoekers wapenvergunningen zijn ingetrokken zodat hij niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarde bedoeld in artikel 3, 12°, van het koninklijk besluit van 10 september 2017 geen deugdelijk motief is voor de intrekking van verzoekers erkenning als bijzondere veldwachter.
  19. Blijkens de bestreden beslissing steunt de intrekking van verzoekers erkenning als bijzondere veldwachter evenwel ook nog op andere (dragende) motieven. Verzoekers kritiek op die motieven is nog niet onderzocht, zodat thans nog niet kan worden geoordeeld of er voor de intrekking van verzoekers erkenning als bijzondere veldwachter een feitelijk juist en in rechte aanvaardbaar motief bestaat. IX-10.077-7/12 IX-10.077-8/12 C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  20. Het tweede middel is genomen uit de schending van het subsidiariteits- en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de intrekking van zijn erkenning als bijzondere veldwachter disproportioneel is. In de toelichting bij het middel stelt hij dat het loutere feit dat hij gekend zou zijn voor inbreuken op het jachtdecreet en op de milieuwetgeving onvoldoende is om over te gaan tot een intrekking van zijn erkenning. Er dient aan de hand van concrete elementen te worden aangetoond dat er gevaar dreigt voor de openbare orde en de veiligheid en dat hij de regelgeving negeerde. Dit is in casu niet het geval. De verwerende partij verwijst slechts summier naar vier voorgaande feiten – die blijken uit het advies van de procureur des Konings waarin enkel de nummers van de processen-verbaal worden vermeld – zonder dat die feiten specifiek worden geduid of omkaderd. Volgens verzoeker is de beslissing tot intrekking onredelijk omdat er onvoldoende afweging is gemaakt tussen de positieve elementen in het dossier en de zogenaamde inbreuken. De verwerende partij stelt dan ook ten onrechte dat inzake de algemene moraliteit en persoonlijkheid van verzoeker problemen bestaan die onverenigbaar zijn met het gedragsprofiel van een hulpofficier van de procureur des Konings en zij toont dit geenszins aan. Bovendien zijn een aantal elementen waarop de verwerende partij steunt niet langer actueel, zeker de elementen uit 2006 en
  21. In geen van de door de verwerende partij aangehaalde feiten wordt gewag gemaakt van misbruik van wapenbezit door verzoeker of van het feit dat de openbare orde of de veiligheid in het gedrang is gebracht. De feiten zijn derhalve niet voldoende ernstig om een intrekking van de erkenning te rechtvaardigen. Verzoeker stipt tot slot de volgende elementen aan die hem nopen tot het besluit dat de bestreden beslissing disproportioneel is: - Hij wordt zeventig jaar en hij heeft een blanco strafregister. IX-10.077-9/12 - Hij heeft sedert 1988 een wapenvergunning en is aangesteld als bijzondere veldwachter. De vier aangehaalde feiten zijn de enige vermeende inbreuken die hij zou hebben begaan. - De vermeende inbreuken kunnen niet doen besluiten dat de intrekking van de erkenning als bijzondere veldwachter gerechtvaardigd is. Uit niets blijkt dat verzoekers aanstelling tot bijzondere veldwachter de openbare orde in het gedrang zou hebben gebracht. Verzoeker voldoet ook aan alle erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 september
  22. - Verzoeker heeft voor de vermeende inbreuken uit 2006, 2010 en 2014 een minnelijke schikking betaald. Het beginsel non bis in idem staat eraan in de weg dat deze feiten worden aangegrepen om verzoeker bijkomend te straffen door het intrekken van zijn erkenning als bijzondere veldwachter. - De redelijke termijn is overschreden. - Ten onrechte is onvoldoende rekening gehouden met de anciënniteit van verzoeker en “de aard van diens persoon”.
  23. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daar nog aan toe dat door de verwerende partij wordt verwezen naar artikel 3, 12°, van het koninklijk besluit van 10 september 2017, dat bepaalt dat de kandidaat in de loop van de drie laatste jaren geen voorwerp mag hebben uitgemaakt van een beslissing tot beperking, schorsing of intrekking van het recht op het voorhanden hebben van een wapen met toepassing van artikel 13 van de wapenwet. Verzoeker stelt dat dit in zijn geval niet van toepassing is, eensdeels omdat hij geen kandidaat bijzondere veldwachter is en anderdeels omdat de intrekking van zijn aanstelling als bijzondere veldwachter samenhangt met de intrekking van zijn wapenvergunning, hetgeen de verwerende partij ook erkent. Volgens verzoeker gaat het niet op om zijn wapenvergunning in te trekken en dan vervolgens vast te stellen dat niet meer is voldaan aan artikel 3, 12°, van het koninklijk besluit van 10 september
  24. Voorafgaand aan de bestreden beslissing heeft verzoeker immers nooit het voorwerp uitgemaakt van een beslissing tot beperking, schorsing of intrekking van de wapenvergunning “zodoende dat het verweer op dit punt faalt naar recht”. IX-10.077-10/12 Beoordeling
  25. Verzoeker licht niet toe op welke wijze de bestreden beslissing, naar zijn oordeel, is genomen met miskenning van het subsidiariteitsbeginsel. Het tweede middel is in die mate onontvankelijk.
  26. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel is maar sprake wanneer een beslissing berust op, op zich feitelijk juiste en rechtens relevante motieven, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. Bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat de bestreden beslissing berust op feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven. Slechts wanneer dit vaststaat, kan de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel worden onderzocht. D. Slotsom
  27. Uit wat voorafgaat volgt dat de zaak niet kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus
  28. BESLISSING
  29. De Raad van State heropent het debat.
  30. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. IX-10.077-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-10.077-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.850 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.740 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.