← België

Arrest 256889 - Milieuvergunningen - 22/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.889 Rolnummer: A. 225165/VII-40267 Zaak: Arrest 256889 - Milieuvergunningen - 22/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-06 05:16 Fiche Arrest nr 256.889 van 22 juni 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.889 van 22 juni 2023 in de zaak A. 225.165/VII-40.267 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV OB&D, thans de NV SPES BONA RENAIX (S.B.R.) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 6 maart 2018 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de afdeling Milieu-inspectie van 20 november 2013 houdende weigering om in te gaan op het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-40.267-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv OB&D, thans de nv Spes Bona Renaix, heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 juli 2018. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 23 juni 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 december 2022. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Charlotte Ponchaut, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.267-2/16 III. Feiten 3.1. De betwisting betreft de uitbating van een voormalige zandgroeve in Ronse, nabij de dorpskern Louise-Marie en het zogeheten Muziekbos. De voormalige zandgroeve fungeert thans als stortplaats. Het terrein heeft de bestemming ontginningsgebied, met als nabestemming bosgebied. In een straal van 100 meter rond de perceelsgrenzen staan vier woningen; er ligt woongebied met landelijk karakter op 120 meter afstand; rond de inrichting bevindt zich natuurgebied, bosgebied, uitbreidingsgebied voor bos en landschappelijk waardevol agrarisch gebied; deze omringende gebieden zijn voor het grootste deel aangeduid als habitatrichtlijngebied en VEN-gebied. 3.2. Op 30 juli 2010 dient de exploitant een vergunningsaanvraag in voor het hernieuwen en veranderen van de lopende milieuvergunning. De aanvraag omvat twee grote onderdelen: er wordt enerzijds een hernieuwing gevraagd van de vergunning voor een definitieve opslagplaats (hierna: DOP) voor niet-verontreinigde uitgegraven bodem en niet-verontreinigde bagger- en ruimingsspecie, en anderzijds het veranderen van een ander deel van de stortplaats categorie 3 in een stortplaats categorie 2 voor niet-reinigbare gronden en sedimenten die als niet-gevaarlijke afvalstoffen worden ingedeeld. 3.3. Op 28 april 2011 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de vergunning voor de zogenaamde DOP, voor een termijn van zeven jaar. De deputatie weigert echter de vergunning voor de stortplaats categorie 2. 3.4. De aanvrager stelt bestuurlijk beroep in tegen de gedeeltelijke weigering van de vergunning. 3.5. Met een besluit van 29 maart 2012 verklaart de bevoegde Vlaamse minister het beroep gegrond, verleent zij een vergunning voor zowel het onderdeel DOP als voor de stortplaats categorie 2, legt zij een reeks bijzondere VII-40.267-3/16 vergunningsvoorwaarden op en vermindert zij anderzijds de geldigheidstermijn van de vergunning tot vijf jaar. 3.6. Bij arrest nr. 225.043 van 10 oktober 2013 vernietigt de Raad van State het voornoemde besluit van 29 maart 2012. 3.7. Op 22 oktober 2013 vraagt de vzw Milieufront Omer Wattez om een bestuurlijke maatregel op te leggen teneinde de in uitvoering van de vernietigde vergunning reeds gestorte afvalstoffen te laten verwijderen en het terrein in zijn natuurlijke toestand te herstellen. 3.8. De afdeling Milieu-inspectie beslist op 20 november 2013 om niet in te gaan op dat verzoek, omdat de exploitant in afwachting van de binnen een redelijke termijn te verwachten nieuwe beslissing over de vergunningsaanvraag de niet langer vergunde stortplaats als een goed huisvader blijft beheren en alle noodzakelijke maatregelen neemt om verontreiniging en hinder te voorkomen, zodat het opleggen van de gevraagde maatregel in de gegeven omstandigheden “disproportioneel en voorbarig zou zijn”. 3.9. Tegen deze afwijzende beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.10. De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer adviseert op 23 januari 2014 om het beroep ongegrond te verklaren. 3.11. Met een besluit van 31 januari 2014 verwerpt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij omdat er volgens haar geen sprake is van een milieumisdrijf. Bij arrest nr. 239.676 van 26 oktober 2017 heeft de Raad van State voornoemd besluit vernietigd. 3.12. Ingevolge het vernietigingsarrest van 10 oktober 2013, doet de Vlaamse minister met een besluit van 21 mei 2014 opnieuw uitspraak over het beroep van de exploitant tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad VII-40.267-4/16 van Oost-Vlaanderen van 28 april 2011. Het beroep wordt verworpen en de weigering van de gevraagde milieuvergunning wordt bevestigd. 3.13. Op 28 oktober 2014 dient de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in. 3.14. Op 26 november 2014 vraagt de verzoekende partij andermaal aan de afdeling Milieu-inspectie om een bestuurlijke maatregel op te leggen. 3.15. De afdeling Milieu-inspectie wijst dit verzoek op 9 januari 2015 af omdat “in de huidige situatie het opleggen van de verzochte bestuurlijke maatregel, namelijk het bevel geven om ‘de gestorte afvalgrond te verwijderen en het terrein in zijn natuurlijke toestand te herstellen’, op dit ogenblik […] disproportioneel en voorbarig zou zijn”. 3.16. Ook tegen deze afwijzende beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.17. In een advies van 4 maart 2015 stelt de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer voor om het beroep ongegrond te verklaren. 3.18. Met een besluit van 19 maart 2015 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep ongegrond. Bij zijn arrest nr. 240.940 van 8 maart 2018 vernietigt de Raad van State voormeld besluit. 3.19. Op 26 maart 2015 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de op 28 oktober 2014 gevraagde milieuvergunning. Tegen deze weigeringsbeslissing tekent de tussenkomende partij bestuurlijk beroep aan. Bij besluit van 1 oktober 2015 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de vergunning voor een termijn van twee jaar. Bij arrest nr. 239.379 van 12 oktober 2017 vernietigt de Raad van State het voormelde besluit van 1 oktober 2015. VII-40.267-5/16 De procedure wordt hernomen en de bevoegde Vlaamse minister neemt op 22 maart 2018 een nieuwe beslissing die door de tussenkomende partij bij de Raad van State wordt aangevochten (zaak A. 225.291/VII-40.283). 3.20. Met het thans bestreden besluit van 6 maart 2018 spreekt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw zich opnieuw uit over het beroep tegen de beslissing van de afdeling Milieu-inspectie van 20 november 2013. Het verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel wordt afgewezen op grond van de volgende motieven: “Overwegende dat artikel 16.4.5 van het DABM stelt dat bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd na de vaststelling van een milieumisdrijf; Overwegende dat beroepsindiener in zijn beroepschrift stelt dat verwerende partij in de bestreden beslissing ten onrechte van oordeel was dat vermoedelijke overtreder geen schendingen op de milieuregelgeving heeft begaan; dat beroepsindiener argumenteert dat vermoedelijke overtreder, ten gevolge van de vernietiging door de Raad van State van het vergunningsbesluit van 29 maart 2012, de afvalstoffen illegaal op betreffend terrein heeft gestort; dat beroepsindiener tevens verwijst naar de resultaten van twee monsternames die op 11 oktober 2013 door de verwerende partij waren uitgevoerd en beroepsindiener van oordeel is dat de bemonsterde stalen voor de parameter totaal organische koolstof niet conform zijn aan de VLAREM II-voorwaarden; dat beroepsindiener tevens gewag maakt van hinder voor omwonenden; Overwegende dat beroepsindiener van oordeel is dat de gestorte afvalstoffen (niet-reinigbare gronden, niet-reinigbare slibs en afval van grondreinigingscentra) een potentieel gevaar vormen voor de bossen en natuurgebieden in de onmiddellijke omgeving van de stortplaats; dat de gestorte afvalgrond de bebossing in het algemeen en de groeimogelijkheid van hoogstammige bomen, zoals bepaald in het natuurontwikkelingsplan, zou verhinderen; Overwegende dat door vermoedelijke overtreder wordt opgeworpen dat zij, in afwachting van de definitieve uitspraak door de Raad van State omtrent het beroep tot nietigverklaring tegen het vergunningsbesluit van de minister van 29 maart 2012, onverkort haar vergunde activiteiten kon uitoefenen en dit effectief deed tot 11 oktober 2013; dat vermoedelijke overtreder tevens aanhaalt dat Milieu-inspectie haar toelating verleende om de vergunde stortactiviteiten aan te vatten en dat de inrichtingswerken van de stortplaats overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan werden uitgevoerd; dat na 11 oktober 2013 de stortactiviteiten onmiddellijk werden gestaakt; Overwegende dat de interpretatie door beroepsindiener van de analyseresultaten van de op 11 oktober 2011 door de afdeling Milieu-inspectie genomen stalen niet correct is; dat artikel 5.2.4.1.8, VII-40.267-6/16 §7, 5°, van titel II van het VLAREM stelt dat in afwijking van de bepalingen van artikel 5.2.4.1.8, §4, en 5.2.4.1.8, §5, van titel II van het VLAREM voor stortplaatsen uitsluitend anorganische niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag gehalte aan organisch of biologisch afbreekbare stoffen, waarbij het afval niet voldoet aan de criteria bepaald in artikel 5.2.4.1.8, §5, 1°, tenzij anders vermeld in de milieuvergunningsaanvraag, de volgende voorwaarden gelden:

  1. a)ofwel, verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof ten gevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt:
  2. b)ofwel, totaal organische koolstof, uitgezonder de koolstof vervat in vaste polymeren of asfalt, op het droge bestanddeel van de afvalstof: Overwegende dat beroepsindiener in zijn beroepschrift terecht opwerpt dat uit de analyseresultaten van de twee monsters […] blijkt dat respectievelijk 7,5% en 7,42% totaal organische koolstof werd aangetroffen; dat uit de analyseresultaten evenwel ook blijkt dat het verlies door uitgloeiing respectievelijk 8,4% en 8,3% bedroeg; dat betreffende stalen, in tegenstelling tot hetgeen beroepsindiener in zijn beroepschrift aangaf, wel conform de VLAREM II-voorwaarden zijn; Overwegende dat verwerende partij verder geen geurhinder heeft vastgesteld in de omgeving van de stortplaats en/of ter hoogte van de woningen van de klagers; dat hij als antwoord op de klachtenbrief van 4 oktober 2013 van een bewoner heeft meegedeeld dat er op de stortplaats zelf, bij het aanvoeren en het manipuleren van de gestorte materialen, mogelijk kortstondig een onaangename geur kan vrijkomen; dat hij op de stortplaats zelf, tijdens de manipulaties, een soort carbolinegeur waarnam; dat de stortactiviteiten echter sedert 11 oktober 2013 werden beëindigd; dat de afdeling Milieu-inspectie in de daaropvolgende weken enkele geurwaarnemingen heeft uitgevoerd op en rond de stortplaats en geen geurhinder kon vaststellen; dat lastens vermoedelijke overtreder geen enkel proces-verbaal wegens geurhinder op de betreffende site werd opgemaakt; dat de visie van beroepsindiener dat de vermoedelijke overtreder op betreffende site (bovenmatige) hinder veroorzaakt, niet gestaafd wordt en niet gevolgd kan worden; Overwegende dat de redenering van beroepsindiener dat de gestorte afvalstoffen een potentieel gevaar voor de onmiddellijke omgeving vormen, eveneens niet gevolgd kan worden; dat vermoedelijke overtreder de site, ondanks de stopzetting van zijn activiteiten, blijft beheren zoals een goede huisvader; dat beroepsindiener dagelijks het percolaat liet afvoeren teneinde verontreiniging te voorkomen; dat verwerende partij tijdens diverse controles geen hinder of verontreiniging kon vaststellen; dat beroepsindiener nalaat betreffende bewering aannemelijk te maken; Overwegende dat het instellen van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State geen schorsende werking met zich meebrengt en het aangevochten vergunningsbesluit van 29 maart 2012 tot aan de definitieve uitspraak door de Raad van State onverkort bleef gelden; dat vermoedelijke overtreder tot aan de vernietiging van het vergunningsbesluit van 29 maart 2012 de cat. 2-stortplaats in gebruik mocht nemen; dat de stortactiviteiten sinds 11 oktober 2013 door vermoedelijke overtreder werden gestaakt tot het VII-40.267-7/16 ministerieel besluit van 1 oktober 2015 de stortplaats opnieuw (tijdelijk) vergunde; dat in de periode van 31 oktober 2015 tot 2 december 2015, nadat een nieuw werkplan werd ingediend, vermoedelijke overtreder de stortplaats opnieuw uitbaatte overeenkomstig de verleende vergunning; dat na 2 december 2015 geen stortmateriaal meer op de stortplaats werd aangevoerd en de stortplaats nog altijd door vermoedelijke overtreder als een ‘goede huisvader’ wordt beheerd door middel van regelmatige afvoer van het percolaatwater en het aanstellen van een opzichter die minstens wekelijks de site controleert; dat er geen bewijs voorhanden is dat verwerende partij in de periode dat de stortplaats niet was vergund, deze toch actief uitbaatte; dat er ter zake geen milieumisdrijf weerhouden kan worden; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat aan vermoedelijke overtreder een milieumisdrijf kan worden toegerekend; dat niet werd aangetoond dat vermoedelijke overtreder de stortplaats cat. 2 nog zou uitbaten of dat deze zonder vergunning werd uitgebaat, noch dat er (noemenswaardige) hinder voor omwonenden en schade aan omringende bossen werd veroorzaakt; dat de op 11 oktober 2011 genomen stalen geanalyseerd werden en conform de VLAREM II voorwaarden werden bevonden; dat het onvoldoende vaststaat dat er een milieumisdrijf kan weerhouden worden in hoofde van vermoedelijke overtreder”. 3.21. Gevolg gevend aan het voormelde vernietigingsarrest van 8 maart 2018 (zie randnummer 3.18), spreekt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw zich op 7 mei 2018 opnieuw uit over het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de afdeling Milieu-inspectie van 9 januari 2015. Het beroep wordt gegrond verklaard waarna, overeenkomstig artikel 67 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’, het dossier wordt teruggestuurd naar de afdeling Milieu-inspectie teneinde het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen opnieuw te behandelen. Tegen het besluit van 7 mei 2018 stelt de tussenkomende partij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 242.609 van 11 oktober 2018 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing. Aangezien de tussenkomende partij na de kennisgeving van het tussenarrest geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de Raad van State bij arrest nr. 243.362 van 10 januari 2019 de afstand van het geding vast. VII-40.267-8/16 3.22. Op 13 juni 2018 richt de verzoekende partij voor de derde maal aan de afdeling Handhaving een verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel met betrekking tot de betrokken exploitatie. 3.23. Op 26 juli 2018 doet de afdeling Milieu-inspectie uitspraak over dit verzoek en acht zij de volgende bestuurlijke maatregelen gepast: “1° Bevel tot het weghalen en afvoeren van alle afvalstoffen die werden gestort in stortvak 2A buiten stortcel 1 naar een hiertoe vergunde stortplaats voor 30 november 2018. 2° Bevel tot het maximaal herstellen van het deel van stortvak 2A buiten stortcel 1 in de toestand die bestond voor de inrichting ervan, i.e. de afsluitlaag moet worden verwijderd tot en met de beschermingsgeotextiel onder de meetelektroden voor de lekdetectie voor 30 november 2018”. 3.24. Na beroep van de tussenkomende partij doet de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw bij besluit van 12 november 2018 de door de afdeling Milieu-inspectie opgelegde bestuurlijke maatregelen teniet. De verzoekende partij vecht het ministerieel besluit van 12 november 2018 bij de Raad van State aan middels een beroep tot nietigverklaring (zaak A. 228.332/VII-40.567). IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties nopens het actueel belang van de verzoekende partij 4. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij met het annulatieberoep in wezen de vaststelling van een milieumisdrijf nastreeft waarmee de afdeling Milieu-inspectie rekening moet houden bij de beoordeling van het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Zij wijst vervolgens op het besluit van de bevoegde Vlaamse minister van 7 mei 2018 waarbij de thans bestreden beslissing impliciet wordt vervangen en waarin het bestaan van een milieumisdrijf wordt vastgesteld. De verwerende partij leidt daaruit af dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing de verzoekende partij niet langer tot voordeel kan strekken. Minstens heeft zij hangende het geding volledige VII-40.267-9/16 genoegdoening verkregen. De verwerende partij wijst er nog op dat zij in het geval van een gebeurlijke vernietiging ertoe verplicht zal zijn om op dezelfde wijze te beslissen als zij reeds heeft gedaan bij het voormelde besluit van 7 mei 2018. 5. Ook de tussenkomende partij betwist het actueel belang van de verzoekende partij, op in wezen gelijkaardige gronden als de verwerende partij. 6. In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij uiteen dat indien de Raad van State een gebrek aan belang zou vaststellen, er twee andersluidende beslissingen in de rechtsorde naast elkaar blijven bestaan, niettegenstaande het ministerieel besluit van 7 mei 2018, naar het oordeel van de verwerende partij, impliciet werd vervangen door de thans bestreden beslissing. Zij wijst vervolgens op nieuwe feiten die zich hangende het geding hebben voorgedaan. Zo heeft de afdeling Milieu-inspectie in haar besluit van 26 juli 2018 het nemen van bestuurlijke maatregelen uitgesteld omdat er bij de Raad van State nog een procedure lopende is. Voorts verwijst de verzoekende partij naar het standpunt van het auditoraat in het verslag voorafgaand aan arrest nr. 240.940 van 8 maart 2018 met betrekking tot de beweerde “voorbarigheid” en “disproportionaliteit” van haar verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Tegelijk is de verzoekende partij van mening dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing elk dispuut over de discrepantie tussen de beslissingen van 6 maart 2018 en 7 mei 2018 zal beslechten. Tot slot betoogt zij dat het annulatieberoep dat de tussenkomende partij heeft ingesteld tegen de beslissing van 7 mei 2018 tot gevolg kan hebben dat de “volledige genoegdoening” die zij verkregen zou hebben, wordt ondergraven. 7. De tussenkomende partij benadrukt in haar laatste memorie dat het belang van de verzoekende partij gericht is op de erkenning “van een milieumisdrijf” en dat het bestaan van een milieumisdrijf reeds werd bevestigd “in het ministerieel besluit van 7 mei 2018 in [het] kader van het tweede verzoek tot oplegging van bestuurlijke maatregelen”, zodat aangenomen moet worden dat voorliggende procedure zonder voorwerp is en het belang van de verzoekende partij niet langer actueel is. VII-40.267-10/16 Beoordeling 8. De verzoekende partij streeft met voorliggend annulatieberoep na dat een bestuurlijke maatregel wordt opgelegd waarbij de exploitant wordt verplicht tot het verwijderen van de afvalstoffen die zonder vergunning werden gestort op de betrokken site. Het belang van de verzoekende partij is derhalve niet beperkt tot de vaststelling dat er sprake is van een van de constitutieve voorwaarden om een bestuurlijke maatregel te kunnen opleggen, met name het bestaan van een milieumisdrijf. Dat belang gaat niet teloor doordat in een latere beslissing van de verwerende partij omtrent het opleggen van een bestuurlijke maatregel wel het bestaan van een milieumisdrijf zou zijn erkend. 9. De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van de verzoekende partij 10. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 12 van het decreet van 23 december 2011 ‘betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’, van de artikelen 16.4.5, 16.4.6, 16.4.7 en 16.4.18 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), alsook van het integratiebeginsel, het voorzorgsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het “beginsel van de behoorlijke afweging”. De verzoekende partij zet uiteen dat de bestreden beslissing steunt op het motief dat uit de bestaande vergunningstoestand volgt dat er geen sprake is van een milieumisdrijf, terwijl de inrichting op dat ogenblik niet over een milieuvergunning beschikte, zodat de aanwezigheid van zonder vergunning VII-40.267-11/16 gestorte afvalstoffen wel degelijk een milieumisdrijf vormt. Het motief dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat de stortplaats categorie 2 nog in exploitatie zou zijn, is tegenstrijdig met de overwegingen in het bestreden besluit dat “de stortplaats nog altijd door vermoedelijke overtreder als een ‘goede huisvader’ wordt beheerd door middel van regelmatige afvoer van het percolaatwater en het aanstellen van een opzichter die minstens wekelijks de site controleert”. Volgens de verzoekende partij is ook deze zorgfase onderdeel van de uitbating van de stortplaats. Bovendien is het motief als zou zij niet aannemelijk maken dat de inrichting zonder vergunning wordt geëxploiteerd, ondeugdelijk aangezien de aangevraagde milieuvergunningen in laatste aanleg definitief werden geweigerd. De overweging dat de toezichthouder op de stortplaats zelf, tijdens manipulaties van het stort, een carbolinegeur waarnam, bevestigt de hinder die er op dat moment was. Het valt niet uit te sluiten dat er nadien nog carbolinegeur of andere vormen van (geur)hinder zich hebben voorgedaan. Overigens steunt de verwerende partij zich louter op inspecties in de weken na 11 oktober 2013. Na verloop van jaren kunnen evenwel chemische reacties optreden waarmee opnieuw geurhinder gepaard gaat. De feitelijke aspecten die verband houden met de carbolinegeur werden niet zorgvuldig onderzocht. Het motief dat de genomen stalen conform de Vlarem II-normen werden bevonden, vormt geen verantwoording voor de aanvaarding van niet biologisch afbreekbare afvalgrond op de stortplaats. Het zou correcter zijn te oordelen dat niet aan die normen is voldaan, daar er sowieso niets gestort mocht worden. Omtrent de vergunningstoestand argumenteert de verzoekende partij nog dat de stortplaats oorspronkelijk enkel was vergund voor rubriek 2.3.6, b), 3, van bijlage I van Vlarem I, zodat afvalstoffen bedoeld om te storten onder rubriek 2.3.6, b), 5 niet aanvaard kunnen worden. De uitleg van de tussenkomende partij dat dit een materiële vergissing betreft, getuigt van een al te grote toegeeflijkheid vanwege de afdeling Milieu-inspectie. In elk geval kent de tussenkomende partij de samenstelling van de afvalgrond en mag zij dit niet beheren in strijd met de voorschriften van het decreet van 23 december 2011 ‘betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’. VII-40.267-12/16 VII-40.267-13/16 Beoordeling 11. Overeenkomstig artikel 16.4.5 DABM kunnen “na de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf [...] bestuurlijke maatregelen worden opgelegd”. Artikel 16.4.18, § 2, DABM schrijft voor dat het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen “aannemelijk [moet] maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is”. Volgens artikel 16.1.2, 2°, DABM moet onder milieumisdrijf worden verstaan: “een gedraging, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel”. De vaststelling van het bestaan van een milieumisdrijf, op grond van voormelde bepalingen, vergt niet dat het handhavend bestuur een discretionaire beoordelingsbevoegdheid uitoefent. 12. De beschouwingen in de bestreden beslissing van 6 maart 2018 dat een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State “geen schorsende werking” heeft, dat “het aangevochten vergunningsbesluit van 29 maart 2012 tot aan de definitieve uitspraak door de Raad van State onverkort bleef gelden”, dat de “stortactiviteiten sinds 11 oktober 2013 door vermoedelijke overtreder werden gestaakt tot het ministerieel besluit van 1 oktober 2015 de stortplaats opnieuw (tijdelijk) vergunde”, dat in de periode van 31 oktober 2015 tot 2 december 2015 de vermoedelijke overtreder “de stortplaats opnieuw uitbaatte overeenkomstig de verleende vergunning” en dat na 2 december 2015 “geen stortmateriaal meer op de stortplaats werd aangevoerd”, nemen niet weg dat op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen zowel de milieuvergunning van 29 maart 2012 als de milieuvergunning van 1 oktober 2015 door de Raad van State waren vernietigd, respectievelijk bij arrest nr. 225.043 van 10 oktober 2013 en bij arrest nr. 239.379 van 12 oktober 2017. Uit deze vernietigingsarresten vloeit voort dat de aangehaalde milieuvergunningen geacht moeten worden nooit te hebben bestaan, zodat in de bestreden beslissing op grond van ondeugdelijke motieven wordt aangenomen dat de “verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat aan vermoedelijke overtreder een milieumisdrijf kan worden toegerekend”. VII-40.267-14/16 13. Het enige middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 6 maart 2018 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de afdeling Milieu-inspectie van 20 november 2013 houdende weigering om in te gaan op het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.267-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.267-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.