id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.893 Rolnummer: A. 236085/VII-41363 Zaak: Arrest 256893 - Milieuvergunningen - 22/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-06 05:17 Fiche Arrest nr 256.893 van 22 juni 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.893 van 22 juni 2023 in de zaak A. 236.085/VII-41.363 In zake :
- Filip VAN DEN DRIESSCHE
- Hilde VERVAECKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Guy Kerstens kantoor houdend te 9660 Brakel Geutelingenstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST Tussenkomende partij : Kristof HOORNAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Guillaume Vyncke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0528 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 maart 2022 in de zaak 2021-RvVb-0464-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 2 juni
- VII-41.363-1/11 De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. Kristof Hoornaert heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 2 februari 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dieter Janssen, die loco advocaat Guy Kerstens verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Dirk Van Heuven, die loco advocaten Steve Ronse en Guillaume Vyncke verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-41.363-2/11 III. Feiten
- De verwerende partij verleent aan Kristof Hoornaert op 15 januari 2021 een omgevingsvergunning voor het hernieuwen, wijzigen en uitbreiden van een akkerbouwbedrijf naar een varkenshouderij.
- Het bestreden arrest verwerpt beide middelen en bijgevolg het beroep van de verzoekende partijen tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel III.16, 7°, van het Wetboek van economisch recht (hierna: WER). Zij voeren aan dat de RvVb niet aangeeft “waarom de vergunning dd. 01.06.2011 voor de exploitatie van een akkerbouwbedrijf met daarnaast de ‘specialisatie in de witloofteelt’ (die onbestaand is) kan ‘uitgebreid’ worden naar een nieuwe varkenshouderij en waarom er aldus geen nieuwe vergunning (bestemmingswijziging) noodzakelijk is” en ook niet antwoordt op hun argumentatie dat er “illegaal doorgevoerde functiewijzigingen zijn gebeurd (van landbouw naar wonen enerzijds en bedrijvigheid anderzijds) die in het voordeel van de [tussenkomende] partij worden aangewend om een bestendigd landbouwgebruik op het terrein aan te tonen” en dat de tussenkomende partij “géén vestiging heeft aangezien er géén inschrijving in het kbo is voor desbetreffende VII-41.363-3/11 landbouwactiviteiten, nl. akkerbouw”. De RvVb motiveert niet waarom ze een doorslaggevend wettelijk bewijs, zoals afgeleid uit de wettelijke bewijskracht van de inschrijving van elke vestigingseenheid van een entiteit, afwijst. Minstens motiveert de RvVb tegenstrijdig waar hij enerzijds vaststelt “dat de loods achteraan gebruikt wordt om ‘waardevol landbouwmateriaal te stallen en diverse landbouwproducten op te slaan’ en anderzijds dat de wettelijke verplichting van de opname van een vestiging in het kbo niet als voldoende bewijs te weerhouden is om aan te nemen dat er géén landbouwvestiging is”. De RvVb moet nagaan of de vergunningverlenende overheid de feitelijke gegevens correct vaststelt en of zij op basis daarvan niet kennelijk onredelijk of foutief beslist. Tijdens het openbaar onderzoek zijn 128 bezwaren ingediend waarbij telkens werd aangehaald en benadrukt dat het hier een “nieuwe inrichting” betrof en geen bestaand landbouwbedrijf. Het departement Omgeving stelt expliciet in haar advies dat de aanvraag een “nieuwe varkenshouderij met 2.880 mestvarkens betreft”. De RvVb motiveert niet omtrent deze vaststaande gegevens. De verwerende partij heeft kennelijk onredelijk en foutief beslist nu zij manifest de feitelijke gegevens niet correct heeft vastgesteld en op basis hiervan foutief beslist. De materiëlemotiveringsplicht houdt immers in dat de motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten, die relevant zijn, en met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld werden, en dat de motieven pertinent moeten zijn en de beslissing juridisch moeten kunnen verantwoorden. Beoordeling
- De verzoekende partijen voeren niet aan dat zij de schending van artikel III.16, 7°, WER hebben aangevoerd voor de RvVb en dat deze laatste daarover geen of een daarmee strijdige uitspraak heeft gedaan. Bijgevolg mogen de verzoekende partijen niet voor het eerst in cassatieberoep de schending aanvoeren van artikel III.16, 7°, WER. VII-41.363-4/11 Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van artikel III.16, 7°, WER, is niet ontvankelijk.
- De motiveringsplicht die door de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet aan de besturen wordt opgelegd en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, gelden niet voor de bestuursrechter. De middelonderdelen die de schending aanvoeren van de bestuurlijke motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, zijn niet ontvankelijk.
- Het middelonderdeel dat met verwijzing naar de “materiële motiveringsplicht” aanvoert dat de verwerende partij “kennelijk onredelijk en foutief [heeft] beslist nu zij manifest de feitelijke gegevens niet correct heeft vastgesteld en op basis hiervan foutief [heeft] beslist”, is niet gericht tegen het bestreden arrest en derhalve niet ontvankelijk.
- Het cassatieberoep kan enkel betrekking hebben op rechtsvragen. Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt immers dat de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaken zelf” treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep er niet toe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van de rechterlijke motiveringsverplichting, wordt hierna onderzocht zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
- De rechterlijke motiveringsverplichting in artikel 149 van de Grondwet heeft het karakter van een vormvereiste met een beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting VII-41.363-5/11 werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de rechterlijke uitspraak een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals de tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek.
- Het middel dat de schending van de rechterlijke motiveringsverplichting aanvoert, gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste middel waarin de verzoekende partijen hebben geargumenteerd dat er “op heden geen sprake [is] van landbouwactiviteiten in de bestaande bebouwing op de site, zodat de vergunningsaanvraag in wezen een functiewijziging zou inhouden en het advies van het Departement Landbouw en Visserij vanuit een foutieve veronderstelling vertrekt” terwijl de vergunningsaanvraag uitgaat van “een uitbreiding van bestaande landbouwactiviteiten”.
- Het bestreden arrest verwerpt dit onderdeel van het eerste middel van de verzoekende partijen op grond van volgende motieven: - het is niet betwist dat voor de site op 1 juni 2011 een milieuvergunning is verleend voor de exploitatie van een akkerbouwbedrijf met een specialisatie in witloofteelt; - uit het gunstig advies van het departement Landbouw en Visserij blijkt dat de bestaande gebouwen op de site op heden in hoofdzaak nog steeds ten dienste staan van een vergund landbouwbedrijf; - het feit dat de bedrijfswoning op de site op heden residentieel verhuurd wordt, is niet relevant bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag; - de verzoekende partijen maken niet concreet aannemelijk maken dat de bedrijfsgebouwen voor andere dan landbouwdoeleinden worden gebruikt terwijl Kristof Hoornaert met stukken een agrarisch gebruik van de gebouwen aantoont en het feit dat “in het KBO tot juni 2021 slechts twee vestigingsplaatsen van [Kristof Hoornaert] werden vermeld, […] nog niet VII-41.363-6/11 aan[toont] dat op de site in de Pontstraat geen landbouwactiviteiten zouden plaatsvinden”; - het departement Landbouw en Visserij en de verwerende partij konden “in hun beoordeling dus in alle redelijkheid uitgaan van een bestaand landbouwbedrijf waarvoor een hernieuwing, wijziging en uitbreiding wordt gevraagd”.
- Het middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest niet of met tegenstrijdige motieven antwoordt “op de centrale vraag of er akkerbouw aanwezig is al dan niet en of er een nieuwe vergunning nodig is al dan niet of deze kan weerhouden worden als een uitbreiding van een (onbestaande) akkerbouwbedrijf”, mist feitelijke grondslag.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 2 en 4 van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 ‘betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’, gecodificeerd bij richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 (hierna: project-MER-richtlijn), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en artikel 149 van de Grondwet. Zij betogen dat zij in hun antwoordnota voor de RvVb erop hebben gewezen dat de bestreden vergunningsbeslissing niet op zorgvuldige wijze motiveert omtrent de hinderlijke gevolgen van de aanvraag op het vlak van geluidshinder (trillingen), geurhinder en mobiliteitshinder. Zij benadrukken daarbij hun grief dat de ventilatoren een continue bron van geluid zijn, die tijdens de zomermaanden op volle toeren draaien en ook ’s nachts draaien. De RvVb “stelt eenvoudigweg dat [zij] niet aantonen dat de verwerende partij kennelijk onredelijk VII-41.363-7/11 tot het besluit is gekomen dat de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, mits naleving van de voorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt en het gevraagde in overeenstemming is met de goede plaatselijke ordening en zijn omgeving. [...] De RvVb faalt in [zijn] beoordeling door de argumenten van de verzoekers niet te motiveren op grond waarvan deze niet beoordeeld worden”. Beoordeling
- Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van de artikelen 2 en 4 van de project-MER-richtlijn zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk.
- Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet is niet ontvankelijk om de redenen vermeld in randnummer
- Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van de rechterlijke motiveringsverplichting gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste middel van de verzoekende partijen waarin zij hebben betoogd “dat de screeningsnota onvoldoende zou zijn en de hinderaspecten onzorgvuldig zouden zijn beoordeeld”.
- Het bestreden arrest verwerpt dit onderdeel van het eerste middel van de verzoekende partijen op grond van volgende motieven: - uit het aanvraagdossier blijkt dat de vergunningsaanvraag onder meer een varkenshouderij voor 2.880 mestvarkens omvat in agrarisch gebied; - het feit dat voor het project “geen milieueffectenrapport moet worden opgesteld, betekent op zich nog niet dat het onderzoek naar de milieueffecten onzorgvuldig zou zijn gebeurd en onterecht geen milieueffectenrapport werd opgesteld”; VII-41.363-8/11 - de milieueffectenscreening bespreekt de relevante aandachtspunten, zet per onderdeel uiteen waarom geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en besteedt aandacht aan het aspect stikstof; - de verzoekende partijen beperken hun kritiek op de nota tot de niet-onderbouwde stelling dat de transportbewegingen niet correct in kaart zouden zijn gebracht en tonen niet aan in welke mate het aantal vervoerbewegingen in het dossier zou worden onderschat; - de verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de visuele impact een in de m.e.r.-screeningsnota te beoordelen milieueffect zou uitmaken; - de verwerende partij heeft de milieueffecten aan de hand van de screeningsnota onderzocht en haar beslissing in een aparte MER-paragraaf gemotiveerd en besloten dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; - dat besluit van de verwerende partij is niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig, minstens maken de verzoekende partijen het tegendeel niet aannemelijk; - de verzoekende partijen beperken hun kritiek in hun verzoekschrift tot de stelling dat, afgezien van geluid en geur, de andere hinderaspecten niet correct werden beoordeeld en gemotiveerd maar laten na uiteen te zetten welke andere hinderaspecten onterecht niet of onjuist werden beoordeeld; - de verzoekende partijen blijven in gebreke om concreet aan te tonen dat de motieven van de verwerende partij met betrekking tot de functionele inpasbaarheid kennelijk onredelijk of onzorgvuldig zouden zijn; - met hun kritiek in de wederantwoordnota op de beoordeling van de geluids- en geurhinder maken de verzoekende partijen de kennelijke onredelijkheid van de beoordeling van de verwerende partij niet aannemelijk; - het aanvraagdossier bevat wel een concrete analyse van de geluidsimpact en een aparte geurstudie waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat die onzorgvuldig of gebrekkig zouden zijn; - de verzoekende partijen tonen niet aan dat de beoordeling door de verwerende partij van het geluids- en geuraspect, met inbegrip van de opgelegde voorwaarden, onzorgvuldig of gebrekkig of kennelijk onredelijk zou zijn. VII-41.363-9/11
- Het middelonderdeel dat stelt dat de RvVb “eenvoudigweg [stelt] dat [de verzoekende partijen] niet aantonen dat de verwerende partij kennelijk onredelijk tot het besluit is gekomen dat de hinder en de effecten op de mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, mits naleving van de voorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt en het gevraagde in overeenstemming is met de goede plaatselijke ordening en zijn omgeving”, mist feitelijke grondslag.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 22 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.363-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.363-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.893 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div