id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.894 Rolnummer: A. 236165/VII-41366 Zaak: Arrest 256894 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-06 05:17 Fiche Arrest nr 256.894 van 22 juni 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.894 van 22 juni 2023 in de zaak A. 236.165/VII-41.366 In zake :
- de BV TASOZ
- de BV ARPO
- de BV ROELS PETER
- de NV PONTRAVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wannes Thyssen kantoor houdend te 9552 Borsbeke Molendijk 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de BV TERRA HUY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Merlijn De Rechter en Margot Luyckx kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0521 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 maart 2022 in de zaak 1920-RvVb-0867-A. VII-41.366-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 2 juni
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bv Terra Huy heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 7 december 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wannes Thyssen, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Dirk Van Heuven, die loco advocaten Merlijn De Rechter en Margot Luyckx verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.366-2/11 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- De verwerende partij verleent op 25 juni 2020 aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een commercieel pand.
- Het bestreden arrest verklaart de exceptie van de tussenkomende partij wegens gebrek aan het rechtens vereist belang gegrond en verwerpt bijgevolg het beroep van de verzoekende partijen tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD) gelezen samen met artikel 2, eerste lid, 1°, OVD, artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), artikel 13 en 149 van de Grondwet, artikel 6 en artikel 9 van het verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 ‘betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden’ (hierna: verdrag van Aarhus), en het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). VII-41.366-3/11 Het middel is gericht tegen de verwerping door de RvVb van het ingestelde beroep tot vernietiging, op grond van het oordeel dat het persoonlijk belang van de verzoekende partijen onvoldoende duidelijk is aangetoond. Zij wijzen erop dat zij in de aanhef van hun inleidend verzoekschrift uitdrukkelijk hun maatschappelijke zetel en in voorkomend geval hun exploitatieadres(sen) hebben vermeld samen met hun ondernemingsnummers. Op die manier kon de identificatie van de verzoekende partijen gemakkelijk gebeuren. Het gegeven dat er op het ingevoegde kaartmateriaal zeven kruisjes waren aangebracht terwijl er bij de RvVb slechts 5 verzoekende partijen optraden, betrof slechts een materiële vergissing, waar door de RvVb al te strenge gevolgen worden gekoppeld “aan de vraag ‘op wie of wat de zevende aanduiding/locatie betrekking heeft’. Immers, in de aanhef worden […] 6 locaties vermeld […] zodat het geen bijzondere inspanning behoeft om de verschillende verzoekende partijen aan een locatie toe te wijzen en vast te stellen dat er slechts over 1 locatie onduidelijkheid kan bestaan […] Dat er in het verzoekschrift […] bij de [RvVb] ter hoogte van de Dijkstraat 12, verkeerdelijk, een rood kruisje zou staan, hypothekeert dan ook op een onevenredig zware manier het persoonlijke belang van de verschillende (andere) verzoekende partijen”. Bovendien hebben de verzoekende partijen in het inleidende verzoekschrift een afzonderlijke titel opgenomen met de omschrijving van hun hoedanigheid en hun belang waarin zij uitvoerig en met kaartmateriaal hebben aangegeven welke hinderaspecten hen zouden grieven. In het bijzonder en nadrukkelijk hebben zij gewezen op de mobiliteitshinder die hen nadelig zou beïnvloeden, met een zeer uitgebreide schets van de huidige verkeerssituatie en de manier waarop die (bijkomend) gehypothekeerd zou worden door het geplande grootschalige retailproject, en dit in relatie tot de specifieke ontsluiting van het bedrijventerrein waarop zij gevestigd zijn en hun activiteiten uitoefenen. Zij stellen dat hun belang “ook duidelijk blijkt uit het geheel en de volledige (samen)lezing van het verzoekschrift en de daarbij horende stukken (die geacht worden integraal deel uit te maken van het verzoekschrift tot vernietiging)”. VII-41.366-4/11 De verzoekende partijen betogen dat: - de provinciale omgevingsambtenaar en de deputatie in de administratieve beroepsprocedure geen opmerkingen formuleerden over hun belang en dat het voor deze instanties “derhalve duidelijk en onbetwist is dat [zij] over het vereiste belang beschikken”. De aanvrager van de vergunning die het belang van de verzoekende partijen heeft betwist in de administratieve beroepsprocedure hebben zij van repliek gediend; - zij in de procedure bij de RvVb een (weder)antwoord hebben geboden op de door de aanvrager van de vergunning (herhaalde) betwisting van hun belang zodat de RvVb dan ook niet kan worden gevolgd in het oordeel dat zij “het stilzwijgen zouden bewaren (over de aard van hun activiteiten)”; - zij “doorheen de procedure dus op een zeer duidelijke, sterk onderbouwde manier aangaven wat hun (persoonlijk) belang bij deze procedure is en op welke manier zij (waarschijnlijk) gegriefd zouden kunnen worden door het bestreden bouwproject”; - “de verantwoording van de [RvVb] weinig ernstig en onvoldoende draagkrachtig is, zeker in het licht van het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door (o.m.) artikel 13 van de Grondwet, artikel 9 van het verdrag van Aarhus en artikel 6 EVRM”; - zij “zich ernstig gegriefd voelen door [het bestreden arrest] nu hen hierdoor elke inhoudelijke beoordeling ontnomen wordt; dat […] hun recht op toegang tot de rechter op een onevenredig zware manier wordt beperkt en bemoeilijkt; dat een dergelijke drempel ingaat tegen de aangehaalde rechtsnormen en -principes”; - de RvVb “een te strenge beoordeling maakte van de belangvereiste én [...] klaarblijkelijk niet alle door de verzoekende partijen doorheen de procedure aangevoerde elementen in [zijn] beoordeling betrok en/of eenzelfde gewicht toekende; dat de motivering die de [RvVb] aanvoert niet zorgvuldig en niet afdoende is; dat dit in strijd is met artikel 149 Gw. en artikel 32 DBRC”; - zij “vaststellen dat hun (persoonlijk) belang als tussenkomende partij wél werd aanvaard door diezelfde [RvVb] in het arrest van dezelfde datum met rolnummer RvVb/A/2122/0524; dat de verzoekende partijen in dat dossier tussenkwamen in de betwisting die loopt/liep over het - onlosmakelijk verbonden - retailproject”; dat “een dergelijke inconsistentie in de besluitvorming van de VII-41.366-5/11 [RvVb] - specifiek op het vlak van de beoordeling van het (persoonlijk) belang van de verzoekende partijen - onbegrijpelijk is voor de verzoekende partijen, in het bijzonder in het licht van de hier aangevoerde rechtsnormen en -principes, met name het recht op toegang tot de rechter”. De verzoekende partijen lichten verder toe dat: - de RvVb niet kan worden gevolgd “waar [h]ij poneert dat het niet duidelijk is hoe het bestreden retailproject en de daarmee gepaard gaande verkeersstromen een impact kunnen hebben op elk van de verzoekende partijen afzonderlijk” aangezien zij “tot in den treure [hebben] hernomen dat de ontsluiting van het bedrijventerrein integraal gebeurt via het lichtengeregeld kruispunt Zelebaan (N47)-Dijkstraat”; - zij “niet [begrijpen] op welke manier de specifieke aard van de activiteiten van doorslaggevend belang kan zijn bij de beoordeling van het persoonlijk karakter van het belang” aangezien zij “zich [vestigden] in een industriegebied met een ‘vastgestelde’, bestaande ontsluitingsinfrastructuur (die niet wordt gewijzigd)”; - de zienswijze van de RvVb dat zij het persoonlijk karakter van hun belang “op een onvoldoende (nauwkeurige) wijze verduidelijken” neerkomt “op het ontnemen van het recht op toegang tot de rechter”; - de RvVb de belangvereiste “op een overdreven formalistische en al te strikte manier” heeft toegepast en “al te stringent [is] in [zijn] interpretatie van het belang waar [h]ij meent dat het belang exclusief moet voortvloeien uit het bestreden bouwproject”; - “het volstaat dat de gevolgen van de bestreden omgevingsvergunning waarschijnlijk zijn. Ze moeten dus niet vaststaand zijn”. Beoordeling
- Het aanvoeren in de aanhef van het middel dat elk van de opgesomde bepalingen door het bestreden arrest wordt geschonden vereist op straffe van onontvankelijkheid dat wordt uiteengezet dat elk van deze aangevoerde bepalingen geschonden wordt door het bestreden arrest. VII-41.366-6/11
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 13 van de Grondwet, de artikelen 6 en 9 van het verdrag van Aarhus en artikel 6 EVRM, laat na de wijze waarop die rechtsregels door het bestreden arrest worden miskend, op een concrete en onderbouwde wijze uiteen te zetten. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Artikel 14, § 2, RvS-wet voorziet in een buitengewoon rechtsmiddel waarover de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij arrest uitspraak doet. Het gaat om het cassatieberoep dat bij de Raad van State als cassatierechter kan worden ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Luidens artikel 14, § 2, RvS-wet treedt de Raad van State als cassatierechter “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. VII-41.366-7/11 Bijgevolg kan het cassatieberoep er niet toe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. Het cassatieberoep kan enkel betrekking hebben op rechtsvragen.
- Het komt derhalve de Raad van State als cassatierechter niet toe het vervuld zijn van de vereiste in voormeld artikel 2, eerste lid, 1°, OVD na deze feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. Luidens deze laatste bepaling is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden, “betrokken publiek” overeenkomstig artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, OVD die een beroep kan instellen bij de RvVb tegen een in laatste aanleg genomen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning. Uit deze bepaling volgt dat de RvVb bij betwisting hoort te onderzoeken of de verzoekende partij gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de voor hem bestreden vergunningsbeslissing.
- Het bestreden arrest schetst voor de concrete beoordeling van de exceptie van de tussenkomende partij het wettelijk kader in volgende bewoordingen: “
- Een beroep bij de Raad kan worden ingesteld door ‘het betrokken publiek’ (artikel 105, §2, eerste lid, 2° van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, hierna: Omgevingsvergunningsdecreet). Een verzoekende partij kan als betrokken publiek worden beschouwd als ze nadelige gevolgen van de bestreden beslissing ondervindt of vreest te ondervinden, of als ze belang heeft bij de besluitvorming over de VII-41.366-8/11 omgevingsvergunning (artikel 2, eerste lid, 1° Omgevingsvergunnings-decreet). […] 3.
- Hoewel de belangvereiste niet op een overdreven beperkende of formalistische wijze mag worden toegepast, mag van een verzoekende partij die zich aandient als lid van het betrokken publiek worden verwacht dat zij in het inleidend verzoekschrift de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die zij meent te zullen ondervinden concreet omschrijft en aantoont dat deze rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen voortvloeien uit de bestreden beslissing. Indien zich, zoals in de voorliggende zaak, meerdere verzoekende partijen tegelijk aandienen, moet elke verzoekende partij aannemelijk maken in welke mate de aangevoerde nadelige gevolgen tevens persoonlijk kunnen worden genoemd”. Het middel komt niet op tegen deze overwegingen in het bestreden arrest.
- Het middel dat de in de aanhef aangevoerde schendingen beargumenteert door te verwijzen naar de inhoud van het verzoekschrift bij de RvVb “en de daarbij horende stukken” en deze te hernemen, naar de standpunten over het belang van de verzoekende partijen in de administratieve beroepsprocedure en in de procedure voor de RvVb en naar een ander bepaald arrest van de RvVb, verplicht de Raad van State om de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. De Raad van State is daartoe als cassatierechter niet bevoegd. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, OVD gelezen samen met artikel 2, eerste lid, 1°, OVD is niet ontvankelijk.
- De rechterlijke motiveringsverplichting in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC heeft het karakter van een vormvereiste met een beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of VII-41.366-9/11 in de rechterlijke uitspraak een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals de tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek.
- Het middel dat aanvoert dat “de verantwoording van de” RvVb “weinig ernstig en onvoldoende draagkrachtig is”, dat de “beoordeling van de” RvVb “niet zorgvuldig en niet afdoende gemotiveerd” is en “niet op een afdoende manier onderbouwd”, dat de RvVb niet kan worden gevolgd “in [zijn] motivering ter weerlegging van de aanwezigheid van een (persoonlijk) belang” en “onzorgvuldig [is] wanneer [h]ij louter verwijst naar voormeld weigeringsbesluit”, “dat de motivering van de [RvVb] weinig consistent is, voorbijgaat aan de stukken in het administratief dossier en zelfs ingaat tegen de beoordeling van in essentie dezelfde rechtsvraag door een andere kamer van de [RvVb]”, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middel dat de schending van de rechterlijke motiveringsverplichting aanvoert, faalt naar recht.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor een vierde, en een bijdrage van 22 euro. VII-41.366-10/11 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.366-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.894 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div