id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.896 Rolnummer: A. 236271/VII-41371 Zaak: Arrest 256896 - Milieu bescherming - Reglementen - 22/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-06 05:17 Fiche Arrest nr 256.896 van 22 juni 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.896 van 22 juni 2023 in de zaak A. 236.271/VII-41.371 In zake : de BV ARMURERIE COLLARD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Dillemans kantoor houdend te 3040 Neerijse Loonbeekstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. HHC-M-2122-0039 van het Handhavingscollege (hierna: HHC) van 24 maart 2022 in de zaak 2021-HHC-0062-M. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 2 juni
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.371-1/19 Auditeur Benny De Sutter heeft op 16 februari 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Patrick Dillemans, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Dirk Van Heuven, die loco advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Bij besluit van 26 juli 2021 legt de gewestelijke entiteit aan de verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete van 2.100 euro op wegens een schending van artikel 5, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende VII-41.371-2/19 de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I) en van artikel 4, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’.
- Met het bestreden arrest verwerpt het HHC de zes middelen en bijgevolg het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van voormelde administratieve bestuurlijke geldboete. IV. Onderzoek van ontvankelijkheid van de middelen Herneming van de middelen voor het HHC
- De verzoekende partij herneemt in haar zes middelen voor de Raad van State integraal haar door het HHC verworpen zes middelen. Beoordeling
- Artikel 14, § 2, RvS-wet maakt de afdeling bestuursrechtspraak bevoegd om uitspraak te doen bij wijze van arresten over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. VII-41.371-3/19 Hieruit volgt dat de verzoekende partij in dit geval in haar cassatieberoep dient aan te voeren dat het bestreden arrest van het HHC de wet overtreedt en/of substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen schendt door minstens één middel aan te voeren met een duidelijke omschrijving van een door het bestreden arrest geschonden geachte rechtsregel of rechtsbeginsel en een daarbij aansluitende uiteenzetting van de wijze waarop het bestreden arrest die rechtsregel of dat rechtsbeginsel miskent.
- De middelen die de voor het HHC aangevoerde middelen hernemen, zijn niet gericht tegen het bestreden arrest. Deze middelen voeren niet aan dat het bestreden arrest enige wet overtreedt en/of enige substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm schendt, laat staan dat deze middelen die overtreding of schending uiteenzetten.
- De zes middelen zijn in zoverre onontvankelijk. De zes middelen worden hierna onderzocht voor zover daarin nog uiteenzettingen staan die gericht zijn tegen het bestreden arrest. V. Onderzoek van de middelen in zoverre ontvankelijk A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij argumenteert onder het middel met het opschrift “Laattijdig schrijven overeenkomstig art. 16.4.36 § 1 DABM - niet toelaatbaarheid/ onontvankelijke beslissing dd. 26/7/2021”: “[…] Terwijl in zijn arrest het Handhavingscollege aangeeft dat partijen inderdaad niet betwisten dat de termijn van dertig dagen ‘bijgevolg verstreek op 29 maart 2017’. VII-41.371-4/19 Vervolgens geeft het arrest aan dat verzoekende partij als uitgangspunt hanteert dat de brief door de gewestelijke entiteit pas op 30 maart 2017 werd betekend en zij zich daarvoor steunt op de vermelding in de bestreden beslissing dat de brief werd verzonden op ‘30.03.2017’. Inderdaad wordt er in de beslissing van de gewestelijke entiteit duidelijk aangegeven dat de brief werd verzonden op 30 maart 2017 waar in het arrest niet kan betwist worden noch betwist wordt dat dit alzo wordt aangegeven in de beslissing van de gewestelijke entiteit. Echter geeft het arrest aan dat de verzoekende partij niet concreet met poststukken staaft dat de brief door verwerende partij werd verzonden buiten termijn. Deze argumentatie is voor verzoekster onbegrijpelijk. Vooreerst wordt niet miskend dat de uiterste datum 29 maart 2017 betreft noch wordt miskend, meer nog uitdrukkelijk bepaald in de beslissing van de gewestelijke entiteit zelf dat de brief werd verzonden op 30 maart
- Dit betreft een geschreven bekentenis van de betrokken gewestelijke entiteit zelf hetgeen een bewijs op zich is zodat het volstrekt niet meer aan verzoekster is om de verzenddatum van dit schrijven aan te tonen nu de partij tegen wie deze datum kan worden ingeroepen, zelf de datum van 30 maart 2017 erkent. Terzake doet verwerende partij er evenzeer het zwijgen toe in de memorie van antwoord. Gezien de gerechtelijke bekentenis kan er dan ook geen twijfel over bestaan dat de verzending is geschied op 30/3/
- Het arrest van het handhavingscollege schendt aldus de regels inzake bewijs. […] Voor het overige geeft het arrest aan dat deze termijn van artikel 16.
- 36, § 1 DABM een termijn van orde is zonder dat het arrest dit motiveert en zonder dat het arrest de motivatie namens verzoekster die hiervoor wordt overgenomen, weerlegt. De gewestelijke entiteit geeft immers zelf aan dat het wettelijke opgelegde termijn betreft. Dit is dus geheel wat anders dan een termijn van orde. De opwerping van het Handhavingscollege dat het decreet aan de overschrijding van de termijn geen automatische sanctie verbindt, is niet relevant nu het niet automatisch en schriftelijk verbinden van een sanctie aan het overschrijden van een termijn eigen is aan vele wettelijke bepalingen sensu lato hetgeen niet betekent dat die sanctie er niet is. Overigens en in de mate er geen sanctie zou verbonden zijn aan het overschrijden van de termijn van dertig dagen, geldt dit zowel voor de vermoedelijke overtreder als voor de gewestelijke entiteit. In de optiek van het arrest zou het hier dus ook een termijn van orde zijn voor de burger hetgeen verzoekster expliciet heeft opgemerkt in de procedure voor het handhavingscollege. Het arrest houdt er een verschroeiend stilzwijgen op na. In de antwoordnota wordt verwezen naar zogenaamde vaste rechtspraak van het handhavingscollege. Namens verzoekster werd terzake opzoeking gedaan naar de arresten waarnaar verwerende partij verwijst en die op hun beurt verwijzen naar andere arresten. VII-41.371-5/19 Vooreerst gaat het aldaar om de beslissingstermijn van 180 dagen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen en dus over een ander artikel en een andere termijn. Overigens mag uit deze arresten nergens uit blijken waarop ze zich juridisch baseren om te besluiten dat het termijnen van orde betreft en al evenmin wordt er enige toelichting gegeven nopens het statuut van de termijnen voor de burger, laat staan dat deze vervaltermijnen zouden zijn. De opmerking van verwerende partij dat de gewestelijke entiteit zelf opmerkt dat de termijn van 30 dagen in artikel 16.4.36 § 1 DABM een termijn van orde is, slaat uiteraard nergens op als verweer nu deze niet kan oordelen over haar eigen beslissing. Ondergeschikt geven de arresten trouwens aan dat in de mate het termijnen van orde zijn, minstens een redelijke termijn moet worden gerespecteerd. Meer nog zou in die redenering de gewestelijke entiteit na ontvangst van de brief van de procureur over een onbepaalde tijd ... van orde beschikken om de vermoedelijke overtreder op de hoogte te brengen van een voornemen om een alternatieve geldboete, gebeurlijk voordeelontneming op te leggen. Deze rechtsonzekere willekeur inzake tijdsbepaling staat nergens in het decreet, wel integendeel. Het eerste middel is dan ook gegrond en de bevochten beslissing van de gewestelijke entiteit diende dan ook al om deze reden nietig te worden verklaard, minstens vernietigd te worden en de opgelegde bestuurlijke geldboete opgeheven/verzoekster ervan ontheven te worden. Het Handhavingscollege heeft dit ten onrechte nagelaten”. Beoordeling
- Het middelonderdeel, in zoverre moet worden aangenomen dat de schending van artikel 16.4.36, § 1, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) wordt aangevoerd, is niet gericht tegen de zelfstandige reden van de verwerping van het eerste middel dat “niet concreet met de nodige poststukken [staaft] dat de brief door de verwerende partij werd verzonden buiten de termijn”.
- Het middelonderdeel dat louter gericht is tegen het niet noodzakelijk, dragend motief voor de verwerping door het HHC van het eerste middel van de verzoekende partij, kan dan ook niet tot cassatie leiden.
- De verzoekende partij zet voor het eerst in de memorie van wederantwoord uiteen dat het bestreden arrest de “regels inzake bewijs” schendt, VII-41.371-6/19 maar laat na aan te tonen dat zij dat niet in het verzoekschrift tot cassatie kon doen zoals vereist in artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit.
- Het middelonderdeel dat de schending van de “regels inzake bewijs” aanvoert, is dan ook niet ontvankelijk.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij argumenteert onder het middel met het opschrift “Onbevoegdheid Vlaamse overheid - geen rechtsgeldig proces-verbaal - minstens discutabel en zeker naar de geest”: “[…] Terwijl voorgaande argumentatie werd aangehaald voor het Handhavingscollege waar het arrest een argumentatie geeft die hier langs gaat. Vooreerst geeft het Handhavingscollege een betoog weer inzake artikel 16.3.1, §1 DABM inzake feitelijke vaststellingen en de toezichthouders waarbij het arrest opwerpt dat verzoekster niet zou betwist hebben dat de verbalisanten wettig zouden zijn aangesteld als gewestelijke toezichthouders waar dit gegeven volgens verzoekster volstrekt niet terzake doet. Niet aan de orde is of persoon X of Y zou zijn aangesteld als gewestelijk toezichthouder, wel of deze personen in casu nog enige hoedanigheid of bevoegdheid konden laten gelden om alsnog op gestelde datum vanuit hun hoedanigheid én nog een proces-verbaal konden opstellen én nog wel inzake milieuvergunning klasse 1, laat staan dat de procedure kon worden verdergezet vanaf 30/3/
- De overwegingen die het arrest vervolgens maakt inzake de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet op 23 februari 2017 ontkrachten noch weerleggen de hoger aangehaalde en destijds opgeworpen motivatie. In het bijzonder is het onbegrijpelijk dat het arrest opwerpt dat de wijzing van klasse 1 naar klasse 2 eigenlijk niet relevant is... ‘Dat betekent evenwel niet meer dan dat aan de inrichting een andere klasse wordt toegekend’ waar dit toch dermate zijn belang heeft inzake bevoegdheid die voor klasse 2 toekomt aan de gemeente en dus ook het toezicht. […] VII-41.371-7/19 In de mate verwerende partij het arrest citeert alvorens voor te houden dat verzoekster de vergunningsregels en de handhavingsregels door elkaar haalt, dient opgemerkt dat inzake dit citeren, het Handhavingscollege verwijst naar art. 544 van het Omgevingsvergunningsbesluit en hierbij opwerpt dat dit niet meer aangeeft dan dat aan de inrichting een andere klasse wordt toegekend en er niets zou gewijzigd zijn aan de handhavingsbevoegdheid, dient dit betwist. Het besluit van de Vlaamse Regering van 12/12/2008 inzake milieuhandhaving behelst een hoofdstuk V. Toezicht met een afdeling I. Toezichthouders en een onderafdeling II. Lokale Toezichthouders en een artikel 34 §1 (inleidende bepaling gewijzigd bij art. 85,1° B.VL.Reg. 10 februari 2017 met ingang van 23 februari 2017). Voormeld artikel 34 & 1 vangt als volgt aan: ‘De lokale toezichthouders oefenen, voor de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3, voor de niet-ingedeelde inrichtingen en voor vrijevelddelicten, het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving....1° titel III van het decreet....7° het Milieuvergunningsdecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet....’(zie ook art. 15/2 tot 19 van voormeld Besluit) Het betreft dus niet louter een gewijzigde indelingslijst zoals het arre[s]t aangeeft doch ook een wijziging in toezichtsbevoegdheid die voor wat betreft klasse conform wijziging bij art. 85,1° B.VL.Reg. 10 februari 2017 berust bij de lokale toezichthouders - op gemeentelijk vlak. […] Terwijl in de mate het arrest vooreerst opwerpt dat verzoekster niet zou betwisten dat het uitbaten van en vergunningsplichtige inrichting op het ogenblik van de feiten strafbaar was, dient al opgemerkt dat verzoekster al jaar en dag gemotiveerd betwist dat zij vergunningsplichtig is. Kortom dient men verzoekster geen houding aan te meten die voor haar in se niet relevant is. Verzoekster wordt verweten de strafbaarheidstelling te verwarren met de bestraffing zelf waarbij het arrest voorhoudt dat de terugwerkende kracht van de strafwet enkel zou gelden ten aanzien van de straffen en niet ten aanzien van de strafbaarheidstellingen. Met deze stelling is verzoekster het niet eens”. Beoordeling
- Het middel voert in essentie aan dat het bestreden arrest “een argumentatie geeft die hier langs gaat”, dat de overwegingen in het bestreden arrest de argumentatie van de verzoekende partij “weerleggen noch ontkrachten”, dat een overweging in het bestreden arrest “onbegrijpelijk” is, dat een overweging in het VII-41.371-8/19 bestreden arrest wordt “betwist” en dat de verzoekende partij “het niet eens” is met een stelling in het bestreden arrest.
- Het aldus geformuleerde middel bevat geen, laat staan een voldoende, duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel en is dermate onnauwkeurig geformuleerd dat niet kan worden onderscheiden waarin de onwettigheid in het bestreden arrest zou bestaan.
- Het middel is onontvankelijk. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij argumenteert onder het middel met het opschrift “Bijkomend en ondergeschikt : Aangevochten stukken - aangevochten toepassing van het decreet van 05/04/1995 mede inzake art. 16.4.35 DABM. Afgezien en onverminderd voorgaande....gezien vooreerst een milieumisdrijf dient bewezen te worden -quod non-”: “Waar verzoekster reeds voordien onder IV Cassatiemiddelen - voorafgaande opmerkingen - mocht aangeven dat verwerende partij ongefundeerd standaardmatig de onontvankelijkheid inroept, is dit onder onderhavig middel frappant waar men tegen beter weten in voorhoudt dat slechts onder punt 3.
- verzoekster het arrest van het Handhavingscollege aanhaalt, waar én reeds onder punt 3.
- dit geschiedde en voor het overige het middel werd en wordt uitgewerkt gelet op het arrest van het handhavingscollege waarbij noodzakelijkerwijze een situatieschets diende en dient te worden gegeven. Overigens geeft het arrest van het Handhavingscollege zelf de situatieschets dito overwegingen van verzoekster over vijf blz. weer alvorens aan de beoordeling te beginnen. Meer nog wordt in het arrest van het Handhavingscollege het derde middel besproken vaan medio blz. 12 tot en met medio blz. 20 en aldus over volle 8 blz. Van deze 8 blz. beslaat zowat 1,5 blz. een beoordeling van het Handhavingscollege waarvan een halve blz. dan nog een citeren betreft van VII-41.371-9/19 twee artikelen waar voor het overige onder de hoofding ‘Beoordeling door het College’ onder punt 3 over meer dan een blz. het verweer van verwerende partij wordt overgenomen. […] Terwijl noch verwerende partij noch het Handhavingscollege heeft hier enige repliek waarbij het dan ook te betreuren valt dat het arrest het tot tweemaal toe heeft over een ongestructureerd betoog waarin feiten en allerhande opmerkingen door mekaar verweven zijn waar het niet aan verzoekster te wijten is dat er én feitelijke ongerijmdheden zijn én noch de gewestelijke entiteit noch verwerende partij en noch het handhavingscollege een verantwoording of een repliek hebben. […] Onder punt 3.
- ging verzoekster al in op de opmerking van het Handhavingscollege inzake een ongestructureerd betoog. Waar het Handhavingscollege verder meent te moeten opmerken dat het haar taak niet is om de exacte bedoeling van een ongestructureerde uiteenzetting te achterhalen, heeft zij anderzijds blijkbaar weinig moeite om onder punt 2 onderaan blz. 17 en bovenaan blz. 18 de grieven van verzoekster te formuleren. Verder geeft het arrest onder de hoofding ‘Beoordeling door het College’ art. 16.4.34 DABM en 16.4.35 DABM weer alsmede over een ganse blz. het betoog van verwerende partij. Slechts in fine komt enige beoordeling van het handhavingscollege dat echter de motivatie/argumentatie van verzoekster niet ontkracht. Dat het aan de procureur des Konings toekomt om te beslissen over de opportuniteit van een strafrechtelijke vervolging, is nooit door verzoekster tegengesproken en is ook een aspect dat in deze niet aan de orde. Wel aan de orde is dat in de mate het de procureur toekomt om al of niet tot vervolging over te gaan, dit niet impliceert dat men een eigengereide lezing kan doen van diens schrijven( 3.1.) noch een onjuiste lezing kan doen van onder meer artikel 16.4.35 (3.3.) noch de procureur woorden in de mond kan leggen (3.
- en 3.5). […] Zodoende dient al om deze bijkomende reden de bevochten beslissing van de gewestelijke entiteit nietig te worden verklaard; minstens vernietigd te worden en de opgelegde bestuurlijke boete opgeheven/ verzoekster ervan ontheven te worden. Terwijl voorgaande integraal werd voorgelegd aan het Handhavingscollege waar het arrest terzake geen repliek geeft”. Beoordeling
- Het middel stelt dat “het Handhavingscollege het derde middel [heeft] besproken” en voert vervolgens in essentie aan dat het bestreden arrest geen “repliek” geeft op het volgens het bestreden arrest “ongestructureerd betoog”, dat VII-41.371-10/19 het bestreden arrest “de motivatie/argumentatie van verzoekster niet ontkracht”, dat “de interpretatie” in het bestreden arrest van artikel 16.4.36 DABM “discutabel” is.
- Het aldus geformuleerde middel bevat geen, laat staan een voldoende, duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel en is dermate onnauwkeurig geformuleerd dat niet kan worden onderscheiden waarin de onwettigheid in het bestreden arrest zou bestaan.
- Het middel is onontvankelijk. D. Vierde middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij argumenteert onder het middel met het opschrift “TEN GRONDE: Schending dan wel onjuiste interpretatie van de wetgeving sensu lato - Vlarem I en II - KB 13 juli 2000 - gecoördineerde omzendbrief 3630/1/8 dd. 26/7/2000”: “Dit aspect wordt door het arrest van het Handhavingscollege genegeerd. Terwijl hetgeen het arrest op blz. 28 aangeeft inzake uitzonderingen aldus niet aan de orde/irrelevant is. […] Terwijl het arrest hier eigenlijk niet op ingaat dan wel blijft men steeds uitzonderingen aangeven zoals voor bewakingspersoneel waar dit niet aan de orde is zoals hiervoor is aangetoond waar één en ander destijds alzo aan het Handhavingscollege werd voorgelegd. […] Terwijl het frappant is dat het arrest van het Handhavingscollege slechts § 2 citeert. […] Terwijl het Handhavingscollege in het arrest deze nochtans relevante omzendbrief volstrekt niet aanraakt. De argumentatie van verzoekster is gestoeld op verschillende aspecten dito wettelijke/decretale bepalingen alsmede op voormelde omzendbrief en de samenlezing ervan. VII-41.371-11/19 Dit negeren houdt uiteraard geen weerlegging in van de argumentatie van verzoekster. […] Terwijl lopende de procedure voor het Handhavingscollege verzoekster een arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 18/1/2022 (rolnummer 2018/AF/183) ontving (stuk 25). Vooreerst wenst verzoekster terzake de procedurele weergave door verwerende partij in de memorie te weerleggen. Namens verzoekster was herhaaldelijk aan de deputatie - geïntimeerde in de zaak - gevraagd om te berusten waarop geen respons kwam. Zodoende is er tijd over heen gegaan en werd dit arrest meegedeeld een twaalftal dagen voor de zitting. Dit is dus niet laattijdig waar dit stuk, een arrest van 18/1/2022 uiteraard niet kon worden meegedeeld mee met de laatste wederantwoordnota voor verzoekster waarbij het arrest dan ook terecht als volgt stelt op blz. 2: ‘Aangezien het arrest dateert van 18 januari 2022 en dus van na het indienen van de wederantwoordnota en het bovendien betrekking heeft op de wettigheidsdiscussie in het vierde middel, aanvaardt het College het bijkomend stuk als ontvankelijk.’ Enige betrachting tot wering is dan ook onterecht. Overigens heeft de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant inmiddels berust zodat dit arrest in kracht van gewijsde is. Voormeld stuk 25 betreft een eindarrest van het Hof van Beroep te Brussel kamer 6N burgerlijke zaken dd. 18/1/2022 doch later ontvangen waarbij het hoger beroep van verzoekster tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven dd. 2018 ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Het hoger beroep werd gericht tegen een aanslagbiljet dienstjaar 2016 inzake provinciebelasting op vergunningsplichtige bedrijven. Mede verzoekster betwistte en betwist vergunningsplichtig te zijn werd aldus hoger beroep aangetekend. Het Hof volgt de redenering en argumentatie namens verzoekster en argumenteert onder meer op blz. 8 tot 10 als volgt: Nadat het Hof aldaar een verwijzing doet naar artikel 5.32.7.1.
- § 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 (Vlarem II), argumenteert het arrest als volgt : ‘In afdeling ‘Afdeling 5.32.7 Schietstanden in een lokaal’ van Vlarem (versie zoals van toepassing op 1 januari 2016 - art. 5.32.7.1.1.§2.1.) wordt zodoende verwezen naar het KB van 13 juli
- Artikel 1 van dit KB van 13 juli 2000, getiteld ‘Koninklijk besluit tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden’ bepaalt: §
- Dit besluit is van toepassing op de uitbating van schietinstallaties voor vuurwapens, al dan niet gelegen in een gesloten lokaal en hierna ‘schietstanden’ genoemd. De occasionele of regelmatige organisatie van schietoefeningen mag enkel plaatsvinden in overeenkomstig dit besluit erkende schietstanden. VII-41.371-12/19 §
- Dit besluit is niet van toepassing op de schietinrichtingen die door erkende ‘wapenhandelaars of- verzamelaars uitsluitend worden gebruikt voor het testen van wapens’
- § 2 van dit KB bepaalt zodoende uitdrukkelijk dat het koninklijk besluit niet van toepassing is op schietinrichtingen die door erkende wapenhandelaars (of verzamelaars) uitsluitend worden gebruikt voor het testen van wapens.
- De omzendbrief 3630/1/8 dd. 26 juli 2000 (BS, 1 augustus 2000, blz. 26441) preciseert in punt ‘16.
- Toepassingsgebied’ dat de activiteit bestaande uit ‘het testen van wapens (ook vuurwapens)’ in een speciale schietinstallatie die uitsluitend daarvoor wordt bestemd door een erkende wapenhandelaar een activiteit is die niet aan erkenning onderworpen is.
- Uit het geheel van voormelde bepalingen blijkt dat er geen discrepantie tussen deze bepalingen allerhande voorhanden is.
- In het algemeen dient geconcludeerd dat ‘een’ ‘schietstand’ in Vlaanderen in principe vergunningsplichtig is (op 1 januari 2016) (vgl. art. 2 van het decreet van 28 juni 1985, art. 5§1 van het Besluit van 6 februari 1991, art. van het Besluit van 6 februari 1991, punt 7,3° Bijlage 1 bij het Besluit van 6 februari 1991 en art. 1.1.
- van het Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne van 1 juli 1995). Maar tegelijkertijd kan men er niet om heen dat het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne -versie zoals van toepassing op 1 januari 2016- ook naar het KB van 13 juli 2000, getiteld ‘Koninklijk Besluit tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden’, verwijst dat bepaalt dat de activiteit bestaande uit ‘het testen van wapens (ook vuurwapens)’ in een speciale schietinstallatie die uitsluitend daarvoor wordt bestemd door een erkende wapenhandelaar een activiteit is die niet aan erkenning onderworpen is... In casu is het dergelijke situatie die aan de orde is. Op grond van dit alles dient dan ook te worden geconcludeerd dat op 1 januari 2016 de inzake aan de orde zijnde installatie, indien al bewezen zou zijn dat het een (geëxploiteerde) schietstand betreft zoals gedefinieerd door de Vlaamse Wetgever- niet milieuvergunningsplichtig is met toepassing van het decreet betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten zoals bepaald in het toepasselijk belastingreglement.’.... Dit betreft een duidelijke gedachtengang nopens de kern van de problematiek. De opmerking van het Handhavingscollege dat dit arrest van het Hof van Beroep betrekking heeft op een belastinggeschil waarbij de vergunnigsplicht zijdelings wordt aangeraakt, is dan ook manifest onjuist. Immers geeft het arrest van het Hof van beroep een logisch en uitvoerig standpunt inzake de niet-vergunningsplicht en dat het Hof hieraan toevoegt dat twijfel dient uitgelegd in het voordeel van de belastingplichtige doet hier niets aan af. VII-41.371-13/19 Voorhouden dat de beoordeling kadert in het licht van het belastingreglement is een zeer enge benadering waarbij men zich de vraag kan stellen wat de houding van het Handhavingscollege zou geweest zijn mocht verzoekster zich niet in rechte hebben voorzien nopens een provinciale belasting die geheven wordt tov. een zogenaamd ‘vergunningsplichtige’ hetgeen verzoekster nu terdege betwist zodat zij dus ook de belasting betwistte en dit met succes. Kern van de zaak is dat het Hof van beroep te Brussel een bestreden belastingaanslag vernietigt omdat de activiteit van verzoekster niet vergunningsplichtig is. De opwerping van het Handhavingscollege dat dit arrest slechts geldt inter partes, is discutabel en geldt in die optiek mutatis mutandis dan ook voor haar beslissing. Overigens is enige verwijzing naar een vergunning verleend op 21/1/1993 en het aldaar gebruikte schietstand niet aan de orde én gezien het tijdstip én gezien inmiddels al uitentreure is aangetoond dat er geen vergunningsplicht is. ** Er mag dan ook nergens uit blijken dat de bv Armurerie Collard een exploitatie doet van klasse II laat staan van klasse I, er een milieu-/omgevingsvergunning diende/dient aangevraagd waarbij er dan ook geen sprake kan zijn van een milieumisdrijf, laat staan dit zou zijn vastgesteld en onverminderd de termijn voor opleggen van een geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, is verstreken”. Beoordeling
- Het middel voert in essentie aan dat het bestreden arrest de argumentatie van de verzoekende partij dat de bepalingen in Vlarem I over “schietstanden” “niet van toepassing zijn op een schiettunnel dito schietinstallatie”, “negeert” terwijl wat het arrest “aangeeft inzake uitzonderingen aldus niet aan de orde/irrelevant is”, dat het bestreden arrest op de “uitzonderingen waarvan sprake in Vlarem” niet “ingaat dan wel blijft [...] steeds uitzonderingen aangeven […] waar dit niet aan de orde is”, dat het bestreden arrest een “nochtans relevante omzendbrief volstrekt niet aanraakt” zodat “[d]it negeren [...] geen weerlegging in[houdt] van de argumentatie van verzoekster”, dat de “opmerking van het [HHC] dat dit arrest van het Hof van Beroep betrekking heeft op een belastinggeschil waarbij de vergunningsplicht zijdelings wordt aangeraakt, […] manifest onjuist” is en dat de “opwerping van het [HHC] dat dit arrest slechts geldt inter partes, […] discutabel” is. VII-41.371-14/19
- Het aldus geformuleerde middel bevat geen, laat staan een voldoende, duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel en is dermate onnauwkeurig geformuleerd dat niet kan worden onderscheiden waarin de onwettigheid in het bestreden arrest zou bestaan.
- Het middel is onontvankelijk. E. Vijfde middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij argumenteert onder het middel met het opschrift “Overschrijding van beslissingstermijn, minstens van de redelijke termijn in hoofde van de Vlaamse Overheid bij monde/middel van de gewestelijke entiteit”: “[…] Terwijl het Handhavingscollege terzake geen repliek heeft en zich zoals voor wat betreft het eerste middel beperkt tot het opwerpen dat het hier een ‘loutere termijn van orde’ zou betreffen zonder aldus in enige mate aan te tonen waaruit dit zou mogen blijken, waar nog minder het arrest ingaat op de discrepantie die de gewestelijke entiteit zelf naar voor brengt waar zij deze termijnen voor de burger als vervaltermijnen beschouwt. Het DABM staat bol van termijnen zodat enige bewering dat deze in hoofde van verwerende partij loutere termijnen van orde zijn, juridisch bijzonder onlogisch is waar noch de gewestelijke entiteit noch het Handhavingcollege aangeven op basis van welke bepaling of rechtsbeginsel zij menen dit te mogen besluiten. Markant is ook dat zowel voor wat betreft het eerste middel als voor wat betreft huidig vijfde middel het Handhavingscollege er zich dermate voor hoedt om zich in enige mate uit te spreken over de aard van de termijnen naar de burger toe en dit ondanks verzoekster nadrukkelijk én de dubbelzinnige houding van de gewestelijke entiteit terzake heeft benadrukt én het evident is dat enige juridische consequentie aan de dag wordt gelegd. De bij decreet bepaalde termijn voor het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete al dan niet vergezeld van een voordeelontneming voorzien in artikel 16.4.
- DABM was verstreken zodat enige beslissing laattijdig en nietig is, minstens diende/dient vernietigd te worden. VII-41.371-15/19 Het lijkt erop dat overschrijden van termijnen en juridische nalatigheid die in casu van een perverse omvang is, structureel wordt ingebed waarbij dan voor het juridische doekje voor het bloeden dan wordt teruggegrepen naar een verlaging van het boetebedrag. […] Terwijl op blz. 32 en 33 het Handhavingscollege een betoog geeft inzake appreciatie van ‘kennelijk onredelijke termijn’ mede de verjaringstermijn van vijf jaar en in het kader van de verplichting als bonus pater familias te handelen... de complexiteit van het dossier ... de duur van de onderzoeksdaden... Dit zijn allemaal algemeenheden die alvast in de verste verten een overschrijden van termijn met ruim 1.300 dagen niet kunnen verantwoorden, zeker niet in concreto... …waar het Handhavingscollege op blz. 33 van het arrest inderdaad niet anders kan dan besluiten dat in casu enige redelijke termijn is overschreden waar dan zeer vergoelijkend naar de gewestelijke entiteit toe wordt aangegeven dat men ‘zelf op meetbare wijze aangeeft in welke mate de overschrijding van de termijn het boetebedrag heeft beïnvloed waar deze opmerking niet wordt toegelicht en ook geen verantwoording kan uitmaken. Storend en onjuist is daarbij de opwerping als zou verzoekster de bepaling van het boetebedrag in functie van het overschrijden van de redelijke termijn niet zou hebben bekritiseerd waar dit én wel het geval is én dit al minstens mag blijken uit het verzoek tot nietigverklaring/vernietiging van de beslissing”. Beoordeling
- Het middel voert in essentie aan dat het bestreden arrest “terzake geen repliek [g]eeft en zich […] beperkt tot het opwerpen dat het hier een ‘loutere termijn van orde’ zou betreffen” en “er zich dermate voor hoedt om zich in enige mate uit te spreken over de aard van de termijnen naar de burger toe”, dat het bestreden arrest “een betoog geeft inzake appreciatie van ‘kennelijk onredelijke termijn’” met “allemaal algemeenheden die alvast in de verste verten een overschrijden van termijn met ruim 1.300 dagen niet kunnen verantwoorden, zeker niet in concreto”, dat “[s]torend en onjuist” is in het bestreden arrest dat “verzoekster de bepaling van het boetebedrag in functie van het overschrijden van de redelijke termijn niet zou hebben bekritiseerd waar dit én wel het geval is én dit al minstens mag blijken uit het verzoek tot nietigverklaring”. VII-41.371-16/19
- Uit de in het bestreden arrest letterlijk overgenomen uiteenzetting van het vijfde middel van de verzoekende partij, blijkt dat het bestreden arrest terecht overweegt dat de verzoekende partij “uitsluitend aan[voert] dat het overschrijden van de termijn de onwettigheid van de boetebeslissing met zich brengt” en dat zij “niet [bekritiseert] dat de bepaling van het boetebedrag in functie van het overschrijden van de redelijke termijn kennelijk onredelijk is”.
- Het aldus geformuleerde middel bevat voor het overige geen, laat staan een voldoende, duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel en is dermate onnauwkeurig geformuleerd dat niet kan worden onderscheiden waarin de onwettigheid in het bestreden arrest zou bestaan.
- Het middel wordt verworpen. F. Zesde middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij argumenteert onder het middel met het opschrift “Totaal ondergeschikt - de boete en omvang ervan op zich - rechtsmisbruik - schadevergoeding”: “[…] Terwijl het Handhavingscollege terzake aangeeft dat de gewestelijke entiteit er moet zorg voor dragen dat er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen feiten en boete waarna het Handhavingscollege zich vergenoegt verwerende partij aan te halen om dan in fine aan te geven dat ze het boetebedrag opgelegd door de gewestelijke entiteit bijtreedt. Hiermee weerlegt zij geenszins de uitvoerige argumentatie van verzoekster die hiervoor nogmaals is weergegeven. Weerom stelt het arrest ten onrechte dat verzoekster zich zou beperken tot het aanhalen dat ze niet vergunningsplichtig is en de beoordeling niet zou viseren hetgeen manifest onjuist is zoals uit de lezing van de argumentatie van verzoekster mocht en mag blijken”. VII-41.371-17/19 Beoordeling
- Het middel voert in essentie aan dat het bestreden arrest “geenszins de uitvoerige argumentatie van verzoekster” weerlegt omdat het “ten onrechte [stelt] dat verzoekster zich zou beperken tot het aanhalen dat ze niet vergunningsplichtig is en de beoordeling niet zou viseren hetgeen manifest onjuist is”.
- Het aldus geformuleerde middel bevat geen, laat staan een voldoende, duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel en is dermate onnauwkeurig geformuleerd dat niet kan worden onderscheiden waarin de onwettigheid in het bestreden arrest zou bestaan.
- Het middel is onontvankelijk. VI. Rechtsplegingsvergoeding
- De verzoekende partij vraagt “[t]otaal ondergeschikt […] verwerende partij af te wijzen van haar vordering tot het bekomen van een rechtsplegingsvergoeding”.
- In dit geval is de verzoekende partij de in het ongelijk gestelde partij en de verwerende partij de in het gelijk gestelde partij in de zin van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De verwerende partij is gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding. VII-41.371-18/19 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.371-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.896 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div