← België

Arrest 256897 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.897 Rolnummer: A. 236358/VII-41395 Zaak: Arrest 256897 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-06 05:17 Fiche Arrest nr 256.897 van 22 juni 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.897 van 22 juni 2023 in de zaak A. 236.358/VII-41.395 In zake : de BVBA BOUWWERKEN VERSNEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Griet Cnudde kantoor houdend te 9000 Gent Brabantdam 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 6 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0609 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 31 maart 2022 in de zaak 2021-RvVb-0466-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 2 juni
  3. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 19 oktober 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van VII-41.395-1/16 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De verwerende partij weigert op 21 januari 2021 aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor het bouwen van vier woningen, het aanleggen van overwelvingen voor de toegang en oprit naar de woningen en het rooien van bomen.
  7. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de verzoekende partij VII-41.395-2/16
  8. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), de artikelen 7.4.4, 4.3.1, § 1, 1°, 4.3.1, § 2, 1°, 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 1.1.3, § 2, 18° en 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: DIW), artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 ‘tot vaststelling nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: BIW), artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), artikel 48, § 1, 7°, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVB), artikel 149 van de Grondwet, en “de verplichte uitvoering van een regelmatigheidsonderzoek”. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste, tweede, derde, vijfde en zesde onderdeel van het enige middel van de verzoekende partij. Eerste middelonderdeel Tegen de verwerping door de RvVb van haar eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij aan: “Het bestreden arrest miskent de argumentatie van de Verzoekende partij daar waar Verzoekende partij stelt dat het gegeven dat het perceel gelegen is in signaalgebied en dat het gebied zal worden herbestemd naar ‘een bestemming die compatibel is met het watersysteem en de natuurwaarden in het gebied’ met aanduiding als ‘WORG’ een decisief element is in de vergunningsbeslissing en dat om die reden aangenomen wordt dat een bouwverbod noodzakelijk is; dat de bestreden vergunningsbeslissing om die reden bovendien de verordenende voorschriften van het Gewestplan VII-41.395-3/16 miskent en zich ten onrechte baseert op een beleidsvisie om de actueel geldende stedenbouwkundige voorschriften terzijde te schuiven. Nochtans blijkt uit het advies van de DIW dat door de Raad voor Vergunningsbetwistingen zelf wordt geciteerd : ‘Na de definitieve aanduiding als WORG kunnen de eigenaars op basis van een aantal criteria in aanmerking komen voor een vergoeding voor de bestemmingswijziging van de grond’ en dat tevens wordt aangenomen dat er ‘een bewarend beleid tussen de beslissing van de Vlaamse Regering over het vervolgtraject en de effectieve uitvoering van deze beslissing. Zie p. 2-3 Omzendbrief LNE/2015/2 betreffende richtlijnen voor de toepassing van de watertoets voor de vrijwaring van het waterbergend vermogen in signaalgebieden en in effectief overstromingsgevoelige gebieden’ en ‘dat het perceel moet worden gevrijwaard van bebouwing’ en dat ‘Door bebouwing toe te laten zou het vervolgtraject immers worden gehypothekeerd’. De Raad voor Vergunningsbetwistingen motiveert in het bestreden arrest niet waarom zij van oordeel is dat de Verzoekende partij haar stelling dat er sprake is van een bouwverbod zonder verordenend voorschrift en zonder een vergoeding te voorzien en dit bovendien op basis van een beleidsvisie op een foutieve veronderstelling berust waarbij reeds een voorafname gebeurt op een nog vast te stellen WORG. Het bestreden arrest schendt art. 5.1.
  9. KB 28.12.1972, art. 7.4.
  10. Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening, art. 4.3.1.,§2,1° VCRO, art. 16 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, art. 149 van de Grondwet en de verplichte uitvoering van een regelmatigheidsonderzoek door te stellen dat de ‘beoordeling (.) los (staat) van de vraag naar de overeenstemming van de aanvraag met de bestemmingsvoorschriften die van toepassing zijn voor het betrokken perceel (.)’ en door de stelling dat het middel van Verzoekende partij steunt ‘op de foutieve veronderstelling dat de verwerende partij de verordenende kracht van de gewestplanbestemming miskent en dat toepassing gemaakt wordt van een beleidsmatig gewenste ontwikkeling.’ De Raad voor Vergunningsbetwistingen verzuimt in het regelmatigheidsonderzoek dat hem wordt opgedragen, bovendien na te gaan of de Deputatie op grond van juiste feitelijke en juridische gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen en motiveren dat de vergunning diende te worden geweigerd op grond van de watertoets, op grond van artikel 1.3.1.1 van het Waterwetboek. Het bestreden arrest schendt in die zin in meer art. 1.3.1.1 van het Waterwetboek, art. 48,7° Omgevingsvergunningsbesluit en art. 149 G.W (zie in die zin ook het tweede en het derde deel van het cassatiemiddel)”. Tweede middelonderdeel VII-41.395-4/16 Tegen de verwerping door de RvVb van haar tweede middelonderdeel voert zij aan: “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen het middel onontvankelijk verklaart wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 1.3.1.1, 1.1.3, 18° en 1.1.3, 47° van het Waterwetboek laat het bestreden arrest de grief met name dat ‘In de bestreden beslissing (.) enerzijds (wordt) aangegeven dat de aanvraag aanvaardbaar is inzake overstromingsveilig bouwen en waterveilig wonen en op dit punt dus de watertoets doorstaat’ en ‘evenmin wordt gemotiveerd waarom de aanvraag die overstromingsveilig en waterveilig is aanleiding zou geven tot een ‘significante’ daling van het aanwezig waterbergende vermogen’ onbeantwoord. Het gegeven dat het project voorziet in overstromingsveilig bouwen en waterveilig wonen impliceert immers dat het niet aangetoond is dat er een ‘betekenisvol nadelig effect op het milieu’ is ‘dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit’ en dat het risico op een ‘schadelijk effect’ in die zin niet blijkt uit de watertoets en dat er derhalve sprake is van een schending van artikelen 1.3.1.1 van het Waterwetboek en van 1.1.3, 18° van het Waterwetboek. In zoverre de Raad voor Vergunningsbetwistingen (bij de bespreking van het eerst deel van het eerste middel) bovendien oordeelt dat ‘de verwerende partij in de bestreden beslissing de aanvraag ook strijdig acht met de goede ruimtelijke ordening (functionele inpasbaarheid)’ schendt zij het regelmatigheidsonderzoek en de motiveringsplicht en art. 4.3.1.§l, 1°, d VCRO juncto art. 4.3.1.,§2, 1° VCRO. De Raad voor Vergunningsbetwistingen miskent immers het argument en het gegeven dat de motivering van de bestreden beslissing het niet aannemelijk maakt dat de aanvraag enerzijds wel en anderzijds niet functioneel inpasbaar zou zijn en in die zin ook de motiveringsplicht schendt. Het bestreden arrest is niet naar eis van artikel 149 van de grondwet met redenen omkleed. De grief van Verzoekende partij omtrent de tegenstrijdige en onwettige motivering van de vergunningsbeslissing van de Deputatie is door de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet beantwoord. De Raad voor Vergunningsbetwistingen schendt de artikelen 1.3.1.1 van het Waterwetboek en van 1.1.3, 18° van het Waterwetboek, art. 4.3.1.§1, 1°, d VCRO juncto art. 4.3.1.,§2, 1° VCRO, art. 48,§1,7° Omgevingsvergunningsbesluit en art. 149 G.W”. Derde middelonderdeel VII-41.395-5/16 Tegen de verwerping door de RvVb van haar derde middelonderdeel voert zij aan: “De Raad voor Vergunningsbetwistingen laat na duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen te zetten die hem ertoe brengen dit afzonderlijk middelonderdeel te verwerpen door te stellen dat het advies van de DIW ‘niet anders kan’ dan beschouwd te worden dan als een advies van een deskundig orgaan en door de argumentatie van Verzoekende partij niet te onderzoeken inzake de opgeworpen gebreken van de beslissing gelet op de argumentatie van de Verzoekende partij met name dat er conform de stukken van het dossier geen sprake is van een effectief ‘recent’ overstroomd gebied; dat er waterveilig en overstromingsveilig gebouwd wordt; dat er geen sprake is van een overstromingsgebied of overstromingsgevoelig gebied en dat de gegevens waarop de overheid zich baseert enkel verband houden met een éénmalige, accidentele waterproblematiek ten gevolge van een toenmalig gebrek aan onderhoud aan een plaatselijke waterloop waardoor niet kan aangenomen worden dat er sprake is van een structurele waterproblematiek dan wel een watergevoelig gebied. Het bestreden arrest is niet naar eis van artikel 149 van de Grondwet met redenen omkleed en schendt de artikelen 1.3.1.1 van het Waterwetboek en van 1.1.3, 18° van het Waterwetboek, art. 4.3.1.§1,1°, d VCRO juncto art. 4.3.1.,§2,1° VCRO en art. 48,§1, 7° Omgevingsvergunningsbesluit”. Vierde middelonderdeel Tegen de verwerping door de RvVb van haar vijfde middelonderdeel voert zij aan: “De Raad voor Vergunningsbetwistingen schendt in voornoemde motivering art. 1.3.1.
  11. van het Waterwetboek gelet op het feit dat voornoemde bepaling van het waterwetboek voorziet dat een vergunning geweigerd kan worden of voorwaarden kunnen worden opgelegd doch slechts indien er sprake is van een schadelijk effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater of van vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem terwijl uit het wateradvies en de bestreden vergunningsbeslissing niet blijkt dat aan deze voorwaarden voldaan is. Daarnaast laat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in dit voornoemd gedeelte van het arrest na duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen te zetten die hem ertoe brengen dit afzonderlijk middelonderdeel te verwerpen door geen rekening te houden met de door Verzoekende partij aangebrachte gegevens m.b.t. de studie van Hydroscan (zie ook de VII-41.395-6/16 bespreking hierna). De Raad schendt in die zin ook het verplichte redelijkheidsonderzoek”. Vijfde middelonderdeel Tegen de verwerping door de RvVb van haar zesde middelonderdeel voert zij aan: “In zoverre de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt dat er kan worden ‘verwezen worden naar de bespreking onder het vorige middelonderdeel waarbij de conclusie is dat, in tegenstelling tot wat de Verzoekende partij voorhoudt, het wateradvies duidelijk, afdoende en begrijpelijk is gemotiveerd en er wel degelijk uit afgeleid kan worden dat er geen vergunning onder voorwaarden kan verleend worden’ verzuimt de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het regelmatigheidsonderzoek dat hem wordt opgedragen, na te gaan of de deputatie op grond van juiste feitelijke en juridische gegevens in redelijkheid en afdoende gemotiveerd heeft kunnen beslissen dat er op basis van het wateradvies geen vergunning kon worden verleend onder voorwaarden. De Raad voor Vergunningsbetwistingen geeft bovendien een uitleg aan de nota van Hydroscan die niet met de bewoording ervan verenigbaar is nu uit de nota wel degelijk blijkt dat er bouwmogelijkheden zijn in het gebied mits een aangepast concept respecteert. De Raad voor Vergunningsbetwistingen schendt in voornoemde motivering andermaal art. 1.3.1.
  12. van het Waterwetboek en art. 149 van de grondwet”. Beoordeling
  13. Artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State maakt de afdeling bestuursrechtspraak bevoegd om uitspraak te doen bij wijze van arresten over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.
  14. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van VII-41.395-7/16 State’ moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
  15. Hieruit volgt dat de verzoekende partij in dit geval in haar cassatieberoep dient aan te voeren dat het bestreden arrest van de RvVb de wet overtreedt en/of substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen schendt door minstens één middel aan te voeren met een duidelijke omschrijving van een door het bestreden arrest geschonden geachte rechtsregel of rechtsbeginsel en een daarbij aansluitende uiteenzetting van de wijze waarop het bestreden arrest die rechtsregel of dat rechtsbeginsel miskent.
  16. Het middel dat de schending aanvoert van “de verplichte uitvoering van een regelmatigheidsonderzoek” voldoet niet aan de vereiste van een voldoende omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel van het cassatiemiddel. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  17. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), VCRO, artikel 5.6.8 VCRO en artikel 7, § 1, BIW, maar laat na de wijze uiteen te zetten waarop het bestreden arrest deze bepalingen miskent. VII-41.395-8/16 Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), VCRO, artikel 5.6.8 VCRO en artikel 7, § 1, BIW.
  18. De middelonderdelen worden hierna onderzocht in zoverre ze ontvankelijk zijn. VII-41.395-9/16 Eerste middelonderdeel
  19. Het aanvoeren in de aanhef van het middel dat elk van de opgesomde bepalingen door het bestreden arrest wordt geschonden vereist op straffe van onontvankelijkheid dat wordt uiteengezet dat elk van deze aangevoerde bepalingen geschonden worden door het bestreden arrest.
  20. Het middelonderdeel, in zoverre ontvankelijk, zet niet uiteen waarom het bestreden arrest artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit, artikel 7.4.4 VCRO, artikel 4.3.1, § 2, 1°, VCRO, artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van het eerste aanvullend protocol EVRM schendt. De verzoekende partij licht enkel toe dat de RvVb in het bestreden arrest “niet [motiveert] waarom [h]ij van oordeel is dat de verzoekende partij haar stelling dat er sprake is van een bouwverbod zonder verordenend voorschrift en zonder een vergoeding te voorzien en dit bovendien op basis van een beleidsvisie op een foutieve veronderstelling berust waarbij reeds een voorafname gebeurt op een nog vast te stellen WORG”. Het middel is dan ook onontvankelijk in zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit, artikel 7.4.4 VCRO, artikel 4.3.1, § 2, 1°, VCRO, artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het eerste aanvullend protocol EVRM.
  21. De rechterlijke motiveringsverplichting in artikel 149 van de Grondwet heeft het karakter van een vormvereiste met een beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de rechterlijke uitspraak een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals de tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de VII-41.395-10/16 motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  22. Het bestreden arrest verwerpt het eerste middelonderdeel van de verzoekende partij op basis van de aangegeven elementen in het dossier (randnummer 1.1 van het bestreden arrest) met volgende overwegingen: “1.2 Uit het voorgaande blijkt en volgt dat een ongunstige watertoets op grond van artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 4° VCRO en artikel 1.3.1.1 van het Waterwetboek, kan leiden tot de weigering van een vergunning. Deze beoordeling staat los van de vraag naar de overeenstemming van de aanvraag met de bestemmingsvoorschriften die van toepassing zijn voor het betrokken perceel en ook los van de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. Een weigeringsmotief op grond van de hiervoor bedoelde bepalingen is een zelfstandig en draagkrachtig weigeringsmotief. Het valt niet te betwisten dat de bestreden beslissing steunt op een dergelijk draagkrachtig weigeringsmotief. Het gegeven dat de verwerende partij in de bestreden beslissing de aanvraag ook strijdig acht met de goede ruimtelijke ordening (functionele inpasbaarheid) doet aan de voorgaande vaststellingen geen afbreuk. Dit bijkomend weigeringsmotief (dat overigens samenhangt met de ongunstige watertoets) is, in het licht van de ongunstige watertoets, als niets meer te beschouwen dan als een overtollig motief. 1.3 Het eerste middelonderdeel steunt dus op de foutieve veronderstelling dat de verwerende partij de verordenende kracht van de gewestplanbestemming miskent en dat toepassing gemaakt wordt van een beleidsmatig gewenste ontwikkeling. De verzoekende partij steunt ook haar stelling dat er sprake is van een bouwverbod zonder verordenend voorschrift en zonder een vergoeding te voorzien, op die foutieve veronderstelling. De conclusie moet dus zijn dat de stellingen in het eerste middelonderdeel als ongegrond moeten worden verworpen. Het gegeven dat zowel in het advies van de DIW als in de bestreden beslissing vermeld wordt dat het betrokken perceel werd opgenomen in het ontwerp van voor de voorlopige aanduiding van watergevoelige openruimtegebieden, doet aan de voorgaande conclusie geen afbreuk. Evenmin als het gegeven dat het betrokken perceel tot op heden nog niet is aangeduid als watergevoelig openruimtegebied”. VII-41.395-11/16
  23. Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van de rechterlijke motiveringsverplichting mist feitelijke grondslag. Tweede middelonderdeel
  24. Het middelonderdeel, in zoverre ontvankelijk, zet niet uiteen waarom het bestreden arrest artikel 1.3.1.1 en artikel 1.1.3, 18°, DIW, artikel 4.3.1, § 1, 1°, d) en artikel 4.3.1, § 2, 1°, VCRO en artikel 48, § 1, 7°, OVB schendt. De verzoekende partij licht enkel toe dat de RvVb in het bestreden arrest de aangevoerde schending van de artikelen 1.3.1.1, 1.1.3, 18° en 1.1.3, 47°, DIW onbeantwoord laat door het middel op dat punt onontvankelijk te verklaren en tevens haar grief “omtrent de tegenstrijdige en onwettige motivering van de vergunningsbeslissing van de deputatie […] niet beantwoordt”. Het middel is dan ook onontvankelijk in zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 1.3.1.1 en artikel 1.1.3, 18°, DIW, artikel 4.3.1, § 1, 1°, d) en artikel 4.3.1, § 2, 1°, VCRO en artikel 48, § 1, 7°, OVB.
  25. Het middelonderdeel dat stelt dat het bestreden arrest een middelonderdeel niet beantwoordt door het onontvankelijk te verklaren, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting van de rechterlijke motiveringsverplichting en faalt bijgevolg naar recht. Derde middelonderdeel
  26. Het middelonderdeel, in zoverre ontvankelijk, zet niet uiteen waarom het bestreden arrest artikel 1.3.1.1 en artikel 1.1.3, 18°, DIW, artikel 4.3.1, § 1, 1°, d) “juncto” artikel 4.3.1, § 2, 1°, VCRO en artikel 48, § 1, 7°, OVB schendt. De verzoekende partij licht enkel toe dat de RvVb in het bestreden arrest nalaat “duidelijk en ondubbelzinning de redenen uiteen te zetten die hem ertoe brengen dit afzonderlijk middelonderdeel te verwerpen door” het advies van de DIW te beschouwen als een advies van een deskundig orgaan en door haar argumentatie VII-41.395-12/16 met betrekking tot de gebreken aan de bestreden vergunningsbeslissing niet te onderzoeken. Het middel is dan ook onontvankelijk in zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 1.3.1.1 en artikel 1.1.3, 18° DIW, artikel 4.3.1, § 1, 1°, d) “juncto” artikel 4.3.1, § 2, 1°, VCRO en artikel 48, § 1, 7°, OVB.
  27. Het bestreden arrest verwerpt het derde middelonderdeel waarin de verzoekende partij de onzorgvuldige totstandkoming en de miskenning van haar beroepsgrieven en de feitelijke gegevens van het dossier heeft aangevoerd, met volgende overwegingen: “3.2 Het advies van de DIW van 21 december 2020 is aangehaald bij de bespreking van het eerste middelonderdeel Uit het advies blijkt dat uitdrukkelijk wordt ingegaan op de beroepsgrieven van de verzoekende partij. Bij de bespreking van het eerste middelonderdeel is ook al vastgesteld dat het duidelijk is dat de verwerende partij zich bij dit advies aansluit. De verzoekende partij houdt wel voor dat dit ten onrechte is, maar toont dit niet aan en maakt dit evenmin aannemelijk. De beroepsargumentatie van de verzoekende partij werd ontmoet door een deskundige instantie. Het advies van de DIW kan niet anders dan beschouwd worden dan als een advies van een deskundig orgaan, dat moet geacht worden afdoende deskundigheid te bezitten om te oordelen of een aanvraag al dan niet kan vergund worden in het licht van artikel 1.3.1.1 van het Waterwetboek. Dit betekent niet dat een advies geen gebreken kan vertonen. Het is evenwel aan de partij die het advies inhoudelijk bekritiseert om de inhoudelijke gebreken ervan aan te tonen of aannemelijk te maken. De verzoekende partij doet dat niet. Ze herneemt in het middelonderdeel enkel haar beroepsargumentatie. Het gegeven dat de DIW deze beroepsargumentatie niet volgt, houdt niet in dat het advies - en daardoor de bestreden beslissing - gebrekkig is of onjuist. Bij de bespreking van het vorig onderdeel werd ook al vastgesteld dat er geen tegenstrijdigheid in de motieven van de bestreden beslissing kan aangenomen worden omdat er tevens in gesteld wordt dat het voorziene vloerpeil van de betrokken aanvraag aanvaardbaar is voor overstromingsgevoelig bouwen en waterveilig wonen. Er kan evenmin aangenomen worden dat er sprake is van een inconsistentie is omdat er in de bestreden beslissing sprake is van een ‘overstromingsgebied’. Het is voldoende duidelijk dat de verwerende partij bedoelt aan te geven dat het gaat over een gebied - waar het betrokken perceel deel van uitmaakt - met waterbergend vermogen”. VII-41.395-13/16 Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, mist feitelijke grondslag. Vierde middelonderdeel
  28. Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van artikel 1.3.1.1 DIW is niet gericht tegen het bestreden arrest en derhalve onontvankelijk.
  29. Het bestreden arrest verwerpt het vijfde middelonderdeel waarin de verzoekende partij bijkomend heeft verwezen “naar de nota van Hydroscan, waaruit zou blijken dat het project geen negatieve impact heeft op het watersysteem” met volgende overwegingen: “5.1 De verzoekende partij overtuigt niet dat het wateradvies, waar de verwerende partij op steunt, gebrekkig is. In het advies van de DIW wordt niet aangegeven, zoals de verzoekende partij lijkt te beweren, dat er thans al een aanduiding is als watergevoelig open ruimte gebied. Het advies steunt ook niet op de stelling dat een signaalgebied een absoluut bouwverbod inhoudt. Het (andersluidend) standpunt van de verzoekende partij dat het waterbergend vermogen van het gebied niet in het gedrang komt door het project en de loutere bewering dat er geen overstromingsgevaar is voor het betrokken gebied, zijn niet van die aard om de ondeugdelijkheid van het advies te kunnen aannemen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, kan ook niet aangenomen worden dat het wateradvies geen echte watertoets omvat voor de concrete aanvraag. In het wateradvies wordt er op gewezen dat het hydraulisch model van de provincie Antwerpen een waterpeil tot 4,43 m TAW aangeeft voor het betrokken perceel bij een T100 storm en dat het betrokken perceel een stuk lager is gelegen, wat impliceert dat het betrokken perceel onder water zou komen bij een T100 storm. De DIW besluit daaruit dat de ‘ROG-vlek’ wordt bevestigd door het hydraulisch model, waaruit blijkt dat het vrijwaren van bebouwing van het betreffende gebied waartoe het perceel van de beroeper behoort, vereist is om verdere schadelijke effecten aan het watersysteem te voorkomen. Het gegeven dat de voorziene woningen een bepaalde bouwwijze zullen volgen, dat grondinname wordt beperkt tot het noodzakelijke, dat verhardingen in waterdoorlatend materiaal worden voorzien, …, toont niet aan dat het wateradvies foutief of kennelijk onredelijk is. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt is het wateradvies duidelijk, afdoende en begrijpelijk gemotiveerd en kan er wel degelijk uit VII-41.395-14/16 afgeleid worden dat er geen vergunning onder voorwaarden kan verleend worden”. Het middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest nalaat duidelijk en ondubbelzinning uiteen te zetten die hem ertoe brengen het middelonderdeel van de verzoekende partij te verwerpen “door geen rekening te houden met de door verzoekende partij aangebrachte gegevens m.b.t. de studie van Hydroscan”, mist feitelijke grondslag. Vijfde middelonderdeel
  30. Het middelonderdeel, in zoverre ontvankelijk, dat aanvoert dat het bestreden arrest “een uitleg [geeft] aan de nota van Hydroscan die niet met de bewoordingen ervan verenigbaar is”, voldoet niet aan de vereiste van een voldoende omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel van het middel. Het middelonderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
  31. Het middelonderdeel, in zoverre ontvankelijk, zet niet uiteen waarom het bestreden arrest artikel 1.3.1.1 DIW schendt. Het middelonderdeel is dan ook onontvankelijk in zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 1.3.1.1 DIW.
  32. Het middelonderdeel, in zoverre ontvankelijk, zet niet uiteen waarom het bestreden arrest artikel 149 van de Grondwet schendt. Het middelonderdeel is dan ook onontvankelijk in zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet.
  33. Het middelonderdeel wordt verworpen. VII-41.395-15/16 Conclusie
  34. Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen. BESLISSING
  35. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  36. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.395-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.897 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.