id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.912 Rolnummer: A. 239340/VII-42083 Zaak: Arrest 256912 - Voedselveiligheid (FAVV) - 23/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-23 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-06 05:18 Fiche Arrest nr 256.912 van 23 juni 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.912 van 23 juni 2023 in de zaak 239.340/VII-42.083 In zake: BVBA WATTHANA MAHASSAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie Malanda kantoor houdend te 1020 Laken Dieudonné Lefèvrestraat 17 bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elisabeth Derriks kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 522, bus 14 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 juni 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van: “
- Beslissing van 28.04.2023 tot weigering van het beroep ingesteld door verzoekster tegen de weigering tot toelating tot arbeid betreffende Mijnheer [B.S.], geboren op 24.10.1983, nationaliteit Thailand, in de hoedanigheid van hulpkok (thaise keuken). Medegedeeld aan verzoekster middels schrijven van 9.05.2023 - ter kennis gebracht op 10.05.
- Beslissing van 28.04.2023 tot weigering van het beroep ingesteld door verzoekster tegen de weigering tot toelating tot arbeid betreffende Mijnheer [E.C.], geboren op 07.04.1976, nationaliteit Thailand, in de hoedanigheid van hulpkok (thaise keuken). Medegedeeld aan verzoekster middels schrijven van 9.05.2023 - ter kennis gebracht op 10.05.
- VII-42.083 -1/9
- Beslissing van 28.04.2023 tot weigering van het beroep ingesteld door verzoekster tegen de weigering tot toelating tot arbeid betreffende Mevrouw [K.O.], geboren op 02-12-1980, nationaliteit Thailand, in de hoedanigheid van hulpkok (thaise keuken). Medegedeeld aan verzoekster middels schrijven van 9.05.2023 - ter kennis gebracht op 10.05.2023
- Beslissing van 28.04.2023 tot weigering van het beroep ingesteld door verzoekster tegen de weigering tot toelating tot arbeid betreffende Mijnheer [W.S.], geboren op 02.07.1981, nationaliteit Thailand, in de hoedanigheid van hulpkok (thaise keuken). Medegedeeld aan verzoekster middels schrijven van 9.05.2023 - ter kennis gebracht op 10.05.2023.” De vordering strekt er eveneens toe “[d]e volgende voorlopige maatregel op te leggen betreffende de vier bestreden beslissingen: verwerende partij veroordelen tot het nemen van nieuwe beslissingen met pertinente motivering betreffende het feit dat verzoekster gespecialiseerde hulpkoks (namelijk met doorgedreven kennis van de Thaise keuken) in dienst moet hebben, en dit, binnen de 14 dagen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni 2023, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nathalie Malanda, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Thomas Schreurs, die loco advocaat Elisabeth Derriks verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.083 -2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partij dient op 19 en 20 februari 2023 bij de directie Economische Migratie van de verwerende partij 4 aanvragen in tot toelating tot arbeid voor bepaalde duur met gecombineerde vergunning, namelijk voor B.S., E.C., K.O. en W.S., allen van Thaïse nationaliteit. Met vier beslissingen van respectievelijk 14 maart 2023 (voor B.S.), 3 maart 2023 (voor E.C. en voor K.O.) en 13 maart 2023 (voor W.S.) verwerpt de directie Economische Migratie van de verwerende partij de aanvragen op grond van artikel 8 iuncto artikel 34, 1°, c), en artikel 34, 5°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 ‘houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’. De verzoekende partij tekent op 13 en 14 maart 2023 beroep aan tegen deze weigeringsbeslissingen bij de bevoegde minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Op 28 april 2023 beslist de minister van Werk van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de 4 zaken telkens het beroep ongegrond te verklaren en derhalve de gevraagde toelating tot arbeid te weigeren. Dit zijn de bestreden beslissingen. VII-42.083 -3/9 IV. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verzoekende partij wijst op het gevaar dat zij door het verloop van de tijd in een onomkeerbare situatie wordt geplaatst, zodat de vernietiging louter theoretisch wordt op het moment dat het vernietigingsarrest uiteindelijk zou tussenkomen. Zij kadert de aanwerving van de 4 hulpkoks en haar aanvraag tot toelating tot arbeid (in de context van de aanvraag tot gecombineerde vergunning) in de geplande opening van een nieuw gastronomisch restaurant waar verfijnde Thaise gerechten zullen worden opgediend en waarvoor zij reeds een huurovereenkomst voor een periode van 10 jaar heeft afgesloten. De verzoekende partij heeft een huurwaarborg van 30.000 euro gestort en zij betaalt sinds februari 2023 iedere maand 5.800 euro huur en 200 euro aan huurtaksen. Zij kan haar activiteiten echter niet starten zonder de 4 hulpkoks die zij wenst aan te werven. Verder is het ingevolge de COVID-19-pandemie bijzonder moeilijk geworden om horecapersoneel te vinden, laat staan om de vereiste specifieke profielen te vinden die zij nodig heeft om te kunnen starten. De verzoekende partij loopt financiële schade op door de weigeringsbeslissingen aangezien de huur blijft oplopen en zij niet van start kan gaan met haar activiteiten. Bovendien loopt zij inkomsten mis. Zij legt hiertoe haar businessplan over en de jaarrekening voor het inkomstenjaar 2021 van WATTHANA BV, die zij reeds zeer succesvol uitbaat op een andere vestiging. De verzoekende partij heeft ook investeringen gedaan om de vestiging in te richten waar de betrokken 4 hulpkoks zouden worden tewerkgesteld. Zij specificeert deze voor een totaal van 140.215,82 euro. Daarnaast toont zij nog overschrijvingen aan voor een totaal van 88.183,27 euro. Het was de bedoeling om, als alles vlot was verlopen zonder enige vertraging van personeel, om tegen het einde van de maand mei 2023 het restaurant te openen. VII-42.083 -4/9 De verzoekende partij “ondervindt duidelijk een ernstig nadeel door de getroffen beslissingen, nu zij helemaal niet van start kan gaan met haar activiteiten in de nieuwe vestiging, terwijl zij wel degelijk in de voorwaarden verkeert om de gevraagde vergunningen te bekomen en de bestreden beslissingen te wijten zijn aan een fout van ACTIRIS die onterecht geadviseerd heeft dat er 288 potentiële werknemers [zijn] die de door verzoekster opengestelde vacatures kunnen invullen”. Zij besluit dat “[d]e kosten blijven oplopen waardoor een dringende tussenkomst van Uw Raad verantwoord is” en dat [d]e zaak […] te spoedeisend [is] voor een behandeling ervan middels een beroep tot nietigverklaring. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. VII-42.083 -5/9 De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). Bovendien moet een verzoekende partij diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid. Diligent optreden – dit wil zeggen dat de eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State – is een vereiste die vervat is in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Het valt de verzoekende partij toe aan te tonen dat in haar geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat zij de weigering van de 4 gevraagde toelatingen tot arbeid onmogelijk kan ondergaan in afwachting van een uitspraak ten gronde of via de gewone schorsingsprocedure, omdat de schadelijke gevolgen of nadelen die zij daardoor dreigt te ondergaan van die aard zijn dat zij het resultaat van de procedure hierdoor niet kan afwachten.
- De verzoekende partij geeft zelf aan dat zij in kennis werd gesteld van de bestreden beslissingen op 10 mei
- De voorliggende vordering VII-42.083 -6/9 tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het horen opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingesteld op 16 juni
- De verzoekende partij geeft geen verantwoording voor het laten verstrijken van meer dan een maand alvorens die vordering in te stellen. Zij toont a fortiori niet aan dat de dringende noodzakelijkheid slechts is ontstaan door factoren die zich na 10 mei 2023 hebben voorgedaan. Integendeel, de verzoekende partij brengt een aantal kosten bij die zij reeds heeft gemaakt of is beginnen maken voordat de bestreden beslissingen werden genomen. De verzoekende partij is niet diligent opgetreden bij het instellen van de voorliggende vordering. De verklaring van de verzoekende partij ter terechtzitting dat haar vorige raadsman op 31 december 2022 met pensioen is gegaan en dat zij een andere advocaat heeft moeten zoeken die zich in het dossier heeft moeten verdiepen, doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststelling.
- Daarenboven beroept de verzoekende partij zich in wezen enkel op financiële gevolgen, zijnde een aantal kosten die zij heeft gemaakt voor de inrichting van haar nieuwe uitbating en de huur van het pand ten belope van 6.000 euro per maand. Een financieel nadeel volstaat in beginsel niet om de behandeling van een zaak bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is slechts anders indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf door de bestreden beslissing ernstig in gevaar wordt gebracht. Dat de verzoekende partij kosten heeft gemaakt en inkomsten misloopt doordat zij het nieuwe restaurant niet kan uitbaten, betekent nog niet dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van haar bedrijf in het gedrang dreigt te komen door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden VII-42.083 -7/9 beslissingen. De verzoekende partij geeft immers zelf aan dat de opening van haar gastronomisch restaurant een nieuwe, bijkomende vestiging betreft en dat haar bestaande vestiging (een eetgelegenheid waar eenvoudige Thaise gerechten worden geserveerd) “succesvol” en zelfs “zeer succesvol” is. Verder blijkt uit het businessplan van de verzoekende partij voor het nieuwe restaurant en de jaarrekening van het inkomstenjaar 2021 dat de onderneming van de verzoekende partij inderdaad “succesvol” kan worden genoemd aangezien ze een aanzienlijk grotere omzet dan verwacht genereert. De verzoekende partij maakt derhalve niet aannemelijk dat zij door de bestreden beslissingen in haar voortbestaan wordt bedreigd en dat het doorlopen van een gewone schorsingsprocedure of een vernietigingsprocedure niet volstaat om haar belangen veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. V. Conclusie
- Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen. VI. Voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Uit het bovenstaande blijkt dat een grondvoorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen, niet is vervuld. Om diezelfde redenen dient de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, waarvoor geen andere gronden worden ingeroepen, te worden afgewezen. VII-42.083 -8/9 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.083 -9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.912 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div