id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.914 Rolnummer: A. 235645/IX-10003 Zaak: Arrest 256914 - Tucht (openbaar ambt) - 23/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-06 05:18 Fiche Arrest nr 256.914 van 23 juni 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.914 van 23 juni 2023 in de zaak A. 235.645/IX-10.003 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Beelen en Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het autonoom overheidsbedrijf SKEYES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Ian Arnouts en Lieselotte Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van het directiecomité van het autonoom overheidsbedrijf Skeyes van 15 juli 2021 waarbij XXXX met ingang van 31 juli 2021 de tuchtstraf van het ontslag wordt opgelegd; - de beslissing van het directiecomité van 7 januari 2022 waarbij de voormelde tuchtbeslissing van 15 juli 2021 wordt bevestigd en gehandhaafd; - de beslissing van het directiecomité van 31 mei 2021 om de schorsing van de twee tegen XXXX opgestarte tuchtvorderingen naar aanleiding van de feiten die zich hebben voorgedaan, enerzijds, op 24 juli 2017 en, anderzijds, op 11, 29 en IX-10.003-1/37 30 augustus 2017 en 18 september 2017, op te heffen en aldus beide tuchtvorderingen voort te zetten. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 mei 2023. Met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met één lid. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ian Arnouts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een andersluidend advies gegeven. IX-10.003-2/37 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is bij de verwerende partij tewerkgesteld als eerstaanwezend verkeersleider ‘ADR’. 3.2. Blijkens een document van de verwerende partij, genaamd ‘Beschrijving van de feiten die aanleiding geven tot het nemen van een beslissing tot schorsing in hoogdringendheid in het belang van de dienst’, doen zich in september 2016, op 24 juli 2017 en op 11, 29 en 30 augustus 2017 met verzoeker een aantal incidenten of gebeurtenissen voor, namelijk: “1. Incident in september 2016 1. Op 7 september 2016 heeft zich een incident voorgedaan in de luchtverkeerstoren van Belgocontrol te Steenokkerzeel tussen een luchtverkeersleider, de heer XXXX, en de woordvoerder van Belgocontrol, [D.D.]. [D.D.] kwam die dag met een cameraploeg van een regionale Brusselse zender om een reportage te maken in de luchtverkeerstoren. Dit bezoek was vooraf aangekondigd en besproken met de verantwoordelijke van de luchtverkeerstoren en de supervisor, die op zijn beurt de luchtverkeersleiders die op dat ogenblik in dienst waren, had verwittigd zodat deze desgevallend konden aangeven niet in beeld te willen komen. De heer XXXX verzette zich niet tegen de aanwezigheid van de cameraploeg, maar versperde [D.D.] ostentatief de toegang tot de werkvloer. De heer XXXX zei tegen [D.D.] dat hij er niets te zoeken had en maande hem op agressieve toon aan om te vertrekken. Na een gesprek tussen [D.D.] en de heer XXXX waarbij deze laatste herhaalde dat [D.D.] er niet in kwam, dreigde de heer XXXX ermee [D.D.] van de trap te duwen. Omwille van de agressieve toon, zijn blik en houding, besloot [D.D.] op de trap te blijven staan en de werkvloer niet te betreden. De Directeur-Generaal Operaties, [P.D.], was getuige van dit incident. De manifest vijandige houding in hoofde van de heer XXXX ten aanzien van [D.D.] vindt volgens de heer XXXX zelf haar oorsprong in de communicatie in de media i.v.m. een aantal beleidsbeslissingen die werden genomen in het kader van de herstructurering van Belgocontrol en die ook de luchtverkeersleiders aanbelangen. In samenspraak met de Directeur Human Resources van Belgocontrol, [T.J.], IX-10.003-3/37 werd aan dit incident geen tuchtrechtelijk gevolg gegeven, op voorwaarde dat het gedrag zich niet zou herhalen. Het incident leek daarmee afgesloten. 2. Incident van 24 juli 2017 1. Op 24 juli 2017 was een bezoek aan de luchtverkeerstoren gepland door de ceo van Belgocontrol, [J.D.], samen met een externe bezoeker. Dit bezoek werd voorafgaandelijk gepland en gecoördineerd. Op het ogenblik dat [J.D.] de operationele ruimte van de luchtverkeersleiders met zijn bezoeker betreedt, stond de heer XXXX op en roept hij hoorbaar het volgende: ‘Als de ceo hier is, wil ik niet meer werken.’ [J.D.] reageerde niet op deze provocatie, en bleef ter plaatse staan met de bezoeker. De heer XXXX verliet zijn werkpost en werd afgelost. Nadien meldde [J.D.] dit incident bij schrijven van 28 juli 2017 aan de Directeur Human Resources, [T.J.]. 3. Incident van 11 augustus 2017 2. Omdat zich in het verleden reeds gelijkaardige feiten hadden voorgedaan, werd er naar aanleiding van de feiten op 24 juli 2017 besloten om een tuchtprocedure op te starten tegen de heer XXXX. Wat betreft de feiten van 24 juli ll. besprak [S.V.D.S.], in haar hoedanigheid van Head of Unit, op 11 augustus 2017 met de heer XXXX het incident dat zich op 24 juli 2017 had voorgedaan. Tijdens dit gesprek verklaarde de heer XXXX dat hij niet kan of wil werken in het bijzijn van de ceo. [S.V.D.S.] probeerde op hem in te praten, maar de heer XXXX zegde haar dat hij niet zal toegeven. [S.V.D.S.] wijst hem op de mogelijke gevolgen van het incident, waarop de heer XXXX zegt ‘dan is het hij (de ceo) of ik’. Wanneer [S.V.D.S.] hem de vraagt stelt: ‘Wat als jij het dan wordt?’, antwoordt hij: ‘dan ga ik hem thuis opzoeken’. De heer XXXX maakt ondertussen een beweging met zijn hand richting keel. [S.V.D.S.] heeft dit voorval gerapporteerd aan [T.J.]. 4. Bespreking van 29 augustus 2017 4. Naar aanleiding van de feiten van 24 juli 2017 werd de heer XXXX overeenkomstig artikel 26, §§1 en 2 van het Administratief Statuut van de Ambtenaren van Belgocontrol uitgenodigd voor een onderhoud op 29 augustus 2017. De deelnemers waren de heer XXXX, [M.D.], OPS Coordinator en [T.J.], Directeur Human Resources. 5. Op dinsdag 29 augustus 2017 kwam de heer XXXX na zijn shift vroeger dan op het afgesproken tijdstip naar het kantoor van [M.D.], die in gesprek was met de verantwoordelijke van de Luikse verkeerstoren, [R.H.]. In het bijzijn van deze laatste begon de heer XXXX in het kantoor van [M.D.] een betoog waarin hij [J.D.] en [D.D.] viseerde en hen omschreef als de vijand, die moest verdwijnen. De heer XXXX maakte bij dit alles een gespannen indruk en werd tot kalmte aangemaand door [M.D.]. Niettemin vervolgde de heer XXXX zijn reeks van verwijten aan het adres van de ceo en de woordvoerder en stelde daarbij dat hij zelf niet zou opstappen, maar dat de ceo moet opstappen. 6. Op het afgesproken tijdstip kwam [T.J.] voor het geplande onderhoud met de heer XXXX, waarna [R.H.] het kantoor verliet. De heer XXXX erkende tijdens het onderhoud dat de twee incidenten zich hadden voorgedaan en herhaalde dat hij [J.D.] als persona non grata beschouwt binnen het bedrijf. De heer XXXX benadrukte daarenboven dat iedereen die niet volgens zijn waarden IX-10.003-4/37 en standaarden werkt, verkeerd is. Wanneer hij erop werd gewezen dat het incident plaatsvond in aanwezigheid van een externe bezoeker, wat negatief afstraalt op Belgocontrol, antwoordde de heer XXXX dat dit voor hem niets uitmaakt: [J.D.] moet weg. Verdere discussie was voor hem niet nodig, omdat er in het kader van zijn waarden en normen geen overeenstemming te vinden is tussen het beleid en de persoon van de ceo en hemzelf, aldus de heer XXXX. Als reden voor het incident gaf de heer XXXX aan dat hij meent dat het beleid moet veranderen en er geen respect is voor de luchtverkeersleiders en hij één van de weinigen is die durft te tonen wat hij voelt. 7. Na het gesprek werd door [T.J.] gevraagd aan de heer XXXX of er vanuit het bedrijf psychologische bijstand (CISM, POBOS) kan aangeboden worden. De heer XXXX heeft daarop geantwoord dat hij deze reeds heeft gezocht, maar dit geen structurele oplossing voor hem biedt en hij dan ook niet ingaat op het voorstel. 5. Incident van 30 augustus 2017 8. Van het hierboven beschreven onderhoud werd een verslag opgesteld, dat door de heer XXXX, [T.J.] en [M.D.] op korte termijn diende te worden ondertekend. Onverwacht en onuitgenodigd kwam de heer XXXX op 30 augustus 2017 in het bureel van [M.D.] en vond er opnieuw een gesprek plaats tussen beiden. De heer XXXX verklaarde het niet eens te zijn met het voorstel om een tuchtsanctie op te leggen, omdat deze volgens hem werd opgelegd omwille van verkeerde redenen. Hij herhaalde vervolgens opnieuw zijn verwijten en bedreigingen t.a.v. de ceo en de woordvoerder. Daarbij kondigde de heer XXXX ten overstaan van [M.D.] aan dat hij actie zou ondernemen. Ondanks dat [M.D.] de heer XXXX probeerde te kalmeren en hierbij geenszins meer uitleg vroeg over het soort actie waarop de heer XXXX doelde, vervolgde de heer XXXX dat hij de ceo wel te pakken zou krijgen, alsook zijn dochter, daar hij wist waar zij woonden. Daarop wees [M.D.] hem op het volstrekt ongeoorloofd karakter van dit soort dreigementen en raadde hij de heer XXXX aan om, als hij zijn vijandigheid ten aanzien van de ceo en de persverantwoordelijke niet kon verwerken, psychologische hulp zou kunnen zoeken. De heer XXXX liet verstaan in het verleden reeds hulp te hebben gezocht, maar dat dit niet mocht baten. Hij voegde hieraan toe dat er wel meerdere mensen waren die hem reeds een psychopaat hadden genoemd en dat hij dit besefte en daar geen problemen mee had. Volgens hem zou iemand er voor moeten zorgen dat [J.D.] en [D.D.] verwijderd zouden worden uit Belgocontrol, en dat hij deze taak op zich zou nemen ongeacht de gevolgen. Zo stelde hij het volgende: ‘I’ll take one for the team’. Bij het zien van de geschokte gezichtsuitdrukking van [M.D.], vervolgde de heer XXXX dat het doden en folteren van mensen overal ter wereld voorkomt, en dat hijzelf geen graten ziet in het pijn doen van personen. Hij verklaarde daarenboven dat het pijnigen van mensen, waarbij men niet weet dat hij de dader is of dat wel weet maar dat niet kan bewijzen, hem een kick geeft. Hij gaf IX-10.003-5/37 aan niet aan zijn proefstuk toe te zijn en verwees daarbij naar een voormalige officier instructeur van de luchtmacht met wie hij een vertroebelde relatie had tijdens de periode dat hij in dienst was bij het Belgisch Leger. Nadat zijn tewerkstelling bij het Belgisch Leger werd beëindigd, ging hij bij de politie aan de slag, waarbij hij aangaf zijn politionele bevoegdheden aan te hebben gewend om zo de ‘whereabouts’ van deze voormalige officier van de luchtmacht te weten te komen. De heer XXXX gaf aan deze persoon gedurende verschillende jaren te hebben geterroriseerd, maar dat hij uit de handen van het gerecht kon blijven, omdat men nooit enig bewijs had kunnen vinden. Tot slot herhaalde de heer XXXX vervolgens dat hij het niet eens was met de voorgestelde tuchtsanctie. Hierbij stelde hij bovendien het volgende: ‘Iedereen die het papier van de tuchtsanctie ondertekent, staat voor mij op dezelfde lijst als de ceo.’ Hierop repliceerde [M.D.] geschrokken dat ook hij dit papier zou moeten ondertekenen, waarop de heer XXXX enkel het volgende antwoordde: ‘Dat weet ik! Het zal gebeuren wanneer je het het minst verwacht, ik weet iedereen wonen’. Met deze bedreigende woorden verliet de heer XXXX het kantoor van [M.D.]. De heer XXXX voerde dit ‘gesprek’ op een zeer kalme, bedaarde toon en niet in een emotionele opwelling. [M.D.] heeft dit voorval gerapporteerd aan [T.J.].” 3.3. Blijkens een “Incidentenrapport” van de verwerende partij van 19 september 2017 deed zich met verzoeker op 18 september 2017 nog het volgende voorval voor: “Security interventie op 18 september om 14h40 ter hoogte van de toegang tot de site Belgocontrol. Voor de makkelijke leesbaarheid van het document: Dhr. XXXX: HG Dhr. […]: HB HG meld[d]e zich aan bij de toegang tot de Belgocontrol site op 18 september 2017 tegen 14h40. Toen hij HB, verantwoordelijke beveiliging opmerkte, stopte hij onmiddellijk zijn wagen, niettegenstaande hij nog niet tot dicht genoeg bij de snelsluitende poort stond om deze eventueel met een badge te openen. HG liet ook onmiddellijk het raam zijde bestuurder zakken om in gesprek te treden. HB verwelkomde HG en gaf aan dat hij opdracht had gekregen om aan HG mede te delen dat deze geen toegang zou krijgen tot de site. HG vroeg of HB wist waarom. HB antwoord[d]e dat hij dit niet wist, enkel dat er een schrijven per deurwaarder was overgemaakt aan HG. HG beweerde dit schrijven nog niet te hebben ontvangen. HB gaf aan om een kopie van dit schrijven in gesloten omslag te kunnen overmaken, hetgeen aansluitend ook gebeurde. IX-10.003-6/37 Aansluitend verklaarde GH dat hij nu wel de tijd zou hebben om na te denken hoe hij iemand zou kunnen vermoorden. HB reageerde hierop met te stellen: ‘ik heb dit laatste niet gehoord, stop met zeveren’. In reactie hierop werd bovenstaande nog twee maal herhaald. Vervolgens werd het gesprek afgesloten en verliet HG de omgeving van de toegang tot de Belgocontrol site. Om 16h07 werd HB op zijn dienst gsm gebeld door HG met de mededeling dat na lezing van het aan hem gerichte schrijven hij beter begreep wat HB bedoelde met ‘ik heb dit laatste niet gehoord, stop met zeveren’. HG verklaarde dat zijn uitspraken als grap bedoeld waren en dat hij dit niet meende. Letterlijk stelde HG: ‘Dit was een grapje’.” 3.4. Door de verwerende partij wordt ten laste van verzoeker op grond van het incident dat zich op 24 juli 2017 heeft voorgedaan, een eerste tuchtprocedure opgestart. Op grond van de incidenten of gebeurtenissen op 11, 29 en 30 augustus 2017 en op 18 september 2017 volgt een tweede tuchtprocedure. 3.5. Gelet op de aard van (het merendeel van) de feiten die aanleiding zijn voor het opstarten van de twee tuchtprocedures ten laste van verzoeker, dienen de betrokken personen op 12 september 2017 tegen verzoeker een klacht met burgerlijke partijstelling in bij de onderzoeksrechter te Brussel. 3.6. Bij beslissingen van 15 september 2017, 29 september 2017, 30 mei 2018, 28 september 2018, 28 januari 2019, 25 november 2020 en 7 januari 2022 wordt verzoeker geschorst in het belang van de dienst, aanvankelijk met volledig behoud van de wedde en met ingang van 1 januari 2021 met gedeeltelijk behoud van de wedde. Verzoeker vecht sommige van die beslissingen aan met beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State (zaken A. 232.728/IX-9828 en A. 235.654/IX-10.005). Deze beroepen worden verworpen, respectievelijk bij arrest nr. 256.913 en arrest nr. 256.915 van heden. 3.7. Op 10 oktober 2017 beslist het directiecomité om de twee ten laste van verzoeker opgestarte tuchtvorderingen te schorsen totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak zal zijn gedaan over de ingestelde strafvordering. IX-10.003-7/37 Het directiecomité verwijst daarbij telkens naar artikel 28, § 4, van het administratief statuut van de ambtenaren van de verwerende partij (hierna: het administratief statuut). 3.8. In een schrijven van 10 januari 2018 meldt de onderzoeksrechter te Brussel aan de indieners van de klacht met burgerlijke partijstelling dat verzoeker “in verdenking [werd] gesteld voor feiten van mondelinge bedreigingen onder bevel of een voorwaarde met een aanslag op personen of op eigendommen, bedreigingen door gebaren of zinnebeelden met een aanslag op personen of op eigendommen, en belaging”, alsook dat verzoeker “na afloop van zijn voorgeleiding onder voorwaarden opnieuw in vrijheid [werd] gesteld” en dat hem onder meer een contactverbod werd opgelegd. 3.9. Op 14 april 2020 beslist de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel om verzoeker naar de correctionele rechtbank te verwijzen. 3.10. Op 29 maart 2021 volgt het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in strafzaken. Dat vonnis omschrijft de tenlasteleggingen ten aanzien van verzoeker als volgt: “A. mondelinge bedreigingen onder bevel of voorwaarde met aanslagen op personen of eigendommen waarop criminele straffen zijn gesteld Te Steenokkerzeel tussen 1 september 2016 en 19 september 2017, meermaals, mondeling, onder een bevel of onder een voorwaarde te hebben bedreigd met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is, namelijk: 1. tussen 1 september 2016 en 30 september 2016, op een onbepaalde datum, te hebben gedreigd de genaamde [D.D.] van de trap te duwen indien hij zich zou toegang verschaffen tot de luchtverkeerstoren op de luchthaven van Zaventem in het bijzijn van een cameraploeg, 2. op 30 augustus, te hebben gedreigd de genaamden [J.D.], [D.D.], [T.J.] en [M.D.] te pijnigen, te folteren en mogelijks te doden indien hem een tuchtsanctie zou worden opgelegd en indien [J.D.] als ceo van Belgocontrol zou aanblijven, IX-10.003-8/37 3. op 18 september 2017, te hebben gedreigd na te denken over de manier waarop de genaamde [J.D.] zou worden vermoord indien de toegang tot de werkvloer hem verboden blijft. (art. 327 lid 1 Sw) B. bedreigingen door gebaren of zinnebeelden met aanslagen op personen of eigendommen waarop criminele straffen zijn gesteld Te Steenokkerzeel op 11 augustus 2017, door gebaren of zinnebeelden de genaamde [J.D.] te hebben bedreigd met een aanslag op personen of eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is, namelijk door een snijbeweging te maken over keel. (art. 329 Sw).” Het vonnis spreekt verzoeker vrij voor tenlastelegging A3. Voorts acht het de tenlasteleggingen A1, A2 – aangevuld als volgt: op 30 augustus 2017 in plaats van “op 30 augustus” – en B bewezen. Het veroordeelt verzoeker op strafgebied tot een gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete van 150 euro, te verhogen met de opdeciemen, met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar wat de totaliteit van de hoofdgevangenisstraf betreft. 3.11. Op 23 april 2021 tekent verzoeker tegen het voormelde vonnis beroep aan bij het hof van beroep te Brussel. 3.12. Daaropvolgend beslist het directiecomité op 31 mei 2021 om de schorsing op te heffen van de twee ten laste van verzoeker opgestarte tuchtvorderingen voor de feiten die zich hebben voorgedaan op 24 juli 2017 enerzijds en op 11, 29 en 30 augustus 2017 en op 18 september 2017 anderzijds en aldus beide tuchtvorderingen voort te zetten. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat een vonnis waartegen hoger beroep wordt aangetekend in principe nog niet kwalificeert als een in kracht van gewijsde gegane uitspraak in de zin van artikel 28, §4 van het Administratief Statuut, maar dat het opportuun wordt geacht om de schorsing van de twee tuchtvorderingen op te heffen teneinde de redelijke termijnvereiste te kunnen respecteren; Overwegende dat de twee tuchtvorderingen reeds in 2017 werden opgestart IX-10.003-9/37 en dus al bijna vier jaar lopende zijn, hetgeen het gevolg is van de strafvordering t.a.v. de heer XXXX die geresulteerd heeft in het vonnis d.d. 29 maart 2021 van de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel in strafzaken; Dat de heer XXXX gebruik heeft gemaakt van zijn recht op hoger beroep tegen voormeld vonnis, hetgeen evenwel tot gevolg heeft dat de strafvordering in beginsel nog een bijkomende doorlooptijd van enkele jaren zal hebben; Dat skeyes aldus geconfronteerd wordt met de situatie dat de tuchtvorderingen in principe heel die tijd geschorst zouden moeten blijven overeenkomstig [artikel] 28, §4 van het Administratief Statuut; Overwegende dat de redelijke termijnvereiste impliceert dat de tuchtoverheid de verplichting heeft om een tuchtvordering binnen een redelijke termijn af te handelen (zie artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens); Dat de periode tijdens dewelke de tuchtvordering door de strafvordering wordt geschorst – omdat de tuchtoverheid krachtens de toepasselijke regelgeving verplicht is te wachten op het resultaat van de strafvordering – mee in aanmerking wordt genomen voor de beoordeling van de redelijke termijn, zodat gebeurlijke vertragingen bij de afwikkeling van de strafprocedure bijgevolg aan de tuchtoverheid kunnen worden toegeschreven; Dat er een reëel risico is dat aan skeyes een schending van de redelijke termijnvereiste verweten zou worden indien de definitieve uitkomst van de strafvordering wordt afgewacht, hetgeen aldus aanleiding zou kunnen geven tot de nietigverklaring van de tuchtstraf; Dat de raadsman van de heer XXXX immers bij herhaling heeft beargumenteerd dat skeyes gebonden blijft door de redelijke termijnvereiste en skeyes aldus heeft opgeroepen om de tuchtvorderingen voort te zetten; Overwegende dat skeyes als zorgvuldig bestuur het belang erkent om de twee tuchtvorderingen te kunnen afronden binnen een redelijke termijn en het aldus noodzakelijk acht in het belang van alle betrokkenen om de tuchtvorderingen nu reeds voort te zetten zonder de definitieve uitkomst van de strafvordering te kunnen afwachten; Overwegende dat in de beide tuchtvorderingen reeds een onderhoud met de hiërarchische overste heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 26, §2 van het Administratief Statuut; Dat de tuchtvorderingen aldus moeten worden voortgezet overeenkomstig het Administratief Statuut; Overwegende dat de HR directeur – als algemeen verantwoordelijke voor personeelsaangelegenheden – in de gegeven omstandigheden het best geplaatst is om de tuchtvorderingen voort te zetten.” Deze beslissing maakt het derde voorwerp uit van het voorliggende beroep (hierna: derde bestreden beslissing). IX-10.003-10/37 3.13. Op 11 juni 2021 formuleert de directeur Human Resources het voorstel om verzoeker voor de feiten van 11, 29 en 30 augustus 2017 en 18 september 2017 de tuchtstraf van het ontslag op te leggen. 3.14. Op 17 juni 2021 dient verzoeker tegen dat tuchtvoorstel een bezwaar in bij het directiecomité. 3.15. Nadat verzoeker is gehoord, beslist het directiecomité op 15 juli 2021 om verzoeker met ingang van 31 juli 2021 bij tuchtmaatregel te ontslaan. Deze beslissing maakt het eerste voorwerp uit van het voorliggende beroep (hierna: eerste bestreden beslissing). Met betrekking tot verzoekers grief dat “[d]e redelijke termijn zou zijn geschonden en de tuchtprocedure […] van rechtswege geschorst [moet] blijven” overweegt het directiecomité: “De heer XXXX bekritiseert dat de feiten die hem ten laste gelegd worden, dateren uit augustus en september 2017, maar dat afgelopen vier jaren ‘geen enkele tuchtonderzoeksdaad of daad van tuchtvervolging’ zou zijn gesteld, hoewel het beginsel van de redelijke termijn ook in tuchtzaken zou gelden. Dat hij voorts opwerpt dat het niet aan het Directiecomité zou toekomen om de schorsing van de tuchtprocedure op te heffen. De kritiek van de heer XXXX houdt geen steek in de mate dat hij perfect op de hoogte is van het gegeven dat de tuchtvordering geschorst is geweest in de periode tussen 10 oktober 2017 en 31 mei 2021. Ingevolge artikel 28, §4 van het Administratief Statuut dient de tuchtvordering immers geschorst te worden totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak wordt gedaan over de ingestelde strafvordering. De bewering dat er ‘geen enkele geldige reden’ zou zijn geweest om de tuchtprocedure niet voort te zetten is in deze niet correct. In de ‘beslissing tot opheffing van de schorsing van de twee tuchtvorderingen opgestart tegen de heer XXXX’ d.d. 31 mei 2021 heeft het Directiecomité reeds op uitvoerige wijze uiteengezet waarom besloten is om de tuchtvorderingen alsnog voort te zetten ingevolge het hoger beroep van de heer XXXX tegen zijn strafrechtelijke veroordeling in eerste aanleg d.d. 29 maart 2021. In het bijzonder is hierbij opgemerkt ‘dat er een reëel risico is dat aan skeyes een schending van de redelijke termijnvereiste verweten zou worden indien de definitieve uitkomst van de strafvordering wordt afgewacht’, zodat IX-10.003-11/37 ‘skeyes als zorgvuldig bestuur het belang erkent om de twee tuchtvorderingen te kunnen afronden binnen een redelijke termijn en het aldus noodzakelijk acht in het belang van alle betrokkenen om de tuchtvorderingen nu reeds voort te zetten’. De omstandigheid dat het Directiecomité hiertoe besloten heeft op basis van de actuele gegevens van het dossier, doet geen afbreuk aan het gegeven dat op 10 oktober 2017 rechtsgeldig besloten is om de tuchtprocedure te schorsen in afwachting van de uitkomst van de strafrechtelijke procedure. Aldus is duidelijk waarom het standpunt van skeyes ter zake geenszins tegenstrijdig is. Aangezien het Directiecomité bevoegd is om de tuchtprocedure te schorsen, is [het] bij voorbaat uiteraard ook bevoegd om die schorsing op te heffen. Overigens is ook op te merken dat de heer XXXX de beslissing d.d. 10 oktober 2017 noch deze van 31 mei 2021 op geen enkel moment formeel betwist heeft.” 3.16. Op 27 juli 2021 tekent verzoeker bij de adviesraad van de verwerende partij beroep aan tegen de voormelde tuchtbeslissing van het directiecomité. 3.17. Op 21 december 2021 adviseert de adviesraad aan het directiecomité om: - de beslissing van 31 mei 2021 tot opheffing van de schorsing van de tuchtprocedure en tot voortzetting van die procedure in te trekken; - de beslissing van 15 juli 2021 tot ontslag van verzoeker bij tuchtmaatregel eveneens in te trekken; - de nog te nemen beslissing over de ordemaatregel van schorsing in het belang van de dienst – daterend van 25 november 2020 en waarover de adviesraad ook advies verleende – bij deze gelegenheid te heroverwegen zodat er duidelijkheid bestaat voor alle betrokkenen over “de rechtssituatie van eenieder”. In het advies wordt onder meer overwogen: “Het verder zetten van de hangende tuchtvordering: 09. Uit de stukken blijkt dat de tuchtprocedure ten aanzien van de heer XXXX met betrekking tot de beweerde feitelijkheden waaromtrent de thans bestreden beslissing handelt, bij beslissing van het Directiecomité van 10 oktober 2017 geschorst werd ‘totdat een in kracht van gewijsde uitspraak wordt gedaan over de ingestelde strafvordering’. 10. Dat het Directiecomité evenwel op 31 mei 2021 besliste: ‘om de schorsing van de tuchtvorderingen opgestart tegen de heer XXXX naar IX-10.003-12/37 aanleiding van de feiten die zich hebben voorgedaan op enerzijds 24 juli 2017 en anderzijds 11, 29 en 30 augustus 2017 en 18 september 2017 op te heffen en aldus beide tuchtvorderingen voort te zetten overeenkomstig de bepalingen van het Administratief Statuut’ en waarbij verder beslist werd: ‘de HR Directeur zal de beide tuchtvorderingen voortzetten overeenkomstig het Administratief Statuut’. 11. De heer XXXX heeft geen formeel beroep aangetekend tegen deze beslissing die hem ter kennis gebracht werd bij aangetekend schrijven van 11 juni 2021; wel blijkt dat: - in voormelde kennisgeving geen expliciete verwijzing stond naar een eventuele mogelijkheid om daartegen beroep aan te tekenen, - hij ook niet vooraf desbetreffend werd gehoord, - die kennisgeving als onderwerp aangaf: ‘betreft: voorstel tot tuchtstraf’, - hem bij die kennisgeving het voorstel tot tuchtstraf van 11 juni 2021 en inhoudende het ontslag als tuchtmaatregel ter kennis gebracht werd, - hij in die kennisgeving werd gewezen op de mogelijkheid om over een periode van vijftien dagen na het viseren van dat voorstel, daartegen een gemotiveerd bezwaar in te dienen, - namens hem zijn raadsman mr. Carème bij aangetekende brief van 17 juni 2021 een gemotiveerd bezwaar indiende, - in dat bezwaar onder andere aangehaald wordt onder punt 6. ‘... werpen wij in ondergeschikte orde op dat de tuchtprocedure van rechtswege geschorst is krachtens artikel 28 § 4 Administratief Statuut, waarbij het niet aan het Directiecomité behoort om de schorsing op 31 mei 2021 op te heffen. Het Directiecomité is daartoe onbevoegd en heeft er in elk geval geen rechtsgrond voor’, - dhr. XXXX op de hoorzitting van 6 juli 2021 en middels latere opmerkingen op het verslag van die hoorzitting o.a. ook aanvoerde: ‘hij is van mening dat het standpunt van skeyes inzake de schorsing van de tuchtprocedure tegenstrijdig is: enerzijds wordt beroep gedaan op het Administratief Statuut om te verantwoorden dat gedurende een termijn van 4 jaar geen enkele actie in de tuchtprocedure wordt genomen en anderzijds wordt nu alsnog besloten om de tuchtprocedure voort te zetten terwijl de strafprocedure nog niet definitief afgerond is’ (citaat uit de bestreden beslissing). 12. Gelet op al die gegevens is de overweging van skeyes m.n. ‘Overigens is ook op te merken dat de heer XXXX de beslissing (...) van 31 mei 2021 op geen enkel moment formeel betwist heeft’ niet aan te nemen; de heer XXXX heeft die handelwijze betwist en werd daarbij geconfronteerd met de quasi gelijktijdigheid van de kennisgevingen van zowel de beslissing van 31 mei 2021 als van het voorstel tot tuchtstraf van 11 juni 2021 bij eenzelfde aangetekende brief derwijze dat hij deze gezamenlijk kon bestrijden en ook heeft betwist. 13. Het behoort derhalve, voor elk ander onderzoek, eerst te adviseren omtrent de vraag of skeyes, na eerst de tuchtvordering geschorst te hebben bij beslissing van 10 oktober 2017, vermocht om op 31 mei 2021 te beslissen de tuchtvordering verder te zetten en daaropvolgend de bestreden beslissing van 15 juli 2021 te nemen. 14. Artikel 28 § 4 A.S.A.s. bepaalt: ‘de tuchtvordering wordt geschorst totdat IX-10.003-13/37 een in kracht van gewijsde gegane uitspraak werd gedaan over de in voorkomend geval ingestelde strafvordering[’]; het betreft derhalve een normatieve verplichting die in de regel bindend is voor het Directiecomité van skeyes; dit werd ook toegepast door het Directiecomité want de opgestarte tuchtvordering werd nadien geschorst bij beslissing van 10 oktober 2017 omwille van die norm. 15. De beslissing van 31 mei 2021 om de schorsing van de tuchtvordering op te heffen en de tuchtvordering verder te zetten, gevolgd door de bestreden beslissing van 15 juli 2021, is in essentie gemotiveerd op ‘een reëel risico dat aan skeyes een schending van de redelijke termijnvereiste verweten zou worden indien de definitieve uitkomst van de strafvordering wordt afgewacht (...)’ en ‘dat de heer XXXX gebruik heeft gemaakt van zijn recht op hoger beroep tegen voormeld vonnis (correctionele rechtbank Brussel 29 maart 2021) hetgeen evenwel tot gevolg heeft dat de strafvordering in beginsel nog een bijkomende doorlooptijd van vele jaren zal hebben’. 16. Niet weerlegd wordt dat de heer XXXX, als ambtenaar, er recht op heeft dat zijn tuchtzaak binnen een redelijke termijn wordt behandeld door een onafhankelijke en onpartijdige instantie die zal beslissen over betwistingen inzake rechten en plichten van burgerlijke aard; dit recht dient de betrokken ambtenaar. Daarnaast is aan te nemen dat ook de voormelde normatieve verplichting zoals beschreven in artikel 28 § 4 A.S.A.s. evenzo het belang van de betrokken ambtenaar dient. 17. Voor de Adviesraad is het duidelijk, mede gelet op de hoorzitting – hoewel de heer XXXX in de door hem in zijn beroepschrift en antwoordnota’s aangevoerde middelen desbetreffend niet steeds even consequent blijkt –, dat hij niet wenst om de tuchtprocedure te versnellen en dat hij blijvend wenst beroep te doen op voormelde bescherming die het reglement hem biedt. 18. Daarnaast blijkt dat het Directiecomité niet heeft vastgesteld dat de redelijke termijn overschreden zou zijn indien er ten tijde van de tuchtbeslissing geen tuchtoordeel zou tussenkomen, doch enkel aangeeft dat een reëel risico tot overschrijding mogelijk zou zijn in de toekomst m.n. omdat de strafprocedure nog een bijkomende doorlooptijd van vele jaren zou hebben. 19. Ook liggen blijkbaar geen nieuwe elementen met betrekking tot de voorgehouden feiten ten gronde – die door de heer XXXX betwist worden – voor. 20. Er is geen absolute drempel waaronder of waarboven de duur van een tuchtprocedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is; de beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure gebeurt in het licht van de omstandigheden van de zaak waarbij in overweging dienen genomen: de complexiteit van de zaak, de houding van de betrokken ambtenaar en van diens bevoegde autoriteiten en het belang van de zaak voor de betrokken partijen. 21. In deze is de Adviesraad van mening dat, gelet op voorgaande overwegingen, er ten tijde van de beslissing van 31 mei 2021 (opheffing schorsing) noch ten tijde van de beslissing van 15 juli 2021 (bestreden beslissing) noch momenteel reeds, enige grondslag is om de toepassing van artikel 28 § 4 A.S.A.s. te negeren. IX-10.003-14/37 22. Alle overige door de partijen aangevoerde middelen zijn voor de Adviesraad niet van aard om anders te moeten adviseren.” 3.18. Op 7 januari 2022 beslist het directiecomité om zijn beslissing van 15 juli 2021 houdende het ontslag van verzoeker bij tuchtmaatregel te bevestigen en te handhaven. Het directiecomité overweegt onder meer: “a. Betreffende de beslissing van 31 mei 2021 houdende opheffing van de schorsing van de tuchtvordering Overwegende dat de Adviesraad van oordeel is dat het behoort om ‘voor elk ander onderzoek, eerst te adviseren omtrent de vraag of skeyes, na eerst de tuchtvordering geschorst te hebben bij beslissing van 10 oktober 2017, vermocht om op 31 mei 2021 te beslissen de tuchtvordering verder te zetten en daaropvolgend de bestreden beslissing van 15 juli 2021 te nemen’ en dat de Adviesraad vervolgens adviseert om de beslissing van 31 mei 2021 in te trekken; Dat het Directiecomité evenwel vaststelt dat de heer XXXX op geen enkel moment formeel beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 31 mei 2021, hetgeen trouwens ook zo wordt erkend in randnummer 11 van het advies van de Adviesraad: ‘de heer XXXX heeft geen formeel beroep aangetekend tegen deze beslissing’; dat bovendien geen enkele van de zes wettigheidskritieken uit het beroepschrift d.d. 27 juli 2021 specifiek gericht was tegen de beslissing van 31 mei 2021; dat het beschikkend gedeelte van het beroepschrift d.d. 27 juli 2021 evenmin verzocht om de beslissing van 31 mei 2021 in te trekken, integendeel werd enkel verzocht om de bestreden beslissing (aangeduid als de beslissing van 15 juli 2021) te vernietigen; Dat het Directiecomité om die reden van oordeel is dat de beslissing van 31 mei 2021 niet werd voorgelegd aan de Adviesraad; Dat in het advies ook niet wordt geduid op welke juridische rechtsgrond gesteund wordt om deze beslissing mee in het advies te betrekken; dat artikel 35, §2 van het Administratief Statuut juncto artikel 1 van het Adviesraadreglement de bevoegdheid van de Adviesraad bepaalt; dat deze als opdracht heeft de ambtenaar te horen die beroep aantekent in het kader van en waar uitdrukkelijk voorzien door de statuten, reglementen en uitvoeringsreglementen; dat geen enkele bepaling in de reglementen voorziet in de mogelijkheid voor de ambtenaar om een beroep bij de Adviesraad aan te tekenen tegen een beslissing om de schorsing van de tuchtvordering op te heffen; dat het Administratief Statuut evenmin een algemene bepaling bevat op basis waarvan tegen elke beslissing van het Directiecomité van skeyes een beroep kan worden ingesteld bij de Adviesraad; dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan door de overwegingen die de Adviesraad vermeldt in randnummer 11 van het advies; dat de Adviesraad bijgevolg niet bevoegd is om een gemotiveerd IX-10.003-15/37 advies uit te brengen over de beslissing van 31 mei 2021; Overwegende dat het Directiecomité aldus van oordeel is dat er geen rechtsgrond noch reden is om de beslissing van 31 mei 2021 in te trekken; Overwegende dat ten overvloede verwezen wordt naar de overwegingen die in punt (
- b)hierna worden uiteengezet; b. Betreffende de beslissing van 15 juli 2021 houdende ontslag als tuchtstraf Overwegende dat de Adviesraad vooreerst van oordeel is dat ‘wel degelijk op regelmatige wijze een tuchtvordering tegen de heer XXXX aanhangig (
- is)gemaakt en deze thans nog steeds hangende (is)’; Overwegende dat er aldus sowieso geen reden is om de beslissing d.d. 15 juli 2021 te herzien en de tuchtvordering zonder gevolg af te sluiten; Overwegende dat de Adviesraad daarnaast van oordeel is dat enerzijds artikel 28, §4 van het Administratief Statuut een normatieve verplichting inhoudt die bindend is voor het Directiecomité van skeyes, en dat anderzijds de heer XXXX recht heeft op de behandeling binnen een redelijke termijn van zijn tuchtzaak; Dat de Adviesraad van oordeel is dat deze beide elementen de ambtenaar ‘dienen’, maar dat de heer XXXX ‘niet wenst om de tuchtprocedure te versnellen en dat hij blijvend wenst beroep te doen op de voormelde bescherming die (artikel 28, §4 van) het reglement hem biedt’; Overwegende dat het Directiecomité evenwel benadrukt dat de redelijke termijnvereiste volgt uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en dat deze supranationale norm primeert op het Administratief Statuut; dat het aldus bij voorbaat niet aan de heer XXXX toekomt om ter zake een ‘keuze’ te maken; dat de Adviesraad dit element niet in het advies heeft betrokken; Dat de Adviesraad ook niet ingaat op de door het Directiecomité aangehaalde rechtspraak van de Raad van State (RvS 21 november 2016, nr. 236.468) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 februari 2013, Müller-Hartburg) waaruit volgt dat de redelijke termijn begint te lopen bij de aanvang van de tuchtvordering en vertragingen bij de afwikkeling van de strafprocedure aan de tuchtoverheid toegeschreven kunnen worden bij de beoordeling van de redelijke termijn; Dat de Adviesraad aldus niet bijgetreden kan worden in haar ‘mening’ dat noch ten tijde van de beslissing van 31 mei 2021 (opheffing schorsing) noch ten tijde van de beslissing van 15 juli 2021 (bestreden beslissing) noch momenteel reeds, enige grondslag bestaat om de toepassing van artikel 28, § 4 van het Administratief Statuut te negeren; Dat bovendien objectief vastgesteld dient te worden dat de heer XXXX op het moment dat het Directiecomité haar beslissing van 15 juli 2021 heeft genomen bij herhaling het principe van de redelijke termijn had benadrukt, meer bepaald in: - zijn nota in het kader van het tuchtverhoor van 4 oktober 2017; - zijn beroepschrift bij de Adviesraad d.d. 6 januari 2021 inzake zijn schorsing in het belang van de dienst; - zowel zijn verzoekschrift d.d. 19 januari 2021 als zijn memorie van wederantwoord d.d. 8 juni 2021 voor de Raad van State in het kader van zijn schorsing in het belang van de dienst: IX-10.003-16/37 ‘dat de verwerende partij de rechtsplicht zou hebben om de definitieve uitkomst van de strafprocedure af te wachten alvorens uitspraak te doen over de tuchtvordering aangezien deze krachtens artikel 28 § 4 van het Administratief statuut zou zijn geschorst totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak zal zijn gedaan over de strafvordering – iets wat verzoeker uitdrukkelijk niet erkent; de tuchtoverheid blijft gebonden door de redelijke termijnvereiste die op zichzelf staat’ […]; - zijn gemotiveerd bezwaar dd. 17 juni 2021 tegen het voorstel van tuchtstraf dd. 11 juni 2021: ‘De redelijke termijn ex artikel 6 EVRM geldt ook in tuchtzaken. Er is geen enkele geldige reden waarom er zolang is gewacht om de tuchtprocedure verder te benaarstigen, terwijl cliënt gelet op de betekening van 21 september 2017 zolang onder het juk van een tuchtprocedure heeft moeten leven.’; - zowel zijn beroepschrift bij de Adviesraad d.d. 27 juni 2021 als zijn we- derantwoordnota d.d. 8 november 2021 in onderhavige zaak Dat de heer XXXX in voormelde wederantwoordnota d.d. 8 november 2021 uitdrukkelijk aangaf dat hij ‘het eens was met de analyse van skeyes (...) over de toepasselijkheid en de draagwijdte van de redelijke termijn’. Dat hieruit dient afgeleid te worden dat de heer XXXX dus geenszins voorafgaand aan de beslissing van 15 juli 2021 heeft geopteerd voor ‘de bescherming’ van artikel 28, §4 van het Administratief Statuut, net integendeel; dat de heer XXXX weliswaar inderdaad nadien ‘niet steeds even consequent’ is gebleken in zijn ‘keuze’, maar dat uiteraard geen rekening kan gehouden worden met zijn continu veranderend standpunt en dat dient te worden herhaald dat het sowieso ook niet aan de heer XXXX toekomt om zelf een ‘keuze’ te maken; Overwegende dat de Adviesraad voorts van oordeel is dat blijkt ‘dat het Directiecomité niet heeft vastgesteld dat de redelijke termijn overschreden zou zijn indien er ten tijde van de tuchtbeslissing geen tuchtoordeel zou zijn tussengekomen, doch enkel aangeeft dat een reëel risico tot overschrijding mogelijk zou zijn in de toekomst’ alsook dat ‘er geen absolute drempel is waaronder of waarboven de duur van een tuchtprocedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is en dat de beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure gebeurt in bet licht van de omstandigheden van de zaak’; Overwegende dat het Directiecomité van oordeel is dat er logischerwijze op het moment van de beslissing d.d. 15 juli 2021 nog geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien het Directiecomité in dat geval artikel 6 EVRM reeds geschonden zou hebben en het net de bedoeling is om dit te vermijden; Dat het Directiecomité van oordeel is dat zij dient te waken over het risico op overschrijding van de redelijke termijn in de toekomst met name omdat de strafprocedure nog een bijkomende doorlooptijd van vele jaren kan hebben; dat bijgevolg niet reeds een schending van dit beginsel dient voor te liggen, alvorens dit uitwerking kan hebben en dat zij van oordeel is dat zij als zorgvuldig bestuur dient te voorkomen dat dit beginsel geschonden wordt en om die reden genoodzaakt wordt om de tuchtvordering voort te zetten zonder de IX-10.003-17/37 definitieve uitkomst van de strafvordering te kunnen afwachten; Overwegende dat de Adviesraad vervolgens van oordeel is dat er geen nieuwe elementen met betrekking tot de voorgehouden feiten ten gronde voorliggen; Overwegende dat het Directiecomité van oordeel is dat het hoger beroep tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Brussel d.d. 29 maart 2021 tot gevolg heeft dat de strafvordering in beginsel nog een bijkomende doorlooptijd van vele jaren zal hebben en dat dit wel degelijk een nieuw element uitmaakt, dat ten tijde van de schorsing van de tuchtvordering ingevolge artikel 28, §4 van het Administratief Statuut nog niet voorhanden was; Dat overigens vastgesteld dient te worden dat thans, bijna 9 maanden na het instellen van het hoger beroep op 23 april 2021 en meer dan 4 jaar na het opstarten van de tuchtvordering, nog geen zicht is op een tijdstip waarop een arrest zal tussenkomen van het Hof van Beroep te Brussel; dat dit eens te meer bevestigt hoe lang de procedure in hoger beroep kan aanslepen, termijn gedurende dewelke de tuchtvordering dan opgeschort zou moeten blijven en waardoor de redelijke termijn dreigt te verstrijken; Overwegende dat het Directiecomité aldus van oordeel is dat er een reëel risico blijft bestaan dat aan skeyes een schending van de redelijke termijnvereiste verweten zou worden indien de definitieve uitkomst van de strafvordering zou worden afgewacht, hetgeen aldus aanleiding zou kunnen geven tot de nietigverklaring van de tuchtstraf; Dat de Adviesraad bovendien geenszins geoordeeld heeft dat de tuchtstraf van het ontslag niet proportioneel of onredelijk zou zijn; Overwegende dat het Directiecomité aldus van oordeel is dat er geen reden is om de beslissing van 15 juli 2021 in te trekken.” Deze beslissing maakt het tweede voorwerp uit van het voorliggende beroep (hierna: tweede bestreden beslissing). IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Wat de eerste bestreden beslissing betreft Standpunt van de partijen 4. Verzoeker voert in zijn inleidend verzoekschrift aan dat de eerste bestreden beslissing door de tweede bestreden beslissing niet uit de rechtsorde is verwijderd of vervangen, temeer aangezien in de tweede bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld dat de eerste bestreden beslissing wordt bevestigd en gehandhaafd. IX-10.003-18/37 5. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de eerste bestreden beslissing geen voor nietigverklaring vatbare rechtshandeling is, omdat er een georganiseerd administratief beroep tegen openstond overeenkomstig artikel 27 van het administratief statuut. Verzoeker heeft dat beroep overigens ook ingesteld en dat heeft geleid tot het advies van de adviesraad van 21 december 2021, waarna het directiecomité op 7 januari 2022 heeft besloten om de eerste bestreden beslissing te bevestigen en te handhaven. Volgens de verwerende partij is alleen die beslissing van 7 januari 2022 – de tweede bestreden beslissing – als eindbeslissing een voor nietigverklaring vatbare rechtshandeling en is het beroep onontvankelijk voor zover het mede tegen de eerste bestreden beslissing is gericht. 6. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker op de voormelde exceptie met verwijzing naar “datgene wat hij in het verzoekschrift hierover heeft gesteld”. Beoordeling 7. Alleen in laatste aanleg genomen administratieve beslissingen kunnen op een ontvankelijke wijze bij de Raad van State met een beroep tot nietigverklaring worden bestreden. 8. Artikel 27 van het administratief statuut luidt: “De ambtenaar aan wie een tuchtstraf werd opgelegd, anders dan een terechtwijzing of een blaam, kan hiertegen beroep aantekenen bij de Adviesraad.” Artikel 35, §§ 3 en 4, van het administratief statuut luidt: “§ 3. De Adviesraad brengt een gemotiveerd advies uit, gericht aan het Directiecomité. Het Directiecomité beslist vervolgens op gemotiveerde wijze IX-10.003-19/37 binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de verzoeker het uitgebrachte advies heeft geviseerd. § 4. In het geval het Directiecomité nalaat een beslissing te nemen binnen de termijn bepaald in § 3 van dit artikel, zal het gemotiveerd advies van de Adviesraad als beslissing gelden.” Gelet op deze statutaire bepalingen moet worden besloten dat de eerste bestreden beslissing géén in laatste aanleg genomen tuchtbeslissing is, maar dat er overeenkomstig artikel 27 van het administratief statuut een georganiseerde administratieve beroepsmogelijkheid tegen openstaat. Dat beroep houdt voor verzoeker een mogelijkheid in om de tuchtprocedure die tegen hem wordt gevoerd, een voor hem gunstige wending te doen nemen. Hij moet ze dan ook uitputten opdat hij zich – tegen de eindbeslissing – tot de Raad van State zou kunnen wenden. Verzoeker heeft overigens op 27 juli 2021 het bedoelde beroep tegen de thans bestreden beslissing van het directiecomité van 15 juli 2021 bij de adviesraad ingesteld. Dat beroep heeft geleid tot het advies van de adviesraad van 21 december 2021. Na kennis te hebben genomen van dat advies, besliste het directiecomité op 7 januari 2022 om zijn tuchtbeslissing van 15 juli 2021 te bevestigen en te handhaven. Ingevolge de devolutieve werking van het beroep, is deze laatstgenoemde beslissing van het directiecomité in de plaats gekomen van de bestreden beslissing van het directiecomité van 15 juli 2021. De omstandigheid dat de beslissing van het directiecomité van 7 januari 2022 gewag maakt van een bevestiging en handhaving van de beslissing van 15 juli 2021, doet daaraan geen afbreuk. 9. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling tot voorwerp heeft voor zover het is gericht tegen de eerste bestreden beslissing. Om die reden is het beroep alvast in zoverre niet ontvankelijk. IX-10.003-20/37 De exceptie is gegrond. IX-10.003-21/37 B. Wat de derde bestreden beslissing betreft Standpunt van de partijen 10. Verzoeker voert in zijn inleidend verzoekschrift aan dat de derde bestreden beslissing een aanvechtbare administratieve rechtshandeling is, “deel uitmakend van een complexe administratieve rechtshandeling, zijnde een schakel van een keten van voorbereidende bestuurshandelingen waarvan de onwettigheid mag worden aangebracht tegen de thans bestreden tuchtbeslissing(en), te meer aangezien die wordt geacht een determinerende invloed op de eindbeslissing, zijnde de thans bestreden tuchtbeslissingen te hebben”. 11. De verwerende partij antwoordt dat het beroep voor zover het tegen de derde bestreden beslissing is gericht, laattijdig is. Volgens haar beroept verzoeker zich bovendien ten onrechte op de theorie van de complexe administratieve rechtshandeling. Zij betoogt dat de beslissing tot opheffing van de schorsing van de tuchtvordering geen deel uitmaakt van een complexe administratieve rechtshandeling die resulteert in de ontslagbeslissing, maar een op zich staande beslissing is die niet kan worden beschouwd als een uitsluitend en noodzakelijk voorbereidende handeling ten aanzien van de uiteindelijke ontslagbeslissing. De beslissing tot opheffing van de schorsing van de tuchtvordering is er immers enkel op gericht de tuchtprocedure te kunnen voortzetten, maar strekt er niet noodzakelijk toe de ontslagbeslissing voor te bereiden en ze is dan ook niet uitsluitend met het oog daarop genomen. 12. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de aard van de eindbeslissing die de uitkomst is van de tuchtprocedure – een tuchtstraf, een tuchtrechtelijke vrijspraak of een beslissing om geen tuchtvoorstel te formuleren – niet relevant is voor het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een complexe administratieve rechtshandeling. Enkel relevant is dat de derde bestreden beslissing noodzakelijk erop gericht is om een eindbeslissing over de eerder opgestarte tuchtprocedure te nemen. IX-10.003-22/37 Beoordeling 13. De derde bestreden beslissing maakt, anders dan de verwerende partij het ziet, wel degelijk deel uit van een complexe administratieve verrichting, die een aanvang heeft genomen met de inleiding van de tuchtvorderingen ten laste van verzoeker en haar eindbeslissing vindt in de einduitspraak van het directiecomité over die tuchtvorderingen. De derde bestreden beslissing maakt deel uit van de ketting van handelingen gesteld door de tuchtoverheid die noodzakelijk leiden tot die einduitspraak en uitsluitend daarop gericht zijn. Terecht wijst verzoeker erop dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de aard van de mogelijke eindbeslissing. De omstandigheid dat de derde bestreden beslissing de opheffing van de schorsing van de tuchtvordering inhoudt en als zodanig niet ipso facto tot een tuchtrechtelijk ontslag leidt, neemt niet weg dat ze uitsluitend en noodzakelijk een einduitspraak over de tuchtvordering beoogt. 14. Het voorgaande impliceert dat verzoeker een eventuele onwettigheid die kleeft aan de derde bestreden beslissing en die de wettigheid aantast van de eindbeslissing van de complexe administratieve verrichting, alleszins vermag aan te voeren in het kader van zijn beroep gericht tegen die eindbeslissing. Opdat verzoeker de derde bestreden beslissing evenwel zelf mede tot voorwerp van zijn beroep tot nietigverklaring vermag te maken, moet die beslissing voldoen aan het vereiste een aanvechtbare beslissing te zijn. Daartoe volstaat het niet dat het gaat om een louter voorbereidende beslissing in het kader van een complexe administratieve verrichting. Een handeling die deel uitmaakt van een dergelijke verrichting, kan als zodanig slechts ontvankelijk door de benadeelde met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State worden bestreden indien ze voor de betrokkene direct grievend is. Dat is wat de derde IX-10.003-23/37 bestreden beslissing betreft niet het geval, aangezien ze de rechtstoestand van verzoeker in geen enkel opzicht wijzigt. De derde bestreden beslissing is geen vóórbeslissing die direct grievend is voor verzoeker, ze is daarentegen louter voorbereidend ten aanzien van de eindbeslissing. 15. Bijgevolg moet worden besloten, zo nodig ambtshalve, dat het voorliggende beroep niet ontvankelijk is voor zover het is ingesteld tegen de derde bestreden beslissing. Zoals hiervóór gesteld, mag de eventuele onwettigheid van die beslissing door verzoeker wel worden aangevoerd voor zover hij zijn beroep richt tegen de eindbeslissing van de complexe administratieve verrichting, namelijk de tweede bestreden beslissing. V. Onderzoek van het eerste middel Vooraf 16. Hierna wordt het eerste middel onderzocht voor zover het gericht is tegen de enige beslissing die ontvankelijk is bestreden, namelijk de tweede bestreden beslissing. Standpunt van de partijen 17. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 28, § 4, van het administratief statuut, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: formelemotiveringswet), “minstens van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en het algemeen rechtsbeginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’”. Verzoeker betoogt dat het directiecomité op 31 mei 2021 ten onrechte – gelet op artikel 28, § 4, van het administratief statuut – heeft beslist om IX-10.003-24/37 de schorsing van de tuchtvorderingen waartoe het op 10 oktober 2017 had besloten, op te heffen. Volgens verzoeker was het directiecomité daartoe onbevoegd en miste het in ieder geval een rechtsgrond om zo te handelen, aangezien er over de ingestelde strafvordering nog geen in kracht van gewijsde gegane uitspraak werd gedaan. Bij vonnis van de correctionele kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 maart 2021 werd hij weliswaar strafrechtelijk veroordeeld, maar tegen dat vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld met de vaste overtuiging te zullen worden vrijgesproken. Aldus, zo stelt verzoeker, is artikel 28, § 4, van het administratief statuut geschonden, evenals het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en het algemeen rechtsbeginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’. Voorts doet verzoeker gelden dat het directiecomité steunt op de beleidsvrijheid waarover het zou beschikken om de schorsing van de tuchtvorderingen op te heffen, terwijl de schorsing nochtans van rechtswege geldt en minstens een gebonden bevoegdheid van het directiecomité betreft. Hij wijst er tevens op dat, anders dan het directiecomité in de eerste bestreden beslissing heeft geoordeeld en in de tweede bestreden beslissing heeft bevestigd, hij van meet af aan de opheffing van de schorsing van de tuchtvorderingen heeft betwist, zo in zijn bezwaar tegen het tuchtvoorstel van 11 juni 2021 alsook in zijn beroep bij de adviesraad, en dat hij “die betwisting voortdurend [is] blijven voeren”. Voor zover de eerste bestreden beslissing aanneemt dat hij de rechtsgeldigheid van de beslissing van 31 mei 2021 tot opheffing van de schorsing van de tuchtvorderingen op geen enkel moment formeel heeft betwist, schendt ze volgens verzoeker dan ook de materiëlemotiveringsplicht. Aangezien de tweede bestreden beslissing de eerste bestreden beslissing bevestigt, schendt ze evenzeer de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker voegt eraan toe dat aangezien het directiecomité meent dat het motief van de beweerde niet-betwisting van de derde bestreden IX-10.003-25/37 beslissing kan volstaan om het aangevoerde bezwaar met betrekking tot de schending van artikel 28, § 4, van het administratief statuut te beantwoorden, moet worden besloten dat ook de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet zijn geschonden, nu voorts geen woord wordt besteed aan de weerlegging van dat bezwaar. Verzoeker stelt vervolgens dat de verwerende partij, in lijn met arrest nr. 190.728 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2009, slechts de keuzevrijheid heeft om een in kracht van gewijsde gegane uitspraak over de ingestelde strafvordering al dan niet af te wachten, in de mate dat de rechtsregels haar niet hiertoe verplichten. Het is voor hem duidelijk dat artikel 28, § 4, van het administratief statuut haar hiertoe wel verplicht. Hij benadrukt dat indien de tuchtoverheid op grond van het tuchtreglement verplicht is om de tuchtprocedure te schorsen in afwachting van een einduitspraak over de strafvordering, zij daarvan niet mag afwijken. Hij wijst erop dat artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat alleen de hoven en rechtbanken bevoegd zijn om administratieve reglementen buiten toepassing te verklaren wegens onwettigheid. Het directiecomité is echter een administratieve overheid die niet omheen de toepassing van haar eigen administratief statuut kan. De bewering van de verwerende partij voor de adviesraad dat het directiecomité bevoegd is om de schorsing van de tuchtvordering op te heffen “in zoverre” het ook bevoegd is om de tuchtprocedure te schorsen, kan volgens verzoeker niet worden bijgevallen, aangezien het voorschrift van artikel 28, § 4, van het administratief statuut, zoals hij reeds heeft vermeld, van rechtswege geldt en minstens een gebonden bevoegdheid betreft. De selectieve toepassing van dat voorschrift kan niet worden begrepen. De verwerende partij legt niet uit waarom zij op 10 oktober 2017 – de aanvang van de schorsing van de tuchtvordering – wel gebonden zou zijn geweest en op 31 mei 2021 niet meer. IX-10.003-26/37 Indien er voorrang wordt gegeven aan artikel 6 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (EVRM), dan zou dat zijn omdat artikel 28, § 4, van het administratief statuut er niet mee strookt, daarom die bepaling schendt en onwettig is, maar – zo herhaalt verzoeker – de verwerende partij is niet bevoegd om haar eigen administratief statuut niet toe te passen of buiten toepassing te verklaren. Voor zover de verwerende partij hem tegenstrijdigheid verwijt doordat hij enerzijds het principe van de redelijke termijn benadrukt en hij anderzijds bekritiseert dat het directiecomité met dit principe rekening heeft gehouden, wijst verzoeker erop dat hij het eerste middel “in hoofdorde” aanvoert en het tweede middel “in ondergeschikte orde”. Verzoeker meent er alle belang bij te hebben om een – in hoofdorde geformuleerd – middel te ontlenen aan de schending van artikel 28, § 4, van het administratief statuut. Dat (de verdere toepassing van) artikel 28, § 4, van het administratief statuut strijdig zou zijn met het principe van de redelijke termijn, is niet verwijtbaar aan verzoeker, maar wel aan de verwerende partij of minstens aan de auteur van het administratief statuut. Verzoeker wijst er nog op dat de adviesraad het directiecomité heeft geadviseerd om de derde bestreden beslissing in te trekken en dat de redenen die het directiecomité in de tweede bestreden beslissing heeft aangevoerd om dat niet te doen, geen steek houden, omdat hij – anders dan het directiecomité beweert – de wettigheid van de opheffing van de schorsing van de tuchtvorderingen wel heeft betwist, óók duidelijk in zijn verzoekschrift voor de adviesraad. Het motief van de tweede bestreden beslissing, ten slotte, dat de adviesraad niet bevoegd is om over de beslissing van het directiecomité van 31 mei 2021 een gemotiveerd advies uit te brengen en dat er geen rechtsgrond, noch reden is om die laatstgenoemde beslissing in te trekken, is onjuist en bovendien onwettig, aangezien die beslissing deel uitmaakt van een complexe administratieve verrichting en ze determinerend is voor de eindbeslissingen – de IX-10.003-27/37 eerste en de tweede bestreden beslissing – “waarvan niemand betwist dat die tot de bevoegdheid van de Adviesraad behoren”. 18. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissingen verantwoorden waarom in de gegeven omstandigheden besloten is tot de opheffing van de schorsing van de tuchtprocedure en die procedure wordt voortgezet. De omstandigheid dat verzoeker niet kan instemmen met die motivering impliceert niet dat geen formele motivering zou voorliggen en de formelemotiveringswet geschonden zou zijn. De verwerende partij erkent dat het vonnis waarbij verzoeker strafrechtelijk werd veroordeeld en waartegen hij hoger beroep heeft ingesteld, geen in kracht van gewijsde gegane uitspraak is zoals bedoeld in artikel 28, § 4, van het administratief statuut. Hiertegenover staat evenwel dat zij het noodzakelijk heeft geacht om de schorsing van de tuchtprocedure op te heffen met het oog op het respecteren van het redelijketermijnvereiste dat volgt uit artikel 6 EVRM. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van de Raad van State moet immers de periode tijdens dewelke de tuchtvordering omwille van de strafvordering werd geschorst, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de redelijke termijn. Om die reden is het volgens de verwerende partij niet problematisch dat het administratief statuut op dit vlak niet in enige discretionaire bevoegdheid voor het directiecomité voorziet. Wat de kritiek van verzoeker betreft dat het directiecomité onbevoegd is om de schorsing van de tuchtprocedure op te heffen, stelt de verwerende partij dat in zoverre het directiecomité bevoegd is om de tuchtprocedure te schorsen, het ook bevoegd is om die schorsing op te heffen indien daartoe een gegronde reden bestaat. Zij meent dan ook dat zij noch artikel 28, § 4, van het administratief statuut, noch het vertrouwensbeginsel of het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ heeft geschonden. Specifiek met betrekking tot het ingeroepen vertrouwensbeginsel, merkt de verwerende partij op IX-10.003-28/37 dat verzoeker geen gewag maakt van enige toezegging van haar kant die zij nadien zou hebben geschonden. De verwerende partij licht voorts toe dat ten tijde van de schorsing van de tuchtprocedure op 10 oktober 2017 het motief om ingevolge het redelijketermijnvereiste de tuchtprocedure voort te zetten nog niet voorhanden was. Het is pas door het verloop van de tijd dat het motief van de redelijke termijn speelt, aangezien er een reëel risico bestaat dat haar een schending van het redelijketermijnvereiste wordt verweten indien de definitieve uitkomst van de strafvordering wordt afgewacht. Dit wordt volgens haar duidelijk uiteengezet in de derde bestreden beslissing. Wat arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 van de Raad van State betreft, waarnaar verzoeker verwijst, doet de verwerende partij gelden dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de redelijke termijn niet in overweging mag worden genomen in het kader van een tuchtprocedure waarbij er een bepaling bestaat die inhoudt dat de procedure verplicht wordt geschorst zolang er over de strafprocedure geen uitspraak is gedaan die kracht van gewijsde heeft verworven. Volgens de verwerende partij blijkt uit arrest nr. 236.468 van 21 november 2016 dat de Raad van State in meer recente rechtspraak heeft bevestigd dat de redelijke termijn altijd in overweging moet worden genomen. Die rechtspraak steunt bovendien op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De verwerende partij besluit daaruit dat zij bij de beoordeling van de redelijke termijn wel degelijk rekening diende te houden met de termijn van de schorsing van de tuchtvorderingen. Voorts argumenteert de verwerende partij dat de houding van verzoeker “intern tegenstrijdig” is. Enerzijds benadrukt hij immers het principe van de redelijke termijn en hanteert hij dit als grondslag voor zijn tweede middel en anderzijds bekritiseert hij dat de verwerende partij met dit principe rekening heeft gehouden en hanteert hij dit als grondslag voor zijn eerste middel. Volgens de IX-10.003-29/37 verwerende partij heeft verzoeker in al zijn voorgaande stukken duidelijk het standpunt ingenomen dat de redelijke termijn van bij aanvang diende te worden gerespecteerd. Aangezien verzoeker het principe van de redelijke termijn meermaals zelf heeft benadrukt in de loop van “de ganse interne tucht- en schorsingsprocedures”, kan hij het de verwerende partij niet ernstig verwijten dat zij dit principe heeft gerespecteerd. Met betrekking tot de derde bestreden beslissing merkt de verwerende partij op dat daarin uitvoerig wordt gemotiveerd waarom wordt besloten tot de opheffing van de schorsing van de twee lopende tuchtprocedures en dat verzoeker die beslissing op geen enkel moment formeel heeft betwist, wat de adviesraad heeft bevestigd in zijn advies van 21 december 2021. De verwerende partij spreekt ook nogmaals tegen dat de derde bestreden beslissing deel zou uitmaken van een complexe administratieve rechtshandeling. De verwerende partij drukt haar verbazing uit over het feit dat de adviesraad adviseerde om de derde bestreden beslissing in te trekken. Vooreerst werd die beslissing immers nooit voor advies aan de adviesraad voorgelegd en kan deze raad niet in zijn standpunt worden bijgevallen dat verzoeker de derde bestreden beslissing tezamen met het tuchtvoorstel van 11 juni 2021 heeft betwist. Voorts is er geen rechtsbasis om een dergelijke beslissing voor advies voor te leggen. De verwerende partij stelt nog dat zij haar administratief statuut, in het bijzonder artikel 28, § 4, van dat statuut, niet met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing heeft gelaten wegens de onwettigheid ervan. Het enige wat zij heeft gedaan, is vaststellen dat het redelijketermijnvereiste voortvloeit uit de hogere rechtsnorm van artikel 6 EVRM en aldus primeert op het administratief statuut. De verwerende partij betoogt ten slotte dat het risico op een schending van de redelijke termijn wel degelijk concreet is gemotiveerd. De IX-10.003-30/37 redelijke termijn dreigt te worden overschreden, aangezien het hoger beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen het vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 29 maart 2021 tot gevolg heeft dat de strafvordering nog een bijkomende doorlooptijd van vele jaren zal hebben, terwijl de tuchtprocedure op het ogenblik van het instellen van dat hoger beroep reeds meer dan vier jaar eerder was opgestart. Logischerwijze was er op het ogenblik van het nemen van de eerste bestreden beslissing nog geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het was precies haar bedoeling om een schending van artikel 6 EVRM te vermijden. Zij stelt dat zij moet waken over het risico op een overschrijding van de redelijke termijn in de toekomst, omdat de strafprocedure nog een bijkomende doorlooptijd van vele jaren nodig kan hebben. Er dient nog geen schending van het beginsel van de redelijke termijn voor te liggen “alvorens dit uitwerking kan hebben”. De verwerende partij wil op deze manier als zorgvuldig bestuur een dergelijke schending voorkomen. Daarom was zij genoodzaakt om de tuchtvorderingen voort te zetten zonder de definitieve uitkomst van de strafvordering te kunnen afwachten. 19. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij er nog op dat de pleitzitting voor het hof van beroep te Brussel, in het kader van verzoekers hoger beroep in de strafprocedure, pas is vastgesteld op 17 oktober 2023. Volgens haar blijkt hieruit dat zelfs meer dan twee jaar na de tuchtbeslissing van 15 juli 2021 nog geen definitief arrest van het hof van beroep zal zijn tussengekomen en toont dit aan dat zij zulk een arrest niet kon blijven afwachten zonder het risico te lopen dat de redelijke termijn zou worden overschreden. Beoordeling 20. Verzoeker voert in het middel onder meer de schending aan van artikel 28, § 4, van het administratief statuut. 21. Deze normatieve bepaling luidt: IX-10.003-31/37 “De tuchtvordering wordt geschorst totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak werd gedaan over de in voorkomend geval ingestelde strafvordering.” Ze houdt in dat de tuchtvordering die is ingeleid tegen een personeelslid van de verwerende partij, van rechtswege wordt geschorst gedurende de in voorkomend geval ingestelde strafvordering en dat die schorsing, eveneens van rechtswege, blijft duren totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over die strafvordering. De omstandigheid dat aldus in een schorsing van rechtswege is voorzien, impliceert dat het bestuur omtrent het ingaan en het voortbestaan van de beoogde schorsing tot de in kracht van gewijsde gegane uitspraak over de strafvordering, zelfs geen uitdrukkelijke beslissing hoeft te nemen. De schorsing is uitvoerbaar louter uit kracht van de voormelde norm als zodanig. 22. In dit geval heeft het directiecomité op 10 oktober 2017 beslist om de twee ten laste van verzoeker ingeleide tuchtvorderingen te schorsen totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over de strafvordering die eveneens tegen verzoeker is ingesteld. Als zodanig heeft deze beslissing niets toegevoegd – en vermocht ze dat ook niet te doen – aan hetgeen reeds van rechtswege volgde uit het voorschrift van artikel 28, § 4, van het administratief statuut. Ze is louter declaratief. 23. Op 31 mei 2021 beslist het directiecomité dat de schorsing van de ten laste van verzoeker opgestarte tuchtvorderingen wordt opgeheven en beide tuchtvorderingen derhalve worden voortgezet. Als wezenlijk motief daarvoor wordt in die beslissing vermeld dat “er een reëel risico is dat aan [de verwerende partij] een schending van de redelijke termijnvereiste verweten zou worden indien de definitieve uitkomst van de strafvordering wordt afgewacht”. Verzoeker doet gelden dat aldus het voorschrift van artikel 28, § 4, van het administratief statuut en, dienvolgens, het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ worden geschonden. IX-10.003-32/37 24. Zoals hiervóór sub 13 en 14 werd vastgesteld, is de voormelde beslissing van het directiecomité van 31 mei 2021 – de derde bestreden beslissing – een louter voorbereidende beslissing in het kader van een complexe administratieve verrichting die resulteert in een eindbeslissing over de tuchtvorderingen ten laste van verzoeker. Een dergelijke beslissing is weliswaar geen voor vernietiging vatbare beslissing, maar verzoeker mag de onwettigheid ervan als annulatiemiddel aanvoeren in zijn beroep tegen de definitieve ontslagbeslissing – de tweede bestreden beslissing – die de eindbeslissing is van de complexe administratieve verrichting. 25. Verzoeker moet worden bijgevallen in zijn standpunt dat de voormelde beslissing van het directiecomité van 31 mei 2021 artikel 28, § 4, van het administratief statuut schendt. Immers door de schorsing van beide tuchtvorderingen ten laste van verzoeker op te heffen, doet deze beslissing afbreuk aan de schorsing van rechtswege van deze tuchtvorderingen, waarin door de voormelde normatieve bepaling is voorzien totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over de ingestelde strafvordering. De schorsing van rechtswege leidt tot de temporele onbevoegdheid van de verwerende partij, om definitief uitspraak te doen over de tuchtvordering. 26. Het hiervóór sub 23 vermelde motief van de beslissing van het directiecomité van 31 mei 2021 geeft aan dat de verwerende partij vreest dat de toepassing van artikel 28, § 4, van het administratief statuut in het geval van verzoeker zal leiden tot een overschrijding van het redelijketermijnvereiste dat is gewaarborgd door artikel 6, lid 1, EVRM. In haar memorie van antwoord licht de verwerende partij toe dat volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van de Raad van State de periode tijdens dewelke de tuchtvordering door de IX-10.003-33/37 strafvordering wordt geschorst omdat de tuchtoverheid krachtens de toepasselijke regelgeving verplicht is te wachten op het resultaat van de strafrechtelijke procedure, in aanmerking wordt genomen voor de beoordeling van de redelijke termijn. Volgens de verwerende partij laat de hogere norm van artikel 6, lid 1, EVRM het directiecomité toe om in het geval van verzoeker een einde te maken aan de toepassing van artikel 28, § 4, van het administratief statuut. Haar redenering faalt evenwel naar recht. Niet alleen moet worden vastgesteld dat aan het voorschrift van artikel 28, § 4, van het administratief statuut als zodanig geen schending van het redelijketermijnvereiste kan worden toegedicht. De verwerende partij wijst bovendien geen enkele rechtsgrond aan die het directiecomité zou toelaten om in het concrete geval van verzoeker af te wijken van een algemene regel van het administratief statuut, waarvan de Raad van State vermag aan te nemen dat hij overeenkomstig artikel 29, § 1, van de wet van 21 maart 1991 ‘betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven’ door het bevoegde orgaan van de verwerende partij – haar raad van bestuur – is vastgesteld. Indien dat bevoegde orgaan van oordeel is dat de toepassing van de vastgestelde algemene regel in sommige gevallen ertoe kan leiden dat het redelijketermijnvereiste in het gedrang komt, dan dient het zelf te remediëren aan de algemene regel en staat het niet aan het directiecomité om er in een individueel geval van af te wijken. 27. Voor zover de verwerende partij doet gelden dat verzoeker doorheen de procedure blijk heeft gegeven van een houding die “intern tegenstrijdig is”, doordat hij enerzijds het principe van de redelijke termijn benadrukt, maar hij haar anderzijds bekritiseert wanneer zij met dat principe rekening wil houden, stelt de Raad van State vast dat verzoeker zijn argumentatie IX-10.003-34/37 over beide punten en hun onderling verband ten aanzien van de tuchtoverheid niet steeds even duidelijk en consequent heeft verwoord, maar dat dit niets afdoet aan de verplichting voor de tuchtoverheid om bij de behandeling van verzoekers tuchtzaak het geldende artikel 28, § 4, van het administratief statuut te eerbiedigen. Verzoeker voert de miskenning van die verplichting in de uiteenzetting van het eerste middel in zijn inleidend verzoekschrift overigens “in hoofdorde” aan, de miskenning van de redelijke termijn in de uiteenzetting van het tweede middel “in ondergeschikte orde”. 28. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het eerste middel alvast gegrond is in de mate dat het de schending aanvoert van artikel 28, § 4, van het administratief statuut en van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’. Deze vaststelling volstaat opdat de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing dient te worden uitgesproken. Aangezien de tuchtprocedure tegen verzoeker ingevolge de hierna uit te spreken nietigverklaring geacht moet worden steeds geschorst te zijn gebleven, is een onderzoek van de andere middelen voorbarig. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het directiecomité van het autonoom overheidsbedrijf Skeyes van 7 januari 2022 waarbij het zijn beslissing van 15 juli 2021 om XXXX bij tuchtmaatregel met ingang van 31 juli 2021 te ontslaan bevestigt en handhaaft. 2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 IX-10.003-35/37 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.003-36/37 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.003-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.914 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div