← België

Arrest 256915 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.915 Rolnummer: A. 235654/IX-10005 Zaak: Arrest 256915 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-06 05:18 Fiche Arrest nr 256.915 van 23 juni 2023 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.915 van 23 juni 2023 in de zaak A. 235.654/IX-10.005 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Beelen en Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het autonoom overheidsbedrijf SKEYES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Ian Arnouts en Lieselotte Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van: 1) de beslissing van het directiecomité van het autonoom overheidsbedrijf Skeyes van 25 november 2020 waarbij: - de schorsing van XXXX in het belang van de dienst, die bij beslissing van 29 september 2017 werd uitgesproken en op 30 mei 2018, 28 september 2018 en 28 januari 2019 werd gehandhaafd, nogmaals wordt gehandhaafd, met dien verstande dat:  het directiecomité zal overgaan tot een herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst in het geval dat zich nieuwe feiten voordoen die een IX-10.005-1/47 nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst;  de schorsing in ieder geval van kracht blijft totdat het directiecomité zal hebben beslist in het kader van die herevaluatie;  de schorsing maximaal van kracht blijft totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over de strafvordering en totdat de twee in de beslissing van 29 september 2017 vermelde tuchtrechtelijke vervolgingen op definitieve wijze zijn beslecht, desgevallend na uitputting van de beroepsmogelijkheid waarin is voorzien in artikel 27 van het administratief statuut;  XXXX tijdens de periode van schorsing de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van Skeyes wordt ontzegd; - tevens wordt beslist dat de schorsing van XXXX in het belang van de dienst met ingang van 1 januari 2021 gepaard zal gaan met een gedeeltelijk behoud van de wedde, “met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement” en 2) de beslissing van het directiecomité van het autonoom overheidsbedrijf Skeyes van 7 januari 2022 waarbij de voormelde beslissing van 25 november 2020 wordt bevestigd en gehandhaafd, “zowel wat betreft de schorsing in het belang van de dienst van […] XXXX alsook om de schorsing in het belang van de dienst gepaard te laten gaan met het gedeeltelijk behoud van zijn wedde, met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-10.005-2/47 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 mei 2023. Met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met één lid. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ian Arnouts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is bij de verwerende partij tewerkgesteld als eerstaanwezend verkeersleider ‘ADR’. 3.2. Door de verwerende partij wordt ten laste van verzoeker op grond van feiten die zich op de werkvloer hebben voorgedaan op 24 juli 2017 een eerste tuchtprocedure opgestart. Op grond van feiten die zich hebben voorgedaan IX-10.005-3/47 op 11, 29 en 30 augustus 2017 en op 18 september 2017 volgt een tweede tuchtprocedure. 3.3. Gelet op de aard van (het merendeel van) de feiten die aanleiding zijn voor het opstarten van de twee tuchtprocedures ten laste van verzoeker, dienen de betrokken personen op 12 september 2017 tegen verzoeker een klacht met burgerlijke partijstelling in bij de onderzoeksrechter te Brussel. 3.4. Op 15 september 2017 beslist het directiecomité van de verwerende partij om verzoeker bij hoogdringendheid met onmiddellijke ingang te schorsen in het belang van de dienst, met behoud van de volledige wedde. Deze beslissing is tijdelijk, in afwachting van de beslissing die het directiecomité zal nemen na verzoeker te hebben gehoord. Tijdens de periode van schorsing wordt verzoeker de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van de verwerende partij ontzegd. 3.5. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 20 september 2017 laat de verwerende partij aan verzoeker weten dat op 18 september 2017 nieuwe feiten hebben plaatsgevonden die mee in rekening zullen worden gebracht in het kader van de schorsing in het belang van de dienst en waarover verzoeker eveneens zal worden gehoord. 3.6. Op 22 september 2017 wordt verzoeker door het directiecomité gehoord over zijn schorsing in het belang van de dienst. 3.7. Op 29 september 2017 beslist het directiecomité dat verzoeker met onmiddellijke ingang wordt geschorst in het belang van de dienst, zonder inhouding van een deel van de wedde, totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over de strafvordering en totdat de twee tuchtrechtelijke vervolgingen op definitieve wijze zijn beslecht, desgevallend na uitputting van de beroepsmogelijkheid. Tijdens de periode van schorsing wordt verzoeker de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van de verwerende partij ontzegd. IX-10.005-4/47 3.8. Eveneens op 29 september 2017 tekent verzoeker bij de adviesraad van de verwerende partij beroep aan tegen de beslissing van het directiecomité van 15 september 2017 betreffende zijn schorsing bij hoogdringendheid in het belang van de dienst. Op 6 oktober 2017 doet hij dat ook tegen de beslissing van het directiecomité van 29 september 2017. 3.9. Op 10 oktober 2017 beslist het directiecomité om de twee ten laste van verzoeker opgestarte tuchtvorderingen te schorsen totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak zal zijn gedaan over de ingestelde strafvordering. 3.10. Op 9 januari 2018 brengt de adviesraad een gemotiveerd advies uit over de door verzoeker aangetekende beroepen tegen de beslissingen van het directiecomité van 15 september 2017 en 29 september 2017 betreffende zijn schorsing in het belang van de dienst. Wat de beslissing van 15 september 2017 betreft, stelt de adviesraad vast dat er geen rechtsgrond bestaat die hem toelaat daarover een gemotiveerd advies uit te brengen. Wat de beslissing van 29 september 2017 betreft, adviseert de adviesraad om ze te herevalueren. 3.11. In een schrijven van 10 januari 2018 meldt de onderzoeksrechter te Brussel aan de indieners van de klacht met burgerlijke partijstelling dat verzoeker “in verdenking [werd] gesteld voor feiten van mondelinge bedreigingen onder bevel of een voorwaarde met een aanslag op personen of op eigendommen, bedreigingen door gebaren of zinnebeelden met een aanslag op personen of op eigendommen, en belaging”, alsook dat verzoeker “na afloop van zijn voorgeleiding onder voorwaarden opnieuw in vrijheid [werd] gesteld” en dat hem onder meer een contactverbod werd opgelegd. IX-10.005-5/47 3.12. Nadat het voormelde schrijven van de onderzoeksrechter aan het dossier van verzoeker is toegevoegd en daarover een hoorzitting is georganiseerd, beslist het directiecomité op 30 mei 2018 dat de schorsing van verzoeker in het belang van de dienst, zonder inhouding van een deel van de wedde, waartoe op 29 september 2017 werd besloten, gehandhaafd blijft, met dien verstande dat de schorsing wordt beperkt in de tijd, in die zin dat de schorsing en de eventuele verlenging ervan om de vier maanden opnieuw door het directiecomité zullen worden geëvalueerd, de schorsing van kracht blijft totdat het directiecomité in het kader van die herevaluatie zal hebben beslist en de schorsing maximaal van kracht blijft totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over de strafvordering en de twee in de beslissing van 29 september 2017 vermelde tuchtrechtelijke vervolgingen op definitieve wijze zijn beslecht, desgevallend na uitputting van de beroepsmogelijkheid waarin is voorzien in artikel 27 van het administratief statuut van de ambtenaren van de verwerende partij (hierna: het administratief statuut). Voorts blijft aan verzoeker tijdens de periode van schorsing de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van de verwerende partij ontzegd. 3.13. Op 28 september 2018 herevalueert het directiecomité de schorsing van verzoeker in het belang van de dienst en beslist hij om die schorsing zonder inhouding van een deel van de wedde te handhaven, onder dezelfde voorwaarden als bepaald op 30 mei 2018. 3.14. Op 28 januari 2019 volgt een nieuwe evaluatie, door het directiecomité, van de schorsing van verzoeker in het belang van de dienst. Het directiecomité handhaaft andermaal deze schorsing zonder inhouding van een deel van de wedde, ditmaal met dien verstande dat “[h]et Directiecomité zal overgaan tot een herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst, in het geval zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst”. IX-10.005-6/47 3.15. Op 14 april 2020 beslist de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel om verzoeker naar de correctionele rechtbank te verwijzen. 3.16. Nadat de verwerende partij kennis heeft gekregen van die verwijzing, nodigt zij verzoeker uit om daarover te worden gehoord in het kader van de herevaluatie van zijn schorsing in het belang van de dienst en het behoud van zijn wedde. Verzoeker wordt erop gewezen dat dit nieuwe element meegenomen zal kunnen worden in de herevaluatie van zijn schorsing en dat gelet op dat nieuwe element en aangezien verzoeker sinds lange tijd geen prestaties meer levert, wordt overwogen om het “weddecomplement” niet meer toe te kennen. 3.17. Op 25 november 2020 beslist het directiecomité om de schorsing van verzoeker in het belang van de dienst te handhaven, met dien verstande dat:  het directiecomité zal overgaan tot een herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst, in het geval dat zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst;  de schorsing in ieder geval van kracht blijft totdat het directiecomité zal hebben beslist in het kader van die herevaluatie;  de schorsing maximaal van kracht blijft totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over de strafvordering en totdat de twee in de beslissing van 29 september 2017 vermelde tuchtrechtelijke vervolgingen op definitieve wijze zijn beslecht, desgevallend na uitputting van de beroepsmogelijkheid waarin is voorzien in artikel 27 van het administratief statuut;  verzoeker tijdens de periode van schorsing de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van de verwerende partij wordt ontzegd. Tevens wordt beslist dat de schorsing van verzoeker in het belang van de dienst met ingang van 1 januari 2021 gepaard zal gaan met een gedeeltelijk behoud van de wedde, “met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement”. IX-10.005-7/47 Deze beslissing steunt onder meer op de volgende overwegingen: “II.c. Betreffende de ordemaatregel (

  1. a)Wat betreft de verantwoording van de schorsing in het belang van de dienst Overwegende dat de Adviesraad van oordeel is dat ‘een ingrijpende maatregel lastens de heer XXXX (werd) genomen op grond van een eerder gering door objectieve feiten gestaafd dossier’; Dat de Adviesraad hieruit, en uit de sedert de beslissing van 29 september 2017 verstreken termijn, afleidt dat het passend voorkomt om de ordemaatregel lastens de heer XXXX opnieuw te evalueren; Dat bij deze evaluatie, volgens de Adviesraad, erover gewaakt moet worden (
  2. i)dat de herinschakeling van de heer XXXX gebeurt in toepassing van de geijkte procedures, (
  3. ii)dat in het bijzonder rekening wordt gehouden met de maatschappelijke rol van skeyes inzake luchtverkeersveiligheid en (iii) dat een nieuwe ordemaatregel geldt voor een beperkte termijn en enkel mits nieuwe tussentijdse evaluaties wordt verlengd tot aan een eventuele tuchtrechtelijke beslissing; Overwegende dat de beslissing die op 29 september 2017 werd genomen een ordemaatregel is, die werd genomen om de goede werking van de dienst veilig te stellen; dat deze beslissing haar oorzaak vindt in het motief dat een schorsing nodig is om de goede werking van de dienst en de veiligheid van het luchtverkeer te vrijwaren; Overwegende dat de primaire en wettelijke taak van skeyes erin bestaat om de veiligheid van het luchtverkeer te verzekeren en skeyes de verantwoordelijkheid én de verplichting heeft deze veiligheid op continue wijze te vrijwaren; dat dit onder meer impliceert dat skeyes actief optreedt en maatregelen neemt die erop gericht zijn om het functioneren en de continuïteit van de veilige luchtverkeersleiding te verzekeren en de risico’s op een verstoring of ontwrichting ervan af te wenden/te neutraliseren; dat ook de Adviesraad één en ander erkent waar in het advies van 9 januari 2018 overwogen wordt dat ‘in het bijzonder rekening gehouden (moet) worden met de maatschappelijke rol van Belgocontrol inzake luchtverkeersveiligheid’; Overwegende dat de opdrachten die verband houden met de veiligheid van het luchtverkeer in grote mate berusten op de activiteiten van de luchtverkeersleiders; dat het beroep van luchtverkeersleider een veiligheidsfunctie bij uitstek uitmaakt en de luchtverkeersleider een unieke en cruciale rol speelt in een veilige luchtverkeersleiding; dat deze over specifieke bekwaamheden en gedragscompetenties dient te beschikken; Overwegende dat op basis van de primaire feitelijke gegevens waarover het Directiecomité beschikt er onzekerheid bestaat – en blijft bestaan – dat de heer XXXX tijdens de uitoefening van zijn functie nog over het vermogen beschikt om te handelen conform de voorgeschreven procedures en veiligheidsregels en dat dit een aanzienlijk veiligheidsrisico inhoudt; dat tevens niet kan uitgesloten IX-10.005-8/47 worden dat het gedrag van de heer XXXX een impact heeft op de activiteiten van de collega’s luchtverkeersleiders in operationele dienst; Dat beide voormelde omstandigheden potentiële risico’s voor de veilige afhandeling van het luchtverkeer impliceren; dat het Directiecomité om deze reden van oordeel blijft dat het momenteel niet langer verantwoord is om de heer XXXX tewerk te stellen binnen de luchtverkeersleidingsdienst; dat in hoofde van iemand die een dergelijke veiligheidsfunctie uitoefent niet de minste twijfel mag bestaan over zijn professionele bekwaamheid en onkreukbaarheid; Overwegende dat daarnaast ook het onderlinge vertrouwen, basis voor iedere samenwerking, tussen het personeelslid en zijn rechtstreekse en onrechtstreekse leidinggevenden op het eerste gezicht ernstig geschaad lijkt te zijn; Overwegende dat het Directiecomité bijgevolg van oordeel blijft dat de professionele vertrouwensband dermate aangetast is dat de aanwezigheid van de heer XXXX in welke functie ook binnen skeyes momenteel niet verenigbaar is met het belang van de dienst; Overwegende dat bijkomend dient vastgesteld te worden dat uit het schrijven van de Onderzoeksrechter te Brussel van 10 januari 2018 blijkt dat de heer XXXX in verdenking werd gesteld uit hoofde van feiten van mondelinge bedreigingen onder bevel of een voorwaarde met een aanslag op personen of op eigendommen, bedreigingen door gebaren of zinnebeelden met een aanslag op personen of op eigendommen en belaging; Dat de personen ten aanzien van wie de bedreigingen werden geuit allen werkzaam zijn binnen skeyes ([J.D.], [D.D.], [T.J.] en [M.D.]). (
  4. b)Wat betreft de herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst Overwegende dat de Adviesraad in zijn advies van 9 januari 2018 adviseert om deze ordemaatregel te beperken in de tijd, in die zin dat de schorsing en de gebeurlijke verlenging ervan onderworpen wordt aan tussentijdse evaluaties; Dat het Directiecomité in de beslissing van 28 januari 2019 evenwel van oordeel is geweest dat het niet langer aangewezen is om de ordemaatregel steeds om de 4 maanden opnieuw te evalueren, maar dat het Directiecomité zal overgaan tot een herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst, in het geval zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst; Dat de ordemaatregel, in tegenstelling tot wat de Adviesraad voorhoudt, niet beperkt dient te worden ‘tot aan een eventuele tuchtrechtelijke beslissing’, doch, in navolging van artikel 66 van het Administratief Statuut, totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en totdat de twee in de beslissing van 29 september 2017 vermelde tuchtrechtelijke vervolgingen op definitieve wijze beslecht worden, desgevallend na uitputting van de beroepsmogelijkheid voorzien in artikel 27 van het Administratief Statuut; Overwegende dat de Raadkamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij beschikking van 14 april 2020 heeft geoordeeld dat er afdoende bezwaren bestaan dat de heer XXXX de hem ten laste gelegde feiten gepleegd heeft, zodat beslist wordt om hem door te verwijzen naar de correctionele rechtbank; Dat deze beschikking tot doorverwijzing is voorafgegaan door een onderzoek van de ten laste gelegde feiten door het onderzoeksgerecht; dat de IX-10.005-9/47 doorverwijzing en het bestaan van afdoende bezwaren een nieuw feit vormt dat een nieuw licht kan werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst, zodat het Directiecomité dient over te gaan tot een herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst; Overwegende dat, zonder uitspaak te willen doen over de (on)schuld van de heer XXXX, het Directiecomité van oordeel is dat zijn aanwezigheid binnen skeyes nog steeds onverenigbaar is met het belang van de dienst zolang er geen uitsluitsel is over de strafvordering of zolang er geen herevaluatie is gebeurd, (op grond van eventuele) in het geval zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van deze ordemaatregel; dat het immers nog steeds niet uitgesloten is dat het gedrag van de heer XXXX een impact zou hebben op de activiteiten van zijn collega’s en op de veiligheid van de luchtverkeersleiding in het algemeen; dat daarenboven het onderling vertrouwen tussen de heer XXXX en zijn leidinggevenden minstens ernstig verstoord is; Dat de doorverwijzing naar de correctionele rechtbank zodoende alleen maar als een verdere bevestiging hiervan kan dienen en aldus de verlenging van de schorsing in het belang van de dienst verder verantwoordt; Dat de doorverwijzing de motieven voor de schorsing in het belang van de dienst niet tegen spreekt, net integendeel; Overwegende dat voormelde overwegingen van aard zijn en blijven om bewarende en preventieve maatregelen te nemen in het belang van de dienst en de veiligheid van het luchtverkeer; dat deze bijzondere omstandigheden de verdere verwijdering van de heer XXXX uit de dienst rechtvaardigen en een schorsing in het belang van de dienst in toepassing van artikel 66 van het Administratief statuut verantwoorden; (
  5. c)Wat betreft de verweermiddelen en opmerkingen van de heer XXXX Overwegende dat de verweermiddelen en de opmerkingen die de heer XXXX heeft aangehaald, niet van aard zijn om hier anders over te oordelen; Dat deze elementen inderdaad beoordeeld worden als volgt: […] (
  6. d)Wat betreft de handhaving van de schorsing in het belang van de dienst Overwegende dat de voorgaande elementen, in zoverre ze reeds opgenomen zijn in de beslissingen van 30 mei en 28 september 2018 en 28 januari 2019, op heden volledig en onverminderd relevant van kracht blijven en aldus evenzeer van aard zijn om een handhaving van de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst te verantwoorden; dat bovendien uit de inzage in het strafdossier blijkt dat een schorsing in het belang van de dienst nog steeds aangewezen is, nu de heer XXXX zich zal moeten verantwoorden voor de correctionele rechtbank voor de betreffende feiten; Dat het Directiecomité enerzijds van oordeel is dat de actuele situatie – zoals hiervoor uiteengezet – (nog steeds) verantwoordt dat de schoring als bewarende en preventieve maatregel gehandhaafd wordt in het belang van de dienst en de veiligheid van het luchtverkeer; Dat het Directiecomité anderzijds geen weet heeft van een nieuw – voorheen onbestaand en/of onbekend – element dat van aard zou zijn om anders te oordelen over het al dan niet handhaven van de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst; IX-10.005-10/47 Dat bovendien vastgesteld moet worden dat op de hoorzitting van 18 september 2020 geen wijziging in de situatie en/of een nieuw – voorheen onbestaand en/of onbekend – element werd gemeld door de heer XXXX of diens raadsman; Overwegende dat het Directiecomité de schorsing in het belang van de dienst oorspronkelijk om de 4 maanden opnieuw evalueerde; dat het weliswaar aangewezen kan zijn om de verlenging van deze ordemaatregel aan tussentijdse evaluaties te onderwerpen, maar dat een herevaluatie om de 4 maanden in de huidige omstandigheden – net als in de beslissing van 28 januari 2019 – niet langer als noodzakelijk voorkomt; Dat immers, zoals hiervoor gesteld, gebleken is dat de strafvordering nog steeds lopende is en dat het Directiecomité van oordeel is dat de aanwezigheid van de heer XXXX binnen skeyes onverenigbaar is met het belang van de dienst zolang er geen uitsluitsel is over deze strafvordering of zolang er geen herevaluatie is gebeurd, in het geval zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van deze ordemaatregel; Dat het daarom opnieuw niet opportuun wordt geacht om de schorsing in het belang van de dienst op een vast tijdstip (om de 4 maanden) te evalueren zolang er geen in kracht van gewijsde gegane uitspraak werd gedaan over de strafvordering en zolang de twee tuchtrechtelijke vervolgingen niet op definitieve wijze beslecht werden; Dat het Directiecomité de strafvordering zal opvolgen en gebeurlijk zal overgaan tot een herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst, in het geval zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van deze ordemaatregel; dat het ook aan de heer XXXX zelf toekomt om het Directiecomité in te lichten van nieuwe feiten waarvan hij meent dat deze tot herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst nopen. II.d Betreffende het behoud van de wedde zonder verdere toekenning van het weddecomplement (
  7. a)Wat betref het behoud van de wedde Overwegende dat artikel 66 §1 van het Administratief Statuut van skeyes bepaalt: ‘In geval van strafrechtelijke vervolging of tuchtrechtelijke vervolging ingevolge een ernstige tekortkoming kan de ambtenaar in het belang van de dienst bij beslissing van het Directiecomité worden geschorst, al dan niet met behoud van de volledige wedde.’; Overwegende dat de heer XXXX sinds de eerste schorsingsbeslissing – zijnde 29 september 2017 – weliswaar nog steeds de functie van luchtverkeersleider bekleedt, maar dat hij deze functie (vooralsnog) niet meer uitoefent ingevolge zijn schorsing in het belang van de dienst; Dat deze schorsing in het belang van de dienst bij onderhavige beslissing opnieuw verlengd wordt – in het licht van de doorverwijzing van de heer XXXX naar de correctionele rechtbank – zodat ook in de nabije toekomst de heer XXXX geen prestaties (meer) zal verrichten als luchtverkeersleider binnen skeyes; Dat het aldus in de gegeven omstandigheden niet te verantwoorden is dat de heer XXXX nog zijn volledige wedde als luchtverkeersleider zou blijven ontvangen; IX-10.005-11/47 Dat in die context de schorsing van de heer XXXX in het belang van de dienst gepaard dient te gaan met een slechts gedeeltelijk behoud van zijn wedde, onder meer omdat het volledige behoud van de wedde niet (langer) als gerechtvaardigd overkomt ten aanzien van de collega-luchtverkeersleiders die wél voltijds hun functie uitoefenen; Dat voormelde overwegingen van aard zijn om te rechtvaardigen dat de schorsing in het belang van dienst van de heer XXXX vanaf heden gepaard zal gaan met een gedeeltelijk behoud van zijn wedde, in toepassing van artikel 66 §1 van het Administratief statuut; Overwegende dat de verweermiddelen en de opmerkingen die de heer XXXX heeft aangehaald in zijn nota dd. 18 september 2020, niet van aard zijn om hier anders over te oordelen; Dat de heer XXXX hierover in hoofdorde opmerkt: - dat er geen nieuwe elementen zijn die de wijziging van het behoud van de wedde, inclusief weddecomplement, zouden kunnen verantwoorden; dat de doorverwijzing door de Raadkamer niets verandert aan dit standpunt; - dat het feit dat de heer XXXX sinds lange tijd geen prestaties meer levert binnen skeyes niet relevant is; dat dit laatste enkel toerekenbaar zou zijn aan skeyes omdat die ervoor zou hebben gekozen om de einduitspraak over de strafprocedure af te wachten, alvorens de tuchtprocedures verder te zetten; dat niets skeyes zou beletten om de tuchtprocedure verder te zetten; - dat de heer XXXX meewerkend is aan zowel de administratieve procedures van Skeyes als het gerechtelijk onderzoek; dat hijzelf dus geen oorzaak is van enige vertraging; Overwegende dat vooreerst dient te worden herinnerd aan artikel 28 §4 van het Administratief Statuut, volgens welke ‘de tuchtvordering wordt geschorst totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak werd gedaan over de in voorkomend geval ingestelde strafvordering.’; dat de beide tuchtvorderingen die binnen skeyes hangende zijn tegen de heer XXXX, bij beslissing van 10 oktober 2017 geschorst werden aangezien over dezelfde feiten een strafvordering werd ingesteld, waarover nog geen uitspraak is; dat het Directiecomité zich aldus voorlopig niet kan uitspreken over de tuchtvordering; Dat skeyes in deze dus geen andere keuze heeft dan het afwachten van de definitieve uitkomst van de strafprocedure alvorens uitspraak te doen over de tuchtvordering; dat zij anders zou handelen in strijd met haar eigen statuut; dat dit gegeven skeyes dus wel degelijk verhindert om de tuchtprocedures verder te zetten, en dat zij in tussentijd slechts de nodige ordemaatregelen kan nemen om de goede werking van de dienst veilig te stellen; dat de heer XXXX zich niet heeft verzet tegen de beslissingen van 30 mei 2018, 28 september 2018 en 28 januari 2019; Dat overigens de feiten die ten grondslag liggen aan deze schorsing – zonder uitspraak te willen doen over zijn (on)schuld – toe te rekenen zijn aan de heer XXXX zelf, aangezien net zijn eigen gedrag aanleiding heeft gegeven tot twee tuchtprocedures en zelfs tot een klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter gevolgd door een strafprocedure; Overwegende dat er strikt genomen geen nieuwe elementen noodzakelijk zijn om te verantwoorden waarom de wedde niet langer volledig behouden IX-10.005-12/47 wordt, aangezien artikel 66 §l van het Administratief statuut zonder meer de mogelijkheid verleent om de wedde al dan niet te behouden; dat de omstandigheid dat de schorsing van de heer XXXX tot nog toe gepaard ging met behoud van zijn volledige wedde, aldus niet verhindert om daar nu anders over te oordelen; Dat hiervoor reeds werd uiteengezet dat er overigens wel degelijk nieuwe elementen zijn om niet langer het (volledig) behoud van de wedde te verantwoorden; dat de doorverwijzing naar de correctionele rechtbank hierin een belangrijk gegeven is, aangezien dit impliceert dat de strafvordering nog enige tijd kan duren en, zoals uiteengezet onder titel II.c.
  8. d)de schorsing in het belang van de dienst aldus voorlopig behouden wordt; Overwegende dat het wel degelijk belangrijk is dat de heer XXXX geen prestaties meer levert binnen skeyes; Overwegende dat de vraag naar wie de oorzaak zou zijn voor de door de heer XXXX aangehaalde ‘vertraging’ in het verloop van de tucht- en strafprocedure, niet relevant is aangezien skeyes hier louter handelt in lijn met haar statuut. (
  9. b)Wat betreft de toekenning van het weddecomplement Overwegende dat artikel 66 §l van het Administratief statuut louter stipuleert dat bij een schorsing in het belang van de dienst de wedde al dan niet volledig behouden kan worden; dat het artikel geen beperking oplegt aan de mate van behoud van wedde; dat het behoud van een deel van de wedde echter als redelijk overkomt; Dat het Directiecomité in het schrijven d.d. 8 september 2020 heeft aangegeven om te overwegen om niet langer het weddecomplement toe te kennen; dat het geenszins buiten proportie is dat het weddecomplement van de heer XXXX voor de toekomst niet langer wordt toegekend; dat het weddecomplement ongeveer de helft van het totale verloningspakket vormt; dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de voorgenomen niet-toekenning van het weddecomplement onevenredig zou zijn en de heer XXXX in een moeilijke financiële positie zou brengen; dat de heer XXXX dit ook niet heeft opgeworpen; Dat het Directiecomité aldus beslist om de verlenging van de schorsing van de heer XXXX gepaard te laten gaan met het gedeeltelijk behoud van zijn wedde, met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement en dit met ingang vanaf 1 januari 2021; Overwegende dat de verweermiddelen die de heer XXXX hieromtrent ontwikkelt, niet anders kunnen doen besluiten; Volgens de heer XXXX zou hij op basis van artikel 4 van het Gradenreglement steeds recht hebben op behoud van minstens 38% van het weddecomplement, zijnde minstens 26% van het weddecomplement vermeerderd met 4% voor ieder jaar anciënniteit boven de 10 jaar; Overwegende dat de heer XXXX niet aantoont dat artikel 4 van het Gradenreglement een beperking zou inhouden op artikel 66 §1 van het Administratief statuut, dat als een op zichzelf staand artikel dient beschouwd te worden en waarin geen beperkingen zijn bepaald inzake de beslissing over het al dan niet behoud van de volledige wedde; Dat bijgevolg de beslissing van het Directiecomité om de schorsing gepaard te laten gaan met het gedeeltelijk behoud van zijn wedde, met name zonder IX-10.005-13/47 verdere toekenning van het weddecomplement volledig in lijn is met artikel 66 §1 van het Administratief statuut.” Dat is de eerste bestreden beslissing in de voorliggende zaak. Ze maakt tevens het (enige) voorwerp uit van het beroep dat verzoeker heeft ingesteld in de zaak A. 232.728/IX-9828. 3.18. Met een aangetekende brief van 18 december 2020 stelt het directiecomité verzoeker in kennis van die beslissing. 3.19. Op 6 januari 2021 tekent verzoeker bij de adviesraad beroep aan tegen de beslissing van 25 november 2020 tot handhaving van de schorsing in het belang van de dienst met gedeeltelijk behoud van zijn wedde, zonder verdere toekenning van het weddecomplement. 3.20. Op 16 februari 2021 wijst het secretariaat van de adviesraad verzoeker erop dat de adviesraad momenteel niet operationeel is, omdat hij niet is samengesteld, en dat het beroep bijgevolg niet binnen de in het reglement van de adviesraad bepaalde termijnen kan worden behandeld. 3.21. Bij vonnis van 29 maart 2021 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in strafzaken bepaalde feiten in hoofde van verzoeker bewezen en veroordeelt hem op grond daarvan tot een gevangenisstraf, met uitstel van de tenuitvoerlegging, en een geldboete. 3.22. Op 23 april 2021 tekent verzoeker tegen het voormelde vonnis beroep aan bij het hof van beroep te Brussel. 3.23. Daaropvolgend beslist het directiecomité op 31 mei 2021 om de schorsing op te heffen van de twee ten laste van verzoeker opgestarte tuchtvorderingen voor de feiten die zich hebben voorgedaan op 24 juli 2017 IX-10.005-14/47 enerzijds en op 11, 29 en 30 augustus 2017 en op 18 september 2017 anderzijds en aldus beide tuchtvorderingen voort te zetten. Verzoeker vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (derde bestreden beslissing in de zaak A. 235.645/IX-10.003). 3.24. Op 15 juli 2021 beslist het directiecomité om verzoeker de tuchtstraf van het ontslag op te leggen met ingang van 31 juli 2021. Verzoeker vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (eerste bestreden beslissing in de zaak A. 235.645/IX-10.003). 3.25. Op 27 juli 2021 tekent verzoeker bij de adviesraad beroep aan tegen die tuchtbeslissing. 3.26. Op 20 december 2021 brengt de adviesraad alsnog volgend advies uit over het op 6 januari 2021 door verzoeker aangetekende beroep tegen de beslissing van het directiecomité van 25 november 2020 tot handhaving van de schorsing in het belang van de dienst met gedeeltelijk behoud van wedde, zonder verdere toekenning van het weddecomplement: “[De adviesraad] [a]dviseert om de bewuste beslissing te herzien in die zin dat de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst en het ontzeggen van de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van skeyes en met gedeeltelijk behoud van de wedde zou behouden blijven met dien verstande evenwel dat: - ten volle wordt rekening gehouden met het feit dat de wedde zoals hier bedoeld twee componenten heeft waarbij een eventuele vermindering van elk van die componenten afzonderlijk wordt gemotiveerd, - bij het verminderen van het deel weddecomplement, ter begroting van het aandeel dat voor een inhouding van wedde kan overwogen worden, een berekening zou worden gemaakt die analoog is met hetgeen omschreven staat in artikel 4 van het Gradenreglement, - het aan het Directiecomité toekomt om te beoordelen of het volstaat om een inhouding op de wedde te berekenen zoals hiervoor geadviseerd, dan wel of IX-10.005-15/47 daarnaast ook nog een vermindering van de basiswedde aangewezen voorkomt; daartoe zal het Directiecomité zodanige vermindering dienen te motiveren, - dat de inhouding van de wedde proportioneel en redelijk dient te zijn en alleszins geen verdoken tuchtmaatregel kan zijn.” Dit advies steunt onder meer op de volgende overwegingen: “Wat betreft het onderdeel inhoudende de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst en het ontzeggen van de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van skeyes. 01. Artikel 66 § 1. van voormeld A.S.A.s. voorziet dat de ambtenaar, in geval van strafrechtelijke vervolging of tuchtrechtelijke vervolging in gevolge een ernstige tekortkoming, bij beslissing van het Directiecomité kan worden geschorst in het belang van de dienst. 02. Op die basis werd dhr. XXXX reeds voorheen, bij opeenvolgende beslissingen van het Directiecomité van 29 september 2017, 30 mei 2018, 28 september 2018 en 28 januari 2019 voorlopig geschorst; dhr. XXXX heeft tegen de beslissing van 29 september 2017 beroep aangetekend bij de Adviesraad, die daarop het Directiecomité geadviseerd heeft; de latere voormelde ordemaatregelen werden niet aangevochten; de twee in deze aangevoerde middelen beogen in essentie het tweede onderdeel van de bestreden beslissing m.n. waarbij beslist werd om met ingang vanaf 1 januari 2021 de schorsing in het belang van de dienst gepaard te laten gaan met het gedeeltelijk behoud van zijn wedde, met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement. 03. Dhr. XXXX wordt strafrechtelijk vervolgd en de hem daarbij ten laste gelegde feiten maken mee deel uit van de door skeyes voorgehouden feiten; deze strafzaak heeft nog niet geleid tot een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak gelet op het hoger beroep tegen het vonnis van de correctionele rechtbank van Brussel van 29 maart 2021; de strafrechtelijke vervolging is dus nog steeds bestaande. 04. skeyes dient wettelijk en in essentie op continue wijze de veiligheid van het luchtverkeer te regelen en dient derhalve actief maatregelen te nemen om deze opdracht te verzekeren en alle mogelijke risico’s die mogelijk die continuïteit zouden kunnen in het gedrang brengen, te vermijden; het is niet betwist dat een luchtverkeersleider bij die opdracht een unieke en cruciale rol te vervullen heeft. 05. De aan dhr. XXXX verweten feiten – die hij betwist en dat is zijn recht en die vooralsnog niet strafrechtelijk bindend bewezen zijn – lijken in hun omschrijving van aard om redelijkerwijze aan te nemen dat de veilige afhandeling van het luchtverkeer mogelijk in het gedrang zou komen indien dhr. XXXX in de gegeven omstandigheden zijn functie als luchtverkeersleider reeds effectief zou uitoefenen; ook het gegeven dat enkele van die beweerde feiten mee steunen op verklaringen van IX-10.005-16/47 medepersoneelsleden van dhr. XXXX zou kunnen wijzen op mogelijke onderliggende spanningen hetgeen ook dan een mogelijke impact zou kunnen hebben op een efficiënt en veilig luchtverkeer. 06. In die optiek komt de bewuste beslissing wat betreft de tijdelijke schorsing van de dienst, met daaraan gekoppeld het ontzeggen van de toegang tot de lokalen en IT-systemen van skeyes aannemelijk, redelijk en verantwoord over, ook nu nog en volledig in het belang van de dienst m.n. teneinde de wettelijke opdracht om de veiligheid te garanderen van het luchtverkeer, te kunnen blijven uitvoeren. Wat betreft het onderdeel m.b.t. de beslissing om met ingang vanaf 1 januari 2021 de schorsing in het belang van de dienst gepaard te laten gaan met het gedeeltelijk behoud van zijn wedde, met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement. 07. Voormeld artikel 66 § 1. van voormeld A.S.A.s. voorziet dat in geval het Directiecomité beslist tot (tijdelijke) schorsing in het belang van de dienst, het die schorsing al dan niet kan gepaard laten gaan met behoud van de volledige wedde; het Directiecomité kan derhalve de volledige wedde geheel/deels niet behouden; het behoort het Directiecomité daaromtrent te oordelen. 08. Het komt de Adviesraad voor dat het weddecomplement zoals voorzien in het Reglement tot vaststelling van de Graden en Weddeschalen van de Ambtenaren van Belgocontrol (thans skeyes en verder ‘Gradenreglement’ genoemd) inherent deel uitmaakt van ‘de wedde’ zoals vermeld en bedoeld in artikel 66 § 1. A.S.A.s. 09. Of artikel 4 van voormeld Gradenreglement en waarin melding gemaakt wordt van ‘ieder personeelslid dat om eender welke reden opgehouden heeft een functie uit te oefenen waaraan een weddecomplement gekoppeld is ...’ ook betrekking heeft op een personeelslid dat tijdelijk bij ordemaatregel in overeenstemming met artikel 66 § 1. A.S.A.s. geschorst wordt in het belang van de dienst, is niet met zekerheid te adviseren; noch de tuchtregeling, noch de regeling inzake van tijdelijke schorsing in het belang van de dienst noch het Gradenreglement geven enig tekstargument tot het maken van zodanige toepassing. 10. Het gegeven dat de voorheen genomen beslissingen tot tijdelijke schorsing in het belang van de dienst geen inhouding van wedde inhielden en gepaard gingen met behoud van wedde, staat er niet aan in de weg dat een nieuwe latere ordemaatregel kan inhouden dat er geen volledig behoud van wedde meer beslist wordt; het Directiecomité kan in de regel een genomen ordemaatregel steeds, na een evaluatie en het personeelslid gehoord te hebben, herzien. 11. Het Adviescomité neemt aan dat het gegeven dat dhr. XXXX door de Raadkamer van Brussel strafrechtelijk verwezen was naar de correctionele rechtbank door het Directiecomité kan aangezien worden als een nieuw element gelet op het gegeven dat daaruit redelijkerwijze kon afgeleid worden dat de strafrechtelijke vervolging nog geruimere tijd zou in beslag nemen dan voorheen aangenomen; dat een nieuwe IX-10.005-17/47 ordemaatregel, en andersluidend dan de voorgaande, werd genomen is dan ook aan te nemen. 12. Bovendien behoort het aan het Directiecomité, gelet op de hierboven omschreven wettelijke opdracht van skeyes, om de noodzakelijke rust ten aanzien van de andere luchtverkeersleiders die hun functie uitoefenen, zo best mogelijk te bewaren en een opgelegd mogelijk inkomensverschil kan daartoe bijdragen. 13. Aldus komt het de Adviesraad dan ook redelijk en verantwoord voor dat er, met ingang van 1 januari 2021, een deel van de wedde van de heer XXXX zou worden ingehouden en dat derhalve diens tijdelijke schorsing in het belang van de dienst gepaard gaat met een gedeeltelijk behoud van de wedde zoals deze voormeld omschreven staat. 14. Voor wat betreft het aandeel dat voor een inhouding van wedde kan overwogen worden, acht de Adviesraad het aangewezen dat steeds ten volle dient rekening gehouden te worden met het feit dat de wedde hier twee componenten heeft waarbij de eventuele vermindering van elk van die componenten afzonderlijk gemotiveerd wordt. 15. Het zou een sterk argument zijn indien bij een vermindering van het deel weddecomplement alsdan een berekening zou worden gemaakt die analoog is met de toestand van iemand die om andere redenen (bvb. gezondheid) niet kan werken als verkeersleider. 16. Verder komt het aan het Directiecomité toe om te beoordelen of de weddevermindering, zoals hiervoor aangegeven en naar analogie met hetgeen omschreven staat in artikel 4 van het Gradenreglement, volstaat dan wel of daarnaast ook nog een vermindering van de basiswedde aangewezen voorkomt; daartoe zal het Directiecomité zodanige vermindering dienen te motiveren. 17. Alleszins dient elke inhouding van de wedde steeds proportioneel, redelijk en voldoende gemotiveerd te zijn en kan het alleszins geen verdoken tuchtmaatregel zijn. Finaal: 18. Alle overige door de partijen aangevoerde middelen zijn voor de Adviesraad niet van aard om anders te moeten adviseren. 19. Het komt nog steeds toe aan het Directiecomité om de thans na dit advies op te leggen ordemaatregel te herevalueren, minstens in geval zich een nieuw feit zou voordoen.” 3.27. Op 21 december 2021 brengt de adviesraad advies uit over het door verzoeker aangetekende beroep tegen de beslissing van het directiecomité van 15 juli 2021 waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag wordt opgelegd. 3.28. Op 7 januari 2022 beslist het directiecomité, na kennis te hebben genomen van het advies van de adviesraad, om zijn beslissing van 15 juli 2021 tot ontslag van verzoeker met ingang van 31 juli 2021 te bevestigen en te handhaven. IX-10.005-18/47 Verzoeker vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (tweede bestreden beslissing in de zaak A. 235.645/IX-10.003). 3.29. Nog op 7 januari 2022 beslist het directiecomité om zijn beslissing van 25 november 2020, zowel wat betreft de schorsing van verzoeker in het belang van de dienst, als wat betreft het daarmee gepaard gaande gedeeltelijke behoud van zijn wedde, zonder verdere toekenning van het weddecomplement, te bevestigen en te handhaven. Deze beslissing steunt onder meer op de volgende overwegingen: “a. Betreffende de schorsing in het belang van de dienst Overwegende dat de Adviesraad vooreerst van oordeel is dat de ‘beslissing wat betreft de tijdelijke schorsing van de dienst, met daaraan gekoppeld het ontzeggen van de toegang tot de lokalen en IT-systemen van skeyes aannemelijk, redelijk en verantwoord over(komt) ook nu nog en volledig in het belang van de dienst’ alsook dat het ‘nog steeds toe(komt) aan het Directiecomité om de thans na dit advies op te leggen ordemaatregel te herevalueren, minstens in geval zich een nieuw feit zou voordoen’; Dat de Adviesraad aldus geenszins adviseert om de beslissing van 25 november 2020 te herzien in zoverre het gaat om de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst en het ontzeggen van de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van skeyes; Dat de Adviesraad ook niet adviseert om de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst met een vaste periodiciteit te herevalueren; Overwegende dat het Directiecomité aldus van oordeel is dat er geen reden is om de beslissing d.d. 25 november 2020 te herzien wat betreft de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst en het ontzeggen van de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van skeyes; Overwegende dat het Directiecomité van oordeel is dat de overwegingen zoals geformuleerd in de beslissing d.d. 25 november 2020 en gedurende de procedure voor de Adviesraad integraal overeind blijven; b. Betreffende het gedeeltelijk behoud van de wedde Overwegende dat de Adviesraad daarnaast bevestigt dat het Directiecomité overeenkomstig artikel 66, §1 van het Administratief Statuut kan beslissen om de schorsing in het belang van de dienst al dan niet gepaard te laten gaan met behoud van de volledige ‘wedde’, inclusief het ‘weddecomplement’ zoals bedoeld in het Gradenreglement; IX-10.005-19/47 Dat de Adviesraad van oordeel is dat het niet relevant is ‘dat de voorheen genomen beslissingen tot tijdelijke schorsing in het belang van de dienst geen inhouding van wedde inhielden en gepaard gingen met behoud van wedde’, aangezien het Directiecomité ‘in de regel een genomen ordemaatregel steeds, na een evaluatie en het personeelslid gehoord te hebben, (kan) herzien’; Dat de Adviesraad van oordeel is dat ‘het gegeven dat dhr. XXXX door de Raadkamer van Brussel strafrechtelijk verwezen was naar de correctionele rechtbank door het Directiecomité kan aangezien worden als een nieuw element’ en dat een nieuwe ordemaatregel, en andersluidend dan de voorgaande, ‘dan ook aan te nemen (is)’; Dat de Adviesraad van oordeel is dat een ‘opgelegd mogelijk inkomensverschil’ ertoe kan bijdragen dat de noodzakelijke rust ten aanzien van de andere luchtverkeersleiders die hun functie wel uitoefenen, zo best mogelijk bewaard wordt; Dat het de Adviesraad ‘redelijk en verantwoord’ voorkomt ‘dat er, met ingang van 1 januari 2021, een deel van de wedde van de heer XXXX zou worden ingehouden en dat derhalve diens tijdelijke schorsing in het belang van de dienst gepaard gaat met een gedeeltelijk behoud van de wedde zoals deze voormeld omschreven staat’; Dat de Adviesraad van oordeel is dat steeds ‘dient rekening gehouden te worden met het feit dat de wedde hier twee componenten heeft waarbij de eventuele vermindering van elk van die componenten afzonderlijk gemotiveerd wordt’, dat het ‘een sterk argument (zou) zijn indien bij een vermindering van het deel weddecomplement alsdan een berekening zou worden gemaakt die analoog is met de toestand van iemand die om andere redenen (bvb. gezondheid) niet kan werken als verkeersleider’ en dat beoordeeld moet worden of deze vermindering ‘volstaat dan wel of daarnaast ook nog een vermindering van de basiswedde aangewezen voorkomt’; Dat de Adviesraad aldus geenszins adviseert om de beslissing van 25 november 2020 te herzien in zoverre het gaat om een gedeeltelijk behoud van de wedde, maar enkel adviseert om te herzien hoe het deel van de wedde bepaald wordt dat wel en niet behouden wordt; Overwegende dat artikel 66, §1 van het Administratief Statuut geen beperking oplegt aan de mate van behoud van de wedde en dat het een autonoom artikel betreft, waaraan geen afbreuk wordt gedaan door artikel 4 van het Gradenreglement; Dat de Adviesraad blijkens [zijn] advies niet de visie van de heer XXXX bijtreedt dat artikel 4 van het Gradenreglement toch een beperking van artikel 66, §1 van het Administratief Statuut zou inhouden; Dat de Adviesraad van oordeel is dat ‘niet met zekerheid te adviseren’ is dat artikel 4 van het Gradenreglement ook betrekking heeft op een personeelslid dat tijdelijk bij ordemaatregel in overeenstemming met artikel 66, §1 van het Administratief Statuut geschorst wordt in het belang van de dienst, er is immers niet ‘enig tekstargument tot het maken van zodanige toepassing’; Dat de Adviesraad dan ook niet kan gevolgd worden daar waar [hij] adviseert om voor de vermindering van het weddecomplement de toestand van een personeelslid dat omwille van gezondheidsredenen niet kan werken als verkeersleider te vergelijken met de toestand van een personeelslid dat om IX-10.005-20/47 reden van schorsing in het belang van de dienst geen prestaties als luchtverkeersleider kan uitoefenen; dat zowel in de feiten als in rechte dit twee verschillende situaties betreft; Dat niet valt in te zien waarom het alsdan een ‘sterk argument’ zou zijn, en evenmin een juridische grondslag bestaat, om artikel 4 van het Gradenreglement toch per analogie toe te passen, te meer omdat alsdan een ruimer dan bedoelde draagwijdte zou worden gegeven aan artikel 4 en tegelijk afbreuk zou worden gedaan aan de mogelijkheid die door artikel 66 §1 van het Administratief Statuut wordt verleend aan het Directiecomité om te beslissen over het al dan niet behoud van de ‘volledige’ wedde; Dat de Adviesraad blijkens [zijn] advies evenmin de overige kritieken van de heer XXXX lijkt bij te treden, inzonderheid wordt bevestigd dat voor het eerst in de beslissing d.d. 25 november 2020 kon worden geoordeeld over het behoud van de wedde en tevens wordt bevestigd dat rekening mag worden gehouden met het creëren van een inkomensverschil t.a.v. de collega-luchtverkeersleiders; Dat het Directiecomité voorts van oordeel is dat het behoud van de wedde zonder het weddecomplement, hetgeen neerkomt op ongeveer de helft van het totale verloningspakket, redelijk is, en dat er aldus geen reden is om ook de basiswedde van de heer XXXX te verminderen; Overwegende dat het Directiecomité aldus van oordeel is dat er geen reden is om de beslissing d.d. 25 november 2020 te herzien wat betreft het gedeeltelijk behoud van de wedde, met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement met ingang vanaf 1 januari 2021; Overwegende dat het Directiecomité van oordeel is dat de overwegingen zoals geformuleerd in de beslissing d.d. 25 november 2020 en gedurende de procedure voor de Adviesraad integraal overeind blijven.” Dat is de tweede bestreden beslissing in de voorliggende zaak. IV. Verzoek tot samenvoeging 4. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker de samenvoeging van de thans voorliggende zaak met de zaak A. 232.728/IX-9828 waarin het beroep eveneens gericht is tegen de huidige eerste bestreden beslissing. 5. Aangezien de voornoemde zaak en de thans voorliggende zaak terzelfder tijd ter terechtzitting zijn opgeroepen en voorwerp van debat zijn geweest, kan de Raad van State – zoals hij reeds heeft opgemerkt in arrest nr. 256.913 van heden over de eerstgenoemde zaak – er met kennis van zaken over oordelen en vergt een goede rechtsbedeling niet de gevraagde samenvoeging van deze zaken. IX-10.005-21/47 IX-10.005-22/47 V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 6. In zijn inleidend verzoekschrift betoogt verzoeker dat de bestreden beslissingen kennelijk aanvechtbare administratieve rechtshandelingen zijn en geen louter bevestigende beslissingen. Ze steunen, aldus verzoeker, op “een periodieke herevaluatie van nieuwe feiten die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst en op grond waarvan iedere voorgaande ordemaatregel zijn gelding voor de toekomst verliest”. Dit is wat de adviesraad op 9 januari 2018 vereist na verzoekers georganiseerd administratief beroep tegen de beslissingen van het directiecomité van 15 en 29 september 2017. De eerste bestreden beslissing, zo vervolgt verzoeker, sorteert derhalve nieuwe en tevens andere rechtsgevolgen waar ze ertoe strekt “met ingang van 1 januari 2021 (en dus voor het eerst bij de uitbetaling van de wedde van januari 2021) […] de schorsing in het belang van de dienst gepaard te laten gaan met het gedeeltelijk behoud van zijn wedde, met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement, dit in toepassing van artikel 66 § 1 van het Administratief Statuut”. De tweede bestreden beslissing, genomen ingevolge het georganiseerd administratief beroep bij de adviesraad, bevestigt en handhaaft de eerste bestreden beslissing en is zodoende, volgens verzoeker, eveneens een voor de Raad van State aanvechtbare beslissing. 7. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de eerste bestreden beslissing geen voor nietigverklaring vatbare rechtshandeling is. Zij doet gelden dat ingevolge artikel 27 van het administratief statuut tegen de eerste bestreden beslissing een georganiseerd administratief beroep openstond. Deze administratieve beroepsprocedure werd ook effectief doorlopen en heeft uiteindelijk geleid tot de beslissing van het directiecomité van 7 januari 2022 waarbij de beslissing van 25 november 2020 wordt bevestigd en gehandhaafd. Enkel de beslissing van 7 januari 2022, dit is de tweede bestreden beslissing, is als eindbeslissing een voor nietigverklaring vatbare rechtshandeling. IX-10.005-23/47 Vermits de eerste bestreden beslissing geen in laatste aanleg genomen beslissing is, is het annulatieberoep ter zake niet ontvankelijk. 8. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de eerste bestreden beslissing een aanvechtbare administratieve rechtshandeling uitmaakt “aangezien ze slechts werd bevestigd in de beslissing van het directiecomité van 7 januari 2022”. Hij wijst erop dat uit de tekst van de beslissing van 7 januari 2022 blijkt dat de beslissing van 25 november 2020 wordt “bevestigd en gehandhaafd” en “derhalve niet vervangen”. Beoordeling 9. Alleen in laatste aanleg genomen administratieve beslissingen kunnen op een ontvankelijke wijze bij de Raad van State met een beroep tot nietigverklaring worden aangevochten. 10. Artikel 66 van het administratief statuut luidt: “§ 1. In geval van strafrechtelijke vervolging of tuchtrechtelijke vervolging ingevolge een ernstige tekortkoming kan de ambtenaar in het belang van de dienst bij beslissing van het Directiecomité worden geschorst, al dan niet met behoud van de volledige wedde. § 2. […]. § 3. Binnen de vijftien dagen na de beslissing tot schorsing in het belang van de dienst kan de ambtenaar beroep aantekenen bij de Adviesraad.” Artikel 35, §§ 3 en 4, van het administratief statuut luidt: “§ 3. De Adviesraad brengt een gemotiveerd advies uit, gericht aan het Directiecomité. Het Directiecomité beslist vervolgens op gemotiveerde wijze binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de verzoeker het uitgebrachte advies heeft geviseerd. § 4. In het geval het Directiecomité nalaat een beslissing te nemen binnen de termijn bepaald in § 3 van dit artikel, zal het gemotiveerd advies van de Adviesraad als beslissing gelden.” IX-10.005-24/47 Om de redenen die reeds zijn uiteengezet in arrest nr. 256.913 van heden over de zaak A. 232.728/IX-9828 en die de Raad van State voor de voorliggende zaak bevestigt, moet worden besloten dat de bestreden beslissing van het directiecomité van 25 november 2020 géén in laatste aanleg genomen beslissing is, maar dat er overeenkomstig artikel 66, § 3, van het administratief statuut een georganiseerde administratieve beroepsmogelijkheid tegen openstaat. Dat beroep houdt voor verzoeker alvast een mogelijkheid in om de procedure tot schorsing in het belang van de dienst die tegen hem wordt gevoerd, een voor hem gunstige wending te doen nemen. Hij moet ze dan ook uitputten opdat hij zich – tegen de eindbeslissing – tot de Raad van State zou kunnen wenden. Verzoeker heeft overigens op 6 januari 2021 het bedoelde beroep tegen de thans bestreden beslissing van het directiecomité van 25 november 2020 bij de adviesraad ingesteld. Dat beroep heeft geleid tot het advies van de adviesraad van 20 december 2021. Na kennis te hebben genomen van dat advies, besliste het directiecomité op 7 januari 2022 om zijn beslissing van 25 november 2020, zowel wat betreft de schorsing van verzoeker in het belang van de dienst, als wat betreft het daarmee gepaard gaande gedeeltelijke behoud van zijn wedde, zonder verdere toekenning van het weddecomplement, te bevestigen en te handhaven. Ingevolge de devolutieve werking van het beroep, is deze laatstgenoemde beslissing van het directiecomité in de plaats gekomen van de bestreden beslissing van het directiecomité van 25 november 2020. De omstandigheid dat de beslissing van het directiecomité van 7 januari 2022 gewag maakt van een bevestiging en handhaving van de eerder uitgesproken schorsing van verzoeker in het belang van de dienst en van het gedeeltelijke behoud van zijn wedde, doet daaraan geen afbreuk. 11. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het eerste voorwerp van het thans voorliggende beroep tot nietigverklaring geen IX-10.005-25/47 aanvechtbare administratieve rechtshandeling betreft en het beroep in zoverre niet ontvankelijk is. De exceptie is gegrond. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 12.1. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 4 van het reglement ‘tot vaststelling van de graden en weddenschalen van de ambtenaren van Belgocontrol’ (hierna: gradenreglement) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: formelemotiveringswet), alsook van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker stelt dat hij op grond van artikel 4 van het gradenreglement recht heeft op het behoud van een deel van het weddecomplement ten belope van 26%, te vermeerderen met 4% voor ieder bijkomend jaar boven de tien jaar. Hij bekleedt immers nog steeds de functie van luchtverkeersleider, maar oefent deze functie ingevolge zijn schorsing in het belang van de dienst (vooralsnog) niet meer uit. De omstandigheid dat die schorsing de oorzaak ervan is dat hij heeft opgehouden een functie uit te oefenen waaraan een weddecomplement verbonden is, doet volgens hem geen afbreuk aan zijn voormelde recht. Artikel 4 van het gradenreglement bepaalt immers uitdrukkelijk dat “eender welke reden” waarom het personeelslid heeft opgehouden zijn functie uit te oefenen, goed is om een deel van het weddecomplement te krijgen. Verzoeker wijst erop dat de verwerende partij niet betwist dat hij op een directe en effectieve wijze de verkeersleiding heeft verzekerd. Het spreekt volgens hem voor zich dat de IX-10.005-26/47 verkeersleiding niet moest worden verzekerd tijdens de periode waarin de functie niet kon worden uitgeoefend. Volgens verzoeker is de verwerende partij gebonden door het gradenreglement, ook wat de toepassing van artikel 66 van het administratief statuut betreft, “te meer aangezien voormeld reglement niet kan worden losgezien van artikel 68 § 2 van het [a]dministratief statuut, met name het recht op wedde en het recht op hogere wedde, waarvan het weddecomplement zoals bepaald in artikel 3 van het voormelde reglement deel uitmaakt”. 12.2. Ten onrechte, aldus verzoeker, zou de verwerende partij opwerpen dat hij “een aanspraak op een subjectief recht” vordert, waarvoor de Raad van State geen rechtsmacht heeft. Verzoeker betoogt dat hij enkel de nietigverklaring vordert van de schorsing met verlies van een gedeelte van zijn wedde. Die beslissing is één en ondeelbaar en iedere onwettigheid die eraan kleeft, kan voor de Raad van State worden aangevoerd. De vernietiging van de (tweede) bestreden beslissing zou het financieel nadeel van verzoeker voor de betwiste periode tenietdoen en hem een aanzienlijk financieel voordeel opleveren. Dit impliceert volgens verzoeker evenwel niet dat het beroep een subjectief recht als rechtstreeks en werkelijk voorwerp heeft. 13. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de gegrondheid van het middel, maar werpt “ten overvloede” op dat verzoeker met zijn kritiek in essentie een aanspraak formuleert op een subjectief recht, zodat de Raad van State “aldus ter zake sowieso niet over de vereiste rechtsmacht beschikt”. 14. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij “met huidig beroep minder de betaling van het weddecomplement nastreeft, maar wil verhinderen dat op grond van een volgens hem onregelmatige beslissing, IX-10.005-27/47 wedde zou worden ontzegd, hetgeen hij wel degelijk kan verkrijgen via de vernietiging van het bestreden besluit”. 15. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat aangezien de bestreden beslissingen één en ondeelbaar zijn, de schending van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen deze beslissingen in hun geheel aantast, “zelfs al is de schending gelegen in het feit dat het weddecomplement wordt ingehouden”. Voorts, zo stelt verzoeker, heeft hij artikel 66, § 1, van het administratief statuut wel degelijk betrokken bij de toelichting van het middel. Beoordeling 16. De tweede bestreden beslissing is door het directiecomité genomen, zo blijkt uit haar motivering, op grond van artikel 66, § 1, van het administratief statuut, dat luidt: “In geval van strafrechtelijke vervolging of tuchtrechtelijke vervolging ingevolge een ernstige tekortkoming kan de ambtenaar in het belang van de dienst bij beslissing van het Directiecomité worden geschorst, al dan niet met behoud van de volledige wedde.” Uit deze bepaling blijkt dat het directiecomité beschikt over een discretionaire bevoegdheid om te beslissen tot een schorsing in het belang van de dienst van het personeelslid dat strafrechtelijk of tuchtrechtelijk wordt vervolgd, alsook om daarbij te beslissen over het al dan niet behouden van de volledige wedde van dat personeelslid. Het valt in beginsel onder de rechtsmacht van de Raad van State om uitspraak te doen over een beroep tot nietigverklaring dat door het betrokken personeelslid tegen een dergelijke beslissing is ingesteld. In casu betekent dit dat het annulatieberoep gericht tegen de tweede bestreden beslissing in beginsel aan de Raad van State ter beoordeling mag worden voorgelegd. Evenwel moet worden vastgesteld dat, wat specifiek dit eerste middel betreft, verzoeker daarin de weigering van de verwerende partij bekritiseert IX-10.005-28/47 om hem, bij de toepassing van artikel 66, § 1, van het administratief statuut, een welbepaald deel van het weddecomplement toe te kennen. Hij steunt daarvoor op artikel 4 van het gradenreglement. Zoals de verwerende partij opwerpt in haar memorie van antwoord, voert verzoeker in dit eerste middel in wezen aan dat hij op grond van artikel 4 van het gradenreglement recht heeft op het behoud van een deel van het weddecomplement. Met dit eerste middel beoogt verzoeker aldus een correcte vaststelling van zijn wedde, in het bijzonder het behoud van het weddecomplement ten belope van een bepaald percentage overeenkomstig artikel 4 van het gradenreglement. Artikel 4 van het gradenreglement luidt: “Ieder personeelslid dat om eender welke reden opgehouden heeft een functie uit te oefenen waaraan een weddecomplement gekoppeld is, bekomt een deel van dit laatste, evenals van de latere wijzigingen aan dit complement, indien hij op een directe en effectieve wijze de verkeersleiding verzekerd heeft. Het aldus betrokken gedeelte bedraagt 26%. Voor ieder bijkomend jaar boven de tien jaar wordt 4% verhoging toegekend tot 66% wat een maximum van twintig jaar voorstelt.” De voorwaarden voor de toekenning van een deel van het weddecomplement zijn aldus objectief door een rechtsregel vastgelegd. Artikel 4 van het gradenreglement bepaalt namelijk de voorwaarden waaronder een subjectief recht ontstaat voor wie deze voorwaarden vervult. Bij de toepassing daarvan heeft de verwerende partij geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Haar bevoegdheid is daarentegen volledig gebonden. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan, wanneer met verzoeker zou moeten worden vastgesteld dat de verwerende partij de voormelde bepaling van het gradenreglement verkeerd interpreteert. In dit eerste middel doet verzoeker derhalve niets anders dan de correcte vaststelling van de inhouding van zijn wedde aankaarten. Dit is iets anders dan het bekritiseren van de keuze van de verwerende partij om, op grond van IX-10.005-29/47 artikel 66, § 1, van het administratief statuut, over te gaan tot het niet behouden van de volledige wedde. Zoals het middel door verzoeker is geformuleerd, beroept hij zich niet op een eventuele onwettige toepassing van de genoemde statutaire bepaling, maar op de beweerde miskenning van een subjectief recht op wedde dat hij zou ontlenen aan artikel 4 van het gradenreglement. De beslechting van een dergelijke betwisting behoort krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde toe. 17. Het eerste middel valt buiten de rechtsmacht van de Raad van State en wordt om die reden verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 18. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, alsook van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij merkt op dat in de bestreden beslissingen voor het eerst ervoor wordt geopteerd om een deel van zijn wedde, namelijk het weddecomplement, in te houden. Hij bekritiseert daartoe de pertinentie en de redelijkheid van de aangegeven motieven. Wat het motief betreft dat de schorsing in het belang van de dienst opnieuw wordt verlengd in het licht van zijn verwijzing naar de correctionele rechtbank, waardoor hij ook in de nabije toekomst geen prestaties (meer) als luchtverkeersleider bij de verwerende partij zal verrichten en het in de gegeven omstandigheden niet te verantwoorden is dat hij nog zijn volledige wedde IX-10.005-30/47 zou blijven ontvangen, stelt verzoeker in vraag dat het onverantwoord zou zijn dat hij nog zijn volledige wedde zou blijven ontvangen. Volgens hem “[kan] [d]e inhouding van wedde […] immers niet worden gerelateerd aan het feit dat er voldoende aanwijzingen zijn om de schuldvraag door de bodemrechter te laten beantwoorden”. Het standpunt van de verwerende partij dat het voormelde motief standhoudt, omdat artikel 66, § 1, van het administratief statuut de inhouding van wedde niet uitsluit, en dat er strikt genomen geen nieuwe elementen noodzakelijk zijn om te verantwoorden dat de wedde niet volledig behouden blijft, is volgens verzoeker niet pertinent, aangezien het erop neerkomt dat er steeds tot een inhouding van wedde kan worden besloten zonder een motivering in concreto. Met betrekking tot het motief dat het volledige behoud van de wedde niet (langer) als gerechtvaardigd overkomt ten aanzien van de collega-luchtverkeersleiders die wel voltijds hun functie uitoefenen, merkt verzoeker op dat het de verwerende partij verboden is ruchtbaarheid te geven aan derden of collega-luchtverkeersleiders over de nu bestreden beslissingen. Collega-luchtverkeersleiders kunnen derhalve onmogelijk aanstoot nemen aan het feit dat verzoeker zijn volledige wedde blijft behouden niettegenstaande zijn schorsing in het belang van de dienst. De bestreden beslissingen verduidelijken overigens niet waarom het volledige behoud van zijn wedde niet gerechtvaardigd zou zijn. De verwerende partij achtte meer dan drie jaar lang het volledige behoud van zijn wedde wel gerechtvaardigd ten aanzien van collega-luchtverkeersleiders. Verzoeker merkt op dat de bestreden beslissingen “bijvoorbeeld” niet verwijzen naar de grote weerslag van de betwiste tuchtfeiten op de dienst, die de inhouding van wedde zou kunnen rechtvaardigen. Het blijkt ook niet dat de andere luchtverkeersleiders niet meer met verzoeker zouden willen samenwerken of dat er een vertrouwensbreuk zou bestaan tussen verzoeker en zijn collega’s. Wat het motief betreft dat er wel degelijk nieuwe elementen zijn om niet langer het volledige behoud van zijn wedde te verantwoorden en dat zijn IX-10.005-31/47 verwijzing naar de correctionele rechtbank daarbij een belangrijk gegeven is, aangezien dit impliceert dat de strafvordering nog enige tijd kan duren, merkt verzoeker op dat de verwerende partij ervoor heeft gekozen om, niettegenstaande die lange periode, de schorsing in het belang van de dienst niet steeds om de vier maanden opnieuw te evalueren, maar te zullen overgaan tot een herevaluatie in het geval dat er zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van die schorsing. Nochtans is het des te belangrijker voor verzoeker dat ordemaatregelen waaraan een weddeverlies wordt gekoppeld, voor een beperkte tijd gelden en steeds opnieuw tussentijds worden geëvalueerd. Verzoeker stelt aldus te zijn overgeleverd aan de bereidwilligheid van het directiecomité om de ordemaatregel opnieuw te evalueren. Bij stilzitten van het directiecomité blijft hij verstoken van een herevaluatie en van toegang tot de rechter, “reden waarom de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is”. Het motief dat de verwerende partij de rechtsplicht heeft om de definitieve uitkomst van de strafprocedure af te wachten alvorens uitspraak te doen over de tuchtvordering, waardoor zij momenteel niet anders zou kunnen dan slechts de nodige ordemaatregelen te nemen, is volgens verzoeker niet pertinent om hem thans het volledige behoud van de wedde te ontzeggen. Verzoeker acht voorts de overweging dat hij zich niet heeft verzet tegen de beslissingen van het directiecomité van 30 mei 2018, 28 september 2018 en 28 januari 2019 niet pertinent. Hij stelt dat, zelfs al werd de initiële schorsingsmaatregel niet bestreden voor de Raad van State, dan nog zou de vernietiging van de bestreden beslissing zijn financieel nadeel voor de betwiste periode tenietdoen en hem een aanzienlijk financieel voordeel opleveren. Het motief dat de feiten die ten grondslag liggen aan de schorsing, toe te rekenen zijn aan verzoeker zelf, aangezien zijn eigen gedrag aanleiding heeft gegeven tot twee tuchtprocedures en een klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter, is volgens verzoeker strijdig met de IX-10.005-32/47 herhaalde overweging van de verwerende partij dat zij geen uitspraak wil doen over verzoekers (on)schuld. Met betrekking tot het motief dat omwille van de ruime discretionaire bevoegdheid die de verwerende partij put uit artikel 66, § 1, van het administratief statuut, om aan de schorsing in het belang van de dienst een weddeverlies te verbinden, geen nieuwe elementen noodzakelijk zijn, doet verzoeker gelden dat een ruime discretionaire bevoegdheid een ruime motiveringsplicht impliceert. Een loutere verwijzing naar artikel 66, § 1, van het administratief statuut kan onmogelijk de toepassing ervan in concreto motiveren. Wat het motief betreft dat de inhouding van het weddecomplement verzoeker niet in een penibele financiële situatie brengt, stelt verzoeker dat dit niet pertinent is, minstens op zich genomen niet afdoende en niet pertinent, “want vreemd aan de schorsing en vooral aan het belang van de dienst”. Verzoeker licht ten slotte met betrekking tot de aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel toe dat hij dit beginsel geschonden ziet omdat niet wordt verduidelijkt waarom het volledige behoud van de wedde niet langer gerechtvaardigd wordt geacht, terwijl de verwerende partij ze meer dan drie jaar lang wel gerechtvaardigd achtte. Voor zover alsnog een verantwoording wordt verschaft, is ze, aldus verzoeker, niet pertinent en kennelijk onredelijk. De verwerende partij heeft immers ervoor gekozen om, niettegenstaande de lange periode, niet steeds om de vier maanden opnieuw te evalueren, maar te zullen overgaan tot een herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst in het geval dat er zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van die schorsing, terwijl de adviesraad op 9 januari 2018 adviseerde dat een nieuwe ordemaatregel moet gelden voor een beperkte termijn en enkel kan worden verlengd mits nieuwe tussentijdse evaluaties. Beoordeling IX-10.005-33/47 19. Verzoeker viseert in het tweede middel de motieven van het directiecomité om zijn schorsing in het belang van de dienst voor het eerst gepaard te laten gaan met een inhouding van een deel van de wedde. Die motieven zijn vooreerst vervat in de tweede bestreden beslissing, meer bepaald in het onderdeel ‘b. Betreffende het gedeeltelijk behoud van de wedde’. Daarin zijn expliciet de motieven opgenomen op grond waarvan de verwerende partij heeft besloten om het weddecomplement niet verder toe te kennen en derhalve om de bevestiging en handhaving van de schorsing in het belang van de dienst gepaard te laten gaan met een gedeeltelijke inhouding van de wedde. In het bijzonder wordt daarbij nader ingegaan op het advies van de adviesraad van 20 december 2021 en wordt concreet aangegeven in welke mate dat advies al dan niet kan worden gevolgd om vervolgens te besluiten dat er geen reden is om de beslissing van het directiecomité van 25 november 2020 te herzien wat de gedeeltelijke inhouding van de wedde betreft en ten slotte te oordelen dat de in die beslissing en gedurende de procedure voor de adviesraad geformuleerde overwegingen integraal overeind blijven. Ook met de motieven van de laatstgenoemde beslissing – dit is de eerste bestreden beslissing – moet bijgevolg bij de beoordeling van het middel rekening worden gehouden. De eerste bestreden beslissing bevat een specifieke, afzonderlijke motivering in verband met “het behoud van de wedde zonder verdere toekenning van het weddecomplement” (titel II.d). Deze motivering omvat dan nog eens twee onderdelen: (
  10. a)betreffende het behoud van de wedde en (
  11. b)betreffende de toekenning van het weddecomplement. Wat “(
  12. a)[…] het behoud van de wedde” betreft, komt die motivering in essentie erop neer dat de verwerende partij op grond van artikel 66, § 1, van het administratief statuut de mogelijkheid heeft om bij een verlenging van een schorsing in het belang van de dienst de wedde van het betrokken personeelslid niet volledig te behouden, zelfs indien de volledige wedde bij de voorafgaande schorsing in het belang van de dienst wél werd behouden. Ter verantwoording van IX-10.005-34/47 een dergelijke gedeeltelijke inhouding van de wedde zijn strikt genomen geen nieuwe elementen noodzakelijk. Niettemin zijn in casu nieuwe elementen voorhanden. De verwijzing van verzoeker naar de correctionele rechtbank is zo een belangrijk gegeven. Het impliceert dat de strafvordering nog enige tijd kan duren, zodat het aangewezen is de schorsing in het belang van de dienst te handhaven. Dat brengt met zich mee dat verzoeker zijn functie wel nog bekleedt, maar (vooralsnog) niet meer uitoefent. Verzoeker zal dus ook in de nabije toekomst bij de verwerende partij geen prestaties (meer) verrichten als luchtverkeersleider. In die context wordt het volledige behoud van verzoekers wedde niet (langer) verantwoord geacht ten aanzien van collega-luchtverkeersleiders die hun functie voltijds uitoefenen. Op de opmerking van verzoeker dat de omstandigheid dat hij geen prestaties meer verricht, enkel toerekenbaar is aan de verwerende partij die ervoor heeft geopteerd om de einduitspraak over de strafprocedure af te wachten alvorens de tuchtprocedures voort te zetten, wordt geantwoord, met verwijzing naar artikel 28, § 4, van het administratief statuut, dat de verwerende partij geen andere keuze heeft dan te wachten op de definitieve uitkomst van de strafprocedure alvorens uitspraak te doen over de tuchtvordering. In de tussentijd kan de verwerende partij slechts de nodige ordemaatregelen nemen om de goede werking van de dienst veilig te stellen. Opgemerkt wordt dat verzoeker zich niet heeft verzet tegen de beslissingen van 30 mei 2018, 28 september 2018 en 28 januari 2019. Ten overvloede wordt nog gesteld dat – zonder uitspraak te willen doen over de (on)schuld van verzoeker – de feiten die aan de grondslag liggen van zijn schorsing in het belang van de dienst, toe te rekenen zijn aan verzoeker. Zijn eigen gedrag heeft aanleiding gegeven tot twee tuchtprocedures en een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter gevolgd door een strafprocedure. IX-10.005-35/47 Wat “(
  13. b)[…] de toekenning van het weddecomplement” betreft, wordt in de eerste bestreden beslissing onder meer aangegeven dat het niet buiten proportie is dat tijdens verzoekers schorsing in het belang van de dienst voor de toekomst het weddecomplement, dat ongeveer de helft van het totale verloningspakket bedraagt, niet langer aan verzoeker wordt toegekend. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat verzoeker daardoor in een moeilijke financiële positie zou komen. Hij heeft dit ook niet aangevoerd. 20. Uit zijn uiteenzetting van dit tweede middel blijkt dat verzoeker afdoende de motieven kent op grond waarvan de tweede bestreden beslissing is genomen. Van een schending van de formelemotiveringswet kan dan ook geen sprake zijn. 21.1. Verzoeker betwist wezenlijk de deugdelijkheid van de vermelde motieven, doordat hij tracht aan te tonen dat deze motieven niet-pertinent en onredelijk zijn. Hij voert alzo in wezen de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Het tweede middel zal hierna vanuit dat oogpunt worden onderzocht. 21.2. Voorafgaandelijk moet worden opgemerkt dat een beslissing in beginsel wordt ondersteund door het geheel van haar motieven en niet door één of meerdere overwegingen daarvan. Met kritiek op elk motief afzonderlijk toont verzoeker ipso facto nog niet aan dat de motivering in haar geheel de beslissing om hem het weddecomplement niet langer toe te kennen niet kan schragen. Uit de hiernavolgende beoordeling van verzoekers grieven zal blijken dat verzoeker er niet in slaagt de verschillende motieven (één voor één) te weerleggen, laat staan dat hij aan de hand van zijn kritiek op elk motief afzonderlijk aantoont dat de motivering in haar geheel de tweede bestreden beslissing niet zou schragen. IX-10.005-36/47 21.3. Voor zover de voorafgaande beslissingen tot handhaving van verzoekers schorsing in het belang van de dienst, namelijk deze van 29 september 2017, 30 mei 2018, 28 september 2018 en 28 januari 2019, steeds het volledige behoud van de wedde inhielden, betekent dit niet dat de verwerende partij automatisch ertoe gehouden was om ook in de daaropvolgende beslissingen tot handhaving van de schorsing in het belang van de dienst, zoals de tweede bestreden beslissing, te besluiten tot het volledige behoud van de wedde. Op grond van artikel 66, § 1, van het administratief statuut vermag de verwerende partij telkens zij beslist over de handhaving van de schorsing in het belang van de dienst, opnieuw te oordelen over het al dan niet volledige behoud van de wedde. De kritiek van verzoeker dat de verwerende partij in de bestreden beslissingen voor het eerst na meer dan drie jaar ervoor heeft geopteerd om het weddecomplement niet langer toe te kennen, is dan ook niet dienstig. Verzoeker maakt ook niet aannemelijk dat de motieven die in de eerste bestreden beslissing zijn opgenomen, louter een verwijzing zijn naar artikel 66, § 1, van het administratief statuut. Uit de hiervóór sub 3.17 aangehaalde motivering van deze beslissing blijkt daarentegen, en ook uit de hiernavolgende beoordeling zal blijken, dat op een deugdelijke wijze is gemotiveerd waarom de verwerende partij ervoor heeft geopteerd dat verzoeker zijn wedde niet langer volledig mag behouden. Uit de in de eerste bestreden beslissing opgenomen motivering blijkt dat de verwerende partij uit de verwijzing van verzoeker naar de correctionele rechtbank afleidt dat de strafvordering nog enige tijd kan duren en zij daarom de schorsing in het belang van de dienst handhaaft. Daaruit besluit zij dat verzoeker ook in de nabije toekomst bij haar geen prestaties meer zal verrichten als luchtverkeersleider. In tegenstelling tot wat verzoeker stelt, is de gedeeltelijke inhouding van zijn wedde aldus niet gerelateerd aan het feit van zijn verwijzing naar de correctionele rechtbank op zich, maar wel aan het feit dat ten gevolge daarvan door verzoeker ook in de nabije toekomst bij de verwerende partij geen prestaties (meer) zullen worden verricht. Deze omstandigheid dat verzoeker IX-10.005-37/47 geschorst blijft in het belang van de dienst en er op korte termijn nog geen uitspraak over de strafvordering en de tuchtvordering te verwachten valt, kan mede verantwoorden dat de verwerende partij wat het behoud van verzoekers wedde betreft een ander standpunt inneemt dan voorheen. Daarbij komt nog, luidens de eerste bestreden beslissing, het motief dat collega-luchtverkeersleiders hun functie wél effectief voltijds uitoefenen om een volledige wedde te verkrijgen. Verzoeker zal daarentegen in de nabije toekomst zijn functie van luchtverkeersleider niet meer uitoefenen en deed dat ook al niet meer naar aanleiding van zijn voorgaande schorsingen in het belang van de dienst. Wanneer zijn wedde niettemin toch volledig behouden zou blijven, zou dit logischerwijze leiden tot wat als een onrechtvaardigheid kan worden beschouwd ten aanzien van zijn collega-luchtverkeersleiders. Dit motief kan eveneens worden aangenomen als een deugdelijke verantwoording voor het niet volledig behouden van verzoekers wedde. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het argument van verzoeker dat collega-luchtverkeersleiders niet hoeven te weten dat hij zijn volledige wedde zou behouden als daaraan geen ruchtbaarheid wordt gegeven en zij er dan ook geen aanstoot aan kunnen nemen. Ook het argument van verzoeker dat niet blijkt dat andere luchtverkeersleiders niet meer met hem zouden willen samenwerken of dat er een vertrouwensbreuk zou bestaan tussen hem en zijn collega’s doet daaraan niets af. Die argumentatie negeert immers de essentie van het bekritiseerde motief, namelijk de aannemelijke onrechtvaardigheid ten aanzien van collega-luchtverkeersleiders die wél voltijds hun functie uitoefenen, indien verzoeker zijn volledige wedde zou blijven behouden zonder zijn functie verder uit te oefenen ten gevolge van de handhaving van zijn schorsing in het belang van de dienst. 21.4. Uit de kritiek van verzoeker op het in de eerste bestreden beslissing vermelde motief dat wel degelijk nieuwe elementen voorhanden zijn ter verantwoording van het niet langer volledig behouden van de wedde, waarbij de verwijzing van verzoeker naar de correctionele rechtbank een belangrijk gegeven is dat impliceert dat de strafvordering nog enige tijd kan duren en de schorsing in IX-10.005-38/47 het belang van de dienst gehandhaafd blijft, blijkt dat hij aanstoot neemt aan het feit dat de verwerende partij niet meer overgaat tot een herevaluatie van de schorsing in het belang van de dienst om de vier maanden, maar slechts ingeval zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst. Het valt evenwel niet in te zien hoe deze grief de onwettigheid van de tweede bestreden beslissing kan aantonen, nu deze beslissing precies een herevaluatie van verzoekers situatie inhoudt. Daarmee heeft het directiecomité gehandeld overeenkomstig zijn beslissing van 28 januari 2019 om verzoekers situatie pas opnieuw te evalueren zodra zich nieuwe feiten hebben voorgedaan die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst met al dan niet volledig behoud van de wedde. Verzoeker heeft die laatstgenoemde beslissing niet met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State bestreden, zodat ze ten aanzien van hem definitief is geworden. Verzoeker toont ook niet aan dat de verwerende partij onrechtmatig heeft gehandeld door de verwachte bijkomende duurtijd van de strafvordering ten gevolge van de verwijzing van verzoeker naar de correctionele rechtbank te beschouwen als een nieuw element dat een nieuw licht kan werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst en de daarmee gepaard gaande beoordeling over het al dan niet volledige behoud van de wedde. 21.5. Wat het in de eerste bestreden beslissing vermelde motief betreft dat stelt dat de verwerende partij geen andere keuze heeft dan de definitieve uitkomst van de strafprocedure af te wachten alvorens uitspraak te doen over de tuchtvordering en in de tussentijd slechts de nodige ordemaatregelen kunnen worden genomen om de goede werking van de dienst veilig te stellen, moet worden vastgesteld dat verzoeker zich ertoe beperkt te stellen dat dit motief niet pertinent is. Verzoeker doet met andere woorden niets anders dan dit motief louter tegenspreken, zonder het concreet te weerleggen of te ontkrachten. Hij slaagt er dan ook niet in aan te tonen dat dit motief niet deugdelijk is. IX-10.005-39/47 21.6. De kritiek van verzoeker op het in de eerste bestreden beslissing vermelde motief dat – zonder uitspraak te willen doen over de (on)schuld van verzoeker – de aan de schorsing ten grondslag liggende feiten toe te rekenen zijn aan verzoeker, kan niet tot de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing leiden. Dit betreft immers louter een motief ten overvloede. 21.7. Wat ten slotte het in de eerste bestreden beslissing vermelde motief betreft dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de niet-toekenning van het weddecomplement verzoeker in een moeilijke financiële positie zou brengen, beperkt verzoeker er zich ook hier toe te stellen dat dit niet pertinent is, minstens op zich niet afdoende. Ook dit komt neer op een louter afwimpelen van dit motief, zonder dat blijkt welk belang hij bij zijn kritiek heeft en zonder het bekritiseerde motief concreet te weerleggen of te ontkrachten. 22. Uit al het voorgaande volgt dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de tweede bestreden beslissing niet gesteund is op deugdelijke motieven. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht is derhalve niet aangetoond. 23. Verzoeker toont voorts evenmin aan dat het besluit van de verwerende partij om zijn wedde niet langer volledig te behouden onredelijk zou zijn. 24. Dat de verwerende partij vóór het nemen van de bestreden beslissingen – en dit volgens verzoeker meer dan drie jaar lang – bij het opleggen van een (handhaving van een) schorsing in het belang van de dienst telkens besloot dat hij zijn wedde volledig behield, heeft mogelijk verwachtingen doen ontstaan in hoofde van verzoeker. Dit betekent echter niet dat de verwerende partij daarmee in hoofde van verzoeker meteen ook de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij ook in de toekomst ipso facto zijn wedde volledig zou kunnen behouden wanneer zijn schorsing in het belang van de dienst zou worden gehandhaafd. IX-10.005-40/47 Het vertrouwensbeginsel sluit hoe dan ook niet uit dat de mogelijk gecreëerde verwachting in hoofde van verzoeker niet wordt gehonoreerd indien dit gerechtvaardigd is door een voldoende zwaarwichtige verantwoording. Welnu, verzoeker wist – of behoorde althans te weten – dat de verwerende partij op grond van artikel 66, § 1, van het administratief statuut de mogelijkheid heeft om telkens opnieuw te oordelen over het al dan niet behoud van de volledige wedde wanneer zij overgaat tot een (handhaving van een) schorsing in het belang van de dienst. Dit is nu precies wat de verwerende partij met de bestreden beslissingen heeft gedaan en wordt trouwens ook uitdrukkelijk en afdoend verantwoord, zoals uit de voorgaande bespreking mag blijken. Een schending van het vertrouwensbeginsel is dan ook niet voorhanden. 25. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 26. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij betwist het standpunt van het directiecomité in de tweede bestreden beslissing dat de adviesraad niet adviseert om de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst met een vaste periodiciteit te herevalueren. Beoordeling IX-10.005-41/47 27. De in het middel geviseerde overweging van de tweede bestreden beslissing, waarvan verzoeker de feitelijke grondslag betwist, luidt als volgt: “Dat de Adviesraad ook niet adviseert om de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst met een vaste periodiciteit te herevalueren.” Deze overweging blijkt niet strijdig te zijn met het beschikkend gedeelte van het advies van de adviesraad van 20 december 2021 dat zich niet uitspreekt tegen een voortgezette schorsing van verzoeker in het belang van de dienst, met een niet volledig behoud van zijn wedde. Ook in de motivering van het advies van de adviesraad van 20 december 2021 is er geen sprake van een herevaluatie met een vaste periodiciteit. Integendeel wordt in overweging 19 van dit advies het volgende gesteld: “Het komt nog steeds toe aan het Directiecomité om de thans na dit advies op te leggen ordemaatregel te herevalueren, minstens in geval zich een nieuw feit zou voordoen.” Hieruit volgt dat de adviesraad een herevaluatie noodzakelijk acht, maar dat dit ook kan “in geval zich een nieuw feit zou voordoen” en dus niet noodzakelijk op vaste tijdstippen moet gebeuren. De adviesraad blijkt aldus niet in te gaan tegen de aanpak die door de verwerende partij sinds de ordemaatregel van 28 januari 2019 werd gehanteerd, namelijk om tot een herevaluatie over te gaan wanneer zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst. Een dergelijke herevaluatie “in het geval zich nieuwe feiten voordoen die een nieuw licht kunnen werpen op de gepastheid van de schorsing in het belang van de dienst” impliceert trouwens evenzeer dat een schorsing in het belang van de dienst tijdelijk is en dus niet van onbeperkte duur. IX-10.005-42/47 Verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat de geviseerde alinea van de tweede bestreden beslissing niet in overeenstemming is met wat de adviesraad heeft geadviseerd. 28. Het derde middel is niet gegrond. IX-10.005-43/47 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 29. Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Hij betoogt dat de tweede bestreden beslissing afwijkt van het advies van de adviesraad van 20 december 2021 en dat de motivering die ze daartoe bevat “niet pertinent en rechtens onjuist, alleszins kennelijk onredelijk [is] aangezien het door de Adviesraad onderkend ‘sterk argument’ ‘bij een vermindering van het deel weddecomplement alsdan een berekening te maken die analoog is met de toestand van iemand die om andere redenen (bvb. Gezondheid) niet kan werken als verkeersleider, klaarblijkelijk is ingegeven door de bezorgdheid dat ‘elke inhouding van wedde steeds proportioneel, redelijk en voldoende gemotiveerd’ dient te zijn”. 30. In zijn memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat de schending van de formelemotiveringsplicht en de schending van de materiëlemotiveringsplicht samen kunnen worden aangevoerd. Hij voegt eraan toe dat “de onwettigheid van de motieven [in ieder geval strekt] tot de schending van de formele motiveringplicht”. Volgens verzoeker heeft hij in zijn uiteenzetting van het middel wel degelijk toegelicht waarom de tweede bestreden beslissing kennelijk onredelijk is. Reeds in zijn verzoekschrift immers heeft hij de motivering van de adviesraad hernomen en is hij die motivering bijgevallen, terwijl daarin wordt uiteengezet waarom de inhouding van het weddecomplement niet verenigbaar is met het redelijkheidsbeginsel. IX-10.005-44/47 Beoordeling 31. Het advies van de adviesraad van 20 december 2021 luidt: “[De adviesraad] [a]dviseert om de bewuste beslissing te herzien in die zin dat de tijdelijke schorsing in het belang van de dienst en het ontzeggen van de toegang tot de lokalen en de IT-systemen van skeyes en met gedeeltelijk behoud van de wedde zou behouden blijven met dien verstande evenwel dat: - ten volle wordt rekening gehouden met het feit dat de wedde zoals hier bedoeld twee componenten heeft waarbij een eventuele vermindering van elk van die componenten afzonderlijk wordt gemotiveerd, - bij het verminderen van het deel weddecomplement, ter begroting van het aandeel dat voor een inhouding van wedde kan overwogen worden, een berekening zou worden gemaakt die analoog is met hetgeen omschreven staat in artikel 4 van het Gradenreglement, - het aan het Directiecomité toekomt om te beoordelen of het volstaat om een inhouding op de wedde te berekenen zoals hiervoor geadviseerd, dan wel of daarnaast ook nog een vermindering van de basiswedde aangewezen voorkomt; daartoe zal het Directiecomité zodanige vermindering dienen te motiveren, - dat de inhouding van de wedde proportioneel en redelijk dient te zijn en alleszins geen verdoken tuchtmaatregel kan zijn.” In de tweede bestreden beslissing is uitdrukkelijk gemotiveerd waarom dit advies niet geheel wordt gevolgd. Op het zogenaamde “sterk argument” waarvan de adviesraad in zijn overwegingen gewag maakt (zie hiervóór sub 3.26) antwoordt de tweede bestreden beslissing: “Dat de Adviesraad van oordeel is dat ‘niet met zekerheid te adviseren’ is dat artikel 4 van het Gradenreglement ook betrekking heeft op een personeelslid dat tijdelijk bij ordemaatregel in overeenstemming met artikel 66, §1 van het Administratief Statuut geschorst wordt in het belang van de dienst, er is immers niet ‘enig tekstargument tot het maken van zodanige toepassing’; Dat de Adviesraad dan ook niet kan gevolgd worden daar waar [hij] adviseert om voor de vermindering van het weddecomplement de toestand van een personeelslid dat omwille van gezondheidsredenen niet kan werken als verkeersleider te vergelijken met de toestand van een personeelslid dat om reden van schorsing in het belang van de dienst geen prestaties als luchtverkeersleider kan uitoefenen; dat zowel in de feiten als in rechte dit twee verschillende situaties betreft; Dat niet valt in te zien waarom het alsdan een ‘sterk argument’ zou zijn, en evenmin een juridische grondslag bestaat, om artikel 4 van het Gradenreglement toch per analogie toe te passen, te meer omdat alsdan een ruimer dan bedoelde draagwijdte zou worden gegeven aan artikel 4 en tegelijk IX-10.005-45/47 afbreuk zou worden gedaan aan de mogelijkheid die door artikel 66 § 1 van het Administratief Statuut wordt verleend aan het Directiecomité om te beslissen over het al dan niet behoud van de ‘volledige’ wedde; […] Overwegende dat het Directiecomité aldus van oordeel is dat er geen reden is om de beslissing d.d. 25 november 2020 te herzien wat betreft het gedeeltelijk behoud van de wedde, met name zonder verdere toekenning van het weddecomplement met ingang vanaf 1 januari 2021; Overwegende dat het Directiecomité van oordeel is dat de overwegingen zoals geformuleerd in de beslissing d.d. 25 november 2020 en gedurende de procedure voor de Adviesraad integraal overeind blijven.” Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift helemaal niet uitlegt waarom deze motieven niet pertinent zouden zijn. Hij toont dan ook niet aan dat de tweede bestreden beslissing op dit punt de formelemotiveringsplicht zou schenden. Voor zover hij in zijn memorie van wederantwoord ook een schending van de materiëlemotiveringsplicht lijkt aan te voeren, doet hij dat laattijdig. Ook die schending licht hij overigens niet nader toe. Ten slotte heeft de Raad van State op grond van verzoekers summiere uiteenzetting van het middel er het raden naar hoe uit het voormelde, zogenaamd “sterk argument” van de adviesraad zou volgen en komen vast te staan dat de inhouding van het weddecomplement waartoe de tweede bestreden beslissing besluit, disproportioneel zou zijn en aldus het redelijkheidsbeginsel zou schenden. 32. Het vierde middel, voor zover ontvankelijk, is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.005-46/47 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.005-47/47 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.915 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.