id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.938 Rolnummer: A. 233163/IX-10079 Zaak: Arrest 256938 - Wapens - 27/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-03 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-06 05:21 Fiche Arrest nr 256.938 van 27 juni 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.938 van 27 juni 2023 in de zaak A. é.163/IX-10.079 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 25 februari 2021 inzake het beroep van XXXX tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 2 december
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.079-1/22 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nico Demeyere, die loco advocaat Hans-Kristof Carême verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker beschikt in de hoedanigheid van jager over een aantal vergunde vuurwapens. 3.
- Op 30 maart 2009 beslist de gemachtigde van de minister van Justitie tot de intrekking van verzoekers vergunningen en het recht om wapens voorhanden te hebben. 3.
- Verzoeker wordt bij vonnis van 13 januari 2009 door de correctionele rechtbank te Leuven schuldig bevonden aan inbreuk op de wet van IX-10.079-2/22 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”) (tenlastelegging A) en op het koninklijk besluit van 9 september 1981 ‘betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest’ (tenlastelegging E). De correctionele rechtbank gelast voor die feiten samen de opschorting van de uitspraak gedurende een periode van drie jaar. 3.
- Sinds 2012 dient verzoeker opeenvolgende aanvragen in om opnieuw het recht te worden toegekend vuurwapens voorhanden te hebben. Die aanvragen worden telkenmale geweigerd. 3.
- Met een beslissing van 2 december 2016 kent de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant opnieuw het recht toe om vuurwapens te bezitten, “met de beperking dat [verzoeker] dat recht niet mag aanwenden voor jachtdoeleinden.” Verzoeker tekent beroep aan tegen die beslissing bij de minister van Justitie. 3.
- Op 6 december 2017 beslist de gemachtigde van de minister van Justitie dat de voormelde beslissing van de gouverneur wordt “omgezet naar een schorsing van [verzoekers] vergunningen en/of het recht tot het voorhanden van vuurwapens, dit in afwachting van het resultaat van het lopende [strafrechtelijk] onderzoek”. Voorts wordt vermeld dat van zodra de federale wapendienst kennis heeft kunnen nemen van het resultaat van het lopende onderzoek een definitieve beslissing zal worden genomen. 3.
- Verzoeker stelt tegen die beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. IX-10.079-3/22 3.
- Bij vonnis van 13 januari 2020 wordt verzoeker door de correctionele rechtbank van Leuven vrijgesproken voor de hem ten laste gelegde feiten. Tegen dat vonnis stelt het openbaar ministerie hoger beroep in bij het hof van beroep. 3.
- Bij arrest nr. 247.138 van 25 februari 2020 vernietigt de Raad van State de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 6 december
- 3.
- In het kader van de nieuw te nemen beslissing vraagt de verwerende partij nieuwe adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings. Zij adviseren beiden ongunstig. 3.
- Op 25 februari 2021 verwerpt de gemachtigde van de minister van Justitie verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 6 december 2017 en beslist om de gedeeltelijke intrekking – in het kader van de jacht – om te zetten in een volledige intrekking van verzoekers vergunningen en het recht om vuurwapens voorhanden te hebben. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Zoals reeds aangehaald kan de gouverneur overeenkomstig artikel 11, §1, tweede lid en/of artikel 13, eerste lid van de wapenwet een vergunning en/of het recht om een vuurwapen voorhanden te houden beperken, schorsen of intrekken indien blijkt dat het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren. Tevens voorziet de omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving dat het moeilijk denkbaar is dat een vergunning wordt uitgereikt aan een persoon die psychisch onevenwichtig is of die geconfronteerd is met sterke echtelijke conflicten, of die zich regelmatig in dronken toestand bevindt. Het onderzoek door de lokale politie houdt op objectieve wijze rekening met de karakteristieken van de persoonlijkheid van de aanvrager, inzonderheid met eventuele gerechtelijke antecedenten of met geweldplegingen in het gezin of elders, met zijn geestesgesteldheid en zijn zedelijkheid, alsook met een eventuele gewelddadige politieke activiteit. IX-10.079-4/22 Ook artikel 5 van de richtlijn 91/477/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen betreffende het toezicht op de aankoop en het voorhanden hebben van wapens bepaalt dat het voorhanden hebben van vuurwapens moet voorbehouden zijn aan personen die geen gevaar doen ontstaan, noch voor zichzelf, noch voor de openbare orde of veiligheid. Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening gehouden worden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing, intrekking of weigering van een vergunning te rechtvaardigen. De lokale politie adviseerde ongunstig inzake wapenbezit in uw hoofde. Ze verwijst daartoe naar het onderzoek door haar diensten en de feiten die zich hebben voorgedaan in 2017 en 2018 en besluit hieruit dat u mogelijks een gevaar voor de openbare orde en openbare veiligheid vormt. Het politioneel advies vermeldde tevens dat u op 13 januari 2020 een vonnis bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven heeft gekregen inzake dossier LE.45.99.244-17 en dossier LE.36.L2.513-18 (juridische samenvoeging) en dat beroep werd aangetekend. De procureur des Konings heeft inzake uw wapenbezit eveneens ongunstig geadviseerd. Het advies bevestigt dat inderdaad beroep werd ingesteld tegen het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 13 januari
- Navraag heeft uitgewezen dat dit zal behandeld worden door het Hof van Beroep te Brussel op 12 mei
- Het vonnis van 13 januari 2020 van de correctionele rechtbank te Leuven stelde het volgende wat betreft de tenlastelegging inbreuken op de wapenwet: ‘Aan eerste beklaagde XXXX wordt inbreuk op de artikelen 1, 2, 3, 22§1 al. 3 en 4, 23, 24, 25, 26, 29, 46, 47, 48 en 49 van de Wapenwet ten laste gelegd, namelijk als particulier munitie, patroonhulzen of projectielen die niet onbruikbaar zijn gemaakt, voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden te hebben gehad. De tenlastelegging wordt betwist. Beklaagde blijkt sedert 30 jaar een kleiduifschieter en jager te zijn. Als bezitter van een sportschutterslicentie en als houder van het getuigschrift van het jachtexamen die in 2017 een jachtverlof heeft aangevraagd, is beklaagde gelet op artikel 12 van de wapenwet, vrijgesteld om een wapenvergunning te hebben en volstaat de sportschutterslicentie als titel voor diens wapenbezit. De gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant heeft op 2 december 2016 aan beklaagde het recht verleend om wapens voorhanden te hebben met dien verstande dat het recht niet mag worden aangewend voor de jacht. De federale wapendienst heeft op 6 december 2017 zijn beroep (beklaagde was niet akkoord met de beperking dat hij niet het recht heeft om de vuurwapens aan te wenden voor de jacht) niet ingewilligd en de vergunningen en/of het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens geschorst in afwachting van het resultaat van een opsporingsonderzoek lastens deze beklaagde Zijn beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State is nog steeds IX-10.079-5/22 aanhangig. Niettemin heeft hij alle wapens binnen de 15 dagen na kennisname van de beslissing van 6 december 2017 overgedragen. De raadsman van eerste beklaagde XXXX meent dat de beslissing van 6 december 2017 (van de gouverneur (sic) waarbij zijn recht tot het houden van wapens werd geschorst) onwettig is en buiten toepassing moet worden verklaard overeenkomstig artikel 159 van de grondwet, met als gevolg dat de beslissing van de gouverneur van 2 december 2016 herleeft en op grond waarvan beklaagde wel degelijk vuurwapens en munitie mocht voorhanden hebben – quod non. De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe in zoverre zij overeenstemmen met de wet. 3.
- Er zijn in het repressief dossier geen materiële vaststellingen dat beklaagde vuurwapens/munitie zou hebben gebruikt voor jachtdoeleinden. Wanneer verbalisanten stellen dat beklaagde munitie voorhanden zou hebben gehad die enkel en alleen bestemd zou zijn voor de jacht en niet voor de schietsport, is dit irrelevant gezien de wapenwet dit onderscheid niet maakt. Er is geen bezit van verboden munitie en geen bezit van opensplijtende munitie (enkel deelmantelkogels) vastgesteld. Het staat niet vast dat het bezit van loodhagel verboden is, aangezien het nog steeds wettig kan worden ingezet voor de jacht in het Waalse Gewest. Er is minstens twijfel die in het voordeel van eerste beklaagde XXXX speelt, zodat hij voor de tenlastelegging A wordt vrijgesproken.’. De correctionele rechtbank van Leuven oordeelde op 13 januari 2020 dat er minstens twijfel is die in uw voordeel speelt zodat u werd vrijgesproken voor de tenlastelegging betreffende de inbreuken op de wapenwet. Uw strafrechtelijke toerekenbaarheid stond m.a.w. niet onomwonden vast. De wapenwet heeft als uitgangspunt evenwel niet om repressief op te treden. De voorafgaande vergunning tot het voorhanden hebben van vuurwapens staat op zich reeds symbool voor het preventieve uitgangspunt van de wapenwet. Het particulier voorhanden houden van vuurwapens is een uitzondering op een principieel verbod en moet dan ook restrictief worden toegepast. Vanuit het preventieve uitgangspunt van de wapenwet komt het er bijgevolg niet op aan om na te gaan of iemand strafrechtelijk toerekenbaar kan worden geacht voor bepaald feiten. Ook in geval van bijvoorbeeld onvoorzichtigheid (bv. slordige omgang met/ bewaring van vuurwapens of munitie), toevallige omstandigheden (bv. een aanslepende en problematische echtscheiding die aanleiding geeft tot ernstige conflictsituaties) of middelenafhankelijkheid (bv. een alcoholverslaving) kan in het algemeen belang geoordeeld worden dat wapenbezit niet is aangewezen. De wapenwet wil daarmee de openbare orde en veiligheid vrijwaren en misbruik van en ongelukken met vuurwapens voorkomen. Vanuit dit uitgangspunt kan de vergunningverlenende overheid rekening houden met alle elementen in het dossier, zo ook met processen-verbaal, getuigenissen, verklaringen, enz. IX-10.079-6/22 In uw verklaring in het proces-verbaal LE.36.L2.000513/2018 van 16 februari 2018 stelde u onder meer het volgende: U erkende dat de munitie die werd inbeslaggenomen tijdens de huiszoeking in uw woning op 12 februari 2018 uw eigendom was en effectief afkomstig was uit uw woning. U deed vrijwillig en onherroepelijk afstand van de inbeslaggenomen munitie met uitzondering van degene die u gebruikte uit hoofde van uw hoedanigheid als sportschutter en die dus nog moest dienen voor uw sportschuttersactiviteiten. Uit de inventaris blijkt dat onder meer volgende patronen werden aangetroffen: - patronen kaliber 9mm Flobert, terwijl er geen wapen op uw naam in het centraal wapenregister werd geregistreerd dat geschikt is voor deze munitie. U verklaarde dat u ooit nog een wapen heeft gehad voor deze munitie maar dat dit u voor 1994 heeft verkocht; - munitie met lood (verboden in het Vlaams gewest) waarvan u verklaarde dat u deze nog onder zich had van toen u nog joeg in het Waals gewest (voor 2009); - 25 ingekruiste dumdumkogels kaliber .22 waarvan u verklaarde dat u niet wist waar deze vandaan kwamen en dat u ze niet zelf had ingekruist; - andere aangetroffen munitie waarvoor u niet over een bijpassend wapen beschikte en waarvan u verklaarde dat u deze aan de Walen dacht te geven maar dat u daartoe nog niet was gekomen. U verklaarde tevens dat de kast waarin de munitie werd aangetroffen op slot was en dat de sleutel boven op de kast zelf lag hetgeen u ‘onvindbaar opgeborgen’ noemde. Volgens de politie had u evenwel de kast zelf geopend en was ze niet op slot, doch u blijft bij uw verklaring. Dit betreft uw eigen verklaringen en aldus tot op heden niet tegengesproken. Uit deze verklaringen blijkt dat u beschikte over allerhande munitie die u niet gebruikte uit hoofde van uw hoedanigheid als sportschutter en die ook niet diende voor uw sportschuttersactiviteiten. Het betrof munitie die niet geschikt was om te kunnen gebruiken met de wapens die u in uw hoedanigheid als sportschutter in uw bezit had. Het betrof onder meer patronen die enkel toegelaten zijn om er mee te jagen in het Waals gewest. Voormeld vonnis stelde terecht dat de wapenwet het onderscheid tussen munitie die enkel bestemd is voor de jacht en niet voor de schietsport niet maakt. De wapenwet voorziet dat het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie verboden is zonder voorafgaande vergunning verleend door de gouverneur (artikel 11, §1 wapenwet). Artikel 12, eerste lid, 2° van de wapenwet bepaalt voorts dat artikel 11 niet van toepassing is op houders van een sportschutterslicentie, doch enkel voor wat betreft de vuurwapens ontworpen voor het sportschieten waarvan de lijst wordt vastgesteld door de minister van Justitie en de daarbij horende munitie. Uit uw verklaring blijkt dat u munitie voorhanden had naast de munitie die u gebruikt uit hoofde van uw hoedanigheid als sportschutter en die dus nog moest dienen voor uw sportschuttersactiviteiten, terwijl uit uw administratief IX-10.079-7/22 dossier blijkt dat u over geen enkel recht noch vergunning beschikte om deze ‘andere’ munitie (oftewel de munitie die niet hoorde bij de vuurwapens ontworpen voor het sportschieten waarvoor u over een sportschutterslicentie beschikte en die u dus gebruikte uit hoofde van uw hoedanigheid als sportschutter) voorhanden te mogen hebben. Wat betreft vervolgens uw verklaring dat de munitie werd bewaard in een kast die op slot was en waarbij de sleutel werd bewaard boven op de kast kan er niet aan worden voorbijgegaan dat dergelijke wijze van bewaring minstens onvoorzichtig en niet als een goede huisvader werd uitgevoerd. Ter zake kan worden verwezen naar de omzendbrief van 25 oktober 2011 die hierover het volgende stelt: ‘De wapenkluis en de munitie moeten zich in een ruimte bevinden waarvan alle toegangen en ramen behoorlijk zijn afgesloten. De sleutels van de wapenkluis en die van de ruimte waarin de wapenkluis zich bevindt, mogen niet op de sloten worden gelaten. Die sleutels moeten op een veilige plaats, buiten het bereik van kinderen en derden worden bewaard. Alleen de eigenaar mag toegang hebben tot deze sleutels.’. Als u de sleutel van de kast op de kast legt, dan laat u deze toegankelijk voor onbevoegden met alle mogelijke gevolgen van dien. Het getuigt alleen maar van gezond verstand om een sleutel niet te leggen op de kast waarmee u ze op slot heeft gedaan en het gegeven dat u zich terzake van geen kwaad bewust bent (hetgeen blijkt uit uw verklaring dat deze wijze van bewaring als ‘onvindbaar opgeborgen’ kan worden beschouwd), verontrust eens te meer. Los van het element dat een rechter u niet strafrechtelijk aansprakelijk acht voor de vaststellingen die werden gedaan in voormeld proces-verbaal dat uiteindelijk heeft geleid tot de tenlastelegging in voormeld vonnis, moet vastgesteld worden dat uw wijze van omgaan met munitie – t.w. het voorhanden hebben van munitie waarbij u niet over een relevant recht of vergunning beschikt voor een vuurwapen waarbij die munitie behoort, alsook het slordig en onvoorzichtig bewaren van munitie – duidt op een ingesteldheid die in de omgang met wapens en/of munitie als onverantwoordelijk moet worden beschouwd. Uw nog niet in kracht van gewijsde gegane vrijspraak door de strafrechter staat er niet van in de weg te oordelen dat uit uw verklaringen blijkt dat u zich dermate heeft gedragen dat daarmee potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid werd gecreëerd en op basis waarvan wordt gevreesd dat verder wapenbezit dergelijk gevaar zal in stand houden met mogelijke ongelukken met of misbruik van vuurwapens tot gevolg. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om een IX-10.079-8/22 vuurwapen en de daarbij horende munitie en laders voorhanden te kunnen houden op grond van een wettige reden. Meer bepaald moet overwogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. Daarbij dient een inschatting te worden gemaakt van de ernst en de actuele relevantie van de feiten die zich hebben voorgedaan. Wat is immers het risico op misbruik van of ongelukken met vuurwapens indien men u hiervan het bezit toestaat. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. Volgens de Raad van State (arrest nr. 247.138 van 25 februari 2020) staat het argument dat het de verwerende partij niet toekomt een onderzoek naar de voorliggende situatie te voeren, er niet aan in de weg dat zij in het licht van de materiëlemotiveringsplicht de bewijswaarde van de haar voorgelegde feiten moet beoordelen. Het komt de verwerende partij toe aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing steunt op afdoende vaststaande feiten. Uit het voorgaande is gebleken dat – op basis van uw verklaringen omtrent de vaststellingen die werden gedaan tijdens de huiszoeking van 12 februari 2018 – genoegzaam vaststaat dat u munitie voorhanden had die u niet gebruikte uit hoofde van uw hoedanigheid als sportschutter en waarvoor evenmin een recht of vergunning ter verantwoording van het bezit ervan kon worden voorgelegd. Ook staat vast dat u munitie bewaarde op een wijze die minstens als onvoorzichtig kan worden bestempeld doordat een slotvaste kast uiteraard door onbevoegden kan geopend worden als de sleutel zich op de kast zelf bevindt. Deze vaststellingen miskennen het gezag van gewijsde van het vonnis van 13 januari 2020 van de correctionele rechtbank te Leuven niet en vinden steun in uw verklaringen zodat ze genoegzaam vaststaan. Immers oordeelde de strafrechter dat het irrelevant is dat u munitie voorhanden zou hebben gehad die enkel en alleen bestemd zou zijn voor de jacht en niet voor de schietsport aangezien de wapenwet dergelijk onderscheid niet maakt. Aan deze overweging wordt geen afbreuk gedaan door vast te stellen dat u munitie voorhanden had die niet hoorde bij vuurwapens waarvoor u over een recht of vergunning beschikte. De wapenwet maakt inderdaad niet het onderscheid tussen munitie die enkel en alleen bestemd zou zijn voor de jacht en niet voor de schietsport. De wapenwet stelt evenwel dat het voorhanden hebben van munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens verboden is voor particulieren die niet voldoen aan de artikelen 11 en 12 (artikel 22, §1, derde lid wapenwet). Zoals gesteld bepalen artikelen 11 en 12 dat het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens en de daarbij horende munitie enkel is toegestaan aan houders van een voorafgaande vergunning respectievelijk aan IX-10.079-9/22 houders van een jachtverlof (wat betreft de lange wapens daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is, evenals de daarbij horende munitie) of van een sportschutterslicentie (wat betreft de vuurwapens ontworpen voor het sportschieten en waarvan de lijst wordt vastgesteld door de minister van Justitie, en de daarbij horende munitie). Daarbij komt dat tegen voormeld vonnis beroep werd aangetekend zodat het nog niet in kracht van gewijsde kon treden en dat de minister van Justitie (of zijn gemachtigde) geen partij was in de procedure waarin het gezag van gewijsde ontstond. Op grond van deze vaststellingen moet worden geconcludeerd dat er voldoende vaststaande gegevens voorhanden zijn om – ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid – een preventieve maatregel te nemen. Uit uw verklaringen blijkt immers een gedrag dat van onvoldoende verantwoordelijkheid getuigt waardoor het voorhanden hebben van wapens en munitie in uw hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan stellen. Hierbij komt dat deze feiten – die zich in het recente verleden hebben voorgedaan – werden voorafgegaan door een verleden waaruit volgende ongunstige elementen blijken: - een (reeds gewist) vonnis van 5 november 1971 van de correctionele rechtbank te Leuven inzake slagen; - een (reeds gewist) vonnis van 27 juni 1974 van de correctionele rechtbank te Leuven inzake jachtmisdrijven; - een minnelijke schikking in 2007 wegens opzettelijke slagen en verwondingen; - een vonnis van 13 januari 2009 inzake bezit van verboden wapens en inbreuken op het jachtdecreet en de vogelbescherming, waarvoor u de gunst van de opschorting verkreeg (maar waarbij de schuld aan de gepleegde feiten evenwel vaststond); Ook al betwist u de huidige waarde van deze elementen uit uw verdere verleden, hun actuele relevantie bestaat er in dat er een terugkerend patroon van inbreuken uit blijkt hetgeen eens te meer wordt bevestigd door de voormelde recentere feiten die werden vastgesteld door de politie en niet worden tegengesproken door uw verklaringen zodat ze genoegzaam vaststaan. Daarbij komt dat een maatregel zich opdringt ten aanzien van het door u voorhanden houden van vuurwapens in het algemeen. Het in de bestreden beslissing gemaakte onderscheid tussen het recht in het kader van de jacht of het recht in het kader van het sportschieten is m.a.w. irrelevant aangezien het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid zoals het blijkt uit voorgaande vaststellingen zich stelt bij vuurwapenbezit in uw hoofde ongeacht het kader waarin het zou plaatsvinden. De wapenwet voorziet in verschillende administratieve maatregelen, zijnde een beperking, een schorsing of een intrekking van uw vergunningen/recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Een beperking als administratieve maatregel biedt in casu onvoldoende garanties teneinde de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. De schorsing is als administratieve maatregel daarnaast enkel aangewezen in IX-10.079-10/22 geval men zich voorlopig in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde en is beperkt in de tijd waarbij het aanbeveling verdient om – in geval de schorsing langer duurt dan één jaar – de vergunning in te trekken. Bijgevolg moet besloten worden dat de intrekking van uw vergunningen/recht om over vuurwapens te beschikken, aangewezen is om voldoende garanties te bieden teneinde de openbare orde en veiligheid in casu te vrijwaren.” 3.
- Bij arrest van 16 juni 2022 veroordeelt het hof van beroep te Brussel verzoeker voor (onder meer) inbreuken op de wapenwet tot een geldboete van 1600 euro. Voorts worden aangetroffen jachtmunitie en mist- en slagnetten verbeurd verklaard. De inbreuken op de wapenwet worden als volgt omschreven in ‘tenlastelegging A’: “A bezit munitie als particulier Als particulier die niet voldoet aan de artikelen 11 of 12 van de Wapenwet, munitie, patroonhulzen of projectielen, die niet bruikbaar gemaakt zijn, voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden te hebben gehad. (artikelen 1, 2, 3, 22 §1, derde en vierde lid, 23, 24, 25, 26, 29, 46, 47, 48 en 49 van de Wapenwet) te Kortenaken op 12 februari 2018 door XXXX namelijk meer dan 11.000 patronen/munitie, neergelegd onder O.S. 1802344, en beschreven in het proces verbaal met nummer 1463/18.” Het hof van beroep oordeelt daarover: “de tenlastelegging A 4.1 Naar aanleiding van een huiszoeking met toestemming op 12 februari 2018 in de woning met aanhorigheden van de beklaagden werd een aanzienlijke hoeveelheid munitie aangetroffen. Deze munitie werd in beslag genomen en neergelegd op de correctionele griffie te Leuven onder het overtuigingsstuknummer
- Naar aanleiding van een tweede huiszoeking die op 11 september 2018 in de woning van de beklaagden werd uitgevoerd, werd nogmaals een (kleinere) hoeveelheid munitie in beslag genomen (OS 1804759). Volgens de verbalisant is een gedeelte van de aangetroffen munitie exclusief IX-10.079-11/22 bedoeld voor jachtdoeleinden. De beklaagde XXXX verklaarde dat de munitie zijn eigendom betrof. Hij stelde een sportschutter te zijn en toonde de verbalisant zijn sportschutterslicentie (A-017830). Hij deed vrijwillig afstand van alle munitie, met uitzondering van deze dienstig voor het sportschieten. 4.2 Overeenkomstig artikel 11 § 1 Wapenwet is het zonder een voorafgaande vergunning, verleend door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de verzoeker, particulieren verboden een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben. Artikel 12, 2 Wapenwet bepaalt dat houders van een sportschutterslicentie, die vuurwapens ontworpen voor het sportschieten en waarvan de lijst wordt vastgesteld door de minister van Justitie, en de daarbij horende munitie mogen voorhanden hebben. Overeenkomstig artikel 22 § 1, 3° Wapenwet mogen particulieren die niet voldoen aan de artikelen 11 of 12 geen munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden hebben. Bij besluit van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 5 december 2016 werd de beklaagde het recht om vuurwapens te bezitten toegekend, met de beperking dat hij dat recht niet mag aanwenden voor jachtdoeleinden (stuk 4 XXXX). Tegen dit besluit stelde de beklaagde het georganiseerd administratief beroep in. Bij beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 6 december 2017 werd het recht van de beklaagde om in het kader van het sportschieten vuurwapens voorhanden te hebben, omgezet naar een schorsing van zijn vergunningen en/of het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens, in afwachting van het resultaat van het lopend onderzoek (stuk 1 XXXX). Tegen deze beslissing ging de beklaagde in beroep bij de Raad van State. De beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 6 december 2017 werd bij arrest van de Raad van State van 25 februari 2020 (nr. 247.238) met terugwerkende kracht vernietigd, waardoor het voormelde besluit van de gouverneur opnieuw gelding kreeg (stuk 7 XXXX). Uit wat voorafgaat, volgt dat de beklaagde op het ogenblik van de huiszoeking uitsluitend munitie verbonden aan zijn sportschutterslicentie onder zich mocht hebben, maar hij geenszins gerechtigd was om munitie bestemd voor vergunningsplichtige jachtwapens in bezit te hebben. De tenlastelegging A is voor de beklaagde XXXX bewezen maar slechts in de mate dat hij in het bezit was van jachtmunitie.” IV. Toepassing kortedebattenprocedure A. Vooraf IX-10.079-12/22
- Het auditoraat heeft geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Het heeft het enige middel ongegrond bevonden. B. Enige middel Uiteenzetting van het middel 5.
- Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 11, § 1, tweede lid, van de wapenwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- beginsel, het redelijkheidsbeginsel, het recht om te worden gehoord of zijn standpunt naar voor te brengen en uit machtsoverschrijding. 5.
- In het eerste middelonderdeel bekritiseert verzoeker de overweging in de bestreden beslissing “dat – op basis van [zijn] verklaringen omtrent de vaststellingen die werden gedaan tijdens de huiszoeking van 12 februari 2018 – genoegzaam vaststaat dat [hij] munitie voorhanden had die [hij] niet gebruikte uit hoofde van [zijn] hoedanigheid als sportschutter en waarvoor evenmin een recht of vergunning ter verantwoording van het bezit ervan kon worden voorgelegd”. Hij voert aan dat overeenkomstig artikel 29, § 1, van de wapenwet de verwerende partij als bestuurlijke overheid onbevoegd is om inbreuken op de wapenwet vast te stellen. Het motief van de verwerende partij dat zij optreedt vanuit het preventieve uitgangspunt van de wapenwet – reden waarom zij rekening meent te kunnen houden “met alle elementen in het dossier, zo ook met processen-verbaal, getuigenissen, verklaringen, enz.” – rechtvaardigt niet dat zij in de bestreden beslissing inbreuken vaststelt. De vaststellingen die op 12 februari 2018 door de verbalisanten zijn gedaan, nopen immers niet tot de vaststelling van enige inbreuk op de wapenwet aangezien de correctionele IX-10.079-13/22 rechtbank van Leuven verzoeker heeft vrijgesproken voor inbreuken op de wapenwet – beslissing die op de datum van de bestreden beslissing bekleed was met gezag van gewijsde. Het motief in de bestreden beslissing dat er tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld zodat het nog niet in kracht van gewijsde is getreden en dat de minister van Justitie geen partij was in de procedure waarin het gezag van gewijsde ontstond, is niet pertinent omdat kracht van gewijsde er niet toe doet, omdat de overheid in een geding in regel een rechtspersoon is en niet een van zijn organen en omdat in het vonnis van 13 januari 2020 is beslist dat “de kosten voor beklaagden gemaakt door het Openbaar Ministerie […] ten laste van de Belgische Staat” zijn. Zelfs al zou het gezag van gewijsde van het vonnis van 13 januari 2020 niet tegenstelbaar zijn aan de verwerende partij, moet worden aangenomen dat zij gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht geen acht kan slaan op de gegevens die zijn opgenomen in de processen-verbaal om te oordelen dat die als vaststaand moeten worden beschouwd en dienvolgens de bestreden beslissing kunnen schragen, zonder het oordeel van de correctionele rechter die zich over die processen-verbaal heeft uitgesproken hierbij te betrekken, zeker omdat de verwerende partij in het bezit is van dat vonnis en verzoeker in het kader van zijn schriftelijk hoorrecht de verwerende partij hierop heeft gewezen. De verwerende partij miskent dan ook het gezag van gewijsde van de correctionele vrijspraak van 13 januari 2020, zelfs al is dat vonnis nog niet in kracht van gewijsde getreden. De verwerende partij kan immers niet vooruitlopen op het arrest van het hof van beroep te Brussel. De bestreden beslissing steunt dan ook niet op genoegzaam vaststaande feiten die met de nodige zorgvuldigheid zijn vastgesteld. 5.
- In het tweede middelonderdeel bekritiseert verzoeker de overweging in de bestreden beslissing “dat [hij] munitie bewaarde op een wijze die minstens als onvoorzichtig kan worden bestempeld doordat een slotvaste kast uiteraard door onbevoegden kan geopend worden als de sleutel zich op de kast zelf bevindt”. Verzoeker voert aan dat uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat hij munitie op een onveilige manier zou hebben bewaard. Tijdens het verhoor van 27 maart 2018 werd hem gevraagd of de kast waarin de munitie werd IX-10.079-14/22 aangetroffen op slot was op het moment van de controle door de politiediensten, waarop verzoeker heeft geantwoord dat ze op slot was en dat de sleutel boven op de kast lag waar deze volgens hem onvindbaar was. Meer informatie werd niet gevraagd, terwijl de sleutel inderdaad onvindbaar was mede gelet op de hoogte en de exacte locatie, iets wat de verwerende partij niet naar zorgvuldigheid kan vaststellen. In ieder geval is de motivering niet pertinent gelet op artikel 11, § 2, van het destijds geldende koninklijk besluit van 14 april 2009 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 april 1997 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden waaraan het opslaan, het in bewaring geven en het verzamelen van vuurwapens of munitie zijn onderworpen’. Op 12 februari 2018 gold er geen rechtsplicht om munitie achter slot te bewaren. De bestreden beslissing steunt dan ook niet op genoegzaam vaststaande feiten die met de nodige zorgvuldigheid zijn vastgesteld. 5.
- In het derde middelonderdeel voert verzoeker de schending aan van de hoorplicht doordat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing rekening heeft gehouden met zijn verklaringen van 16 februari 2018 over de huiszoeking van 12 februari 2018 en met de inventaris van de patronen die op 12 februari 2018 in zijn woning zijn aangetroffen, terwijl hij in het kader van de uitoefening van zijn hoorrecht geen kopie van het strafdossier – en dus ook niet van het proces-verbaal met zijn verklaringen van 16 februari 2018 en van het proces-verbaal met de vaststellingen tijdens de huiszoeking van 12 februari 2018 – heeft ontvangen. Verzoeker kon bij de uitoefening van zijn hoorrecht niet bevroeden dat de verwerende partij in het bezit was van die processen-verbaal zodat hij hierover tegenspraak zou kunnen voeren. Dat die processen-verbaal verzoeker bekend zijn vanuit zijn strafrechtelijke verdediging voor de correctionele rechtbank van Leuven, maakt niet dat het normdoel van zijn schriftelijk hoorrecht is bereikt. Het schriftelijk hoorrecht impliceert immers dat verzoeker gericht kan argumenteren op grond van het administratief dossier waarover de overheid beschikt. 5.
- In het vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat uit de drie voorgaande middelonderdelen blijkt dat de motieven over de feiten die zich in het IX-10.079-15/22 recente verleden zouden hebben voorgedaan niet draagkrachtig zijn. Anders dan in de bestreden beslissing wordt gesteld, zijn er derhalve geen actuele gegevens die toelaten om gegevens uit het verleden – reeds gewiste vonnissen van 5 november 1971 en 27 juni 1974, een minnelijke schikking in 2007 en een vonnis van 13 januari 2009 – bij de beoordeling te betrekken. Het oordeel van de verwerende partij dat de intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben “aangewezen is om voldoende garanties te bieden teneinde de openbare orde en veiligheid in casu te vrijwaren” kan dan ook niet worden bijgevallen. Met de motivering van de bestreden beslissing wordt niet aannemelijk gemaakt dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. 6.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat de verwerende partij zich niet verweert tegen de grief dat wat zij uit het strafdossier haalt ter motivering van de bestreden beslissing niet wordt afgetoetst aan het oordeel van de correctionele rechter die zich over die processen-verbaal heeft uitgesproken. Verzoeker spreekt voorts tegen dat hij het proces-verbaal van 16 februari 2018 en zijn daarin opgenomen verklaringen nooit heeft betwist en hij stelt dat die betwisting is gevoerd voor de correctionele rechtbank – die hem vervolgens heeft vrijgesproken – en in het kader van het uitoefenen van het hoorrecht. De stelling van de verwerende partij dat het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank van 13 januari 2020 niet aan haar tegenstelbaar is omdat zij hierbij geen partij was, is volgens verzoeker niet dienstig omdat de verwerende partij zelf te kennen geeft dat de bestreden beslissing steunt op het advies van het parket. Het parket was wel partij bij de correctionele procedure die tot de vrijspraak heeft geleid en is bij het formuleren van zijn advies dus wel gebonden door het gezag van gewijsde en op die manier ook de verwerende partij die rekening houdt met het advies van het parket. Voorts benadrukt verzoeker dat het niet aan de verwerende partij toevalt om inbreuken op de wapenwet vast te stellen en dat zij er niet mee kan volstaan te beweren dat zij zelf geen inbreuken heeft vastgesteld, maar steunt op hetgeen verzoeker heeft verklaard en erkend. Verzoeker heeft hoogstens IX-10.079-16/22 toegegeven dat er munitie voorhanden werd gehouden, maar heeft daarmee nog geen inbreuk op de wapenwet erkend. Bij arrest nr. 247.138 van 25 februari 2020 heeft de Raad van State trouwens de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 6 december 2017 inzake verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 2 december 2016 vernietigd. De beslissing van 6 december 2017 is derhalve retroactief uit de rechtsorde verwijderd en wordt geacht nooit te hebben bestaan. Gevolg hiervan is dat de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 2 december 2016 herleeft en dat verzoeker vanaf 2 december 2016 het recht heeft om wapens voorhanden te hebben, met de beperking dat het recht niet mag worden aangewend voor de jacht. Op het ogenblik van de huiszoeking mocht verzoeker dus munitie voorhanden hebben. Van verboden wapenbezit is derhalve geen sprake. 6.
- Inzake het tweede middelonderdeel stelt verzoeker dat het middelonderdeel niet beperkt is tot een betwisting over het bestaan van een rechtsplicht om munitie achter slot te bewaren, maar dat hij evenzeer betwist dat er munitie onveilig zou zijn bewaard. Hij stelt dat hij tijdens het verhoor op 27 maart 2018 te kennen heeft gegeven dat de wapenkast op slot was en de sleutel onvindbaar was. Voorts ontbreekt het aan vaststellingen hierover door de verbalisanten. De verwijzing van de verwerende partij naar de algemene zorgvuldigheidsplicht ter aanvulling van een specifieke rechtsnorm waarin niets wordt voorgeschreven over de bewaring van munitie achter slot, acht verzoeker niet pertinent en onredelijk. Hij besluit dat de verwerende partij niet op dat element kon steunen. 6.
- Met betrekking tot het derde middelonderdeel onderstreept verzoeker dat het recht op tegenspraak slechts nuttig kan worden uitgeoefend indien de betrokkene vooraf het dossier wordt meegedeeld dat zal dienen voor de totstandkoming van de beslissing. In casu heeft de verwerende partij er op geen enkel moment op gewezen dat zij zou steunen op andere stukken dan de adviezen van parket en politie, zoals verzoekers verklaring in het proces-verbaal van 16 februari 2018 of de inventaris van de in beslag genomen stukken. Verzoeker IX-10.079-17/22 heeft dan ook niet op nuttige wijze zijn hoorrecht kunnen uitoefenen. Dat hij kennis had van die stukken in het kader van zijn strafrechtelijke verdediging doet hieraan geen afbreuk aangezien hij onmogelijk kon vermoeden dat de verwerende partij er kennis van had en erop zou steunen voor de bestreden beslissing. Verzoeker merkt ook op dat hij het bezit van illegale (opensplijtende) munitie heeft tegengesproken en dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar het bezit van die munitie in strijd is met het vonnis van de correctionele rechtbank van 13 januari 2020 waarin wordt overwogen dat “[e]r […] geen bezit van verboden munitie en geen bezit van opensplijtende munitie (enkel deelmantelkogels) [is] vastgesteld”. 6.
- Inzake het vierde middelonderdeel benadrukt verzoeker dat hij hoogstens heeft toegegeven dat hij munitie voorhanden hield maar daarmee geen inbreuk op de wapenwet heeft bekend, anders zou de correctionele rechtbank hem niet hebben vrijgesproken. Opnieuw blijkt dat de verwerende partij het vonnis van de correctionele rechtbank van 13 januari 2020 heeft genegeerd. Dit noopt tot het besluit dat de bestreden beslissing niet draagkrachtig is omdat ze niet steunt op actuele gegevens die toelaten om de minder recente gegevens toch nog bij de beoordeling te betrekken. Beoordeling a. Eerste onderdeel 7.
- Het hof van beroep te Brussel heeft bij arrest van 16 juni 2022 het vonnis van de correctionele rechtbank van Leuven 13 januari 2020 hervormd en heeft geoordeeld dat de vaststellingen verricht tijdens de huiszoeking op 12 februari 2018 wel een overtreding op de wapenwet bewijzen, omdat verzoeker wederrechtelijk in het bezit was van munitie bestemd voor vergunningsplichtige jachtwapens. 7.
- Het eerste middelonderdeel is ongegrond. IX-10.079-18/22 IX-10.079-19/22 b. Tweede onderdeel 8.
- De kritiek op de zienswijze, afgeleid uit de vaststellingen gedurende de huiszoeking van 12 februari 2018, dat munitie onvoorzichtig werd bewaard, is niet langer dienstig. Of de munitie nu al dan niet conform de geldende veiligheidsmaatregelen werd bewaard, is irrelevant, omdat het hof van beroep te Brussel heeft geoordeeld dat verzoeker geen munitie bestemd voor vergunningsplichtige jachtwapens voorhanden mocht hebben, ook al zou die veilig zijn bewaard. 8.
- Het tweede middelonderdeel is ongegrond. c. Derde onderdeel 9.
- Het hof van beroep te Brussel heeft in zijn arrest van 16 juni 2022 geoordeeld dat de vaststellingen gedaan tijdens de huiszoeking op 12 februari 2018 het bewijs leveren van een overtreding op de wapenwet. Dit is een vaststaand feit. Niet enkel heeft verzoeker zijn standpunt kunnen doen gelden over alle essentiële gegevens die hebben geleid tot de bestreden beslissing, ook kan niet worden ingezien welk belang verzoeker bij het middelonderdeel kan hebben, omdat in het licht van het arrest van het hof van beroep te Brussel mag worden aangenomen dat de betrokken feiten moeten worden beschouwd als voor directe, eenvoudige constatatie vatbaar. Een nietigverklaring op grond van dit middelonderdeel kan verzoeker hoe dan ook geen soelaas bieden. 9.
- Het derde middelonderdeel kan niet worden aangenomen. IX-10.079-20/22 d. Vierde onderdeel 10.
- Bij arrest van 16 juni 2022 heeft het hof van beroep te Brussel het vonnis van de correctionele rechtbank van Leuven 13 januari 2020 hervormd en verzoeker schuldig bevonden aan (onder meer) inbreuken op de wapenwet. Dit impliceert dat er dus wel actuele feiten voorhanden zijn die toelaten om minder recente feiten bij de beoordeling te betrekken. 10.
- Het vierde middelonderdeel kan niet worden aangenomen. e. Besluit
- Het enige middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. C. Slotsom
- Uit wat voorafgaat volgt dat het auditoraat terecht heeft geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus
- BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.079-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-10.079-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div