← België

Arrest 256962 - Dierenwelzijn - 29/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.962 Rolnummer: A. 238431/VII-41919 Zaak: Arrest 256962 - Dierenwelzijn - 29/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-03 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-06 05:23 Fiche Arrest nr 256.962 van 29 juni 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.962 van 29 juni 2023 in de zaak A. 238.431/VII-41.919 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Vandemeulebroucke kantoor houdend te 8520 Kuurne Kongostraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 16 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing [b]etreffende het in volle eigendom geven van 3 katten, 1 konijn en 4 waterschildpadden aan het erkend asiel waar ze momenteel verblijven (dossiernummer: G-22-5400)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft op 30 maart 2023 een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot VII-41.919-1/8 regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joy Moens, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 21 december 2022 beslist de verwerende partij “[d]e 3 katten (waarvan 1 geïdentificeerde Ragdoll: 947000000849830), 1 konijn en 4 waterschildpadden” van verzoekster, in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: dierenwelzijnswet), in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar ze dan verblijven. VII-41.919-2/8 Dit is de bestreden beslissing die als volgt wordt gemotiveerd: “De vaststellingen en foto’s d.d. 7/11/2022 geacteerd in PV KO.63.L2.016986/2022, dd. 07/11/2022: KATTEN -De woning was erg onhygiënisch en rommelig. Er lag in alle ruimtes kledij, schoenen, afval, karton, lege flessen drank… -Op verschillende plaatsen lag werkmateriaal zoals hamers en tangen. -De keuken stond vol vuile borden, glazen, potten, pannen, … -Er was nauwelijks een doorgang in de woning door alle rommel. -Er werd een geur van uitwerpselen en urine waargenomen. -Op de vloer lagen op verschillende plaatsen uitwerpselen. -Er was weinig lichtinval, waardoor het overal vrij donker was. -De 3 katten oogden gezond (1 kat had slechts 3 poten). -Er werd een voorraad kattenvoer en kattenbakvulling aangetroffen. -De 3 aanwezige voederbakjes waren leeg. KONIJNEN -Het konijnenhok lag vol konijnenkeutels. -Op het konijnenhok stonden allerlei bakken gestapeld, waardoor het konijn vrij donker gehuisvest werd. -Het konijn beschikte over drinkwater. -Het konijn beschikte niet over voeder. -Het konijn beschikte wel over hooi. WATERSCHILDPADDEN -Er waren 2 bakken, waar respectievelijk 3 en 1 waterschildpad(den) in zaten. -Het water was niet proper en was groen verkleurd. -De filters werkten niet. Wat erop wijst dat de dieren niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun welzijn ernstig werd geschaad. Via de lokale politie van PZ RIHO vernemen wij dat betrokkene in de gevangenis verblijft; Op 12/12/2022 ontvangt de Dienst een schrijven van betrokkene: -Zij mist haar ‘menageke’ en wenst dat de dieren worden toegewezen aan 3 gastgezinnen tot zijzelf beter is, aan haarzelf gewerkt heeft en haar huis opgeruimd heeft. - Betrokkene zou al enkele maanden met een enorme depressie kampen. Zij deed een hulpaanvraag in juni, maar door de wachtlijsten kreeg zij nog geen hulp. -Betrokkene heeft zichzelf, haar huis en haar papierwerk verwaarloosd, maar nooit haar dieren. Dit kwam door: het overlijden van haar meme, een relatiebreuk, in de gips gezeten, een depressie, angsten, een afrekening en het feit dat ze uit het huis van haar meme moest. -Betrokkene staat er alleen voor en heeft geen steun van andere familieleden. -De 2 oudste katten zijn niet gechipt, omdat dit toen niet verplicht was. -Alle huisdieren hebben een paspoort, ook haar konijn ‘Muppet’. VII-41.919-3/8 -Haar dieren kwamen niets tekort. Zij kregen eten, snoepjes, natte brokjes, jaarlijkse controle… -Betrokkene omschrijft zichzelf als een dierenvriend. Zij deed vrijwilligerswerk bij een kattenasiel te Menen. -Betrokkene kreeg het advies om in opname te gaan, maar weigerde dit omwille van haar dieren. -De uitwerpselen die werden aangetroffen, waren niet van haar poezen. Betrokken heeft 3 kattenbakken die ze dagelijks uitkuist. De uitwerpselen zijn van de kat van haar vriendin die tijdens haar vorige opname in Pittem bij haar thuis verbleef. Haar vriendin heeft dit nooit opgekuist. De opname in Pittem betreft een gevangneming. -Betrokkene beseft dat ze zich moet laten helpen, oplossingen moet zoeken voor haar problemen (o.a. financieel) -Er werd een brief toegevoegd van een kennis die oplossingen gevonden heeft om de dieren te laten opvangen door 3 verschillende personen. Wat erop wijst dat het betrokkene niet ontbreekt aan goede intenties, doch dit is onvoldoende om dieren correct te houden en te verzorgen; Hieruit blijkt ook dat betrokkene de vaststellingen uit het PV niet kan weerleggen (en wijzen bovendien op een gebrek aan kennis in de verzorging van dieren in het algemeen): betrokkene was zich bewust van de slechte leefomstandigheden van de dieren, doch ondernam hier niets voor. Dit wijst eveneens op een gebrek aan verantwoordelijkheidszin/respect voor de dieren. De Dienst kan niet ingaan op de vraag om de dieren toe te wijzen aan de 3 opvanggezinnen omdat dit enerzijds slechts een tijdelijke oplossing is en anderzijds er onvoldoende garanties zijn dat de dieren volgens hun fysiologische en ethologische behoeften zullen worden gehuisvest eens betrokkene vrijkomt en de zorg van de dieren overneemt. Betrokkene beschikt zelf niet over de tijd en de middelen om haar dieren te houden en te verzorgen volgens hun ethologische en fysiologische behoeften De feiten zijn ernstig en betrokkene lijkt zich hiervan weinig bewust te zijn Uit bovenstaande blijken onvoldoende garanties dat het welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn; De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen; De dieren hebben geen reële verkoopwaarde, minsten geen waarde die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften”. VII-41.919-4/8 IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid - Toepassing van de kortedebattenprocedure
  6. De verwerende partij meldt dat de 3 katten inmiddels werden geadopteerd.
  7. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, doet zij dat wel hetzij in haar verzoekschrift, hetzij (wanneer haar belang in twijfel wordt getrokken) bij een eerstvolgende procedurele gelegenheid, dan schetst zij daarmee ook de contouren waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden.
  8. De betrachting van de verzoekende partij met haar beroep bij de Raad van State, zo blijkt uit het verzoekschrift, bestaat erin om de katten terug te krijgen. Met deze omschrijving heeft de verzoekende partij zelf de grenzen van de rechtsstrijd, en dus van haar belang, getrokken. VII-41.919-5/8
  9. Er is geen enkele mogelijkheid meer dat de verwerende partij kan beslissen, gelet op de plaatsing door het asiel van de katten in een adoptiefamilie, om die dieren terug te geven aan verzoekster. Uit het verzoekschrift blijkt dat dit nochtans is wat verzoekster nastreeft. Een gebeurlijke vernietiging van de bestreden bestemmingsbeslissing kan verzoekster bijgevolg het door haar nagestreefde voordeel niet meer opleveren. Het recht van toegang van verzoekster tot de rechter wordt niet in het gedrang gebracht. Er staan voor haar immers nog andere juridische actiemogelijkheden open om desgevallend schadeherstel te verkrijgen.
  10. Het beroep is in zoverre niet ontvankelijk. V. Onderzoek van de gegrondheid - Toepassing van de kortedebattenprocedure
  11. Verzoekster voert de schending aan van artikel 8.2 EVRM. Zij stelt dat de bestreden beslissing “deze toets niet doorstaat aangezien de beperking (m.n. het weggeven van de dieren) niet in verhouding staat met het doel (m.n. dierenwelzijn); Dat verzoekster immers wél garant staat voor de gezondheid en de verzorging van haar dieren; Dat dit wordt bevestigd door de dierenarts dewelke uitdrukkelijk stelt dat verzoekster alles zou doen voor haar dieren; Dat er sprake is van een disproportionaliteit dat de nietigverklaring van de beslissing wettigt; Dat verzoekster [...] vrij snel terug naar huis zal kunnen en de zorg voor de dieren terug kan opnemen; Dat in afwachting van deze in vrijheidsstelling de dieren in het asiel kunnen blijven doch het asiel geen volledige eigendom krijgt over de dieren”.
  12. Daargelaten de toepasselijkheid van artikel 8 EVRM, wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing gegrond is op artikel 42, § 1 en § 2, van de dierenwelzijnswet en op de bevinding dat “betrokkene […] zelf niet over de tijd en de middelen [beschikt] om haar dieren te houden en te verzorgen volgens hun ethologische en fysiologische behoeften”. Door een verklaring van de dierenarts voor te leggen die dateert van na de bestreden beslissing waarin gesteld wordt dat verzoekster “wel degelijk goed voor haar dieren zorgt”, door erop te wijzen dat VII-41.919-6/8 verzoekster niet mag afgestraft worden door één momentopname en door aan te geven dat de verbalisanten geen gewag maken van de concrete gezondheidstoestand van de dieren, toont verzoekster niet aan dat deze beslissing disproportioneel is. Met de verklaring van de dierenarts kon de bestreden beslissing geen rekening houden. De bestreden beslissing verwijst bovendien naar concrete feiten, zoals onder meer het feit dat het konijnenhok vol keutels lag, het konijn vrij donker gehuisvest werd en geen voeder had en het water van de waterschildpadden niet proper was en groen verkleurd, om te stellen dat “hun welzijn ernstig werd geschaad”. De loutere bewering dat “derhalve aan de bezorgdheden van Dierenwelzijn tegemoet zal worden gekomen” wordt niet aannemelijk gemaakt. Verzoekster toont niet aan dat de bestreden beslissing disproportioneel is in het licht van de beoogde doelstelling inzake dierenwelzijn.
  13. Het middel, in zoverre ontvankelijk, is ongegrond. VI. Vordering tot schorsing
  14. De verwerping van het beroep tot nietigverklaring brengt de verwerping mee van de vordering tot schorsing, die immers een accessorium is van het beroep. VII. Rechtsplegingsvergoeding
  15. Vermits het beroep deels wordt verworpen omwille van de definitieve toestand die is ontstaan ten gevolge van de plaatsing van de 3 katten in een adoptiefamilie, kan de verwerende partij voor dat deel van het beroep niet worden beschouwd als een “in het gelijk gestelde partij” in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De kennelijk onredelijke situatie laat toe de aan de verwerende partij, ten gevolge van de ongegrondverklaring van het ontvankelijk gebleven beroep van verzoekster, VII-41.919-7/8 verschuldigde rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het wettelijke minimumbedrag dat is bepaald bij artikel 67, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing.
  17. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.919-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.