id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.967 Rolnummer: A. 238746/VII-41966 Zaak: Arrest 256967 - Dierenwelzijn - 29/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-06 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-06 05:23 Fiche Arrest nr 256.967 van 29 juni 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.967 van 29 juni 2023 in de zaak A. 238.746/VII-41.966 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Brigitte Vander Meulen kantoor houdend te 8700 Tielt Tramstraat 68 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 maart 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “het besluit van 13 februari 2023 van de Vlaamse Regering in de persoon van de Vlaamse minister van onderwijs, sport, dierenwelzijn en Vlaamse Rand, (DWZ/EVA/25/1.5/001b-KX.4341) waarbij
- met toepassing van artikel 2 § 8 van het K.B. van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren besloten werd om de toegekende erkenning met nummer HK10301340 voor het uitbaten van een hobbykwekerij voor honden op het adres Kleine Ruiseledestraat 9 te 8700 Tielt, met ingang van 15 april 2023 in te trekken.
- verder in toepassing van artikel 5 § 4 tweede lid van de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, een verbod wordt opgelegd om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen en dit tot 15 april
- Dit betekent dat [verzoekster] tussen 15 april 2023 en 15 april 2025 geen VII-41.966-1/24 overeenkomstig artikel 5 § 1 van de voornoemde wet erkenningsplichtige inrichting mag beheren noch er een direct toezicht mag uitoefenen op de dieren”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 28 april 2023 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Brigitte Vander Meulen, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 24 juli 2014 wordt door de inspectie Dierenwelzijn een controle verricht in de hobbykwekerij van honden, uitgebaat door verzoekster. Er worden verscheidene overtredingen op het dierenwelzijn vastgesteld. In het proces-verbaal worden verschillende maatregelen opgelegd. VII-41.966-2/24
- Bij een controle op 12 januari 2022 worden opnieuw overtredingen op het dierenwelzijn geconstateerd. De 34 aangetroffen honden worden in beslag genomen en in het proces-verbaal wordt opgemerkt dat de procedure om de erkenning voor het uitbaten van een hobbykwekerij in te trekken, zal worden opgestart.
- De inspectie Dierenwelzijn stelt, bij een hercontrole op 1 februari 2022, vast dat verzoekster inspanningen aan het leveren is om de honden correct te huisvesten. Ook worden foto’s en een dierenartsenverslag bezorgd die die vaststelling ondersteunen. Als gevolg worden de in beslag genomen honden teruggegeven aan verzoekster.
- De inspectie Dierenwelzijn gaat over tot een controle op 7 juni 2022 om na te gaan of de maatregelen, opgelegd in het kader van de teruggave van de dieren, worden nageleefd. Wederom worden overtredingen op het dierenwelzijn vastgesteld. In het proces-verbaal worden maatregelen opgenomen die moeten worden nageleefd, omdat anders de dieren terug in beslag kunnen worden genomen. Ook wordt de procedure tot intrekking opnieuw ingezet.
- Verzoekster wordt op 15 juli 2022, bijgestaan door haar raadsman, verhoord.
- Bij een ter post aangetekende brief van 25 juli 2022 wordt verzoekster op de hoogte gebracht van het aanvatten van de procedure tot intrekking van de erkenning voor het uitbaten van een hobbykwekerij van honden. Zij wordt uitgenodigd om haar verweer te bezorgen, waartoe zij overgaat.
- Het afdelingshoofd Dierenwelzijn beslist op 29 augustus 2022 om de procedure tot intrekking van de erkenning stop te zetten, omdat “uit de voorgelegde documenten blijkt dat [verzoekster] belangrijke inspanningen heeft geleverd”. Er wordt hieraan toegevoegd: “Indien bij een volgende controle opnieuw overtredingen worden vastgesteld, kan een nieuwe procedure tot intrekking opgestart worden. Ik herinner u eraan dat volgende overtredingen, die tot gevolg hebben dat niet VII-41.966-3/24 of niet voldoende voldaan is aan de ethologische en fysiologische behoeften van de dieren, herhaaldelijk werden vastgesteld en bijgevolg belangrijke aandachtspunten blijven: - Alle dieren moeten permanent beschikken over drinkbaar water. Indien wordt vastgesteld dat de emmer ’s morgens leeg is, moet een groter/bijkomend recipiënt voorzien worden. - Alle dieren moeten steeds beschikken over een verblijf dat voldoet aan de minimale afmetingen voorzien in de regelgeving. - De hygiëne moet te allen tijde gegarandeerd worden door een regelmatige reiniging en ontsmetting, en door ervoor te zorgen dat de bodem voldoende droog is en blijft gedurende de volledige tijd die de honden in de hokken doorbrengen”.
- De inspectie Dierenwelzijn gaat nogmaals tot controle over op 4 oktober
- Er worden verschillende overtredingen op het dierenwelzijn vastgesteld en maatregelen opgelegd.
- Verzoekster wordt op 7 december 2022, in aanwezigheid van haar raadsman, verhoord.
- Bij een ter post aangetekende brief van 23 november 2022 wordt verzoekster op de hoogte gebracht van de opstart van de procedure tot intrekking van de erkenning, omdat “ondanks herhaalde waarschuwingen en maatregelen, opnieuw gelijkaardige overtredingen werden vastgesteld, dat tevens werd vastgesteld dat [verzoekster de haar] opgelegde maatregelen niet of niet duurzaam uitvoerde”. Zij wordt uitgenodigd om haar verweer te bezorgen, waarop zij bij brief van 8 december 2022 ingaat.
- De minister van Dierenwelzijn beslist op 13 februari 2023 om de erkenning met ingang van 15 april 2023 in te trekken en verzoekster wordt het verbod opgelegd om tot 15 april 2025 een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd als volgt: “[…] Overwegende dat uit het proces-verbaal met nummer G-22-0208c/HAC/11-10-2022 blijkt dat bij de controle op 4 oktober 2022 en de administratieve controle op 13 oktober 2022 volgende overtredingen werden vastgesteld: • Op de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren VII-41.966-4/24 o Art. 5, doordat u dit jaar reeds 5 nesten heeft gekwe[e]kt en momenteel een hoogdrachtige teef bezit terwijl u niet de juiste erkenning hiervoor heeft o Art. 36 4°, doordat eerder opgelegde maatregelen onvoldoende worden nageleefd • Op het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren: o Art. 5: ▪ § 2, doordat de recipiënten van het drinkwater en het voeder onvoldoende proper zijn ▪ § 5 3°, doordat de hygiëne in bepaalde dierenverblijven onvoldoende tot ondermaats is o Art. 6: ▪ § 1, doordat het gebruikte bezoekrapport van de dierenarts niet conform het vooropgestelde model is ▪ § 2, doordat er geen recente bezoekrapporten van de contractdierenarts kunnen worden voorgelegd o Art. 7 ▪ § 2, doordat de vloer poreus, niet effen, niet goed gedraineerd en niet makkelijk schoon te maken is ▪ § 6, doordat de binnenhokken onvoldoende zijn geventileerd o Art. 29 § 3, doordat het erkenningscertificaat niet zichtbaar uithangt in de inrichting o Art. 30, doordat de gebruikte garantiecertificaten niet conform het wettelijk verplichte model zijn • Op het koninklijk besluit van 25 april 2014 betreffende de identificatie en registratie van honden: o Art. 30, doordat er honden die overleden zijn op uw naam staan geregistreerd Dat naar aanleiding hiervan volgende maatregelen werden opgelegd: • De hygiëne en ventilatie garanderen, enerzijds door de honden voldoende uit te laten, anderzijds door voldoende en correct te reinigen; • De (binnen)verblijven uitrusten met een afwasbare en effen vloer; • Alle dieren permanent laten beschikken over voldoende en proper drinkwater; • Het voeder en het drinkwater in propere recipiënten aanbieden; • Honden die niet meer aanwezig zijn/overleden laten schrappen bij DogID; • De administratie van de kwekerij in de kwekerij ter beschikking houden van de inspectiedienst, o.a.: o 2 bezoekrapporten per geboren nest; o erkenningscertificaat zichtbaar uithangen voor de kandidaat-kopers: o niet afwijken van het wettelijk bepaalde garantiecertificaat; o per garantiecertificaat een ingevulde vragenlijst bijhouden; • om aan al deze maatregelen te voldoen het aantal dieren afbouwen en hulp inschakelen. […] Overwegende dat uw bemerkingen niet toelaten om de procedure tot intrekking van uw erkenning stop te zetten omwille van volgende redenen; - In pv nr. G-22-0208c/HAC/11-10-2022 werd genoteerd ‘Verschillende recipiënten (voeder en/of water) zijn vuil, in veel drinkemmers is groene VII-41.966-5/24 aanslag (algen) aanwezig’. De aanwezigheid van vuile recipiënten werd vastgesteld. Doordat een deel van deze recipiënten leeg waren, kon niet worden vastgesteld of deze voor voeder of water bedoeld waren. Het doel van het recipiënt heeft echter geen belang, de hygiëne ervan wel. Bovendien bevestigde in uw verhoor dat het water in de tonnen bedoeld was als drinkwater en bevestigt uw raadsvrouw dat er algengroei in het water was in de grote tonnen. De aanwezigheid van onvoldoende proper water is een gezondheidsrisico voor de honden, ongeacht of elders in het hok properder water aanwezig is. - Tijdens de controle op 4 oktober 2022 werd vastgesteld dat er schors aanwezig was in 1 van de 3 buitenkennels. In 2 van de 3 buitenkennels was dus geen schors aanwezig. Dit wordt ook bevestigd door uw raadsvrouw. - Tijdens de controle op 4 oktober 2022 werd vastgesteld dat drie vierde van de bodem met kiezels was bedekt en dat de pincher bijgevolg verplicht was om erop te lopen. Op de foto’s die uw raadsvrouw ons bezorgde is een andere indeling van het verblijf te zien dan werd vastgesteld tijdens de controle. - Ondanks dat u inderdaad belangrijke inspanningen heeft geleverd, werd tijdens meerdere controles door verschillende controleurs vastgesteld dat de hygiëne en ventilatie ondermaats waren. Voor wat de ventilatie betreft, blijkt uit de brief van uw raadsvrouw dat de ventilatoren ’s morgens worden aangezet nadat de honden naar buiten zijn gegaan en de ramen op hetzelfde moment worden opengezet. Dit kan inderdaad verklaren waarom telkens onvoldoende ventilatie wordt vastgesteld, ondanks de aanschaf van ventilatoren. Voor de dieren is het immers belangrijk dat de ruimte voldoende geventileerd wordt op het moment dat zij hierin verblijven, niet wanneer ze buiten zitten. - Tijdens de laatste controle werd op verscheidene plaatsen in de binnenkennels aangekoekt vuil vastgesteld, dat niet veroorzaakt kan zijn door enkel de uitwerpselen van de vorige nacht. De foto’s die uw raadsvrouw aanleverde die ‘s ochtends en ‘s avonds zouden genomen zijn van bepaalde kennels geven geen beeld weer van de volledige inrichting en doen geen afbreuk aan de vaststellingen gedaan tijdens de controles. - Voor wat de verslagen van de dierenarts betreft, stelt uw raadsvrouw dat het gaat om een misverstand, omdat u dacht dat u deze niet moest laten opmaken omdat u werd meegedeeld dat u niet langer systematisch een kopie aan de afdeling Dierenwelzijn moest bezorgen. Dit is ongeloofwaardig daar het bijhouden van deze verslagen een erkenningsvoorwaarde, opgenomen in de regelgeving, is. Bovendien werd ook naar aanleiding van de controle uitgevoerd op 12 januari 2022 het ontbreken van recente dierenartsverslagen reeds genoteerd als overtreding. - Uw raadsvrouw stelt dat er weldegelijk recente dierenartsverslagen aanwezig zijn, met name van 28/8/2022 en 31/8/2022, maar dat deze met vertraging werden opgemaakt, aangezien het om bezoeken tijdens het weekend en ‘s nachts ging. De controle vond echter plaats op 4 oktober 2022, of 5 weken na de bezoeken waarvan sprake. Het is ongeloofwaardig dat er in tussentijd geen mogelijkheid zou geweest zijn om deze verslagen op te maken. Er waren twee nestjes pups van vijf weken oud aanwezig op het moment van de controle. De contractdierenarts moet voor ten minste twee bezoeken per geboren nestje gevraagd worden. VII-41.966-6/24 - Voor wat betreft het garantiebewijs stelt uw raadsvrouw dat dit weldegelijk voldoet aan het model, maar niet volledig wordt ingevuld, en dat het niet fair is dat hier pas na de controle van 4 oktober 2022 een opmerking over wordt gemaakt aangezien u dit al altijd zo doet. Uit kopieën, gemaakt tijdens de controle van 4 oktober 2022, blijkt echter dat het garantiecertificaat niet beantwoordt aan het model vastgesteld in de regelgeving. Bovendien bevestigt uw raadsvrouw dat u, zoals vermeld in het proces verbaal opgesteld naar aanleiding van de controle van 4 oktober 2022, het garantiecertificaat niet volledig invulde. Zelfs indien deze overtredingen tijdens voorgaande controles over het hoofd gezien zouden zijn, ontneemt dit de inspecteur uiteraard niet het recht om deze bij een volgende controle alsnog te verbaliseren. - Uw raadsvrouw bevestigt dat u in 2022 meer nesten dan toegelaten kweekte. - Uw raadsvrouw stelt dat u al zeer veel inspanningen hebt geleverd en dat het niet correct is om het nu voor te stellen alsof er nog niets gebeurd is. Er werd echter enkel vermeld dat de opgelegde maatregelen onvoldoende werden nageleefd, niet dat deze niet zouden nageleefd zijn. U hebt inderdaad reeds inspanningen geleverd. Uit het dossier blijkt echter dat werd vastgesteld dat deze inspanningen niet volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden. - Uw raadsvrouw stelt dat een deel van de overtredingen vastgesteld tijdens de controle op 4 oktober 2022 betrekking hebben op de pony’s en bijgevolg niet weerhouden kunnen worden voor het intrekken van uw erkenning als hondenkweker. Dit is uiteraard volledig correct. De bewuste overtredingen werden dan ook niet in overweging genomen. - Uw raadsvrouw betwist dat u het aantal honden onvoldoende zou afbouwen. Nochtans werd tijdens de controle op 4 oktober 2022 vastgesteld dat u 29 honden hield, hoewel u tegen 1 september 2022 het aantal diende af te bouwen tot
- Dit betekent dat u sinds het opleggen van het afbouwscenario op 7 juni 2022 slechts twee honden minder houdt. Hieruit blijkt dan ook dat geenszins is voldaan aan de opgelegde afbouw van het aantal honden”. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII-41.966-7/24 V. Onderzoek van de ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert de schending aan van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat de verwerende partij niet consequent heeft gehandeld. Hoewel zij de opgelegde maatregelen grotendeels heeft opgevolgd, wordt de procedure tot intrekking van de erkenning heropgestart, hoewel die eerder was stopgezet. Bovendien komt de verwerende partij op haar eigen raadgevingen gedurende de controles terug. Verzoekster heeft veel inspanningen geleverd, maar toch worden nieuwe maatregelen opgelegd, terwijl zij voldeed aan de eerder opgelegde. De verwerende partij bezondigt zich aan een jojobeleid, waarbij verzoekster in een toestand van totale rechtsonzekerheid terechtkomt.
- De verwerende partij antwoordt: “Verwerende partij verwijst naar het administratief dossier en de processen-verbaal. De verzoekende partij betwist niet de vaststellingen, die overigens gelden tot bewijs van het tegendeel. (artikel 34, §3 Wet Dierenwelzijn) De verzoekende partij hekelt hier de houding van de Inspectie Dierenwelzijn doorheen het jaar
- De vraag is evenwel of dit de bestreden beslissing onredelijk maakt. De bestreden beslissing steunt op een uitgebreide motivering […] en waarbij ook de precedenten een rol spelen. Samengevat : - Nog steeds vuile recipiënten voor voeder of water en onvoldoende proper drinkwater - Geen schors in twee van de drie buitenkennels - Drie vierde van de bodem is bedekt met kiezels - De hygiëne en de ventilatie zijn nog steeds ondermaats, ondanks de inspanningen - De ventilatie van de ruimte gebeurt niet op het ogenblik dat de dieren er aanwezig zijn - Aanwezigheid van aangekoekt vuil in de binnenkennels - Nog steeds onvoldoende verslagen van de dierenarts - Het garantiecertificaat beantwoordt niet aan het reglementair model en is niet volledig ingevuld VII-41.966-8/24 - Onvoldoende naleving van de opgelegde maatregelen, onvoldoende afbouw van het aantal honden De verzoekende partij kan toch maar bezwaarlijk ontkennen dat er, zelfs na vier controles, nog steeds een heel aantal tekortkomingen zijn. Zij heeft het steeds maar over de inspanningen die zij doet op vlak van infrastructuur en dat het allemaal veel geld kost, maar zij ziet stelselmatig een heel aantal dingen over het hoofd : weinig hygiëne, weinig ventilatie, administratie niet in orde, maar vooral het niet naleven van de opgelegde maatregelen. Dat men verzoekende partij in het verleden een heel aantal kansen gegeven heeft kan men toch maar bezwaarlijk een onredelijke houding noemen, wel integendeel. Dat men bij de ene controle tekortkomingen heeft vastgesteld waarover men een vorige keer geen opmerkingen gemaakt had betekent toch niet dat daarover de spons geveegd is. De minister die vaststelt dat na vier controles er nog altijd vrij grove schendingen zijn van het K.B. van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren, het K.B. van 25 april 2014 houdende de identificatie en registratie van de honden en de Dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986, en die daarenboven tevens moet constateren dat er eigenlijk nauwelijks gevolg gegeven wordt aan opgelegde maatregelen inzake het verminderen van het aantal dieren, geeft geen blijk van onredelijkheid, en al zeker niet van onzorgvuldigheid, wel integendeel”. Beoordeling
- Naar aanleiding van verschillende vaststellingen bij verscheidene controles wordt door de inspectiedienst Dierenwelzijn beslist om de procedure tot intrekking van de erkenning in te zetten. Wegens de vooruitgang die verzoekster boekte, oordeelde het afdelingshoofd Dierenwelzijn op 29 augustus 2022 dat de procedure tot intrekking mocht worden stopgezet, maar daarbij werd onmiddellijk opgemerkt: “Indien bij een volgende controle opnieuw overtredingen worden vastgesteld, kan een nieuwe procedure tot intrekking opgestart worden”. Bij een nieuwe controle worden opnieuw inbreuken geconstateerd, waarna uiteindelijk op 13 februari 2023 de beslissing tot intrekking van de erkenning wordt genomen.
- Verzoekster was op het eerste gezicht in het voorjaar van 2022 door het oog van de naald gekropen wat betreft het behoud van haar erkenning als VII-41.966-9/24 hondenkwekerij. Zij was ervan op de hoogte gesteld dat bij nieuwe overtredingen zij alsnog tot een stopzetting kon worden gedwongen. Nieuwe overtredingen werden vastgesteld. Ook al had verzoekster inspanningen geleverd om verscheidene tekortkomingen weg te werken, dan nog sluit dat op het eerste gezicht niet uit dat bij herhaalde overtredingen tot een intrekking van de erkenning kan worden overgegaan. Zo stelt de inspectie Dierenwelzijn in oktober 2022 vast:
(1)er werden reeds vijf nesten gekweekt en er is ondertussen een hoogdrachtige teef, terwijl niet over de juiste erkenning hiervoor wordt beschikt;
(2)eerder opgelegde maatregelen worden onvoldoende nageleefd;
(3)recipiënten van het drinkwater en het voeder zijn onvoldoende proper;
(4)de hygiëne in bepaalde dierenverblijven is onvoldoende tot ondermaats;
(5)het bezoekrapport van de dierenarts is niet in overeenstemming met het model;
(6)er kunnen geen recente bezoekrapporten van de contractdierenarts worden voorgelegd;
(7)de vloer is poreus, niet effen, niet goed gedraineerd en niet makkelijk schoon te maken;
(8)de binnenhokken zijn onvoldoende geventileerd;
(9)het erkenningscertificaat hangt niet zichtbaar uit in de inrichting;
(10)de garantiecertificaten zijn niet conform het wettelijk verplichte model;
(11)overleden honden zijn geregistreerd op naam van verzoekster.
- Verzoekster heeft op het eerste gezicht verschillende malen de kans gekregen om zich te conformeren aan de wet- en regelgeving die zich aan haar opdringt door haar beslissing om een hondenkwekerij uit te baten. Dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de recentste controle waarbij overtredingen werden vastgesteld die niet eerder waren opgemerkt, houdt niet in dat daarmee kan worden aangenomen dat de inspectiedienst zou terugkomen op eerdere raadgevingen, waardoor de gevolgtrekking die verzoekster maakt, namelijk dat de beslissing hierdoor onzorgvuldig is, niet kan worden bijgetreden. Net zomin, wanneer zij beweert dat zij zeer veel kosten en inspanningen heeft gedaan en de huisvesting na de controle in januari 2022 drastisch is veranderd, toont zij hiermee aan dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld door op grond van de recentste overtredingen over te gaan tot een intrekking van de erkenning. In tegenstelling tot wat verzoekster betoogt, is in de bestreden VII-41.966-10/24 beslissing niet te lezen dat alles onveranderd zou zijn gebleven maar wel dat de eerder opgelegde maatregelen onvoldoende werden opgevolgd en dat er ondertussen nieuwe inbreuken werden vastgesteld. Dat verzoekster bepaalde maatregelen wél zou hebben opgevolgd, doet aan het voorgaande geen afbreuk.
- Het jojobeleid waarover verzoekster spreekt, is in de eerste plaats ten gevolge van de houding van de verwerende partij om de uitbaatster van de hondenkwekerij de kans te geven om te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, een kans die zij volgens de verwerende partij niet of minstens niet voldoende te baat heeft genomen. Als er nieuwe overtredingen worden geconstateerd, terwijl verzoekster bij de eerdere stopzetting van de procedure tot intrekking van de erkenning de waarschuwing had gekregen dat die opnieuw zou worden aangevat bij bijkomende inbreuken, dan kan op het eerste gezicht niet tot het oordeel worden gekomen dat de verwerende partij in strijd met het zorgvuldigdheids- en het redelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de bestreden beslissing te nemen.
- Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij betoogt in essentie dat het “departement Dierenwelzijn” zowel controleur en onderzoeker, als rechter is, dat beslist op grond van de eigen vaststellingen of al dan niet wordt overgegaan tot een intrekking van de erkenning. Een bestuur dat zijn besluitvorming baseert op vaststellingen van ambtenaren die amper een halfuurtje rondgang doen in een dierenkennel zonder onder meer de interpretatie van anderen zoals de contractdierenarts na te gaan, schendt het onpartijdigheidsbeginsel. VII-41.966-11/24
- De verwerende partij antwoordt: “De kritiek op de werking van het Departement Dierenwelzijn komt in wezen neer op wetskritiek, nu het precies de Dierenwelzijnswet is die in artikel 34, §1 stelt dat overtredingen vastgesteld worden door de politie en door de door de Vlaamse Regering aangewezen personeelsleden van ‘de dienst’, zijnde personeelsleden van het Team Inspectie Dierenwelzijn van de afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving. Het zijn evenwel niet die personeelsleden maar enkel de Minister van Dierenwelzijn die beslist omtrent een intrekking van de erkenning (artikel 2, §8 van het K.B. van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake verhandeling van dieren). De verzoekende partij ergert zich aan de wijze waarop de vaststellingen gebeurd zijn, die volgens haar ‘geen reële voeling hebben met de reële werking van het bedrijf van een hondenkennel en die zuiver de wetsartikelen van de wet en het K.B. gaan afvinken.’ Maar dat is de wijze waarop controles gebeuren, ook in andere materies, men kan niet verwachten dat een controle dagen in beslag zou nemen. De controles werden in casu uitgeoefend door een inspecteur-dierenarts van het Team Inspectie Dierenwelzijn van de afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving die wellicht meer van honden, hun ethologie en hun fysiologie afweet dan de verzoekende partij zelf, samen met een collega inspecteur-dierenarts of een collega controleur van het Team Inspectie Dierenwelzijn en meestal ook de politie. Verzoekende partij gaat daar al te vlug aan voorbij. Daarenboven is het ook zo dat de meeste inbreuken niets te maken hebben met het ogenblik van de controle : het feit dat er geen schors in de buitenkennels aanwezig was, het feit dat de bodem bedekt is met kiezels, het feit van de ondermaatse ventilatie, de vaststelling van aangekoekt vuil in de binnenkennels, de onvoldoende verslagen van de dierenarts, het onreglementair garantiecertificaat, de niet-naleving van de opgelegde maatregelen, zijn allemaal toestanden die op elk ogenblik objectief hadden kunnen worden vastgesteld. Ook de eigen contractdierenarts van verzoekster stelt dat zij reeds opmerkingen had gemaakt in verband met de huisvesting van de honden. De vaststellingen zijn op objectieve wijze gebeurd, en daarenboven zijn zij opgenomen in een proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Terecht kon de minister daar de beslissing tot intrekking op baseren”. Beoordeling
- Het betoog dat de inspectie Dierenwelzijn of het departement Omgeving zowel controleur en onderzoeker, als rechter is, beslissende over de al dan niet intrekking van de erkenning, mist feitelijke grondslag. Artikel 2, § 8, van VII-41.966-12/24 het koninklijk besluit van 27 april 2007 ‘houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren’ (hierna: koninklijk besluit van 27 april 2007) bepaalt namelijk: “De Minister kan op ieder ogenblik de erkenning intrekken van een inrichting die niet langer voldoet aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden. De betrokkene wordt bij aangetekend schrijven op de hoogte gesteld van het opstarten van deze procedure. Hij beschikt over een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van het aangetekend schrijven om zijn bemerkingen aan de Dienst over te maken. De beslissing om de erkenning in te trekken wordt pas genomen na het verstrijken van deze termijn”. Het is dus niet het departement Omgeving dat de beslissing tot intrekking kan nemen, maar wel de minister tot wiens bevoegdheid de dierenbescherming behoort (artikel 1bis, 6°, van het koninklijk besluit van 27 april 2007). Enige schending van de objectieve onpartijdigheid kan dus op het eerste gezicht niet aannemelijk worden gemaakt.
- Dat er sprake zou zijn van een persoonlijke partijdigheid omdat de contractdierenarts niet werd gehoord en de inspectiedienst slechts momentopnames heeft verricht, kan in de huidige stand van de procedure niet worden gevolgd. De verwerende partij kan, zoals dat blijkt uit het reeds geciteerde artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007, overgaan tot intrekking van een inrichting als “die niet langer voldoet aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden”. Enige verplichting tot het horen van de contractdierenarts of van personen die verzoekster bijstaan bij de reiniging van de kennels en de verzorging van de dieren vooraleer toepassing kan worden gemaakt van de voormelde bepaling, op straffe van zich te bezondigen aan subjectieve partijdigheid, is er op het eerste gezicht niet. Als de inrichting van verzoekster niet langer voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden, dan mag tot intrekking van de erkenning worden overgegaan, nadat zij haar VII-41.966-13/24 bemerkingen heeft kunnen bezorgen. Of de verwerende partij op juiste motieven tot de bestreden beslissing is gekomen en of zij vervolgens redelijk heeft gehandeld, maken het voorwerp uit van respectievelijk het derde en vierde middel. De omstandigheid dat de overtredingen op bepaalde tijdstippen, te weten op het moment van de controles, werden vastgesteld, maakt op het eerste gezicht niet dat hierdoor de subjectieve onpartijdigheid zou zijn geschonden. Dat de inspecteur-dierenartsen geen “reële voeling hebben met de reële werking van een hondenkennel”, wordt door verzoekster thans niet aannemelijk gemaakt. Evenmin kan op het eerste gezicht worden begrepen op welke wijze haar betoog dat de inspecteur-dierenartsen “zuiver de wetsartikels van de wet en het KB gaan afvinken” een schending van het subjectieve onpartijdigheidsbeginsel zou kunnen aantonen.
- Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert de schending aan van het materiëlemotiveringsbeginsel, het “wettelijkheidsbeginsel” en het redelijkheidsbeginsel. Verzoekster betoogt dat de verschillende redenen om tot intrekking over te gaan, niet kunnen worden bijgetreden. Het regenwater in de tonnen, met groenaanslag, was niet bedoeld als drinkwater voor de honden, ook al konden die aan dat water. Tevens zijn de vaststellingen inzake de bodem waarop de dieren dienden te lopen en de sanitaire toestand van de kennels niet correct. De hygiëne is in de binnenkennels inderdaad ondermaats in de voormiddag, maar dat is normaal omdat de honden daarin de nacht hebben doorgebracht. De ventilatie aanzetten en de ramen openen ’s nachts zou neerkomen op pure dierenmishandeling, want dan zitten de honden in VII-41.966-14/24 de koude (tocht). In de loop van de dag worden de kennels schoongemaakt en worden ze geventileerd. Voorts ziet verzoekster niet in wat er verkeerd zou zijn met de vloerbedekking en is aangekoekt vuil onvermijdelijk. Het gebruik van modellen van de bezoekrapporten en het garantiebewijs, die niet voldoen, is een nieuwe overtreding en het is niet correct dat die niet eerder onder de aandacht van verzoekster werden gebracht. Ook zijn de recente bezoekrapporten pas met vertraging opgesteld en is het erkenningscertificaat wel zichtbaar voor de kandidaat-kopers. Het ene nestje meer gekweekt dan normaal was geen opzettelijke overtreding maar wel een medisch mirakel. Verzoekster betwist dat de opgelegde maatregelen onvoldoende werden nageleefd. De verwerende partij blijft maar inbreuken vaststellen, ondanks de vele inspanningen die werden gedaan. Ten slotte is er geen enkele wettelijke basis om verzoekster te verplichten om niet meer dan 20 honden te houden.
- De verwerende partij antwoordt dat de opgesomde redenen wel degelijk deugdelijk zijn om de bestreden beslissing te schragen. Zij stelt: “
- ‘Verschillende recipiënten (voeder en/of water) zijn vuil, in veel drinkemmers is groene aan[s]lag (algen) aanwezig’, zo staat het in het proces-verbaal van 11 oktober
- Verzoekende partij gaat dit betwisten : de vaststellingen zouden niet accuraat zijn en niet correct. Verzoekende partij doet vervolgens een hele uitleg. Zij ziet hierbij echter over het hoofd dat luidens artikel 34, §3 van de Wet Dierenwelzijn deze visuele vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel, een tegenbewijs dat door de verzoekende partij niet wordt geleverd. Verder meent de verzoekende partij dat hiermee nog geen inbreuk op artikel 5, §2 van het K.B. van 27 april 2007 bewezen is, dat o.m. stelt dat de dieren permanent over drinkbaar water moeten beschikken en dat niet opgenomen en bevuild voeder regelmatig moet worden verwijderd en drinkwater moet worden ververst. De verzoekende partij stelt dat er in het recipiënt geen voedsel of drinken werd aangeboden. Dergelijke bewering is ongeloofwaardig. Waarom staan die kommen er dan wel ? De verbalisant schrijft overigens met zoveel woorden : ‘in veel drinkemmers is groene aanslag (algen) aanwezig.’
- In twee van de drie buitenkennels was geen schors aanwezig
- Drie vierde van de bodem was bedekt met kiezels De verbalisant schreef omtrent de vaststellingen op 4 oktober 2022 : VII-41.966-15/24 - In de kennels waar de bodem niet verhard is, is reeds vergevorderde moddervorming zichtbaar. De houtschors die werd aangebracht is veelal niet meer zichtbaar. - In de kennels van de kleine rassen bestaat een groot deel van de bodembedekking uit kiezels. Dit is niet aangenaam voor de honden om op te lopen. De verzoekende partij gaat dit eens te meer betwisten. Zij toont het tegendeel echter niet aan, de vaststellingen van de verbalisant blijven overeind overeenkomstig artikel 34, §3 Wet Dierenwelzijn.
- De hygiëne en de ventilatie blijven ondermaats, ondanks de inspanningen De verzoekende partij ontkent dit niet maar komt ook hier weer met een uitleg. Feit is en blijft dat de kennel naar ammoniak en uitwerpselen ruikt. Men vindt dit blijkbaar onvermijdelijk. De verzoekende partij beweert wel dat zij dit iedere dag schoonmaakt maar de verbalisant schrijft dat zij op verschillende plaatsen aangekoekt vuil vaststelt. Het kan niet anders dan dat deze hokken eigenlijk van meet af aan niet voorzien geweest zijn op honden en dat inspanningen niet genoeg zijn om alles proper te houden. Op verzoekende partij rust geen inspannings- maar wel een resultaatsverbintenis. De verzoekende partij heeft het verder nog uitgebreid over de vloeren maar dit is geen element van beoordeling in de bestreden beslissing.
- Er werd aangekoekt vuil vastgesteld Men acht dit ‘onvermijdelijk’. Het gaat hier echter toch om vuil dat aanwezig blijft, ook na het beweerde dagelijkse uitspuiten met de tuinslang en dweilen. Een gebrek aan hygiëne.
- Het ontbreken van verslagen van de dierenarts
- Het garantiebewijs voldoet niet aan het reglementaire model De verzoekende partij stelt het zo voor alsof dit niet als een inbreuk beschouwd kan worden als er tevoren niet is op gewezen. Dat gaat niet op. Voorts begint zij weer te discussiëren en de zaken te bagatelliseren : de rapporten zouden grotendeels maar niet helemaal in orde zijn, de bezoekrapporten zijn louter iet of wat laattijdig, … Het is wel duidelijk dat de administratie van de verzoekende partij verre van op punt staat, daar waar deze bezoekrapporten toch een essentieel deel van de kwekerij behoren te zijn en ten minste twee jaar bewaard dienen te blijven (artikel 6, §2 K.B. van 27 april 2007) en daar waar de verzoekende partij ook reeds in januari 2022 op deze overtreding gewezen werd (en trouwens ook al in 2014). Daarenboven werd vastgesteld dat er pas vijf weken na de bezoeken van de dierenarts een verslag opgemaakt werd. De minister neemt dit dus terecht mee in zijn motivering. Het erkenningscertificaat zou wel degelijk uitgehangen hebben, aldus de verzoekende partij. Hiermee gaat zij in tegen de zintuiglijke vaststellingen van de verbalisant, dit met schending van artikel 34, §3 van de Dierenwelzijnswet. Het onvolledig ingevulde garantiecertificaat zou in het verleden nooit bekritiseerd zijn, aldus de verzoekende partij. Maar dit kan onmogelijk een vrijbrief opleveren. Artikel 30 van het K.B. van 27 april 2007 houdende de erkenningsvoorwaarden schrijft voor dat het model behoort te VII-41.966-16/24 beantwoorden aan de bijlage XI bij dit K.B. en dat het behoorlijk ingevuld dient te zijn.
- Een nestje meer gekweekt dan toegelaten. Dit zou een onverwacht toeval geweest zijn… Nochtans kent de verzoekende partij de reglementering. Men ziet niet in hoe dit een kritiek zou kunnen vormen op de bestreden beslissing.
- De opgelegde maatregelen worden onvoldoende nageleefd. De verzoekende partij herhaalt wat zij reeds had opgeworpen : er zijn reeds heel wat inspanningen geleverd. De zaken voorstellen alsof alles onveranderd gebleven is, is niet correct. Hierop antwoordt de minister dat dit wel juist is, maar dat deze inspanningen toch nog steeds niet volstaan om aan de erkenningsvoorwaarden te voldoen.
- Het aantal honden wordt onvoldoende afgebouwd De verzoekende partij stelt op vandaag dat een dergelijke maatregel haar niet kan worden opgelegd krachtens de wetgeving of reglementering. Dat is niet juist. Artikel 4 van de Dierenwelzijnswet luidt : ‘[…] §
- De in artikel 34 bedoelde overheidspersonen zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de §§ 1, 2, 2/1, 2/2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven’. De opgelegde maatregelen kaderen dus in de algemene dierenbeschermingsplicht. De politie en de betreffende personeelsleden van het Departement Omgeving zijn gemachtigd om maatregelen op te leggen. Ook in haar verzoekschrift is het zeer duidelijk dat zij zich niet aan de maatregelen zal onderwerpen en er een eigen agenda op na houdt. Zij zal het aantal dieren afbouwen, maar op een hond-vriendelijke wijze”. Beoordeling
- Vooreerst moet verzoekster voor ogen houden dat de Raad van State geen hogere beroepsinstantie is waar de zaak waarover de overheid een beslissing heeft genomen, opnieuw wordt onderzocht. Hij is als wettigheidsrechter wel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of zij die correct heeft beoordeeld.
- Wat betreft het drinkwater voor de honden, verklaart verzoekster gedurende haar verhoor: “Toen stonden er grote zwarte plastieken drinktonnen van 70L en 90L. Omdat dit inderdaad een grote ton is, kan er inderdaad aanslag op zijn. Dit is ook opdat er voldoende water zou staan. Het water werd ook ververst. VII-41.966-17/24 Buiten zijn er per verblijf nu twee emmers extra voorzien zodat er minder aanslag zou in komen. 1 van de 2 zwarte tonnen heb ik telkens weggenomen. Ik wil dus zeggen dat jullie beschrijving ‘drinkemmers’ niet echt klopt, dit waren tonnen. Zie foto’s van bijlage 2 , bundel II”. Verzoekster had het gedurende haar verhoor dan ook zelf over “drinktonnen” met mogelijk groenaanslag. Zij kan nu moeilijk beweren dat in het proces-verbaal verkeerdelijk wordt gesproken over “drinkemmers” en dat het gaat om tonnen met water dat niet is bestemd als drinkwater voor de honden. Haar betoog kan dan ook in de huidige stand van de procedure niet overtuigen dat de verwerende partij verkeerd dacht en voor zover haar kritiek is gesteund op dat niet-bijgetreden uitgangspunt, moet het worden verworpen. Evenmin kan zij met het louter tegenspreken van de vaststellingen van de inspectiedienst wat betreft de staat van de recipiënten - proper of niet - het vermoeden van wettigheid dat kleeft aan de bestreden beslissing en de erin opgenomen motieven, terzijde schuiven. Bovendien wordt als motief in de bestreden beslissing niet opgenomen dat de honden niet zouden beschikken over water, maar wel dat de honden toegang hadden tot drinkwater dat onvoldoende proper was.
- Inzake de bodem waarop de honden dienden te lopen, verzandt verzoekster op het eerste gezicht in een welles-nietesspelletje. Aan een overheidsonderzoek kleeft nochtans het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de verwerende partij aan te tonen, mag verzoekster niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de verwerende partij berust. Met de argumentatie dat er wel degelijk voldoende houtschors aanwezig was en de honden grotendeels niet op kiezels liepen, verschaft verzoekster niet de aanwijzingen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door de overheid in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. Dat is in dit geval des te meer zo, omdat verzoekster eveneens betoogt dat in bepaalde kennels kort na de vaststellingen schors werd aangevoerd en de kiezels op een minder groot oppervlak aanwezig waren waarop de honden, zoals verzoekster het uitdrukte gedurende haar verhoor, “niet [hoeven] te lopen als ze dit niet willen”. VII-41.966-18/24
- Wat betreft de hygiëne in de binnenkennels kan verzoekster met haar argumentatie dat die in de loop van de dag worden schoongemaakt, de vaststelling dat er een penetrante ammoniakgeur was die erg op de ademhaling pakte, op het eerste gezicht niet weerleggen, waaruit de verwerende partij mocht afleiden dat de honden ’s nachts in een onvoldoende geventileerde ruimte verbleven. Ook werd aangekoekt vuil aangetroffen, dat volgens verzoekster onvermijdelijk is want dat is mogelijk aarde of zand dat de honden meenemen naar de binnenkennels, maar daarmee is thans helemaal niet aangetoond dat een adequate reiniging niet kan verhinderen dat zand of aarde aankoekt op de bodem. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is de toestand van de stenen vloer geen motief van de bestreden beslissing. Het bekritiseren van die vaststelling opgenomen in het proces-verbaal kan bijgevolg de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet vitiëren.
- Het is niet omdat er eerder geen inbreuken werden vastgesteld op de administratieve verplichtingen die rusten op een uitbater van een hobbykwekerij, dat hierdoor bij een nieuwe controle van dergelijke overtredingen geen melding meer mag worden gemaakt. De verwerende partij mag rekening houden met nieuwe overtredingen bij het nemen van de beslissing waartoe zij wordt geroepen. Dat er sprake zou zijn van een misverstand in hoofde van verzoekster of een laattijdige opstelling van de bezoekrapporten, doet op het eerste gezicht geen afbreuk aan de verplichtingen die bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 aan haar worden opgelegd. Overtredingen op die bepalingen mogen worden meegenomen in het oordeel waarvoor de verwerende partij staat, ook al zou verzoekster zich uiteindelijk steeds conformeren na de vaststelling van een overtreding. Met het betoog dat het erkenningscertificaat wél zichtbaar ophing, wil verzoekster haar interpretatie in de plaats stellen van die van de inspectie Dierenwelzijn waarop de bestreden beslissing zich steunt, maar op die manier kan verzoekster op het eerste gezicht niet aannemelijk maken dat er een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel zou zijn, net zomin als dat het geval is met haar erkenning dat er een nest meer dan toegelaten werd gekweekt, hoe wonderbaarlijk dat volgens verzoekster ook was. VII-41.966-19/24
- De verwerende partij betwist niet dat verzoekster inspanningen heeft gedaan, maar zoals uit de voorgaande overwegingen is gebleken, zijn er nog steeds overtredingen die op het eerste gezicht standhouden als motivering van de bestreden beslissing. Verzoekster heeft het feitelijk verkeerd voor waar zij stelt dat wordt voorgesteld dat alles onveranderd is gebleven. Het is echter zo dat ondanks de inspanningen er onvoldoende aanpassingen zijn, waardoor alsnog tot een intrekking van de erkenning diende te worden overgegaan.
- Artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: dierenwelzijnswet) luidt: “§
- Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. §
- Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. […] §
- De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort. §
- Ter uitvoering van §§ 2 , 2/1, 2/2 en 3, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII kan de Vlaamse Regering voor de verschillende soorten en categorieën van dieren nadere regelen stellen. §
- De in artikel 33 bedoelde overheidspersonen zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de § § 1, 2, 2 2/1, 2/2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven”. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat uiteindelijk de dierenwelzijnswet is geworden, wordt als voorbeeld van maatregel bedoeld in artikel 4, § 5, gegeven (Parl.St. Senaat 1982-83, nr. 469/1, 5): “Paragraaf 5 maakt het mogelijk dringend maatregelen op te leggen ten einde het lot der dieren te verbeteren zonder een vonnis van een rechtbank te moeten afwachten, bijvoorbeeld in geval teveel dieren per oppervlakteëenheid worden gehouden; in dat geval zou de verbaliserende VII-41.966-20/24 overheid de houder kunnen bevelen onmiddellijk deze toestand te verhelpen”. Dienvolgens mag de inspecteur-dierenarts - een in artikel 34 (artikel 33 waarvan sprake in artikel 4, § 5, van de dierenwelzijnswet moet worden gelezen als artikel 34) bedoelde persoon - om het lot van de aanwezige dieren te verbeteren, de maatregel van de beperking van het aantal dieren opleggen, teneinde de naleving van artikel 4, §§ 1 en 3, van de voormelde wet en de uitvoeringsmaatregelen - in casu het koninklijk besluit van 27 april 2007 dat onder meer bij de artikelen 4 en 5 de vereiste huisvesting en verzorging beschrijft - te verzekeren als blijkt dat aan de betrokken voorwaarden inzake het houden van dieren niet wordt voldaan. Dat is te dezen op het eerste gezicht het geval. In het proces-verbaal van de vaststellingen van 4 oktober 2022 is namelijk opgenomen: “Uit de historiek en de herhaling van de overtredingen kunnen wij enkel besluiten dat het werk dat betrokkene heeft aan het huisvesten en verzorgen van haar dieren haar eigen capaciteiten erg overstijgt. Het is noodzakelijk dat zij enerzijds investeert in een effen, afwasbare, ondoordringbare vloer zodat zij beter kan reinigen, en anderzijds het aantal dieren (geldt ook voor de pony’s) verder afbouwt zoals eerder reeds werd opgelegd. Als wij betrokkene hiermee confronteren ziet zij dit in. Ze geeft zelf aan dat ze maar 2 handen heeft en beperkt is in haar financiële mogelijkheden. Zij kan echter momenteel geen afscheid nemen van (enkele) dieren”.
- Uit de voorgaande overwegingen volgt dat er in de huidige stand van de procedure geen schending van het materiëlemotiveringsbeginsel is aannemelijk gemaakt. Voor zover verzoekster met de schending van “het wettelijkheidsbeginsel” specifiek bedoelt dat het aantal dieren niet mocht worden beperkt, is uit de voormelde consideransen gebleken dat ook die grief op het eerste gezicht niet kan worden gevolgd. Is dat beginsel gekoppeld aan de betwisting van de motivering van de bestreden beslissing, volgt uit de vaststelling dat het materiëlemotiveringsbeginsel niet is geschonden dat er evenmin sprake is van een schending van “het wettelijkheidsbeginsel”. VII-41.966-21/24
- De schending van het redelijkheidsbeginsel maakt het voorwerp uit van het vierde middel en wordt aldaar besproken.
- Het middel is niet ernstig. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat haar dieren in goede gezondheid verkeren en dat de inbreuken de beslissing tot intrekking van de erkenning niet kunnen stutten, gelet op al haar inspanningen.
- De verwerende partij antwoordt: “Het gaat er niet om hoeveel inspanningen er al geleverd zijn of hoeveel geld dat al gekost heeft. De erkenning als hobbykweker is steeds precair. […] […] Het volstaat dus om vast te stellen dat de inrichting niet langer voldoet aan de voorwaarden van de wet of van het K.B. De verzoekende partij heeft in de loop van het jaar maar liefst vier keer controle gekregen. Merkwaardig genoeg bestempelt zij dit als een soort pesterij, maar spijts deze controles is de inrichting nog altijd niet in orde, daar waar de eerste vaststellingen reeds dateren van
- Er worden inspanningen geleverd, maar in de binnenkennel blijft de toestand ronduit vuil, administratief is de verzoekende partij niet in orde en de opgelegde maatregelen worden al te weinig nageleefd. De beslissing tot intrekking van de erkenning overweegt alle processen-verbaal, alle verhoren en verweer die de verzoekende partij doorheen de hele procedure gevoerd heeft, om tot een breed overwogen en uitermate gemotiveerde beslissing te komen. Het is niet omdat deze beslissing anders is dan men gehoopt had - had men deze bui dan werkelijk niet zien aankomen ? - dat de beslissing onredelijk zou zijn”. VII-41.966-22/24 Beoordeling
- Spijts de inspanningen en de verschillende kansen die verzoekster heeft gekregen om zich te conformeren, blijft het feit dat overtredingen op de toepasselijke wet- en regelgeving werden vastgesteld. Gelet op de vastgestelde inbreuken en de onmogelijkheid om te voldoen aan de voorwaarden die zich opdringen bij de keuze om een hobbykwekerij uit te baten, kan in de huidige stand van de procedure niet worden aangenomen dat geen enkel zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden geplaatst tot een intrekking van de erkenning zou zijn overgegaan. Er is dan ook op het eerste gezicht geen schending van het redelijkheidsbeginsel.
- Het middel is niet ernstig. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. VII-41.966-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.966-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.967 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div