← België

Arrest 256977 - Wegverkeer van goederen - 29/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.977 Rolnummer: A. 234489/IX-10200 Zaak: Arrest 256977 - Wegverkeer van goederen - 29/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-03 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-06 05:24 Fiche Arrest nr 256.977 van 29 juni 2023 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.977 van 29 juni 2023 in de zaak A. 234.489/IX-10.200 In zake : de BV ALGEMENE WATERBOUW – EN MAAIWERKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Guy Heyvaert, Chris Schijns en Vicky Spiridakis kantoor houdend te 3960 Bree Bocholterstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 september 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 12 juli 2021, waarbij aan de bv Algemene Waterbouw- en Maaiwerken een administratieve geldboete wordt opgelegd van 6400 euro, waarvan 4000 euro met uitstel voor een periode van drie jaar. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.200-1/7 Eerste auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 juni
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 10 augustus 2020 wordt een vrachtwagen met oplegger, die rijdt voor rekening van de verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op autosnelweg E314, richting Alken, ter hoogte van Zonhoven. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 4540 kilogram, hetzij 37,83%. Het toegestane maximum van de totale massa van de sleep werd overschreden met 11.710 kilogram. Er wordt een proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’. IX-10.200-2/7 3.
  6. Op 3 december 2020 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 6400 euro op te leggen. 3.
  7. Nadat de verzoekende partij bezwaar aantekende tegen de voormelde beslissing, beslist de wegeninspecteur-controleur op 16 maart 2021 om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 6400 euro op te leggen, waarvan 4000 euro met uitstel voor een periode van drie jaar. 3.
  8. Op 15 april 2021 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. 3.
  9. Op 12 juli 2021 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 6400 euro op te leggen, waarvan 4000 euro met uitstel voor een periode van drie jaar. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen
  10. In het eerste en het tweede middel wordt telkens de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. In het eerste middel wordt ook de schending aangevoerd van de rechten van verdediging. Met betrekking tot de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht, zoals die voortvloeit uit de artikelen 2 en 3 van de IX-10.200-3/7 voormelde wet van 29 juli 1991, wijst de verzoekende partij erop dat in de bestreden beslissing met geen woord wordt gerept over de door de verzoekende partij geuite grieven in haar beroepschrift en tijdens de hoorzitting.
  11. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat er zich bij het opmaken van de bestreden beslissing een materiële vergissing heeft voorgedaan waardoor een gedeelte van de motivering niet is weergegeven. Zij meent echter dat uit de beslissing zelf, gelezen in samenhang met de stukken van het administratief dossier, kan worden opgemaakt wat de feitelijke en juridische basis is van de beslissing, zodat aan de formelemotiveringsplicht is voldaan.
  12. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat in de beslissing zelf op een afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen. Voor zover de verwerende partij verwijst naar de motieven die zouden terug te vinden zijn in het administratief dossier, stelt de verzoekende partij dat in de bestreden beslissing geenszins wordt verwezen naar het administratief dossier en dat zij bovendien slechts kennis kreeg van het administratief dossier na zes maanden, in het kader van de huidige procedure voor de Raad van State. Beoordeling 7.
  13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. IX-10.200-4/7 De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct beoordeeld heeft en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Uit de formelemotiveringsplicht volgt echter niet dat in de bestreden beslissing op alle grieven die een verzoekende partij aanvoert, een afzonderlijk en specifiek antwoord moet worden gegeven. Het volstaat dat uit de bestreden beslissing blijkt dat die grieven in overweging zijn genomen en waarom ze in globo niet konden overtuigen. In het kader van een georganiseerd administratief beroep vereist de formelemotiveringsplicht wel dat de beroepsinstantie in haar beslissing, ingaat op de door de beroepsindiener aangevoerde argumenten die dermate wezenlijk zijn dat zij de motieven waarop de beroepen beslissing steunt, ontkrachten of minstens in een ander daglicht plaatsen. 7.
  14. In casu heeft de verzoekende partij in het kader van het georganiseerd administratief beroep in haar beroepschrift aangevoerd dat de lading werd gewogen maar dat het elektronisch weegsysteem zich in de bestuurderscabine bevond waartoe zij geen toegang had. Enkel de chauffeur van haar onderaannemer had hiertoe toegang. In de bestreden beslissing worden weliswaar de in aanmerking genomen feiten alsook de juridische grondslag vermeld op grond waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd, maar er wordt op geen enkele wijze ingegaan op de argumenten die de verzoekende partij in haar beroepschrift heeft aangevoerd. De verwerende partij spreekt in dit verband van een materiële IX-10.200-5/7 vergissing waardoor een gedeelte van de motivering niet werd weergegeven. Deze ‘materiële vergissing’ blijkt echter op geen enkel moment te zijn rechtgezet. De verwerende partij kan ook niet worden gevolgd wanneer zij stelt dat niettemin aan de formelemotiveringsplicht is voldaan omdat uit de beslissing in samenhang gelezen met de stukken van het administratief dossier, zou kunnen worden opgemaakt wat de feitelijke en juridische basis is van de beslissing. Niet alleen geeft de verwerende partij niet aan uit welk stuk van het administratief dossier afdoende zou blijken waarom het beroep van de verzoekende partij werd afgewezen. Bovendien kan een motivering door verwijzing slechts als een afdoende motivering worden aanvaard wanneer, onder meer, de motivering in de stukken waarnaar wordt verwezen in de uiteindelijke beslissing wordt bijgevallen door de beslissende overheid. In de bestreden beslissing wordt op geen enkele wijze melding gemaakt van de argumentatie aangevoerd in het beroepschrift, laat staan dat er in dit verband uitdrukkelijk wordt verwezen naar andere stukken in het administratief dossier waarin een motivering zou zijn opgenomen waarbij de bestreden beslissing zich wenst aan te sluiten en waaruit zou blijken waarom de grieven van de verzoekende partij niet kunnen overtuigen. 7.
  15. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing niet voldoet aan de vereisten van de formelemotiveringsplicht.
  16. Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate gegrond.
  17. In het auditoraatsverslag wordt terecht ervan uitgegaan dat over het voorliggende beroep tot nietigverklaring uitspraak kan worden gedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. IX-10.200-6/7 BESLISSING
  18. De Raad van State vernietigt de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 12 juli 2021, waarbij aan de bv Algemene Waterbouw- en Maaiwerken een administratieve geldboete wordt opgelegd van 6400 euro, waarvan 4000 euro met uitstel voor een periode van drie jaar.
  19. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-10.200-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.