← België

Arrest 256978 - Wapens - 29/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.978 Rolnummer: A. 235509/IX-10190 Zaak: Arrest 256978 - Wapens - 29/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-03 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-06 05:24 Fiche Arrest nr 256.978 van 29 juni 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 256.978 van 29 juni 2023 in de zaak A. 235.509/IX-10.190 In zake : Marcel GEUKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 6 december 2021 inzake het beroep van Marcel Geukens tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 26 april
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.190-1/18 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift ingediend dat strekt tot de toepassing van artikel 36, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. Met toepassing van artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de IXe kamer bij beschikking van 27 april 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 juni
  5. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoeker is als jager in het bezit van verschillende vuurwapens. 3.
  8. Op 18 februari 2021 trekt de arrondissementscommissaris van Antwerpen verzoekers jachtverlof voor het seizoen 2020-21 in, nadat de natuurinspectie van het agentschap voor Natuur & Bos (ANB) op IX-10.190-2/18 21 december 2020 bij verzoeker inbreuken op de regelgeving inzake de jacht en de soortenbescherming heeft vastgesteld. Van die inbreuken is een proces-verbaal opgesteld met nummer AN.63AH2.180230-
  9. Tegen die beslissing stelt verzoeker administratief beroep in bij het ANB. 3.
  10. Op 19 februari 2021 deelt de arrondissementscommissaris aan de gouverneur van de provincie Antwerpen mee dat verzoekers jachtverlof is ingetrokken en bezorgt hij haar een afschrift van die intrekkingsbeslissing. 3.
  11. Ingevolge die mededeling vraagt de dienst Wapens aan de procureur des Konings van Antwerpen om een advies met het oog op een mogelijke schorsing of intrekking van verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben op basis van een model
  12. 3.
  13. Op 23 februari 2021 beslist de procureur des Konings dat het proces-verbaal met nummer AN.63AH2.180230-20 niet strafrechtelijk wordt behandeld. 3.
  14. Op 1 maart 2021 adviseert de procureur des Konings om verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te houden op basis van een model 9 in te trekken. Hij motiveert: “Op het strafregister van Geukens Marcel wordt momenteel één veroordeling vermeld: - Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen dd. 16 november 1998 kreeg hij de gunst van de opschorting gedurende 3 jaar wegens inbreuken i.v.m. de jacht en i.v.m. wapens (stropen bij nacht, met gebruik van een wapen voorzien van een kijker, geluiddemper en zoeklicht). Daarnaast is hij nog als verdachte gekend in volgende dossiers: - AN64.LB.059813-17: Geukens Marcel en […] worden betrapt op het vervoeren van oude metalen naar een schroothandel in Hoboken. Zij hebben geen registratie bij OVAM en geen BTW-nummer. Het blijkt dat zij regelmatig aanzienlijke ladingen oude metalen aanbieden bij diverse schroothandelaren zonder geregistreerd te zijn als erkende IX-10.190-3/18 afvalstoffenhandelaar, terwijl hun bezigheden duidelijk die van gewone particulieren overstijgen. De lading en het voertuig werden in beslag genomen. Uiteindelijk werd hen elk een minnelijke schikking aangeboden wegens inbreuken op het Afvalstoffendecreet. - AN63.H2.180230-20: Tijdens een visitatie met machtiging van de politierechter worden bij Geukens een aantal verboden voorwerpen aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij de jacht of bij de stroperij. Het betreft 8 mistnetten en 3 netjes voor slagnetten in de woning en 4 stroppen, 1 mistnet, 2 klemmen en een potje carbofuran in een schuur op een omheind onbewoond terrein dat ook eigendom is van Geukens. Er wordt ook nog een doos van een warmtebeeldkijker aangetroffen, doch zonder de warmtebeeldkijker erin. De Mercedes Vito is voorzien van een verborgen ruimte. Het onderzoek is nog lopende. Geukens lijkt zich dus opnieuw schuldig te hebben gemaakt aan inbreuken inzake de jacht. Zijn jachtverlof werd inmiddels geweigerd. Mijn ambt adviseert dan ook de intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te houden op basis van een model 9, aangezien de moraliteit van Geukens ernstig te wensen overlaat en hij niet de ingesteldheid heeft om de reglementering inzake jacht en wapens correct na te leven.” 3.
  15. De afdeling Handhaving van het departement Omgeving deelt op 22 maart 2021 aan verzoeker mee dat zij overeenkomstig artikel 16.4.35 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM) op basis van de vaststellingen in het proces-verbaal met nummer AN.63AH2.180230-20 de procedure tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete heeft opgestart. Verzoeker wordt er daarbij ook van in kennis gesteld dat het dossier overeenkomstig artikel 16.4.36, § 3, DABM in aanmerking komt voor een bestuurlijke transactie, waarbij wordt voorgesteld dat verzoeker 1200 euro betaalt, waarna de bestuurlijke boeteprocedure automatisch en definitief zal worden beëindigd. Verzoeker gaat in op dat voorstel en betaalt 1200 euro. 3.
  16. Op 26 april 2021 beslist de gouverneur om verzoekers recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens te schorsen voor de duur van het lopende onderzoek waarvan de procureur des Konings melding maakt in zijn advies. IX-10.190-4/18 3.
  17. Verzoeker stelt tegen die beslissing op 17 mei 2021 een administratief beroep in bij de minister van Justitie. 3.
  18. Op 22 mei 2021 handhaaft de procureur des Konings zijn vroegere ongunstig advies. 3.
  19. De lokale politie geeft op 11 juni 2021 ook een ongunstig advies, met verwijzing naar het lopende onderzoek. 3.
  20. Op 6 december 2021 beslist de minister van Justitie om de schorsing van verzoekers recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens om te zetten in een intrekking van dat recht. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Op basis van artikel 11, § 1, tweede lid en artikel 13, eerste lid van de wapenwet kan de gouverneur – indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren – respectievelijk de vergunning of het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met reden omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken, na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar men zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning. Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening gehouden worden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing of intrekking van een vergunning te rechtvaardigen. Op basis van de stukken aanwezig in het administratief dossier kan worden vastgesteld dat er zich problemen hebben voorgedaan die zouden kunnen wijzen op een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Concreet wordt verwezen naar het ongunstig advies van de procureur des Konings inzake uw wapenbezit vanwege uw betrokkenheid bij een aantal dossiers. Voor het dossier met nummer AN64.LB.059813-17 heeft u een minnelijke schikking van € 2500 betaald wegens inbreuken op het Afvalstoffendecreet. Het dossier met nummer AN63.H2.180230-20 werd overgemaakt aan de Vlaamse Overheid voor bestuurlijke handhaving. De Vlaamse Overheid, Agentschap Natuur & Bos heeft u hiervoor een bestuurlijke geldboete van € 1200 opgelegd. Daarnaast bleek uit het advies van de procureur des Konings te Antwerpen ook dat u door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen bij vonnis van 16 november 1998 de gunst van de opschorting gedurende 3 jaar heeft gekregen wegens inbreuken in verband met de jacht en wapens (stropen bij nacht met IX-10.190-5/18 gebruik van een wapen voorzien van een kijker, geluiddemper en zoeklicht). Rekening houden met voornoemde elementen besliste de gouverneur van Antwerpen tot schorsing van uw recht tot het voorhanden houden van vuurwapens voor de duur van het lopend onderzoek. Tijdens de beroepsprocedure bevestigde de procureur des Konings zijn eerder verleende advies aan de gouverneur van Antwerpen (supra). De lokale politie zone Minos adviseerde in beroep eveneens ongunstig en stelde onder meer dat – indien uit het verder onderzoek zou blijken dat er strafbare feiten werden gepleegd – dit zou aantonen dat u voor de tweede maal inbreuken heeft gepleegd op de jachtwetgeving. In 1998 kreeg u reeds een opschorting van straf voor drie jaar voor inbreuken in verband met de jacht en in verband met wapens. Ter uwer verdediging stelde uw advocaat in zijn beroepschrift onder meer dat er geen enkele inbreuk op de wapenwet in uw hoofde werd gepleegd en dat uit niets blijkt dat u een gevaar vormt voor de openbare orde of openbare veiligheid. De loutere omstandigheden van 23 jaar geleden met betrekking tot jachtgerelateerde feiten vormen thans geen of onvoldoende grondslag voor een schorsing. Volgens uw advocaat mag de beslissing tot intrekking niet steunen op niet-relevante feiten, dewelke niet vermogen te doen vrezen voor de fysieke integriteit van personen. Volgens uw advocaat betwist u ten stelligste dat uw moraliteit ernstig te wensen overlaat en ontbreekt het u niet om de reglementering inzake jacht en wapens correct na te leven. Uit geen enkel element inzake het dossier AN63.H2.180230-20 blijkt dat er op heden actuele elementen zijn die een gevaar voor de openbare orde kunnen vermoeden, zodat de bestreden beslissing tot schorsing niet naar recht verantwoordt waarom er op heden actuele redenen zijn die zouden kunnen doen besluiten tot gevaar voor de openbare orde en/of veiligheid in uw hoofde. Overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient elke overheidsbeslissing met individuele strekking zowel materieel als formeel gemotiveerd te worden. Artikel 3 van voornoemde wet bepaalt dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag liggen van de beslissing. Bovendien moeten de motieven die in de beslissing vermeld worden afdoende zijn. In de bestendige rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt het begrip openbare orde omschreven als de waarden welke de essentiële belangen van de staat raken en die in het privaatrecht de juridische grondslag van de eco-nomische orde van de maatschappij bepalen (Cass. 9 december 1948, Arr, Verbr. 1948, 615; Pas. 1948, I,699; RCJB 1954 251-252; Cass. 15 maart 1968, Arr.Cass.1968,936; Cass, 28 september 1979 Pas. 1980, I, 131; Cass. 10 maart 1994, Arr.Cass. 1994, 236; Cass. 19 maart 2007, RW 2007-08, 533). Het begrip openbare orde moet hier in ruime zin worden geïnterpreteerd, namelijk met inbegrip van de openbare veiligheid, de openbare rust en de openbare gezondheid. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, IX-10.190-6/18 doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. De wapenwet heeft een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning. De wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 216.296 van 17 november 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.710 van 29 maart 2012). Opdat een vergunning of het recht tot het voorhanden hebben van een vuurwapen kan worden ingetrokken, is het niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan is voldoende (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 213.889 van 16 juni 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.252 van 1 maart 2012). Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. Wapens zijn door hun aard en bestemming levensgevaarlijke voorwerpen die enkel toebedeeld kunnen worden aan personen die beschikken over de vereiste maturiteit en verantwoordelijkheidszin om ermee om te gaan. Een wapenbezitter wordt geacht betrouwbaar te zijn en zich te allen tijde verantwoordelijk te gedragen. Aangezien de aard van de vaststellingen met betrekking tot dossier met nummer AN63.H2.180230-20, heeft de gouverneur van Antwerpen geoordeeld dat uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens diende te worden geschorst in afwachting van het lopende onderzoek. In casu zijn er elementen die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid indien u het bezit van vuurwapens zou worden toegestaan. Uit voorgaande is gebleken dat u geen respect heeft voor regelgeving hetgeen wijst op een gebrek aan verantwoordelijkheid en een niet betrouwbare persoonlijkheid. Een wapenbezitter wordt geacht betrouwbaar te zijn en zich verantwoordelijk te gedragen. In 1998 werd u door de correctionele rechtbank te Antwerpen veroordeeld voor inbreuken op de jacht- en wapenreglementering. Zo heeft u onder meer bij het stropen bij nacht gebruik gemaakt van een wapen voorzien van kijker, geluiddemper en zoeklicht. Hiervoor heeft u destijds de gunst van de opschorting gekregen gedurende 3 jaar. In 2020 heeft u zich opnieuw schuldig gemaakt aan inbreuken op de jachtreglementering (supra), waarvoor u door de Vlaamse Overheid, Agentschap Natuur & Bos een bestuurlijke geldboete werd opgelegd van €
  21. Het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel verplichten een IX-10.190-7/18 bestuurlijke overheid er voor te zorgen dat haar beslissing in verhouding staat tot de feiten waarop de beslissing is gebaseerd. Daartoe dienen deze feiten relevant, actueel en afdoende te zijn. Wat betreft de relevantie van de feiten kan ook verwezen worden naar rechtspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, mag rekening worden gehouden met feiten en gedragingen die op zich niets te maken hebben met het wapenbezit van verzoeker, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoegzaam vaststaan en de beslissing tot intrekking naar recht kunnen verantwoorden (arrest [van] 29/06/2015, nr. 231.786). Op grond van de genoemde elementen kan niet anders dan besloten worden dat er redenen zijn om te vrezen dat wapenbezit in uw hoofde aanleiding zou kunnen geven tot misbruik van of ongelukken met vuurwapens, en is het derhalve niet onredelijk om een preventieve maatregel inzake uw wapenbezit te voorzien ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De gouverneur van Antwerpen besliste dan ook terecht om ten aanzien van uw wapenbezit een preventieve bestuurlijke maatregel te nemen. De overheid kan u geen vuurwapens toevertrouwen omdat ze in u niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. Concreet kan verwezen worden naar de correctionele veroordeling te Antwerpen van 16 november 1998 wegens inbreuken op de jacht (supra). In 2020 heeft u zich ook schuldig gemaakt aan inbreuken op de jacht. De vaststellingen zijn ernstig, en het verstrijken van de tijd en de duur van een inbreukvrije periode sinds die feiten moet in verhouding staan tot hun ernst. De schorsing als administratieve maatregel dringt zich op als de houder van de wapenvergunning zich voorlopig in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde en veiligheid. In uw geval is een schorsing als voorlopige maatregel onvoldoende om de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid te verzekeren omdat de Vlaamse Overheid, Agentschap Natuur & Bos met betrekking tot het dossier AN63.H2.180230-20 u een bestuurlijke beboeting heeft opgelegd van €
  22. Hieruit blijkt dat u zich niet langer in een voorlopige situatie bevindt. Het gevaar voor de openbare orde en veiligheid is dan ook op heden nog steeds aanwezig hetgeen blijkt uit de aangehaalde elementen van het administratief dossier. De minister van Justitie is immers van oordeel dat inbreuken op de jacht- en wapenwetgeving misdrijven betreffen die in de wapenwetgeving zijn opgenomen omdat het – in combinatie met wapenbezit – een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Dergelijke feiten maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in hoofde van een wapenbezitter wordt ondermijnd en creëren een vermoeden van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. De overheid vreest dat u als wapenbezitter niet afdoende verantwoordelijkheid en integriteit aan de dag kan leggen omdat u in 1998 al IX-10.190-8/18 eens inbreuken pleegde met betrekking tot de jacht en u zich recent in 2020 opnieuw schuldig heeft gemaakt aan inbreuken op de jacht. Hieruit blijkt dat de inbreuk van 1998 geen alleenstaand gegeven betreft en dat derhalve op heden getwijfeld wordt aan uw betrouwbaarheid als wapenbezitter. Uw gedrag biedt niet de vereiste waarborgen waardoor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevaar kan betekenen voor anderen, voor uzelf, en voor de openbare orde en veiligheid. U kan niet genieten van het noodzakelijk vertrouwen dat moet kunnen gesteld worden in een wapenbezitter. Gelet op het voorgaande is de minister van Justitie dan ook van oordeel dat een intrekking van uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens als maatregel noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, wordt verantwoord door de genoemde elementen en in redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de concrete omstandigheden.” IV. Toepassing kortedebattenprocedure A. Vooraf
  23. Het auditoraat heeft geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met een kort debat in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Het heeft het eerste middel onderzocht en gegrond bevonden in zoverre de schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt aangevoerd. B. Onderzoek van het eerste middel in zoverre de schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt aangevoerd Standpunt van de partijen
  24. Verzoeker betwist de in de bestreden beslissing beschreven inbreuken op de jachtreglementering te hebben begaan. Hij erkent dat hij, nadat hij bij het ANB de vaststellingen van de natuurinspecteurs heeft betwist in het kader van zijn administratief beroep tegen de intrekking van het jachtverlof door de arrondissementscommissaris, is ingegaan op het voorstel van bestuurlijke transactie om 1200 euro te betalen. Hij benadrukt dat hij daarmee geen schuld heeft IX-10.190-9/18 bekend aan de in het proces-verbaal vermelde inbreuken. Het alternatief was, aldus verzoeker, zich te laten dagvaarden voor de correctionele rechtbank met het daarmee gepaard gaande procesrisico van dien. Voorts benadrukt verzoeker dat geen enkele inbreuk op de wapenwet is vastgesteld. De loutere omstandigheid dat zich vierentwintig jaar geleden bepaalde jachtgerelateerde feiten zouden hebben voorgedaan, is volgens verzoeker geen (voldoende) grondslag om een intrekking te verantwoorden. Hetzelfde geldt voor de feiten uit 2017 – vervoer van oude metalen zonder registratie – die geheel vreemd zijn aan verzoekers wapenbezit en die destijds niet relevant werden bevonden om een intrekking te overwegen.
  25. De verwerende partij antwoordt dat aan verzoeker een voorstel van bestuurlijke transactie is gedaan – te vergelijken met de minnelijke schikking in strafzaken bedoeld in artikel 216bis van het wetboek van Strafvordering – dat steunt op artikel 16.4.35 DABM en artikel 75/2 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (milieuhand- havingsbesluit). Overeenkomstig het voornoemde artikel 75/2 van het milieu- handhavingsbesluit kan de gewestelijke entiteit enkel een voorstel van bestuurlijke transactie doen als zij van mening is dat het volgens de vaststellingen in het proces-verbaal “onmiskenbaar vaststaat” dat de overtreder het milieumisdrijf heeft gepleegd. Verzoeker heeft het voorstel aanvaard en vrijwillig het voorgestelde bedrag van 1200 euro betaald. Hij betwist niet dat deze betaling volledig vrijwillig en met kennis van zaken is gebeurd; van dwang of dwaling is geen sprake. Het gevolg is dan dat verzoeker de feiten die aan de basis liggen van deze bestuurlijke transactie thans niet meer kan betwisten. Dat verzoeker eind december 2020 geverbaliseerd is voor feiten in verband met de jacht – onder meer stroperij – die in de lijn liggen van de feiten die in 1998 het voorwerp zijn geweest van een strafrechtelijke vervolging die geresulteerd heeft in een opschorting van de uitspraak, wettigt op zich de intrekkingsbeslissing tot het voorhanden houden van vuurwapens. Van een jager mag worden geëist dat hij respect heeft voor de IX-10.190-10/18 regelgeving en op een verantwoordelijke wijze de jacht beoefent. In casu moet worden vastgesteld dat verzoeker is hervallen in zijn eerdere gedrag als stroper, wat wijst op een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidszin en respect voor de regelgeving in verband met de jacht. De feiten die aanleiding hebben gegeven tot het vonnis van 1998 zijn bijgevolg nog relevant en actueel om, samengenomen met de feiten die aan de basis liggen van het dossier met nummer AN63.H2.180230-20, de bestreden beslissing te wettigen. Daarnaast – en ten overvloede – wordt in de bestreden beslissing nog verwezen naar het strafdossier met nummer AN64.LB.059813-17 waarin verzoeker een minnelijke schikking van 2500 euro heeft betaald wegens inbreuken op het decreet van 2 juli 1981 ‘betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen’. Uit dit dossier blijkt dat verzoeker afvalstoffen heeft verhandeld zonder in het bezit te zijn van de vereiste vergunning, een BTW-nummer, enzovoort. Dit is strijdig met de openbare orde en veiligheid. Samengenomen met de voormelde jachtinbreuken bewijst dit het totale gebrek aan moraliteit en burgerzin in hoofde van verzoeker. Beoordeling
  26. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De minister beschikt als beroepsinstantie over een dis- cretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de feiten waarop het bestuur steunt om tot zijn oordeel te komen, noch van de vraag of deze feiten waarvan het bestaan naar behoren is bewezen, in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. IX-10.190-11/18
  27. De mogelijke verstoring van de openbare orde moet voorts nog actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, wat inhoudt dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens het bestuur erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewogen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. De overheid mag binnen het raam van het onderzoek van het beroep hierbij rekening houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recente feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recente feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd.
  28. De verwerende partij oordeelt in de bestreden beslissing dat verzoekers gedrag niet de vereiste waarborgen biedt, waardoor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevaar kan betekenen voor anderen, voor hemzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Zij steunt dit oordeel op het feit dat verzoeker in 1998 al eens inbreuken heeft gepleegd op de regelgeving inzake jacht – zij verwijst in dat verband naar het vonnis van de correctionele rechtbank van 16 november 1998 – en dat hij zich in 2020 opnieuw schuldig heeft gemaakt aan inbreuken op de jachtregelgeving – waarvoor zij verwijst naar proces-verbaal AN63.H2.180230-20: “In uw geval is een schorsing als voorlopige maatregel onvoldoende om de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid te verzekeren omdat de Vlaamse Overheid, Agentschap Natuur & Bos met betrekking tot het dossier AN63.H2.180230-20 u een bestuurlijke beboeting heeft opgelegd van €
  29. Hieruit blijkt dat u zich niet langer in een voorlopige situatie bevindt.” De inbreuken uit 2020 zijn de recente feiten waaruit de verwerende partij afleidt dat aan de feiten uit 1998 niet ieder belang moet worden ontzegd. Samen verantwoorden ze, aldus de verwerende partij, de intrekking van verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te houden. IX-10.190-12/18
  30. De aanname dat verzoeker in 2020 inbreuken op de jachtregelgeving heeft begaan, kan de verwerende partij evenwel niet steunen op het enkele feit dat verzoeker is ingegaan op het voorstel tot betaling van een geldsom, welke te onderscheiden is van de betaling van een bestuurlijke geldboete. 11.
  31. De verwerende partij meent ten onrechte dat de betaling van een bestuurlijke transactie impliceert dat de betrokkene de feiten vermeld in het proces-verbaal niet meer kan betwisten. 11.
  32. De vaststellingen van de natuurinspectie die aanleiding hebben gegeven tot het proces-verbaal AN63.H2.180230-20, hebben niet geleid tot strafrechtelijke vervolging door het openbaar ministerie. Artikel 16.4.35 DABM bepaalt in zo’n geval: “Als de procureur des Konings de gewestelijke entiteit tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, start de gewestelijke entiteit de procedure voor de eventuele oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete.” Na een dergelijke beslissing van de procureur des Konings kan de gewestelijke entiteit “de vermoedelijke overtreder” op de hoogte brengen van het voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen (artikel 16.4.36, § 1, DABM). Echter, overeenkomstig artikel 16.4.36, § 3, eerste lid, DABM kan de gewestelijke entiteit “de vermoedelijke overtreder” een voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een bepaalde termijn “[a]lvorens een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen”. Artikel 16.4.36, § 4, DABM regelt het gevolg: “De betaling van de voorgestelde geldsom door de vermoedelijke overtreder binnen de vooropgestelde termijn doet de procedure tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in de artikelen 16.4.37 tot en met 16.4.39 van het decreet vervallen. Indien de vermoedelijke overtreder de geldsom niet betaalt binnen de vooropgestelde termijn of indien de vermoedelijke overtreder de IX-10.190-13/18 gewestelijke entiteit per aangetekende brief laat weten niet in te gaan op het voorstel tot betaling van een geldsom, dan wordt de procedure tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, zoals vermeld in de artikelen 16.4.37 tot en met 16.4.39, hervat.” 11.
  33. Uit de voorgaande decretale bepalingen moet worden afgeleid dat niet zo maar kan worden aangenomen dat de betrokkene, door in te gaan op het voorstel tot betaling van een geldsom, erkent de inbreuken die zijn beschreven in een proces-verbaal dat heeft geleid tot het voorstel om een geldsom te betalen om de procedure tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete te doen vervallen, daadwerkelijk te hebben gepleegd of dat vaststaat dat de geverbaliseerde daar schuldig aan is. Terecht maakt de verwerende partij op dit punt de vergelijking met een minnelijke schikking (artikel 216 van het Wetboek van Strafvordering). Ook processen-verbaal die uiteindelijk worden geklasseerd zonder gevolg, al dan niet na betaling van een dergelijke schikking, laten niet toe om zomaar ervan uit te gaan dat de feiten die erin zijn beschreven effectief hebben plaatsgevonden.
  34. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan doordat in artikel 75/2, eerste lid, van het milieuhandhavingsbesluit wordt bepaald dat de gewestelijke entiteit enkel een voorstel tot betaling van een geldsom mag doen als zij van mening is dat het volgens de vaststellingen in het proces-verbaal “onmiskenbaar vaststaat” dat de overtreder het milieumisdrijf heeft gepleegd. Het is de gewestelijke entiteit die “van mening” moet zijn dat het volgens de vaststellingen in het proces-verbaal onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder het milieumisdrijf heeft gepleegd alvorens een bestuurlijke transactie kan worden voorgesteld. Het ligt voor de hand dat het bestuur géén zo’n voorstel doet, als het van mening is dat de overtreding niet of niet door de vermoedelijke overtreder is begaan. Doet het bestuur wel het voorstel tot betaling van een geldsom, impliceert dit echter nog niet dat is komen vast te staan dat er daadwerkelijk sprake is van een overtreding en dat de geverbaliseerde daar schuld aan heeft. IX-10.190-14/18 Ook na de betaling van een bestuurlijke transactie komt dit niet vast te staan. Een (onschuldige) geverbaliseerde kan er immers voor kiezen omwille van opportuniteitsredenen de geldsom te betalen en zo bijvoorbeeld het risico op een (zwaardere) bestuurlijke geldboete te vermijden. De betaling van de geldsom maakt de “vermoedelijke overtreder” niet tot “daadwerkelijke overtreder”.
  35. Verzoeker heeft voor de beroepsinstantie de feiten vermeld in het proces-verbaal AN63.H2.180230-20 en hun juridische kwalificatie betwist. In die omstandigheden mag de verwerende partij in de bestreden beslissing er niet mee volstaan om louter te verwijzen naar het gegeven dat verzoeker voor die feiten is ingegaan op een voorstel van bestuurlijke transactie, om daaruit af te leiden dat de feiten bewezen zijn. De motivering van de bestreden beslissing is op dat punt niet deugdelijk.
  36. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij niet afdoende motiveert waarom de feiten van 21 december 2020 die worden vermeld in proces-verbaal AN63.H2.180230-20, in rechte in aanmerking kunnen worden genomen ter verantwoording van de bestreden beslissing. Aangezien aldus niet vaststaat dat voldoende recente feiten voorliggen, volstaat het aangehaalde minder recente feit – het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 16 november 1998 – niet om de bestreden beslissing te dragen.
  37. Het proces-verbaal AN64.LB.059813-17 inzake overtredingen op de reglementering inzake afvalstoffen bewijst volgens de verwerende partij “[s]amengenomen met de voormelde jachtinbreuken […] het totale gebrek aan moraliteit en burgerzin in hoofde van verzoeker”. De koppeling met de jachtinbreuken kan evenwel, om de redenen hiervóór uiteengezet, niet worden gemaakt – nog daargelaten of uit de motivering van de bestreden beslissing wel kan worden afgeleid dat de intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben mede steunt op het proces-verbaal betreffende de inbreuken op de afvalstoffenreglementering. IX-10.190-15/18
  38. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond.
  39. Het auditoraat heeft terecht geoordeeld dat de zaak kan worden afgedaan met een kort debat in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus
  40. V. Verzoek toepassing artikel 36, § 1, RvS-Wet Uiteenzetting van het verzoek
  41. Verzoeker vraagt om met toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de verwerende partij te bevelen “een nieuwe beslissing, i.e. een beslissing bestemd om de vernietigde beslissing te vervangen, te nemen binnen een termijn van één maand na het tussen te komen arrest”. Hij motiveert dat hem sedert april 2021 het recht is ontzegd om vuurwapens voorhanden te hebben en dat voor het handhaven van de bestreden beslissing geen redelijke verantwoording bestaat. Volgens verzoeker past het dan ook om aan de verwerende partij een korte termijn op te leggen om een nieuwe beslissing te nemen, teneinde het nadeel dat hij door het uitblijven van een nieuwe beslissing verder zou lijden – hierin inbegrepen het niet kunnen verkrijgen van een jachtverlof nodig om zijn jachtactiviteiten te hernemen – zoveel mogelijk te beperken. Beoordeling
  42. De hierna uit te spreken nietigverklaring impliceert dat de ver- werende partij opnieuw uitspraak moet doen over het door verzoeker ingestelde administratief beroep. Het houdt evenwel niet in dat de verwerende partij er ipso facto toe gehouden is het administratief beroep in te willigen, waardoor verzoeker opnieuw het recht zou verkrijgen om vuurwapens voorhanden te houden, een jachtverlof zou kunnen aanvragen en zijn jachtactiviteiten hernemen. IX-10.190-16/18 Uit niets blijkt, en de Raad van State ziet ook geen reden om dit te veronderstellen, dat de verwerende partij niet binnen een redelijke termijn na de kennisneming van het voorliggende arrest een nieuwe beslissing zou nemen over het door verzoeker ingestelde administratief beroep.
  43. Het verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. BESLISSING
  44. De Raad van State vernietigt de beslissing van de minister van Justitie van 6 december 2021 inzake het beroep van Marcel Geukens tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 26 april
  45. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.190-17/18 Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.190-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.978 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.