id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.997 Rolnummer: A. 239374/VII-42084 Zaak: Arrest 256997 - Voedselveiligheid (FAVV) - 30/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-30 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-06 05:26 Fiche Arrest nr 256.997 van 30 juni 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.997 van 30 juni 2023 in de zaak A. 239.374/VII-42.084 In zake: de BV ROLAND-XL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Groote kantoor houdend te 9300 Aalst Leopoldlaan 48 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Sint-Jans-Molenbeek Leopold II-laan 180 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 20 juni 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vice-eerste Minister en Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing van 13 juni 2023 waarbij wordt beslist “om de toelating 2.1 met nummer AER/BRU/028146 voor de activiteiten Slagerij, niet-ambulante detailhandel van vlees (PL9 AC96 PR168) en Slagerij, verwijderen van de wervelkolom in het kader van maatregelen tegen TSE (PL9 AC80 PR126) van Roland-XL met VII-42.084-1/16 ondernemingsnummer 0672.877.716 en vestigingseenheidsnummer 2.263.240.523, gelegen te Jaargetijdenlaan 94 bus 1 te 1050 Elsene, in te trekken”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juni 2023, om 10.30 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jan De Groote en Andy Hoedenaeken, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3. De verzoekende partij, die op 20 maart 2017 werd opgericht, beschikt over een toelating AER/BRU/028146 als slagerij (toelating 2.1) voor de activiteiten Slagerij, niet-ambulante detailhandel van vlees (PL9 AC96 PR168) en Slagerij, verwijderen van de wervelkolom in het kader van maatregelen tegen TSE (PL9 AC80 PR126) voor haar vestiging aan de Jaargetijdenlaan 94 bus 1 te 1050 Elsene. VII-42.084-2/16 4. In de periode tussen oktober 2017 en november 2022 werden voor de inrichting van de verzoekende partij processen-verbaal en missierapporten opgesteld voor non-conformiteiten inzake hygiëne, traceerbaarheid, verpakking, etikettering, het ontbreken van de administratie van de verzonden dierlijke bijproducten, de temperatuur, een niet-correcte uitdehandelsneming, schadelijk verklaarde producten en de affichering van niet voorverpakt versneden rundsvlees. 5. Op 13 december 2022 deelt het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) haar voornemen mee aan de verzoekende partij om haar toelating in te trekken. 6. De verzoekende partij dient op 26 december 2022 haar bezwaar in tegen dit voornemen. Zij dient op 24 januari 2023 nog een bijkomende nota met stukken in. 7. Ten gevolge hiervan voert het FAVV ter plaatse controles uit op 15 februari en 23 maart 2023. Er worden bij die gelegenheden opnieuw een aantal non-conformiteiten vastgesteld. 8. Het FAVV besluit tot de intrekking van de toelating van de verzoekende partij die hiervan op 4 april 2023 in kennis wordt gesteld. 9. De verzoekende partij stelt tegen de beslissing van het FAVV administratief beroep in op 21 april 2023. Zij dient op 14 mei 2023 bijkomende stukken in. 10. De beroepscommissie hoort de verzoekende partij op 15 mei 2023 en vraagt deze laatste om bijkomende bewijsstukken (temperatuurlijsten, interne procedure/werkinstructie). Het verslag van de hoorzitting wordt op 22 mei 2023 aan de verzoekende partij en het FAVV meegedeeld met het verzoek opmerkingen te geven tegen 25 mei 2023. VII-42.084-3/16 Het FAVV antwoordt geen opmerkingen te hebben. De verzoekende partij formuleert geen opmerkingen. 11. Op 30 mei 2023 adviseert de beroepscommissie om de beslissing van het FAVV van 4 april 2023 tot het intrekken van de toelating van de verzoekende partij te bevestigen. 12. De verwerende partij beslist op 13 juni 2023 “na controle van het ganse dossier” om “het advies en de motieven van de beroepscommissie te volgen”. Zij besluit om de toelating van de verzoekende partij in te trekken. Dit is de bestreden beslissing die samen met het advies van de beroepscommissie aan de verzoekende partij op 14 juni 2023 wordt betekend. IV. Grondvoorwaarden 13. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen 14. De verzoekende partij zet uiteen wat volgt: “[…] 35.Te dezen dient te worden vastgesteld dat verzoekster nadat de bestreden beslissing haar met een aangetekende brief van 14 juni 2023 (’s avonds) ter kennis is gebracht, op 20 juni 2023 onderhavige vordering tot schorsing bij VII-42.084-4/16 uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingediend zodat haar alvast geen gebrek aan diligent handelen kan worden verweten. 36. In deze voert verzoekster volgende verschillende nadelen aan: (
- i)een substantieel financieel nadeel; (
- ii)een bijzondere administratieve last; (iii) en een onmiddellijk optredende ernstige reputatieschade. 37.In beginsel verantwoorden deze nadelen niet de uiterst dringende noodzakelijkheid. Een financieel nadeel is immers in beginsel herstelbaar. Reputatieschade vormt in essentie een moreel nadeel en kan in de regel worden goedgemaakt door een vernietigingsarrest. In de mate de reputatieschade wordt gekoppeld aan de omstandigheid dat het zal leiden tot inkrimping van het klantenbestand, betreft het daarenboven ook een financieel nadeel dat in beginsel ook herstelbaar is. 38.Ook een administratieve last is in beginsel herstelbaar en vereist geen afwijking volgens de schorsingsprocedure. Evenmin volstaat het gegeven dat de bestreden gedeeltelijke intrekking van een toelating onmiddellijke ingang heeft opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. 39.Het voorgaande staat er evenwel niet aan in de weg dat er toch bijzondere redenen en omstandigheden aanwezig kunnen zijn die uitzonderlijk een beroep op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen verantwoorden, waarbij een verzoeker niet kan wachten op een behandeling volgens de gewone kortgedingprocedure, laat staan op een uitspraak te gronde om onherroepelijke schadelijke gevolgen te vermijden. Dit is in casu het geval. 40.Het substantieel financieel nadeel is in deze uitermate prangend, in die mate dat op uitermate korte termijn het voorbestaan van verzoekster in het gedrang is. 41.De boekhouder van verzoekster, de heer Rob Verschaeren, stelt dienaangaande (Stuk 45): ‘[…] Het bedrijf kan een sluiting niet aan en de gevolgen zijn immers immens: -De kosten blijven gewoon verder lopen, raming +/- € 67.000 per week; -De omzet valt weg, +/-73.000€ per week; Dit wil zeggen dat er bij een sluiting van één week een financieel gat wordt geslagen van 140.000€. In de huidige omstandigheden, waarbij het bedrijf al haar middelen nodig heeft om haar verplichtingen op korte termijn te voldoen kan dit tekort leiden tot het faillissement van de vennootschap. […]’ Dit betekent dat het financiële nadeel van de bestreden beslissing zodanig is dat er wel degelijk sprake is van onherstelbare schade, in die zin dat het de dood van de rechtspersoon zou betekenen. 42.Daarenboven dient tevens rekening gehouden te worden, in onderhavige concrete situatie, met de omstandigheid dat er bij verzoekster gewerkt wordt met producten die slechts een zeer korte houdbaarheidstermijn hebben omdat het om verse vleeswaren en voedingswaren gaan voor bereiding bedoeld. Ook dit bijzonder feitelijk gegeven maakt dat een uiterst dringende tussenkomst van Uw Raad noodzakelijk is om de onherstelbare impact van de bestreden beslissing te vermijden. VII-42.084-5/16 43.De impact van de bestreden beslissing op de financiële toestand van verzoekster is dermate dat bij gebreke aan een uitspraak binnen het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid door Uw Raad onherroepelijk het faillissement van verzoekster tot gevolg zal hebben en dit uiterlijk binnen een termijn van (maximaal) een aantal weken. 44.De bestreden beslissing brengt een onredelijke en bijzondere administratieve last voor verzoekster met zich mee: verzoekster zal immers opnieuw de gehele vergunningsaanvraagprocedure moeten doorlopen. 45.Een dergelijke bijzondere administratieve last is buiten alle proportie in verhouding tot afwezigheid van enige tekortkoming in hoofde van verzoekster die een gevaar voor de volksgezondheid zou uitmaken. Ware dit geval geweest, dan had de administratieve last van het doorlopen van een nieuwe aanvraagprocedure gerechtvaardigd geweest. Van enige gevaar voor de volksgezondheid is in casu echter geen sprake. Van belang daarbij is dat het FAVV nooit de toelating heeft geschorst, hoewel zij daartoe de mogelijkheid heeft wanneer zij meent dat de voedselveiligheid ernstig in het gedrang komt. 46.De bijzondere administratieve last dient tevens beoordeeld te worden in het licht van alle inspanningen die verzoekster heeft gedaan om aan alle tekortkomingen te verhelpen. Verzoekster wordt een bijzondere administratieve last opgelegd omwille van een historiek van opgeloste tekortkomingen… 47.De onmiddellijk optredende ernstige reputatieschade is in deze uitzonderlijk en daarenboven onherstelbaar. Door de bestreden beslissing wordt de indruk gewekt bij het publiek in het algemeen en bij de cliënten van verzoekster in het bijzonder dat er zich een probleem inzake volksgezondheid zou voordoen in haar slagerij. 48.Geen enkele cliënt van verzoekster zal nog vleeswaren willen afnemen. Essentieel voor de consument is diens vertrouwen in de versheid van de producten in een slagerij. Nog wars van het feit dat er één vleesbrood werd gevonden dat één dag datumoverschrijding had op de ‘minimum houdbaar tot-‘datum en dat niet werd aangeboden aan de consument, kwamen uit de hercontroles waarop de bestreden beslissing geënt is geen enkele inbreuk op de versheid van de aangeboden vleeswaren. Niemand, werkelijk niemand zal nog ‘americain’ of andere bereide producten bij verzoekster willen aankopen ondanks het feit dat de twee hercontroles op dat punt geen problemen vaststelden. 49.In deze is de impact van de bestreden beslissing op de reputatie en de mogelijkheid tot het behouden of herwinnen van cliënteel uitzonderlijk en onvergelijkbaar met een reputatieschade die ongedaan kan gemaakt worden middels een annulatiearrest van Uw Raad dat slechts binnen geruime tijd zal tussenkomen. 50.Maar er is meer: verwerende partij heeft het nodig gevonden publiekelijk verklaringen af te leggen met betrekking tot de bestreden beslissing! Het FAVV verklaart in media het volgende […] en Ixelles : le Traiteur Roland fermé après un retrait d'autorisation de l'AFSCA -BX1): ‘D’après Aline Van Den Broeck, porte-parole de l’AFSCA, le Traiteur Roland est bien connu de leurs services depuis 2017. VII-42.084-6/16 Depuis fin 2022, il était conscient du risque de retrait d’autorisation de la part de l’AFSCA à cause de certaines non-conformités, notamment concernant l’hygiène et le respect des températures.’ Vrije vertaling: ‘Volgens Aline Van Den Broeck, woordvoerster van het FAVV, is Traiteur Roland sinds 2017 goed gekend bij hun diensten. Sinds eind 2022 is het op de hoogte van het risico op intrekking van zijn vergunning door het FAVV wegens bepaalde niet-nalevingen, met name inzake hygiëne en naleving van de temperaturen.’ Het is eigenaardig dat deze administratieve gegevens, die in beginsel beschermd zijn door artikel 8 EVRM en het beroepsgeheim, publiek worden gemaakt. De sluiting door de bestreden beslissing is een feit, en er valt niet in te zien waarom precieze gegevens aan de pers worden gegeven. Het is niet alleen onverantwoord en uitermate schadelijk in hoofde van het FAVV om publieke en beschadigende verklaringen af te leggen in de media, die geen meerwaarde betekenen voor de volksgezondheid of de verwezenlijking van de opdracht van het FAVV. Een overheidsinstantie als het FAVV dient zich terughoudend op te stellen en mag zeker geen bijkomende schade aan de reputatie van een rechtsonderhorige toebrengen, a fortiori wanneer haar opdracht beëindigd werd en zij (althans naar eigen inzichten) het doel heeft bereikt. Des te meer wanneer het een beslissing betreft die nog vatbaar is voor beroep voor Uw Raad. 51.Daarenboven zijn de verklaringen van de verwerende partij onnodig gekleurd (en schadelijk vaag). Er wordt aan het publiek medegedeeld dat verzoekster reeds sedert 2017 ‘gekend’ was; zonder verder enige toelichting. Het FAVV laat na om te vermelden dat verzoekster een verouderde slagerij overnam en dat in 2017 het merendeel van de bemerkingen gingen over verouderde apparatuur, hetgeen verzoekster ertoe bracht om de gehele slagerij te vernieuwen. 52.Uitermate stuitend is te moeten lezen dat er door het FAVV wordt beweerd dat het gaat om ‘niet-nalevingen, met name inzake hygiëne en naleving van de temperaturen.’. Zoals hoger aangegeven is het zelfs niet duidelijk omwille van welke concrete inbreuken de bestreden beslissing is genomen. Uit de hercontroles blijkt dat er geen inbreuken zijn vastgesteld bij deze hercontroles inzake de temperaturen, zodat de informatie ook zonder meer foutief is. Publiekelijk verklaren dat verzoekster als uitbater van een slagerij de regels inzake hygiëne en de temperaturen niet naleeft, is onkies vanuit een overheid. 53.Het eigen(gereid) schadelijk optreden van verweerster heeft gemaakt dat de nood aan een onmiddellijke tussenkomst door Uw Raad meer dan ook vereist is. [...]”. 15. De verwerende partij repliceert dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet wordt aangetoond: VII-42.084-7/16 “[…] Aldus dient de verzoekende partij in concreto aan te tonen dat de zaak te spoedeisend is om de gewone schorsingsprocedure af te wachten én haar voortbestaan onmiddellijk in het gedrang komt. Dit gestaafd evident met de nodige overtuigingsstukken zodat én de Raad, én huidig verwerende partij, dienaangaande standpunt kunnen innemen en één en ander kunnen verifiëren. Louter éénzijdige beweringen kunnen en mogen uiteraard niet aanvaard worden indien deze niet gestaafd worden door de nodige en noodzakelijke boekhoudkundige stukken en onderliggende stavingsstukken. 18.Te dezen legt verzoekende partij een verklaring voor van haar boekhouder, de balans van het boekjaar 2022 en de balans voor het huidige boekjaar 2023 met de cijfers tot en met april 2023 (zie STUK 45 verzoekende partij). De verklaring van de boekhouder kadert in de waarschuwingsplicht zoals vastgesteld in art. XX.23, §3 Wetboek van Economisch Recht. […] De boekhouder is aldus van oordeel dat er zich bepaalde gewichtige en overeenstemmende feiten voordoen die de continuïteit van de onderneming van verzoekende partij voor een periode van minimum 12 maanden, in het gedrang kunnen brengen. Verder verklaart de boekhouder over de sluiting van de inrichting ten gevolge van de intrekking van de toelating door het FAVV, bevestigd door de Minister: -Dat de gevolgen daarvan desastreus zijn; -Dat als het FAVV de sluiting doorzet, verzoekende partij niet meer haar kortetermijnschulden kan voldoen; -Dat dit laatste een domino-effect zou kunnen teweegbrengen met waarbij de reputatie en de toekomst van verzoekende partij ernstig zou worden geschaad; -Dat de bredere impact van een sluiting voor de lokale (economische) gemeenschap moet worden in acht genomen; Verder stelt de boekhouder dat de kosten van ongeveer € 67.000 per week blijven verderlopen, en dat ten gevolge van de sluiting de omzet van ongeveer € 73.000 per week, wegvalt. Er zou hierdoor een financieel gat worden geslagen van € 140.000. In de huidige omstandigheden waarbij verzoekende partij al haar middelen nodig heeft om haar verplichtingen op korte termijn te voldoen, zou dit tekort kunnen leiden tot het faillissement van de vennootschap. De boekhouder stelt een aantal ‘herstelmaatregelen’ voor en stelt tevens dat er reeds € 300.000 geleend werd door de zaakvoerder aan de vennootschap. 19.Verwerende partij heeft toch ernstige opmerkingen op deze verklaring: De boekhouder spreekt over kortetermijnschulden, zonder specifiek te bepalen op welke termijn deze schulden opeisbaar zijn. Klassiek wordt in boekhoudkundig jargon een onderscheid gemaakt tussen schulden op korte termijn, zijnde opeisbaar binnen minder dan 1 jaar, en schulden op lange termijn, die opeisbaar zijn op een termijn groter dan 1 jaar. VII-42.084-8/16 Bij gebreke aan verduidelijking hieromtrent dient ervan uitgegaan dat wanneer de boekhouder spreekt over kor[te]termijnschulden, hij hiermee schulden bedoeld die binnen het jaar moeten worden betaald. Aangezien de gewone schorsingsprocedure voor uw Raad minder dan één jaar in beslag neemt, dient hiermee dan ook geen rekening mee te houden, inzonderheid bij gebreke aan specificatie over welke schulden het dan zou gaan en binnen welke exacte termijn deze zouden moeten worden betaald. Verder stelt de boekhouder dat ‘de kosten gewoon verder blijven lopen, raming +/- €67.000 per week’. Over welke kosten gaat het hier? Hierover wordt met geen woord gerept, laat staan dat verzoekende partij hiervan onderliggende stukken bijbrengt. Uit de balansen zoals verzoekende partij voorlegt blijkt dat ongeveer de helft van de totale kosten aankopen van handelsgoederen betreft. Wanneer niet geëxploiteerd wordt, valt deze kost onmiddellijk toch grotendeels weg? Ook personeelskosten kunnen worden gedrukt, bv. door bepaalde personeelsleden te ontslaan, die het minst lang bij de onderneming werken en die dus de laagste opzegvergoeding met zich brengen. Zelfs los van de tijdelijke sluiting ten gevolge van de bestreden beslissing, adviseert de boekhouder om te snoeien in de personeelskosten. 20.Verwerende partij doet wat dit betreft nog een opmerkelijke vaststelling. Enerzijds verwijst verzoekende partij naar de verklaring van haar boekhouder, om te gaan voorhouden dat zelfs bij een sluiting van 1 week, de vennootschap failliet zou kunnen gaan, nu zij al haar middelen nodig heeft om haar ‘kortetermijnschulden’ te voldoen. Anderzijds stelt verwerende partij vast dat de bestreden beslissing dateert van dinsdag 13.06.2023, aan verzoekster overgemaakt per aangetekende brief van diezelfde datum, en door verzoekende partij ontvangen op woensdag 14.06.2023. Niettemin wacht verzoekende partij minstens tot dinsdag 20.06.2023 om 20u05 (ogenblik digitale ondertekening verzoekschrift) om een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid neer te leggen (verwerende partij gaat ervan uit dat het verzoekschrift op dat ogenblik is neergelegd, hoewel gedateerd op 21.06.2023). Met andere woorden, hoewel verzoekende partij stelt dat zij na 1 week sluiting failliet zou kunnen gaan, wacht men precies 1 week om een verzoekschrift neer te leggen. Volgens verwerende partij heeft verzoekster daarom niet met de nodige diligentie opgetreden, wat een noodzakelijke voorwaarde is om zich met succes te beroepen op de uiterst dringende noodzakelijkheid. Hierom alleen dient de vordering te worden verworpen. 21.Verzoekende partij stelt dat de producten die zij verkoopt, vers zijn en dus op korte termijn onverkoopbaar, hetgeen een onmiddellijke tussenkomst van Uw Raad zou rechtvaardigen. Hoewel verwerende partij kan aannemen dat verse vleeswaren op korte termijn bederven, is dit op zich uiteraard niet voldoende om een onmiddellijk tussenkomst van Uw Raad te rechtvaardigen. Ten eerste kan verzoekende partij de nodige maatregelen treffen om de houdbaarheid van de producten te verlengen, door ze in te vriezen. Ten tweede toont verzoekende partij niet aan wat de waarde is van de producten die op korte termijn zouden vervallen. VII-42.084-9/16 Verder stelt verzoekende partij dat de bestreden beslissing een bijzondere administratieve last voor haar teweeg zal brengen nu zij de ganse procedure tot het bekomen van een toelating, opnieuw zal moeten doorlopen. Inderdaad, conform art. 9, §1 KB 16.01.2006 dient het FAVV een voorwaardelijke toelating toe te kennen wanneer zij op basis van een louter administratief onderzoek van oordeel is dat de inrichting beantwoordt aan de voorwaarden zoals vastgesteld in nationale en Europese regelgeving waarvan de controle tot de bevoegdheid van het Agentschap behoort. Binnen de drie maanden kan het FAVV ter plaatse gaan om te controleren of de inrichting daadwerkelijk aan de wettelijke vereisten voldoet. Verzoekende partij heeft echter reeds op 16.06.2023 een nieuwe toelatingsaanvraag ingediend en dit tijdens een controle van het FAVV die plaatsvond om na te gaan of verzoekende partij de intrekkingsbeslissing respecteerde (quod non, de inrichting was gewoon geopend voor de consument). De ‘bijzonder zware administratieve last’ is helemaal niet zo zwaar als verzoekende partij beweert, getuige het feit dat men gewoon tijdens een controle een nieuwe aanvraag heeft gedaan. Bovendien werd deze ‘last’ reeds gedragen zodat verwerende partij niet inziet hoe dit ook maar enigszins de onmiddellijke tussenkomst van Uw Raad zou kunnen verantwoorden. 22.Wat vervolgens de door verzoekende partij aangehaalde ‘onherstelbare reputatieschade’ betreft: Verzoekende partij stelt daarbij fors dat ‘niemand nog vleeswaren zal willen afnemen bij verzoekster’. Verzoekende partij maakt dit op generlei wijze hard. Het is niet zo dat ingevolge een intrekkingsbeslissing door het FAVV (of de Minister) ipso facto alle klanten van de betrokken onderneming verloren zouden zijn. Men kan dit niet geloofwaardig en zonder enig bewijs gaan stellen. Verzoekende partij verwijst naar een Franstalig artikel op internet op de website www.bx1.be van 19.06.2023. Het artikel moet gekaderd worden in de sluiting op 16.06.2023 en de verzegeling van de toegangsdeur met FAVV-plaklint nadat is vastgesteld dat de inrichting geopend was hoewel zij niet meer over een toelating beschikte. In die zin heeft verzoekende partij zelf de aandacht op de sluiting gevestigd. Had zij de bestreden beslissing gerespecteerd, dan was een verzegeling niet nodig geweest en zou er hiervoor geen media-aandacht zijn geweest. Verwerende partij vindt het frappant dat verzoekster stelt dat het betrokken publiek eigenlijk niet zou mogen weten waarom de zaak gesloten is. Bovendien is de informatie die in het artikel wordt gegeven door de woordvoerster van het FAVV, 100% correct. Sinds 2017 zijn er immers talloze processen-verbaal opgesteld door het FAVV wegens inbreuken op de voorschriften inzake hygiëne en temperatuur. Eind 2022 werd inderdaad de intentie tot intrekking van de toelating aan verzoekende partij betekend. De informatie zoals door het FAVV aan de pers gegeven is 100% correct. Verzoekster kan het jammer vinden dat deze info openbaar wordt gemaakt, maar het is zijzelf die verantwoordelijk is voor de inbreuken en niemand anders. Het volstaat niet te wijzen op het nadelig gevolg dat moet worden toegeschreven aan de bestreden beslissing en te stellen dat alleen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit moreel nadeel ongedaan VII-42.084-10/16 kan maken en de naam van verzoekende partij opnieuw kan zuiveren. Er moet aangetoond worden dat die imagoschade van die aard en omvang is dat verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing uitspraak is gedaan. Verzoekende partij staaft haar beweringen niet, laat staan dat zij het onherstelbaar karakter aantoont”. Beoordeling 16. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. 17. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. VII-42.084-11/16 18. Deze stelplicht impliceert dat verzoekende partijen aan de hand van precieze en concrete gegevens in hun verzoekschrift aantonen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoekende partijen veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoekende partijen niet toelaten een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat een verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). 19. De toepassing ervan kan alleen worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Dit impliceert ook dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Die dwingende vereiste moet zijn vervuld opdat de Raad van State de verzoekende partij zou toelaten tot de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. VII-42.084-12/16 20. Hoewel de Raad van State geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat de verzoekende partij niet met gepaste spoed en diligentie haar vordering heeft ingesteld, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. 21. Evenmin volstaat het gegeven dat de bestreden intrekking van de toelating onmiddellijke ingang heeft vanaf de betekening ervan opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring of een gewone schorsingsprocedure maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepsindiener en het staat aan een verzoekende partij die erop aandringt dat haar zaak bij voorrang wordt behandeld om aan te tonen, en zulks aan de hand van concrete, specifieke op haar betrekking hebbende en verifieerbare gegevens, dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken de verzoekende partij nalaat te doen. 22. Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden beslissing voor de verzoekende partij gevolgen kan hebben op financieel vlak, dan nog is vereist dat de verzoekende partij, wil zij spoedeisendheid -te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid-, verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid -laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid- tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te VII-42.084-13/16 zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten, bewijs dat zoals hierna zal blijken door de verzoekende partij niet wordt geleverd. 23. Uit de verklaring van de accountant die de verzoekende partij bijbrengt blijkt dat zij in een “nijpende situatie” verkeert omdat zij “[h]et afgelopen jaar […] geconfronteerd [is] met aanzienlijke financiële verliezen […] waardoor haar voortbestaan op het spel staat”. De gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan dan ook niet het door de verzoekende partij beoogde effect hebben, namelijk dat haar voortbestaan niet langer op het spel zou staan. Ook na een schorsing van de bestreden beslissing blijft de verzoekende partij verkeren in een nijpende situatie als gevolg van haar aanzienlijke financiële verliezen in 2022. 24. De door de verzoekende partij ingeroepen “onredelijke en bijzondere administratieve last” omdat zij “opnieuw de gehele vergunningsaanvraagprocedure [zal] moeten doorlopen”, kan ook niet worden aangenomen. Uit het dossier blijkt dat de verzoekende partij reeds op 16 juni 2023 een nieuwe toelatingsaanvraag heeft ingediend. De gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan dan ook niet het door de verzoekende partij beoogde effect hebben, namelijk het voorkomen van die volgens haar onredelijke en bijzondere administratieve last. 25. In zoverre de verzoekende partij zich beroept op “reputatieschade” laat het zich verstaan dat de bestreden beslissing de reputatie van de verzoekende partij geen goed zal doen. De verzoekende partij maakt evenwel niet aannemelijk dat de reputatieschade die de bestreden beslissing haar berokkent, van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op dat nadelig gevolg dat moet worden toegeschreven aan de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit moreel nadeel ongedaan kan maken en haar naam opnieuw kan zuiveren. Er moet tevens aangetoond worden dat die welbegrepen reputatieschade van die aard en omvang is dat de verzoekende VII-42.084-14/16 partij ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. Uit de gegevens van het dossier komt bovendien naar voor dat de verzoekende partij de beweerde reputatieschade zelf, minstens voor een deel, heeft veroorzaakt gelet op het feit dat zij geen vrijwillig gevolg blijkt te hebben gegeven aan de bestreden beslissing derwijze dat het FAVV tot sluiting en verzegeling is moeten overgaan op 16 juni 2023. De verzoekende partij heeft hiermee zelf aandacht van het publiek getrokken waardoor de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dan ook niet meer het door de verzoekende partij beoogde effect kan hebben, namelijk het voorkomen van reputatieschade door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. 26. De verzoekende partij kan de Raad van State er in de gegeven omstandigheden niet van overtuigen ten gevolge van de bestreden beslissing in een situatie te verkeren die voor haar een geval van uiterst dringende noodzakelijkheid uitmaakt. Conclusie 27. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.084-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig juni tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-42.084-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.997 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div