← België

Arrest 257038 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 30/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.038 Rolnummer: A. 234099/Abis-31 Zaak: Arrest 257038 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 30/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-05 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-06 05:29 Fiche Arrest nr 257.038 van 30 juni 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK ALGEMENE VERGADERING nr. 257.038 van 30 juni 2023 in de zaak A. 234.099/Abis-31 In zake : de GEMEENTE KRAAINEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181/24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 11 mei 2021 ‘houdende de vernietiging van de beslissing van de gemeenteraad van Kraainem van 30 maart 2021 betreffende taalregistratie: bijhouden, gebruik en bekendmaking gemeentelijk register met de taalvoorkeur van de inwoners’. Gevraagd wordt, in het opschrift van het verzoekschrift, dat het overeenkomstig artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak behandeld zou worden. Abis-31n - 1/25 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 254.189 van 30 juni 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Erik Bosquet en eerste auditeur Jurgen Neuts hebben een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, die heeft plaatsgevonden op 6 juni 2023. Kamervoorzitter Luc Detroux en staatsraad Jan Clement hebben verslag uitgebracht. Advocaten Marie Bourgys en Anthony Poppe, die loco advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Erik Bosquet en eerste auditeur Jurgen Neuts hebben een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Abis-31n - 2/25 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 20 juni 2014 doet de Raad van State met arresten nrs. 227.775 en 227.776 uitspraak in de respectieve zaken A. 208.344/Abis-3 en A. 208.346/Abis-4. In die arresten overweegt de Raad van State onder meer wat volgt over de interpretatie van de op de randgemeenten van toepassing zijnde artikelen 25, 26 en 28 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet): “[…] de Raad van State [wordt] dus geadieerd met betrekking tot de interpretatie van de bepalingen van de bestuurstaalwet die van toepassing zijn op de randgemeenten. Het gaat meer bepaald om de interpretatie van de volgende bepalingen: ‘Afdeling 4 Randgemeenten Onderafdeling 1 Gemeenschappelijke bepalingen voor al de randgemeenten [...] Artikel 25. In hun betrekkingen met een particulier gebruiken dezelfde diensten de door betrokkene gebruikte taal voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. [...] Artikel 26. Meergenoemde diensten stellen de aan de particulieren uitgereikte getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in het Nederlands of in het Frans, naar gelang van de wens van de belanghebbende. [...] Onderafdeling 2 Bijzondere bepalingen ten behoeve van de te Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel gevestigde plaatselijke diensten Artikel 28. In de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel worden, naar gelang van de wens van de belanghebbende, de akten gesteld in het Nederlands of in het Frans. [...].’ Het aangehaalde artikel 25 maakt gewag van ‘de door betrokkene gebruikte taal’ en de aangehaalde artikelen 26 en 28 van ‘de wens van de Abis-31n - 3/25 belanghebbende’. In artikel 25 wordt niet bepaald op welke wijze de administratie te weten moet komen welke taal de betrokkene gebruikt. In de artikelen 26 en 28 wordt niet nader bepaald op welke wijze ‘de wens van de belanghebbende’ om de in die bepalingen bedoelde documenten en akten in het Nederlands of in het Frans te verkrijgen, aan het bestuur te kennen moet worden gegeven en op welke concrete manier het bestuur die wens mag of moet vaststellen. Om de draagwijdte van die bepalingen na te gaan, moeten ze worden gezien in de ruimere context van de taalregeling in België. Het Arbitragehof (thans: Grondwettelijk Hof) heeft in zijn arrest nr. 26/98 van 10 maart 1998 omtrent die taalregeling het volgende gesteld: ‘B.4.1. Hoewel de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken ten behoeve van Franstalige inwoners in de randgemeenten in een bijzondere regeling voorzien die hen toelaat hun betrekkingen met de plaatselijke diensten in het Frans te voeren en die aan die diensten de verplichting opleggen om in bepaalde in die wetten nader omschreven omstandigheden het Frans te gebruiken, doet die regeling geen afbreuk aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied, waartoe die gemeenten behoren. Zulks impliceert dat de taal die er in bestuurszaken moet worden gebruikt in beginsel het Nederlands is en dat bepalingen die het gebruik van een andere taal toestaan niet tot gevolg mogen hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de door artikel 4 van de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands.’ Meer recentelijk heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 124/2010 van 28 oktober 2010 (overweging B.12) uit artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ afgeleid dat de bijzondere wetgever ernaar streeft ‘een evenwicht te verwezenlijken tussen de belangen van de verschillende gemeenschappen en de gewesten binnen de Belgische Staat’, hetgeen ‘een fundamenteel element van het institutionele evenwicht van de Belgische Staat vormt’ en dat daarmee ‘zowel ten aanzien van de gewestwetgevers als ten aanzien van de gemeenschapswetgevers, de naleving [wordt opgelegd] van de waarborgen ten behoeve van de Nederlandstaligen, Franstaligen en Duitstaligen in de gemeenten met een bijzondere taalregeling’. Uit het voorgaande vloeit voort dat de interpretatie van de rechten van de personen die in de randgemeenten wonen en die in hun betrekkingen met de gemeentelijke overheid het Frans wensen te gebruiken, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten en met de wil van de grondwetgever en van de bijzondere wetgever, die er steeds in heeft bestaan het eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied te bevestigen, maar de particulieren van de randgemeenten evenwel toe te laten om de Franse taal te gebruiken in hun betrekkingen met de gemeentelijke overheid. Teneinde deze eentaligheid bestaanbaar te maken met de aldus erkende faciliteiten dient een billijk evenwicht te worden gevonden tussen de in het geding zijnde belangen. In dat verband is het enerzijds zo dat een ruime interpretatie van die rechten, voorgestaan door verzoekster, volgens welke het zou volstaan dat particulieren die één keer de wens te kennen hebben gegeven om in het Frans Abis-31n - 4/25 te worden bediend, vervolgens ook automatisch en voor altijd opnieuw de documenten in het Frans zouden ontvangen, niet verenigbaar is met die voorrangsstatus; de interpretatie van de Vlaamse Regering die erin bestaat dat de belanghebbende welbepaalde stappen moet ondernemen telkens hij in het Frans wenst te worden bediend, houdt anderzijds een onevenredige inperking in van de rechten die gewaarborgd worden door de aangehaalde artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet. Beide voornoemde interpretaties zijn dus onrechtmatig. Teneinde rekening te houden zowel met de voorrangsstatus van het Nederlands in het eentalig Nederlands taalgebied als met de rechten die in de artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet aan de particulieren van de randgemeenten worden gewaarborgd, moet ervan worden uitgegaan dat, bij afwezigheid van een specifiek verzoek van de particulier aan de gemeentelijke overheid, hetwelk altijd mogelijk is bij een welbepaald mondeling contact of met betrekking tot een welbepaald document, die overheid moet terugvallen op hetgeen zij weet over de taal van de particulier. Die particulier is evenwel ertoe gehouden om op redelijk geregelde tijdstippen het bestuur ervan op de hoogte te brengen dat hij in het Frans wenst te worden bediend. De overheid dient te refereren aan die keuze, waarvan zij alleen kennis kan nemen aan de hand van een brief die de particulier met dat doel naar het gemeentebestuur zendt of aldaar neerlegt. Die keuze geldt gedurende een redelijke termijn, namelijk gedurende een termijn van vier jaar, te rekenen vanaf de ontvangst of de neerlegging van de bedoelde brief bij het gemeentebestuur. Ná het verstrijken van die termijn van vier jaar kan de particulier met een nieuwe brief aan het gemeentebestuur zijn keuze hernieuwen, telkens voor een nieuwe termijn van vier jaar. Een bewijs van ontvangst of neerlegging van de brief wordt telkens door het gemeentebestuur onverwijld naar de betrokken particulier gezonden.” 4. Op 30 maart 2021 besluit de gemeenteraad van Kraainem met betrekking tot het agendapunt “taalregistratie – bijhouden, gebruik en bekendmaking gemeentelijk register met de taalvoorkeur van de inwoners” om “[d]e schriftelijke en ondubbelzinnige uiting door een particulier aan de gemeente meegedeeld om het Frans te gebruiken in zijn betrekkingen met de gemeentelijke overheid, te registreren in een register van de gemeente zodoende dat de gemeente het verzoek van de particulier gedurende een termijn van vier jaar kan eerbiedigen”. Tevens wordt beslist “[d]it gemeentelijke register te raadplegen en te gebruiken bij elke communicatie van de gemeentelijke overheid met particulieren, inwoners van de gemeente” en “[d]e mogelijkheid om een taalvoorkeur te laten registreren, op algemene wijze via de gemeentelijke Abis-31n - 5/25 infokanalen, bekend te maken”. 5. Op 11 mei 2021 vernietigt de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant “[h]et besluit van de gemeenteraad van Kraainem van 30 maart 2021 betreffende ‘taalregistratie: bijhouden, gebruik en bekendmaking gemeentelijk register met de taalvoorkeur van de inwoners”. Dat vernietigingsbesluit is de bestreden beslissing. De motivering ervan luidt: “3. Beoordeling Het door de gemeenteraad ingenomen standpunt inzake de toepassing van de bestuurstaalwetgeving en de invoering van een systeem van registratie van taalaanhorigheid is niet in overeenstemming met de voorrang van het Nederlands in de gemeenten van het Nederlandse taalgebied, zoals gewaarborgd door artikel 4 van de Grondwet en met de artikelen 25, 26 en 28 SWT, zoals uitgelegd in de Omzendbrieven BA 97/22 van 16 december 1997, WE 1998/01 van 3 februari 1998, BA-2005/03 van 8 juli 2005 en BB 2010/03 van 7 mei 2010. De wil van de Grondwetgever en de bijzondere wetgever heeft er steeds in bestaan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied te bevestigen. Dit wordt ook bevestigd in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, waarin werd geoordeeld dat de interpretatie van de rechten van personen die in de randgemeenten wonen en die in hun betrekkingen met de gemeentelijke overheid het Frans wensen te gebruiken, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten. Zulks impliceert dat bepalingen die het gebruik van een andere taal toestaan, niet tot gevolg mogen hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de door artikel 4 van de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands (Grondwettelijk Hof nr. 26/98 van 10 maart 1998, RvS nr. 138.860, nr. 138.861, nr. 138.862 en nr. 138.863 van 23 december 2004). Het voorgaande impliceert een noodzakelijke restrictieve interpretatie van de taalfaciliteiten. Krachtens artikel 25 SWT gebruiken de plaatselijke diensten die gevestigd zijn in de randgemeenten in hun betrekkingen met een particulier de door betrokkenen gebruikte taal voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. Niets verhindert dan ook dat een gemeentebestuur op een Franstalige brief een antwoord geeft in het Frans of een ten gevolge van die brief geopend dossier in het Frans behandelt en afhandelt. Krachtens artikel 26 SWT worden de aan de particulieren uitgereikte getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in de gemeente Kraainem in het Nederlands of het Frans gesteld, naar gelang van ‘de wens van de belanghebbende’. Voormeld artikel 26 SWT omschrijft evenwel niet nader op welke wijze ‘de wens van de belanghebbende’ om de in die bepaling bedoelde documenten en akten in het Nederlands of in het Frans te verkrijgen, aan het bestuur te Abis-31n - 6/25 kennen moet worden gegeven en op welke concrete manier het bestuur die wens mag of moet vaststellen en mag of moet registreren. Krachtens artikel 28, eerste lid SWT [worden] in de gemeente Kraainem de akten al naargelang ‘de wens van de belanghebbende’ in het Nederlands of het Frans gesteld. Om in overeenstemming te zijn met de door de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands moeten de artikelen 25, 26 en 28 SWT in die zin worden geïnterpreteerd dat het verzoek om het Frans te gebruiken uitdrukkelijk moet worden herhaald. Dit is ook de interpretatie die wordt gehanteerd in de voormelde omzendbrieven. Deze omzendbrieven werden aangenomen omdat vastgesteld werd dat de toenmalige bestuurspraktijk, die in wezen neerkwam op tweetaligheid, niet in overeenstemming was met het principe van de voorrang van het Nederlands, zoals geformuleerd in artikel 4 van de Grondwet. De omzendbrieven hebben toen voor het eerst geregeld op welke manier dit zou gebeuren, nl. elke keer opnieuw verzoeken om in het Frans bediend te worden en de omzendbrieven hebben ook uitdrukkelijk vastgelegd dat taalregistratie niet mogelijk was. In zijn arresten nrs. 138.860 t.e.m. 138.863 van 23 december 2004 heeft de Raad van State de beroepen tot nietigverklaring van de omzendbrief BA-97/22 van 16 december 1997 verworpen. Daarbij heeft de Raad van State inzonderheid op het volgende gewezen: - dat de bestreden omzendbrief de praktijk blijkt te willen keren die inhoudt dat besturen bestendig het Frans gebruiken ten opzichte van bepaalde rechtsonderhorigen zonder dat voor het gebruik van die taal een uitdrukkelijk verzoek is uitgebracht; - dat, teneinde grondwetsconform te zijn, de interpretatie van de rechten van wie in de randgemeenten in het Frans wil worden bestuurd, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten; - dat een interpretatie die inhoudt dat de randgemeenten het Frans dienen te gebruiken van zodra de overheid de taal van de particulier kent en deze taal het Frans is, of nog, dat particulieren die eens het gebruik van het Frans hebben gevraagd later automatisch in het Frans worden aangeschreven, daar niet mee strookt, vermits die interpretatie en de daarop gestoelde bestuurspraktijk in wezen leiden tot een stelsel van tweetaligheid, waarbij de taalvoorkeur van personen zelfs in bestanden wordt vastgelegd; - dat, tegen de achtergrond van een noodzakelijk restrictieve interpretatie van het recht om het bestuur het Frans in plaats van het Nederlands te laten gebruiken in het betrokken ééntalig gebied, de interpretatie, zoals uitgedrukt in de omzendbrief, dat het verzoek om het Frans te gebruiken uitdrukkelijk moet worden herhaald, wel degelijk verenigbaar is met de bestuurstaalwet. De inhoud van deze arresten werd nogmaals bevestigd in het arrest nr. 184.353 van 19 juni 2008. De omzendbrief BA-97/22 van 16 december 1997, die aan de colleges Abis-31n - 7/25 van burgemeester en schepenen van de gemeenten van het Nederlandse taalgebied ter kennis werd gebracht, en de daarin vervatte interpretatie van de bestuurstaalwetgeving, is m.a.w. nog steeds van toepassing. Hetzelfde geldt overigens ten aanzien van de omzendbrieven WE 1998/01 van 3 februari 1998, BA-2005/03 van 8 juli 2005, alsook de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010, inzake het verbod op registratie van taalvoorkeur, die eveneens aan (onder meer) de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeenten van het Nederlandse taalgebied ter kennis werd gebracht. De verwijzing door de gemeenteraad naar het arrest nr. 227.775 van 20 juni 2014, de arresten nrs. 241.512, 241.513 en 241.514 van 17 mei 2018 en de arresten nrs. 245.052, 245.053 en 245.054 van de Algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [van 2 juli 2019], leidt niet tot een andere conclusie. Overeenkomstig artikel 13bis van de Nieuwe Gemeentewet is de Algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd om zich uit te spreken over het besluit van de Vlaamse regering houdende niet-benoeming van een aangewezen burgemeester (bijzondere wet van 19 juli 2012). De Algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde bij arrest nr. 227.775 van 20 juni 2014 de niet- benoeming van mevrouw Caprasse als burgemeester van Kraainem wegens het ontbreken van een deugdelijke materiële grondslag. De gemeenteraad grijpt dit arrest aan om een systeem van registratie van taalaanhorigheid in gebruik te nemen, waardoor de taal waarin een inwoner van de gemeente Kraainem wenst bediend te worden geregistreerd wordt voor een periode van vier jaar, en het gebruik van dit register bekend te maken via de gemeentelijke infokanalen. Anders dan de gemeenteraad schijnt aan te nemen, houdt het voormelde arrest van de Raad van State geen ‘richtlijn’ in die zich, inzake het gebruik van het Frans door de inwoners van de randgemeenten in hun betrekkingen met de gemeentelijke overheid, zou opdringen aan het Vlaamse Gewest, laat staan dat dit arrest een rechtsgrond zou bieden voor de gemeente Kraainem om ter zake eigenmachtig een regeling te treffen en daarbij de geldende instructies van een hogere overheid buiten toepassing te laten. Wat dat betreft, moet erop gewezen worden dat de motivering van een arrest, ook van de Algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, slechts met gezag van gewijsde wordt bekleed in zoverre die motivering onverbrekelijk met het beschikkende gedeelte van het arrest is verbonden. Welnu, en nog afgezien van de vaststelling dat geen rechter of rechtscollege zich bij wege van algemene en als regel geldende beschikking uitspraak vermag te doen, en zich evenmin in de plaats van het bestuur vermag te stellen, wat immers in strijd zou komen met het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, dat in de Grondwet besloten is, moet worden vastgesteld dat de motieven van het voormelde arrest met betrekking tot de interpretatie van de bepalingen van de bestuurstaalwet die van toepassing zijn op de randgemeenten, niet onverbrekelijk met het beschikkend gedeelte van Abis-31n - 8/25 dat arrest verbonden zijn en dus niet determinerend zijn geweest voor de vernietiging van de in die zaak bestreden administratieve rechtshandeling. De vernietiging blijkt immers enkel en alleen te zijn gesteund op de vaststelling dat de beslissing tot niet-benoeming van mevrouw Caprasse een ‘deugdelijke materiële grondslag’ miste in zoverre in deze beslissing de morele eigenschappen van de kandidaat burgemeester ‘uitsluitend (werden) beoordeeld op grond van haar mogelijke intentie betreffende de aan te nemen houding ten aanzien van een specifiek rechtsprobleem, geuit na een discussie met de provinciegouverneur, zonder dat verzoekster enige concrete, feitelijke tekortkoming ten laste wordt gelegd’. Het standpunt dat in het arrest werd ingenomen over de toepassing van de SWT (meer bepaald de artikelen 25, 26 en 28) is dus kennelijk als een obiter dictum te beschouwen. Daaraan komt geen gezag of kracht van gewijsde toe. Het voorgaande wordt bevestigd door de uitdrukkelijke vaststelling, in datzelfde arrest, dat géén van de hiervoor aangehaalde omzendbrieven overigens als zodanig het voorwerp uitmaakte van de zaak die tot dat arrest aanleiding heeft gegeven en dat de betrokken omzendbrieven daarin ook niet op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zouden zijn gelaten. Inderdaad wordt in het arrest van 20 juni 2014 (punt 14.2) uitdrukkelijk het volgende overwogen: ‘14.2: Dit impliceert evenwel niet dat deze omzendbrieven mede het voorwerp zouden uitmaken van het voorliggende beroep, noch dat het bestreden besluit toepassing zou maken van de voormelde omzendbrieven waardoor -volgens verzoekster- de eventuele onwettigheid van deze omzendbrieven zou impliceren dat de Raad van State deze krachtens artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet laten.’ De interpretatie van de rechten van de personen die in de randgemeenten wonen, zoals die wordt voorgestaan door de gemeente Kraainem, volgens welke het zou volstaan elke vier jaar mee te delen aan het gemeentebestuur in welke taal een particulier van een randgemeente zijn ‘gemeentelijke documenten’ (cf. het bericht aan de bevolking) en ‘alle briefwisseling en administratieve documenten’ (cf. het model van taalkeuzeformulier) en alle ‘administratieve documenten’ (cf. het model van ontvangstbewijs) in de Franse taal kan ontvangen, is niet in overeenstemming met de wil van de Grondwetgever en de bijzondere wetgever, met de grondwettelijk gewaarborgde voorrang van het Nederlands in de gemeenten van het Nederlandse taalgebied, met de voormelde voorschriften van de SWT en met de daaraan door het Vlaamse Gewest gegeven en nog steeds geldende interpretatie daarvan, nu die interpretatie erop neerkomt dat in de praktijk een systeem van tweetaligheid wordt ingevoerd. Derhalve blijft de Vlaamse Regering bij het standpunt dat de faciliteiten die de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken verlenen restrictief moeten worden toegepast, wat impliceert dat de particulier in zijn betrekkingen met de plaatselijke diensten van een randgemeente telkens uitdrukkelijk moet verzoeken om het Frans te gebruiken. Uiteindelijk werden de faciliteiten ingesteld Abis-31n - 9/25 om de integratie van Franstaligen in het Nederlandse taalgebied te bevorderen. In de praktijk betekent dit dat elke plaatselijke dienst uit de faciliteitengemeenten in zijn betrekkingen met inwoners uit faciliteitengemeenten het Nederlands gebruikt. Enkel wanneer een inwoner uit een rand- of taalgrensgemeente daar telkens uitdrukkelijk om verzoekt wordt het Frans gebruikt. In deze context is het van belang nogmaals te wijzen op het uitzonderingskarakter van de faciliteiten. Dit wil derhalve zeggen dat faciliteiten niet automatisch, blijvend, worden verleend. Ze moeten keer op keer worden aangevraagd. Het is dus uitgesloten dat particulieren die eens het gebruik van het Frans hebben gevraagd later automatisch opnieuw in het Frans worden aangeschreven. Het taalgebruik van een particulier is immers geen statisch gegeven. Men kan veronderstellen dat de betrokkene zich ondertussen heeft geïntegreerd en dat hij de Nederlandse taal dermate machtig is dat hij aanvaardt in het Nederlands te worden aangesproken of aangeschreven. Het kwam niet aan het gemeentebestuur van de gemeente Kraainem toe om de interpretatie van de bestuurstaalwet, zoals die door de toezichthoudende overheid aan de gemeentebesturen is ter kennis gebracht, bij de omzendbrieven BA-97/22 van 16 december 1997, op eigen gezag terzijde te schuiven (Vgl. RvS nr. 227.775 van 20 juni 2014, punt 15.6). Het arrest van de Raad van State van 20 juni 2014 biedt evenmin een verantwoording voor het invoeren van een systeem van registratie van taalaanhorigheid van personen, d.m.v. een registratie van taalvoorkeur in Bevolking.net en/of d.m.v. een onmiddellijke registratie van taalvoorkeur in het Rijksregister. Een dergelijk systeem strookt niet met de territorialiteit en de taalhomogeniteit van het Nederlandse taalgebied. Dit blijkt ook uit de chronologie van de totstandkoming van de bestuurstaalwet. Bij wet van 24 juli 1961 werd de talentelling afgeschaft. Bij wet van 8 november 1962 werd de taalgrens vastgelegd en bij wet van 2 augustus 1963 werd het gebruik van de talen in bestuurszaken geregeld. Het erkennen van de mogelijkheid om taalaanhorigheid systematisch te registreren, zou bovendien impliceren dat elke betrokken inwoner van de gemeente Kraainem een subnationaliteit zou kiezen, wat afbreuk doet aan de fundamenten van de institutionele constructie van het federale België. Bij elke staatshervorming werd er nochtans over gewaakt om elke vorm van subnationaliteit te weren. Geheel in lijn daarmee, werden de lokale besturen er in de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010 op gewezen dat er een absoluut verbod bestaat om een eventuele taalvoorkeur van de inwoners te registreren. De houding van het gemeentebestuur van Kraainem druist dus tevens in tegen de instructie die is opgenomen in de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010. Bijgevolg is elk systeem dat er op gericht is door middel van registers of bestanden de taalvoorkeur van inwoners te registreren met de bedoeling een automatische taalkeuze te maken, on(grond)wettig. Dit verbod geldt voor alle lokale besturen van het Vlaamse Gewest. Abis-31n - 10/25 Náást de onverenigbaarheid van een systeem van registratie van taalaanhorigheid met de ruimere institutionele context van het federale België, moet ook worden vastgesteld dat het bijhouden van een taalregister door de faciliteitengemeenten door middel van het aanbrengen van een taalcode in het bevolkingsregister onwettig is. In de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010 betreffende het verbod op registratie van taalvoorkeur, van Vlaams minister Geert Bourgeois, wordt hierover het volgende bepaald: ‘Met deze omzendbrief vestig ik de bijzondere aandacht van de lokale besturen op het strikte verbod om een eventuele taalvoorkeur van de inwoners te registreren. Besturen die een taalvoorkeur bijhouden handelen in strijd met de taalwetgeving maar evenzeer in strijd met het Koninklijk Besluit van 16 juli 1992 tot vaststelling van de informatie die wordt opgenomen in de bevolkingsregisters en in het vreemdelingenregister. De taalwetgeving is bovendien van openbare orde.’ Die vaststelling is nog steeds actueel. In artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 16 juli 1992 tot vaststelling van de informatie die wordt opgenomen in de bevolkingsregisters en in het vreemdelingenregister wordt een limitatieve opsomming gegeven van de informatie die in de bevolkingsregisters en de vreemdelingenregisters mag worden opgenomen. De vermelding van de taalaanhorigheid is hier niet bij vermeld. Dat er ‘groen licht’ zou zijn gegeven vanuit het Rijksregister is alvast niet relevant. Bij gebrek aan enige wettelijke grondslag komt het immers niet aan het gemeentebestuur van Kraainem toe om een taalcode toe te voegen aan het bevolkingsregister. Met het arrest nr. 241.512 van 17 mei 2018, schorste de Raad van State de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 26 juni 2017 ‘houdende de vernietiging van het besluit van het schepencollege van Sint-Genesius-Rode van 24 november 2016 betreffende implementatie arrest Raad van State inzake taalfaciliteiten en van het besluit van de gemeenteraad van 16 mei 2017 houdende communicatie van het arrest van de Raad van State’. Met het arrest nr. 241.513 van 17 mei 2018 schorste de Raad van State de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van 26 juni 2017 ‘houdende de vernietiging van de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen van Drogenbos van 22 augustus 2016 betreffende kennisname implementatie arrest Raad van State betreffende taalfaciliteiten - beperkte taalregistratie en van 19 december 2016 betreffende taalregistratie’. En met het arrest nr. 241.514 van 17 mei 2018 schorste de Raad van State de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van 26 juni 2017 ‘houdende de vernietiging van de besluiten van het schepencollege van Wezembeek-Oppem van 3 augustus 2016 en 31 augustus 2016 inzake implementatie arrest Raad van State betreffende taalfaciliteiten’. Met deze beslissingen vernietigde de minister de beslissingen van de gemeenten Sint-Genesius-Rode, Drogenbos en Wezembeek-Oppem om een systeem van registratie van de inwoners volgens Abis-31n - 11/25 taalaanhorigheid in te voeren. De arresten van de Raad van State betreffen essentieel echter een voorlopige maatregel, namelijk een schorsing. De Vlaamse Regering heeft beslist om deze geschillen verder te zetten, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State in deze dossiers nog niet gekend is. Met de arresten nrs. 245.052, 245.053 en 245.054 van 2 juli 2019 heeft de Raad van State de beslissingen tot niet-benoeming van de heren Pierre Rolin, Frédéric Petit en Alexis Calmeyn tot burgemeester van respectievelijk de gemeenten Sint-Genesius-Rode, Wezembeek- Oppem en Drogenbos van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding teniet gedaan, waardoor zij automatisch benoemd werden. In deze arresten beroept de Raad van State zich op de redenering zoals [hij] die ook heeft uiteengezet in de hierboven aangehaalde arresten nrs. 227.775, 241.512, 241.513 en 241.514. Zoals supra extensief werd aangetoond, heeft de overweging van de Raad van State betreffende de interpretatie van de bestuurstaalwet in het arrest nr. 227.775 evenwel geen gezag of kracht van gewijsde, en zijn de arresten nrs. 241.512, 241.513 en 241.514 voorlopige maatregelen, namelijk schorsingen, waarbij de gedingen door de Vlaamse regering worden voortgezet. 4. Conclusie Uit het gemeenteraadsbesluit van 30 maart 2021 blijkt duidelijk dat (

  1. i)het gemeentebestuur van Kraainem de interpretatie voorstaat, volgens welke het zou volstaan dat particulieren slechts één keer om de vier jaar de wens te kennen moeten geven om in het Frans te worden bediend, (
  2. ii)dat het met het oog op deze interpretatie van de bestuurstaalwetgeving een register in gebruik neemt van inwoners die hebben te kennen gegeven dat ze documenten in het Frans willen ontvangen, en (iii) dat de gemeente het gebruik van dit register wil bekendmaken aan de inwoners via de gemeentelijke infokanalen. De door het gemeentebestuur van Kraainem voorgehouden interpretatie van de bestuurstaalwetging doet afbreuk aan de voorrangsstatus van het Nederlands en gaat in tegen de interpretatie van de bestuurstaalwet, als bedoeld in de omzendbrieven BA 97/22 van 16 december 1997, WE 1998/01 van 3 februari 1998 en BA-2005/03 van 8 juli 2005, zoals die door de toezichthoudende overheid aan de lokale besturen zijn ter kennis gebracht. Het bijhouden van een taalregister is bovendien in strijd met de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010 betreffende het verbod op de registratie van taalvoorkeur en met de wet. Om deze redenen schendt het gemeenteraadsbesluit van 30 maart [2021] van Kraainem het recht.” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 6. Verzoekster leidt een eerste middel af “uit de schending van artikel Abis-31n - 12/25 16bis van de Bijzondere Wet op de hervorming van de Instellingen, de artikelen 25 en 26 van de [bestuurstaalwet], wegens het ontbreken van een adequate motivering, uit de manifeste beoordelingsfout en […] de schending van het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en uit machtsoverschrijding”. Verzoekster licht toe dat de bestreden beslissing er duidelijk van doet blijken dat elke vorm van taalregistratie volgens de verwerende partij ten stelligste verboden is en dat het verzoek om het Frans te gebruiken telkens opnieuw uitdrukkelijk moet worden herhaald. Deze interpretatie tast naar de mening van verzoekster op onevenredige wijze de rechten aan die Franstalige inwoners uit de faciliteitengemeenten putten uit de in het middel aangevoerde bepalingen van de bestuurstaalwet. Zoals de Raad van State in de arresten nrs. 227.775 en 227.776 van 20 juni 2014 oordeelde, is het onevenredig om particulieren elke keer opnieuw te verplichten om uitdrukkelijk stappen te ondernemen als zij in het Frans bediend willen worden. Door desondanks te blijven hameren op een beweerd algemeen verbod op elke vorm van taalregistratie ontbreekt het de bestreden beslissing aan een adequate motivering. Verzoekster citeert tevens arrest nr. 245.052 van 2 juli 2019 en meent dat de overwegingen van dat arrest ook in de voorliggende zaak “zonder meer” toepassing vinden. Verzoekster betoogt voorts dat de verwerende partij de draagwijdte van het gezag van gewijsde van het voornoemde arrest nr. 227.775 van 20 juni 2014 en “de navolgende arresten die in deze context werden geveld door de Algemene Vergadering” tracht te minimaliseren. Zij plaatst daartegenover dat de verwerende partij “zich ervan moet weerhouden om handelingen te blijven stellen die onverzoenbaar zijn met de motieven ter ondersteuning van het dispositief van een arrest”, dat “al [meermaals] [werd] geoordeeld dat identiek geformuleerde beslissingen geen deugdelijke grondslag hadden” en dat het “hier wel degelijk eens te meer om eenzelfde betwisting [gaat] omtrent een al dan niet algeheel verbod op taalregistratie waaromtrent [de] Raad [van State] […] reeds Abis-31n - 13/25 oordeelde dat het verplichten om telkenmale opnieuw het gebruik van het Frans te moeten aanvragen, onevenredig is”. 7.1. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij vooreerst dat verzoekster uit het oog verliest dat in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd dat uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 ‘tot vaststelling van de informatie die opgenomen wordt in de bevolkingsregisters en in het vreemdelingenregister’ volgt dat geen taalvoorkeur kan worden geregistreerd in het bevolkingsregister. Volgens de verwerende partij wordt dit schragende motief door verzoekster niet betwist. Het middel is daarom niet gegrond. Er zou zelfs gesteld kunnen worden dat verzoekster geen belang heeft bij de betwisting van het vernietigingsbesluit. 7.2. De verwerende partij vervolgt in de memorie van antwoord dat de formele motivering van de bestreden beslissing “op zeer uitvoerige en heldere wijze” de beweringen van verzoekster weerlegt. Zij benadrukt dat zij in de bestreden beslissing in hoofdzaak heeft verwezen naar rechtspraak van de Raad van State van vóór 14 oktober 2012 waarin de door de verwerende partij voorgestane interpretatie van de bestuurstaalwet werd bevestigd. De verwerende partij voegt eraan toe dat verzoekster zich op geen enkel gezag van gewijsde kan beroepen. De juridische betwisting die thans wordt gevoerd, is nooit het voorwerp geweest van een voorgaand arrest. Over het gemeenteraadsbesluit van 30 maart 2021, noch over enig ander vergelijkbaar gemeenteraadsbesluit van de gemeente Kraainem bestaat er enig arrest van de Raad van State. De verwerende partij merkt tevens op dat verzoekster wel een schorsingsvordering heeft ingesteld (A. 223.127/Abis-19), maar dat die vordering door de Raad van State werd afgewezen waarna geen verzoek tot voortzetting werd ingediend. De verwerende partij is van mening dat het in een eentalig taalgebied niet correct is dat een inwoner ad perpetuum gebruik kan maken van de faciliteit om in de andere taal te worden bediend. Dat strijdt volgens haar met de Abis-31n - 14/25 bepalingen van artikel 4 van de Grondwet. Naar de verwerende partij toelicht genieten Nederlandssprekende inwoners van het Nederlandse taalgebied het voordeel van een taalkundige security area, zoals voortvloeit uit de grondwettelijk vastgelegde indeling in taalgebieden, zodat zij niet moeten vrezen dat hun taal door een dominante taal wordt weggedrumd. Een interpretatie van de faciliteiten die er op neerkomt dat de Franssprekende inwoners van het Nederlandse taalgebied er ten eeuwigen dagen aanspraak op kunnen maken, met de enige vereiste dat om de vier jaar een vraagje herhaald wordt, brengt de security area volledig in het gedrang. Door de taalregistratie wordt er hoe dan ook een vorm van subnationaliteit doorgevoerd, wat ontoelaatbaar is. Aan de bestuurstaalwet mag geen interpretatie worden gegeven die indruist tegen de Grondwet. De verwerende partij betoogt dat op die manier de Nederlandstaligen in de gemeente Kraainem op een “niet aanneembare wijze” worden gediscrimineerd ten opzichte van de Nederlandstaligen in de andere gemeenten van het Nederlandse taalgebied. Zij erkent dat het verlenen van faciliteiten een “bepaald onderscheid” tussen de ene en de andere gemeente wel wettigt, maar voert aan dat “dit onderscheid […] uiteraard volkomen recht [wordt] aangedaan als telkens op eenvoudige vraag er effectief in het Frans wordt gehandeld”. Volgens de verwerende partij moet aan het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag (hierna: de algemene prejudiciële vraag) worden gesteld: “Schenden de artikelen 25, 26, 28 en 30 van de [bestuurstaalwet], in de interpretatie dat de inwoners van de gemeenten omschreven in art. 7 van de bestuurstaalwet ten eeuwigen dage kunnen kiezen voor een andere taal dan het gebruik van het Nederlands, namelijk voor het gebruik van het Frans, onder de enkele voorwaarde die keuze om de vier jaar te herhalen, art. 4 van de Grondwet iuncto de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gezien dit strekt tot een volstrekt andere behandeling van de Nederlandstalige inwoners van de gemeenten omschreven in art. 7 van de bestuurstaalwet ten aanzien van de andere inwoners van het Nederlandse taalgebied die wonen in de andere gemeenten van het Nederlandse taalgebied, die kunnen genieten van de bescherming van de ééntaligheid van het taalgebied krachtens het territorialiteitsbeginsel, waardoor de positie van hun taal niet in het gedrang wordt gebracht en ten aanzien van de inwoners van de gemeenten van de andere taalgebieden, die eveneens kunnen genieten van de bescherming van de in hun taalgebied krachtens het territorialiteitsbeginsel overeenkomstig de bestuurstaalwet te gebruiken taal[?]”. Abis-31n - 15/25 De verwerende partij verwijst ook naar een arrest van het hof van beroep te Brussel waarin de interpretatie die de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan “een aantal rechtsregels” heeft gegeven, werd bijgevallen. Evenwel zag het Hof van Cassatie het anders, zoals moet blijken uit een arrest van 6 december 2018. Dat doet de verwerende partij besluiten dat er geen sprake is van een “algemene consensus nopens de rechtspraak die ontwikkeld is” door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die “contradictorische rechtspraak” bevestigt de nood om de algemene prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 7.3. Tot slot staat de verwerende partij stil bij verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)’ (hierna: de AVG). Zij betoogt dat de registratie van taalvoorkeur niet bestaanbaar is met de AVG, daar de “formele wettelijke grondslag” ontbreekt. In verband met dit legaliteitsbeginsel wijst zij ook op artikel 22 van de Grondwet. Desnoods moeten het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie van de Europese Unie daarover prejudicieel bevraagd worden (hierna: de prejudiciële vragen over de AVG). 8. In de laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat verzoekster nalaat het schragend motief van het bestreden besluit te bekritiseren volgens hetwelk uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 volgt dat geen taalvoorkeur kan worden geregistreerd in het bevolkingsregister. Zij volhardt ook in haar andere argumenten en in de door haar voorgestelde prejudiciële vragen. Abis-31n - 16/25 Beoordeling 9.1. Met het bestreden besluit vernietigt de verwerende partij een beslissing van verzoekster om “[d]e schriftelijke en ondubbelzinnige uiting door een particulier aan de gemeente meegedeeld om het Frans te gebruiken in zijn betrekkingen met de gemeentelijke overheid, te registreren in een register van de gemeente zodoende dat de gemeente het verzoek van de particulier gedurende een termijn van vier jaar kan eerbiedigen”, om “[d]it gemeentelijke register te raadplegen en te gebruiken bij elke communicatie van de gemeentelijke overheid met particulieren, inwoners van de gemeente” en om “[d]e mogelijkheid om een taalvoorkeur te laten registreren, op algemene wijze via de gemeentelijke infokanalen, bekend te maken”. 9.2.1. In het middel voert verzoekster “het ontbreken van een adequate motivering” aan. Ten onrechte gaat de verwerende partij eraan voorbij dat verzoekster daarmee óók het motief van het bestreden besluit viseert volgens hetwelk uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 volgt dat geen taalvoorkeur kan worden geregistreerd in het bevolkingsregister. Over dit motief schrijft verzoekster in haar memorie van wederantwoord terecht dat haar vernietigde gemeenteraadsbesluit niet voorziet in een registratie van de taalvoorkeur in het bevolkingsregister, maar in een afzonderlijk gemeentelijk register. Daar artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 niet van toepassing is op dit afzonderlijk register, is de verwijzing ernaar in het bestreden besluit geen adequaat vernietigingsmotief. 9.2.2. Voorts moet worden vastgesteld dat noch de formele motivering van het bestreden besluit, noch enig stuk van het administratief dossier een – zelfs maar impliciete – verwijzing naar de AVG of artikel 22 van de Grondwet bevat. De eerbiediging van deze normen blijkt geen motief van de bestreden beslissing te zijn. De stelling van de verwerende partij over deze normen (randnr. 7.3) is geen Abis-31n - 17/25 pertinente weerlegging van verzoeksters kritiek op de motivering van het bestreden besluit. Gelet op het gebrek aan relevantie, is er geen aanleiding om de prejudiciële vragen over de AVG te stellen. 9.3.1. De vernietigingsmotieven waarop het bestreden besluit steunt kunnen aldus worden samengevat dat het standpunt van de gemeenteraad van Kraainem met betrekking tot de toepassing van de bestuurstaalwet en de invoering van een systeem van registratie van taalaanhorigheid niet in overeenstemming is met de voorrang van het Nederlands in het Nederlandse taalgebied, zoals gewaarborgd door artikel 4 van de Grondwet, en met de artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet, zoals uitgelegd in omzendbrieven uit 1997, 1998, 2005 en 2010. Meer bepaald blijft de Vlaamse Regering bij de zienswijze dat de particulier in zijn betrekkingen met de plaatselijke diensten van een randgemeente telkens – “keer op keer” – uitdrukkelijk moet verzoeken om het Frans te gebruiken en dat er, in lijn hiermee, een absoluut verbod bestaat om een eventuele taalvoorkeur van de inwoners te registreren. Het bestreden besluit wijst op de “onverenigbaarheid van een systeem van registratie van taalaanhorigheid met de ruimere institutionele context van het federale België”. De arresten van de Raad van State waarnaar in het vernietigde gemeenteraadsbesluit werd verwezen ter ondersteuning van het besliste, zijn volgens de bestreden beslissing niet relevant. Ofwel hebben ze geen gezag of kracht van gewijsde ten aanzien van de thans voorliggende zaak, ofwel betreft het arresten over vorderingen tot schorsing van tenuitvoerlegging waarop de verwerende partij verzoeken tot voortzetting heeft ingediend. 9.3.2. Zoals de Raad van State nog recent in onder meer zijn arrest nr. 251.571 van 22 september 2021 overwoog, houdt, rekening houdend met “de ruimere context van de taalregeling in België”, met de arresten van het Grondwettelijk Hof ter zake, met de voorrangsstatus van het Nederlands in de randgemeenten en met de wil van de grondwetgever en van de bijzondere Abis-31n - 18/25 wetgever, de interpretatie die erin bestaat dat de belanghebbende bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de bestuurstaalwet telkens hij in het Frans bediend wenst te worden welbepaalde stappen moet ondernemen, een onevenredige inperking in van de rechten die door de artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet gewaarborgd worden. Om rekening te houden zowel met de voorrangsstatus van het Nederlands in het eentalig Nederlands taalgebied als met de rechten die in de artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet aan de particulieren van de randgemeenten worden gewaarborgd, moet volgens deze arresten, bij afwezigheid van een specifiek verzoek van de particulier aan de gemeentelijke overheid, die overheid steunen op wat zij over het taalgebruik van de particulier weet. In dat verband is de particulier er in voorkomend geval toe gehouden het bestuur op redelijk geregelde tijdstippen ervan op de hoogte te brengen dat hij in het Frans wenst bediend te worden. De overheid moet refereren aan die keuze, waarvan zij alleen kennis kan nemen aan de hand van een brief die de particulier met dat doel naar het gemeentebestuur zond of er neerlegde. Die keuze geldt gedurende een redelijke termijn, te weten een termijn van vier jaar vanaf de ontvangst of neerlegging van de voormelde brief bij het gemeentebestuur. Na het verstrijken van die termijn kan de particulier met een nieuwe brief zijn keuze hernieuwen, weer voor een termijn van vier jaar. Telkens dient door het gemeentebestuur onverwijld een bewijs van ontvangst of neerlegging van de brief naar de betrokken particulier te worden gezonden. 9.3.3. De verwerende partij kan zich tegen die interpretatie niet nuttig beroepen op arresten die dateren van vóór ’s Raads arresten nrs. 227.775 en 227.776 van 20 juni 2014, met betrekking tot – ten opzichte van de laatst vermelde datum – posterieure feiten. 9.3.4. Uit het voorgaande moet worden besloten dat de interpretatie die in de bestreden beslissing wordt gegeven van de taalfaciliteiten in de randgemeenten, niet kan worden gevolgd. Integendeel komt de door de verwerende partij gewraakte interpretatie van verzoekster “volgens welke het zou volstaan dat Abis-31n - 19/25 particulieren slechts één keer om de vier jaar de wens te kennen moeten geven om in het Frans te worden bediend” terecht voor. 9.3.5. Zoals ook aangegeven in onder meer het voormelde arrest nr. 251.571 van 22 september 2021, volgt daaruit op zijn beurt dan weer dat een of andere vorm van registratie van de vier jaar geldende taalvoorkeur mogelijk moet zijn. Niet bijgevallen wordt dat het loutere feit van die registratie op zich reeds aanleiding geeft of dreigt te geven tot het creëren van een zogenaamde “subnationaliteit”. Een algemeen verbod om een eventuele taalvoorkeur van de inwoners te registreren, kan niet worden gelezen in artikel 4 van de Grondwet, noch in enige bepaling van de bestuurstaalwet. Ook de omzendbrief BB 2010/3 van 7 mei 2010 kan geen absoluut verbod verantwoorden. 9.3.6. Dat, zoals in het meervermelde arrest nr. 251.571 van 22 september 2021 ook wordt overwogen, enige vorm van registratie van de bij brief gemelde taalvoorkeur voor het Frans logisch noodzakelijk voorkomt, betekent evenwel nog geenszins dat het de randgemeenten toegelaten is om zich als een pleitbezorger van het toezenden of neerleggen van deze brieven te manifesteren. Het optreden van de randgemeenten behoort essentieel lijdzaam en receptief te blijven. Weliswaar mogen de randgemeenten hun ingezetenen inlichten over de mogelijkheid om ervoor te kiezen in het Frans te worden bediend en over de manier waarop die keuze moet worden gedaan, maar zij moeten zich beperken tot een algemene mededeling van openbaar belang (via hun website, het gemeentelijk informatieblad). Anders handelen, door rechtstreeks en individueel een typebrief of een herinneringsbrief te richten tot de inwoners waarmee zij ertoe aangespoord of uitgenodigd worden om een keuze voor het Frans te doen of te hernieuwen, maakt een daad van taalproselitisme uit die zich niet laat verenigen Abis-31n - 20/25 met het eentalige karakter van het Nederlandse taalgebied. In dat verband dient trouwens vastgesteld dat de verwerende partij in haar bestreden vernietigingsbesluit – terecht – niet aanvoert als motief dat verzoekster wederrechtelijk zou hebben beslist om de inwoners rechtstreeks en individueel met een typebrief of een herinneringsbrief te vragen om een keuze voor het Frans te doen of te hernieuwen. 10.1. Wat de door de verwerende partij voorgestelde algemene prejudiciële vraag betreft, passen volgende vaststellingen. 10.2. In het kader van de zesde staatshervorming is specifiek aan de, op taalvlak paritair samengestelde, algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de zorg toevertrouwd om de administratieve geschillen te behandelen met betrekking tot de zes randgemeenten en de natuurlijke personen of rechtspersonen die er gevestigd zijn (Parl.St. Kamer 2011-2012, 53-2284/003, 7). Artikel 160 van de Grondwet is herzien opdat die regels in verband met de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, in werking getreden op 14 oktober 2012, in de toekomst niet meer gewijzigd kunnen worden dan bij een bijzonderemeerderheidswet. De wet van 19 juli 2012 heeft artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State hersteld en, conform de gelijktijdig uitgedrukte wil van de Grondwetgever, aan de algemene vergadering de bevoegdheid gegeven om van die geschillen op vraag van personen gevestigd in de randgemeenten kennis te nemen en de te volgen procedureregels bepaald. Uit de parlementaire voorbereiding van de herziening van artikel 160 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever niet enkel heeft beoogd voor te schrijven dat de wijziging van de besproken bepalingen betreffende de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de toekomst bij bijzonderemeerderheidswet dient te geschieden, maar dat hij zich tevens de keuzes die voortvloeien uit die bepalingen heeft eigen gemaakt. Ook is Abis-31n - 21/25 de onderlinge samenhang onderstreept geworden tussen de herziening van artikel 160 van de Grondwet en het aannemen van de wet van 19 juli 2012, en is aangegeven dat de hervorming de kern raakt van de grote evenwichten die bijdragen tot de communautaire vrede (Parl.St. Kamer 2011-2012, 53-2284/003, 9-10). Het Grondwettelijk Hof heeft deze principes en de expliciete keuze van de Grondwetgever om ze zich eigen te maken, in herinnering gebracht in zijn arresten nrs. 57/2014 en 58/2014 van 3 april 2014. 10.3. Sinds arrest nr. 227.775 van 20 juni 2014 heeft de op taalvlak paritair samengestelde algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die in de gevallen bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State afwisselend wordt voorgezeten door een Nederlandstalige en een Franstalige voorzitter met doorslaggevende stem, bij herhaling de artikelen 25, 26, 28 en 30 van de bestuurstaalwet aldus geïnterpreteerd dat de inwoners van de betrokken randgemeenten – middels een brief – kunnen kiezen om in het Frans te worden bediend, welke keuze geldt voor vier jaar en na afloop kan worden hernieuwd voor weer een termijn van vier jaar. De Raad van State oefende daarmee, zoals hiervóór gezien, de bevoegdheid uit die in het kader van de zesde staatshervorming speciaal aan de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak – en niet aan enige andere rechter – werd toevertrouwd om, met het oog op een effectieve beëindiging van de herhaalde betwistingen ter zake, te komen tot een noodzakelijk evenwicht tussen de belangen van de verschillende gemeenschappen en gewesten binnen de Belgische Staat en bij te dragen tot de communautaire vrede. 10.4. Er is naar het oordeel van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak te dezen dan ook geen reden tot het stellen aan het Grondwettelijk Hof van de algemene prejudiciële vraag die in wezen handelt over de jurisprudentiële invulling van de haar specifiek toebedeelde opdracht. Abis-31n - 22/25 11. De conclusie is dat de voorgestelde prejudiciële vragen niet worden gesteld en dat niet blijkt dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke motieven, zodat er reden is tot nietigverklaring van de bestreden beslissing. V. Rechtsplegingsvergoeding 12. Verzoekster vraagt haar een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Zij betoogt dat er een situatie met een kennelijk onredelijke aard is ontstaan daar de algemene vergadering van de Raad van State zich opnieuw moet uitspreken, terwijl haar rechtspraak in verband met de taalrechten van de inwoners van de randgemeenten duidelijk is. Nu dit betoog overtuigingskracht mist, dient verzoekster de basisrechtsplegingsvergoeding te worden toegekend. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 11 mei 2021 ‘houdende de vernietiging van de beslissing van de gemeenteraad van Kraainem van 30 maart 2021 betreffende taalregistratie: bijhouden, gebruik en bekendmaking gemeentelijk register met de taalvoorkeur van de inwoners’. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 juni 2023, door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die was samengesteld uit: Abis-31n - 23/25 de heer Wilfried Van Vaerenbergh, eerste voorzitter van de Raad van State, Mevr. Pascale Vandernacht, voorzitster van de Raad van State, voorzitster van de algemene vergadering, de HH. Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Paul Lemmens, kamervoorzitter, Geert Debersaques, kamervoorzitter, Mevr. Colette Debroux, kamervoorzitter, de HH. Yves Houyet, kamervoorzitter, Luc Detroux, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Mevr. Chantal Bamps, staatsraad, de HH. Pierre Lefranc, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, David De Roy, staatsraad, Mevr. Kaat Leus, staatsraad, de heer Frédéric Gosselin, staatsraad, Mevr. Patricia De Somere, staatsraad, Nathalie Van Laer, staatsraad, de heer Marc Joassart, staatsraad, Mevr. Florence Piret, staatsraad, de HH. Raphaël Born, staatsraad, Denis Delvax, staatsraad, Mevr. Élisabeth Willemart, staatsraad, bijgestaan door de heer Gregory Delannay, hoofdgriffier. Abis-31n - 24/25 De hoofdgriffier De voorzitster Gregory Delannay Pascale Vandernacht Abis-31n - 25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.038 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.