id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.041 Rolnummer: A. 229357/XIV-39145 Zaak: Arrest 257041 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 03/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-11 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-06 05:36 Fiche Arrest nr 257.041 van 3 juli 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIV KAMER nr. 257.041 van 3 juli 2023 in de zaak A. 229.357/XIV-39.145 In zake : de ERKENNINGSCOMMISSIE VOOR DE ERKENNING VAN ARTSEN ALS ARTS-SPECIALIST IN DE ANESTHESIEREANIMATIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Dierickx kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Rik Tanghe en Michiel Descheemaeker kantoor houdend te 8310 Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van: “1. de beslissing van 2 april 2019 van het agentschap Zorg en Gezondheid (hierna: het ‘AZ&G’), ondertekend door de […] Teamverantwoordelijke Zorgberoepen bij het AZ&G, waarin aan [de tussenkomende partij] meegedeeld wordt dat ze erkend XIV-39.145-1/13 wordt als arts-specialist in de anesthesie-reanimatie en onder welke voorwaarden. In deze beslissing worden daarnaast ook de voorwaarden opgesomd waaronder [de tussenkomende partij] erkend kan worden als arts-specialist in de urgentiegeneeskunde (hierna: ‘eerste bestreden beslissing’) […]; 2. het erkenningsbesluit van 2 april 2019 van het AZ&G, ondertekend door de […], administrateur-generaal bij het AZ&G, waarin [de tussenkomende partij], erkend wordt als arts-specialist in de anesthesie-reanimatie (hierna: ‘tweede bestreden beslissing’) […]”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 246.809 van 23 januari 2020 is het beroep van de rol geschrapt in hoofde van de oorspronkelijk tweede tot en met de zeventiende verzoekende partij. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is voorlopig toegestaan bij beschikking nr. 877-n van 21 februari 2020. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei 2023. XIV-39.145-2/13 Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Aline Vanhove, die loco advocaat Ann Dierickx verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij behaalt haar diploma geneeskunde in 2003, waarna ze start met de opleiding als arts-specialist in de anesthesie-reanimatie. 3.2. In 2007 verlaat de tussenkomende partij zes maanden vóór het beëindigen van haar laatste opleidingsjaar het ziekenhuis waar zij op dat ogenblik stage loopt, het ZOL, na verdachtmakingen van een drugsverslaving. 3.3. In de daaropvolgende jaren is de tussenkomende partij eerst werkzaam als consulent waarna ze in 2009 een doctoraatsbeurs krijgt en doctoraal onderzoek uitvoert van 1 oktober 2009 tot eind september 2012. 3.4. Vanaf oktober 2010 hervat de tussenkomende partij ook haar klinische activiteiten, eerst als spoedarts op de dienst spoedgevallen en intensieve zorgen van het Jessa Ziekenhuis in Hasselt, later ook als spoedarts in het Mariaziekenhuis Noord-Limburg in Overpelt. XIV-39.145-3/13 3.5. Op 28 november 2011 dient de tussenkomende partij een wijziging van haar stageplan in bij de verzoekende partij om haar opleiding anesthesie-reanimatie te kunnen verder zetten. 3.6 De verzoekende partij adviseert op 6 juni 2012 dat de tussenkomende partij nog twee jaar bijkomende opleiding dient te volgen. De tussenkomende partij tekent beroep aan tegen dit advies. Op 11 december 2012 adviseert de Hoge Raad van artsen-specialisten en van huisartsen om de tussenkomende partij nog een stage van zes maanden te laten doorlopen, gevolgd door een objectief positief eindexamen en positief stageverslag. Dit advies wordt op 31 mei 2013 door de minister van Volksgezondheid gevolgd. 3.7. Vanaf 1 oktober 2013 loopt de tussenkomende partij stage bij dr. W. in het UZ Gent. Medio februari 2014 onderbreekt dr. W., na nieuwe beschuldigingen van drugsverslaving, de stage van de tussenkomende partij. 3.8. De tussenkomende partij werkt nadien eerst als spoedarts in het Mariaziekenhuis Noord-Limburg en vervolgens als operatie-assistente van dr. K. in het centrum voor hand- en bovenste lidmaatchirurgie van het Chirec ziekenhuis in Brussel. 3.9. In december 2015 contacteert de tussenkomende partij de verzoekende partij opnieuw naar aanleiding van haar opleiding arts-specialist in de anesthesie-reanimatie. 3.10. De verzoekende partij hoort de tussenkomende partij in haar zitting van 26 januari 2016. XIV-39.145-4/13 Op 17 februari 2016 adviseert de verzoekende partij om de opleiding van de tussenkomende partij met onmiddellijke ingang stop te zetten. De tussenkomende partij tekent beroep aan tegen dit advies. Op 17 mei 2016 adviseert de Hoge Raad van artsen-specialisten en huisartsen om de tussenkomende partij nog een stage van twaalf maanden te laten doorlopen, gevolgd door een objectief positief eindexamen en een positief stageverslag. Dit advies wordt op 8 augustus 2016 gevolgd door het Agentschap Zorg en Gezondheid. 3.11. De tussenkomende partij vindt geen stageplaats om de extra opgelegde stage van 12 maanden te doorlopen. 3.12. Op 15 januari 2019 vraagt de tussenkomende partij aan het Agentschap Zorg en Gezondheid om haar in hoofdorde te erkennen als arts-specialist in de anesthesie-reanimatie, in ondergeschikte orde als arts-specialist in de urgentiegeneeskunde en, in uiterst ondergeschikte orde om advies te verlenen omtrent de voorwaarden waaraan zij dient te voldoen om te worden erkend als arts-specialist in de urgentiegeneeskunde. 3.13. Op 28 januari 2019 verleent de verzoekende partij, de erkenningscommissie anesthesie-reanimatie, volgend advies: “De erkenningscommissie anesthesie geeft een negatief advies m.b.t. de erkenningsaanvraag, geformuleerd in het verzoekschrift dd. 15 januari 2019. In 2016 adviseerde de beroepskamer van de Hoge Raad 12 maand stage in het kader van een erkend stageplan. Tot op heden werd noch een stageplan bij het agentschap ingestuurd, noch voor advies aan de erkenningscommissie anesthesie voorgelegd. De erkenningscommissie kan geen ander advies geven dan het advies van de beroepskamer van de Hoge Raad. Dr. Munters heeft onvoldoende opleiding genoten en dus is aan de erkenningsvoorwaarden niet voldaan”. XIV-39.145-5/13 3.14. Bij besluit van de administrateur-generaal van het AZ&G van 2 april 2019 wordt de tussenkomende partij onvoorwaardelijk erkend en toegelaten de bijzondere beroepstitel van arts-specialist in de anesthesie-reanimatie te dragen. Dit is de eerste bestreden beslissing. Het begeleidend schrijven waarmee de eerste bestreden beslissing de tussenkomende partij ter kennis is gebracht, luidt: “(…) Het agentschap Zorg en Gezondheid is het echter niet eens met de stelling uit het verzoekschrift dd. 16 januari 2019 dat u in aanmerking zou komen voor een rechtstreekse erkenning als arts-specialist in de urgentiegeneeskunde. Die stelling vloeit voort uit een verkeerde interpretatie van artikel 2, 1° van het ‘ministerieel besluit van 14 februari 2005 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten houders van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde, van geneesheren-specialisten in de acute geneeskunde, alsook van de stagemeesters en stagediensten in deze disciplines’. Conform dat artikeldeel moet u, als erkend arts-specialist in de anesthesie-reanimatie, een opleiding volgen van ‘tenminste één jaar na de erkenning als geneesheer-specialist in de hoofdspecialiteit’. (De ‘hoofdspecialiteit’ is in uw geval de anesthesie-reanimatie). Het agentschap Zorg en Gezondheid stelt de ontvangst van een stageplan van één jaar in één of meer daartoe erkende stagediensten voor urgentiegeneeskunde als absolute voorwaarde voor deze erkenning als arts-specialist in de anesthesie-reanimatie. Het agentschap Zorg en Gezondheid nodigt u dan ook uitdrukkelijk uit om voor 1 januari 2020 een stageplan in te dienen dat voldoet aan deze vereiste, opdat u in aanmerking zou komen voor een erkenning voor de bijzondere beroepstitel van arts-specialist in de urgentiegeneeskunde. (…)” Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan de vereiste procesbekwaamheid Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord onder meer de procesbekwaamheid van de verzoekende partij. Zij voert vooreerst aan dat XIV-39.145-6/13 de door de verzoekende partij in haar verzoekschrift ter ondersteuning van haar procesbekwaamheid aangehaalde rechtspraak en rechtsleer betrekking heeft op syndicale organisaties, politieke partijen, belangengroeperingen en culturele verenigingen en geenszins op erkenningscommissies dan wel gelijkaardige feitelijke verenigingen en dat uit de door haar aangehaalde rechtspraak blijkt dat één van de voorwaarden om als feitelijke vereniging uitzonderlijk alsnog over de vereiste procesbekwaamheid te beschikken er in bestaat dat het belang waarvoor zij met haar vordering opkomt verband houdt met het erkend betrokken zijn bij de werking van de overheid, bijvoorbeeld ter vrijwaring van haar erkende prerogatieven en bevoegdheden. Dienaangaande beklemtoont de verwerende partij dat in casu de bevoegdheid van de verzoekende partij bestaat uit het verstrekken van advies bij een ingediende erkenningsaanvraag en dat er geen enkele twijfel over bestaat dat zij de mogelijkheid heeft gehad om advies te verlenen en dat zij dit advies ook verleend heeft, zodat het loutere gegeven dat haar advies niet gevolgd werd, niet met zich meebrengt dat haar erkende prerogatieven en bevoegdheden geschonden zijn. Deze prerogatieven en bevoegdheden zouden volgens de verwerende partij slechts geschonden zijn wanneer aan de verzoekende partij geen advies zou gevraagd zijn, zodat bijgevolg in casu in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt dus niet is voldaan aan de door haar opgesomde voorwaarden op grond waarvan dient geoordeeld te worden dat zij over de vereiste procesbekwaamheid beschikt. 5. De tussenkomende partij werpt in haar memorie in tussenkomst een gelijkaardige exceptie op als de verwerende partij. 6. In het verzoekschrift stelt de verzoekende partij onder het kopje “procesbekwaamheid” dat zij overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad van State als feitelijke vereniging wél over de vereiste procesbekwaamheid beschikt nu zij door de overheid erkend is; zij bij de werking van de openbare dienst betrokken is aangezien zij werd opgericht bij het AZ&G en het belang XIV-39.145-7/13 waarvoor zij met haar vordering opkomt, verband houdt met dit erkend betrokken zijn bij de werking van de overheid, zoals ter vrijwaring van haar erkende prerogatieven en bevoegdheden. Wat deze laatste voorwaarde betreft, wijst ze onder het kopje “belang” op haar wettelijke taak, m.n.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.