id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.071 Rolnummer: A. 231785/VII-40923 Zaak: Arrest 257071 - Milieuvergunningen - 06/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-13 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-06 05:50 Fiche Arrest nr 257.071 van 6 juli 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.071 van 6 juli 2023 in de zaak A. 231.785/VII-40.923 In zake :
- Joannes VERHOEVEN
- Christel VERRETH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evert Vervaet kantoor houdend te 1700 Dilbeek Tenbroekstraat 35 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anne-Sophie Claus kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
- de BVBA CRD INVEST
- de BVBA GOOS-CONRARDY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Doggen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 september 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 juli 2020 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de gewestelijke toezichthouder van de Omgevingsinspectie Antwerpen van 2 maart 2020 houdende afwijzing van het VII-40.923-1/20 verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen aan restaurant-feestzaal ‘Puur’, Heizijde 95-99 te Turnhout, ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba CRD Invest en de bvba Goos-Conrardy hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 december
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 27 februari 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evert Vervaet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bart Bronders, die loco advocaat Anne-Sophie Claus verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sylvie Doggen, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.923-2/20 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 10 december 2019 dienen de verzoekende partijen bij de Omgevingsinspectie Antwerpen een verzoek in om ten aanzien van de inrichting ‘restaurant-feestzaal Puur’, Heizijde 95-99 te Turnhout, bestuurlijke maatregelen op te leggen wegens stedenbouwkundige overtredingen, milieu-inbreuken en milieumisdrijven. 3.
- De gewestelijke toezichthouder van de Omgevingsinspectie Antwerpen beslist op 2 maart 2020 om niet in te gaan op dit verzoek. 3.
- Tegen deze afwijzende beslissing stellen de verzoekende partijen op 8 mei 2020 bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
- In het kader van het beroep worden de verzoekende partijen via teleconferentie gehoord op 3 juni
- 3.
- De afdeling Handhaving adviseert op 18 juni 2020 om het beroep als ongegrond te verwerpen. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 9 juli 2020 verklaart de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de gewestelijke toezichthouder van de Omgevingsinspectie Antwerpen van 2 maart 2020 ongegrond. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd: “Beroepsindiener woont te 2300 Turnhout, Heizijde
- Vermoedelijke overtreder heeft een naburige hoeve met schuur heropgebouwd tot een restaurant en feestzaal, met parking. Hiervoor beschikt zij over drie stedenbouwkundige vergunningen. Beroepsindiener geeft aan VII-40.923-3/20 sindsdien geconfronteerd te worden met aanzienlijke hinder vanwege vermoedelijke overtreder. Beroepsindiener haalt in het beroep tegen de bestreden beslissing grotendeels dezelfde argumenten aan als deze opgeworpen in het verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen. Beroepsindiener werpt op dat vermoedelijke overtreder niet beschikt over de nodige melding of vergunning, dat deze de milieuvoorwaarden, waaronder de geluidsnormen, niet naleeft en geen maatregelen treft om hinder te voorkomen. Schendingen van de betrokken regelgeving maken een milieumisdrijf uit, naar aanleiding waarvan conform artikel 16.4.18 van het DABM om de oplegging van bestuurlijke maatregelen kan worden verzocht als het bestaan ervan aannemelijk kan worden gemaakt. De bestreden beslissing dient voorts ook afdoende gemotiveerd te zijn in het licht van het verzoek tot oplegging van bestuurlijke maatregelen en de standpunten die daarin worden ontwikkeld, wat volgens beroepsindiener niet het geval is. Bij de beoordeling van de gegrondheid van voorliggend beroep, wordt er vooreerst op gewezen dat conform artikel 16.4.18 van het DABM om de oplegging van bestuurlijke maatregelen kan worden verzocht bij het voorhanden zijn van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf. Er wordt evenwel vastgesteld dat beroepsindiener zich in het verzoek om het opleggen van bestuurlijke maatregelen en in het beroepschrift niet beperkt tot het verzoek tot opleggen van bestuurlijke maatregelen wegens het bestaan van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, maar daarnaast ook melding maakt van schendingen inzake de ruimtelijke ordening. Voorliggend beroepschrift werd evenwel gegrond op artikel 16.4.18, § 4 van het DABM en de artikelen 64 en 65 van het Milieuhandhavingsbesluit, welke het opleggen van bestuurlijke maatregelen (enkel) toelaat wegens het bestaan van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf. Het is in het kader van deze procedure niet mogelijk om te verzoeken bestuurlijke maatregelen op te legen wegens het bestaan van schendingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Op de argumenten die hierop betrekking hebben wordt dan ook niet ingegaan bij de verdere behandeling van het beroepschrift. Beroepsindiener werpt ten eerste op dat de exploitatie van de feestzaal gebeurt zonder de nodige meldingsakte of milieu- of omgevingsvergunning. Op basis van de stedenbouwkundige vergunning van 24 december 2015 diende vermoedelijke overtreder volgens beroepsindiener te beschikken over de nodige milieuvergunningen. Uit de bestreden beslissing van de gewestelijk toezichthouder blijkt volgens beroepsindiener verder dat de feestzaal een ingedeelde inrichting betrof, maar dat vermoedelijke overtreder niet over de vereiste omgevingsvergunning of meldingsakte beschikte. Beroepsindiener leest in de stedenbouwkundige vergunning van 24 december 2015 echter ten onrechte het bestaan van een absolute verplichting voor vermoedelijke overtreder om te beschikken over een milieuvergunning. Omtrent het bestaan van een vergunnings- en meldingsplicht gelden immers het artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: Omgevingsvergunningsdecreet) en artikel 5.2.1, § 6 van het DABM. VII-40.923-4/20 Conform artikel 6 van het Omgevingsvergunningsdecreet mag niemand zonder voorafgaande omgevingsvergunning een project dat is onderworpen aan de vergunningsplicht uitvoeren, exploiteren, verkavelen of een vergunningsplichtige verandering eraan doen. Niemand mag zonder voorafgaande meldingsakte een project dat is onderworpen aan de meldingsplicht uitvoeren, exploiteren of een meldingsplichtige verandering eraan doen. Conform artikel 5.2.1, § 6 van het DABM is voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet. Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan is een meldingsakte vereist als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet. Wanneer de stedenbouwkundige vergunning stelt dat ‘op vlak van mogelijke hinder de uitbating van de feestzaal de nodige milieuvergunningen [zal] moeten bekomen’, dient deze zinsnede te worden gelezen als een verwijzing naar de toepassing van voormelde regelgeving waarbij ingedeelde activiteiten van de derde klasse dienen te worden gemeld, en ingedeelde activiteiten van de tweede en eerste klasse moeten worden vergund. Het spreekt voor zich dat van vermoedelijke overtreder geen vergunning kan worden geëist, indien geen ingedeelde activiteiten van de eerste of tweede klasse zouden worden uitgeoefend. Beroepsindiener geeft verder aan dat uit de bestreden beslissing zou blijken dat de exploitatie een ingedeelde inrichting betrof terwijl vermoedelijke overtreder niet over de vereiste omgevingsvergunning of meldingsakte beschikte. In de bestreden beslissing staat dat ‘PUUR volgens de verzoekende partij niet over een geldige omgevingsvergunning beschikt voor het exploiteren van een feestzaal’. Hiermee heeft verwerende partij louter de stelling van beroepsindiener herhaald. In de bestreden beslissing staat verder ook dat verwerende partij ‘de stad Turnhout en PUUR erop [heeft] gewezen dat de inrichting wel degelijk een voor het publiek toegankelijk lokaal is. Indien zij muziek wensen te produceren waarbij het maximale geluid in de inrichting >85 dBA en Hierbij wordt nog terzijde opgemerkt dat een feestzaal pas een klasse 3-inrichting uitmaakt in zoverre het maximale geluidsniveau van de inrichting hoger ligt dan 85 dB(A) LAeq,15min (en niet hoger is dan 95 dB(A)). Zolang de geproduceerde muziek de drempel van 85 dB(A) niet overschrijdt, diende door vermoedelijke overtreder aldus geen melding te VII-40.923-5/20 worden ingediend. Er zijn in het beroepschrift en de daarbij gevoegde stukken of in het administratief dossier geen meetresultaten voorhanden waaruit zou blijken dat vermoedelijke overtreder inderdaad muziek produceerde boven 85 dB(A). Zelfs indien wordt aangenomen dat vermoedelijke overtreder reeds in het verleden muziek produceerde boven 85 dB(A), dient hoe dan ook te worden vastgesteld dat vermoedelijke overtreder op heden én reeds van voor de datum van indiening van voorliggend beroep beschikt over een meldingsakte voor een klasse 3-activiteit (meldingsakte van 12 maart 2020), meer bepaald voor de exploitatie van een feestzaal met muziekactiviteiten tot 95 dB(A). Hiertegen werd door beroepsindiener een verzoek tot vernietiging ingediend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Evenwel heeft een bij de Raad ingediend vernietigingsberoep op zich geen schorsende werking conform artikel 14 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Een vordering tot schorsing werd niet ingediend door beroepsindiener. Derhalve gebeurt de exploitatie door vermoedelijke overtreder op heden met de nodige meldingsakte. Verwerende partij kon in de bestreden beslissing rechtmatig verwijzen naar het feit dat vermoedelijke overtreder op 27 februari 2020 voor deze activiteit een melding had ingediend. Er is hieromtrent op heden geen milieumisdrijf voorhanden, dat aanleiding zou kunnen geven tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Beroepsindiener stelt vervolgens dat de milieuvoorwaarden, waaronder de geluidsnormen, die gelden voor ingedeelde dan wel niet-ingedeelde inrichtingen, niet worden nageleefd door vermoedelijke overtreder. Wat de opgeworpen schending van de geluidsnormen betreft, worden in het oorspronkelijke verzoek en in het beroepschrift evenwel geen stukken overgelegd die de schending van de normen voor het specifiek geluid in open lucht voor ingedeelde inrichtingen, dan wel voor het maximaal toegestaan geluidsniveau naar de omgeving voor niet-ingedeelde inrichtingen, kunnen staven. Beroepsindiener werpt zowel in het verzoekschrift als in het beroepschrift op dat hij bij elk feest een geluidsniveau van 70 dB(A) meet in zijn woning. Naar aanleiding van de hoorzitting van 6 juni 2020 maakte beroepsindiener ook een aantal filmpjes over waaruit dit moet blijken. Dergelijke filmpjes hebben echter een louter indicatieve waarde. Er zou volgens beroepsindiener ook een proces-verbaal van 27 mei 2019 voorhanden zijn inzake geluidsoverlast. Beroepsindiener beschikt evenwel niet over dit proces-verbaal, waardoor de concrete vaststellingen in dit proces-verbaal onbekend zijn. Het is aan beroepsindiener om het bestaan van het milieumisdrijf, conform artikel 16.4.18 DABM, concreet aannemelijk te maken. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verwerende partij informatie verkreeg van de hoofdinspecteur-lokaal toezichthouder Turnhout, waaruit bleek dat de politie in 2019 28 plaatsbezoeken heeft gebracht na meldingen. In 2019 werd er 5 keer een geluidsmeting uitgevoerd door de lokale toezichthouder. Twee van deze metingen werden uitgevoerd zonder vermoedelijke overtreder te informeren. Rekening houdend met de meetfouten, werd geen enkele keer een overschrijding van de geluidsnormen gemeten bij vermoedelijke overtreder. Dit wordt door beroepsindiener ook niet betwist. VII-40.923-6/20 Uit het beroepschrift en de daarbij gevoegde stukken blijkt aldus niet dat door vermoedelijke overtreder de geluidsnormen zouden worden geschonden. Integendeel blijkt uit de informatie die door verwerende partij werd verkregen van de lokale politie afdoende dat er bij de uitgevoerde metingen in 2019 geen schending van de VLAREM-geluidsnormen werd vastgesteld. Gelet hierop is het bestaan van een misdrijf omtrent de schending van de geluidsnormen aldus niet concreet aannemelijk gemaakt door beroepsindiener en kon verwerende partij, wat dit aspect betreft, rechtmatig beslissen niet over te gaan tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Beroepsindiener verwijst daarnaast naar verscheidene andere milieuvoorwaarden die door vermoedelijke overtreder niet zouden worden nageleefd. Beroepsindiener verwijst naar artikel 5.32.2.2bis VLAREM II op grond waarvan men moet voorzien in meetapparatuur die een continue meting toelaat en naar artikel 5.32.2.3 VLAREM II dat vereist dat voorafgaandelijk aan de uitbating een akoestisch onderzoek moet worden opgesteld. Beiden zijn volgens beroepsindiener niet voorzien. Tijdens de inspectie van 20 februari 2020 door verwerende partij bij vermoedelijke overtreder, verklaarde vermoedelijke overtreder dat hij over een geluidsmeter en een begrenzer beschikte. Uit de melding, waarvan akte werd genomen op 12 maart 2020, blijkt eveneens dat de plaatsing van een dB-meter een van de maatregelen is die wordt voorzien om de geluidsoverlast te beperken. De aanwezigheid van deze decibelmeter blijkt ook uit het verweerschrift dat door vermoedelijke overtreder werd ingediend bij de cluster sanctionering en advisering, waarin ook een foto werd toegevoegd van deze meter. In de bestreden beslissing wordt door verwerende partij ook expliciet overwogen dat vermoedelijke overtreder beschikt over een continue geluidsmeting. Wat de vereiste van een akoestisch onderzoek betreft, wordt in de meldingsakte van 12 maart 2020 overwogen dat er geen noodzaak was om een akoestisch onderzoek op te maken. Uit het administratief dossier blijkt ook dat verwerende partij door de beleidsadviseur milieu van de stad Turnhout reeds werd geïnformeerd dat geen akoestisch onderzoek zou worden opgelegd aan vermoedelijke overtreder en men de realisatie van bepaalde maatregelen wou afwachten. Er ligt bijgevolg op heden geen schending van voormelde bepalingen voor, die aanleiding zou kunnen geven tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Ook verwijst beroepsindiener naar artikel 4.5.1.1 VLAREM II volgens welk de exploitant de nodige maatregelen treft om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken. Dit argument van beroepsindiener wordt samen gelezen met het argument van beroepsindiener dat door vermoedelijke overtreder buitensporige hinder wordt veroorzaakt. Beroepsindiener werpt daarbij op dat er nog steeds sprake kan zijn geluidsoverlast en -hinder, zonder dat een concrete overschrijding van de richtwaarden hoeft te worden aangetoond. Het aantal interventies van de politie spreekt volgens beroepsindiener voor zich, waarbij er ook meer meldingen zijn gebeurd dan er interventies geregistreerd zijn. Uit de reactie van de buurtbewoners op een brief van beroepsindiener betreffende de hinder, blijkt dat ook andere personen hinder ondervinden. Beroepsindiener stelt daarnaast dat door VII-40.923-7/20 vermoedelijke overtreder ook water- en geurhinder wordt veroorzaakt. Beroepsindiener ondervindt wateroverlast sinds de bouwwerken, doordat de gracht regelmatig werd dichtgereden door werfverkeer. Er is volgens beroepsindiener ook sprake van een indringende rioolgeur sinds de opening van de feestzaal. Deze geurhinder wordt volgens beroepsindiener erkend door vermoedelijke overtreder, maar door hem toegewezen aan de weigering tot inbuizing van de bestaande gracht en de afwezigheid van een adequate riolering in de Heizijde. Beroepsindiener wijst evenwel op het verplicht bestaan van een septische put, waarvan de werking onvoldoende zou zijn gelet op het aantal personen. Dit vormt volgens beroepsindiener een schending van artikel 4.1.3.2 VLAREM II, dat stelt dat de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen moet treffen om de buurt niet te hinderen door onder meer geluid, stof, geur, rook, licht, etc. Artikel 16.4.18, § 2 van het DABM schrijft voor dat een verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen voldoende gemotiveerd moet zijn en aannemelijk moet maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is. Ook wanneer het bestaan van hinder wordt opgeworpen, is het aan beroepsindiener om de schending van artikel 4.5.1.1, § 1 VLAREM II (verplichting tot het treffen van de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken) en artikel 4.1.3.2 VLAREM II (verplichting om als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen te treffen om hinder te voorkomen) concreet aannemelijk te maken. Daarbij wordt bovendien aangestipt dat artikel 16.4.5 DABM geen verplichting om bestuurlijke maatregelen op te leggen omvat wanneer een milieumisdrijf wordt vastgesteld. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om te bepalen welke gevolgen hij koppelt aan de vaststelling dat er sprake is van een milieumisdrijf mits men hierbij rekening houdt met de decretale voorschriften en de beginselen van behoorlijk bestuur. Verwerende partij is daarom, zelfs al wordt aannemelijk gemaakt dat er een milieumisdrijf is gepleegd, niet verplicht om een bestuurlijke maatregel op te leggen. Uit het bovenstaande blijkt dat beroepsindiener hinder ervaart door geluid, water en geur. Dit volgt uit het gegeven dat beroepsindiener reeds gedurende lange periode op zoek is naar een oplossing voor deze problematiek, door middel van het aanspreken van vermoedelijke overtreder, een ingebrekestelling van vermoedelijke overtreder en verscheidene contacten met de stad. Het ondervinden van hinder is evenwel een subjectief gegeven, waarbij het aan de toezichthoudende overheid toekomt om dit zoveel mogelijk te objectiveren. In casu heeft verwerende partij zich voor de beoordeling van de hinder gebaseerd op de informatie verkregen van de lokale politie. Uit de informatie van de hoofdinspecteur-lokaal toezichthouder bleek dat de politie in 2019 28 keer ter plaatse is geweest na meldingen. Er werd in 2019 5 keer een meting uitgevoerd door de lokale toezichthouder, waarvan twee metingen werden uitgevoerd zonder vermoedelijke overtreder te informeren. De lokale politie heeft daarbij aan verwerende partij bevestigd dat er, rekening houdend met de meetfouten, geen schending van de geluidsnormen werd gemeten, noch een ander milieumisdrijf werd vastgesteld. VII-40.923-8/20 Beroepsindiener erkent zelf dat geen concrete overschrijding van de richtwaarden inzake geluid wordt aangetoond, zoals ook eerder werd vastgesteld. Het bestaan van meldingen toont aan dat er klachten waren, maar toont an sich niet aan dat die klachten gegrond waren. Het aantal interventies alsook het feit dat buurtbewoners reageerden op een brief van beroepsindiener omtrent de hinder, toont dit evenmin aan. Bovendien worden in de meldingsakte een hele reeks maatregelen opgesomd die worden genomen om de geluidsoverlast te vermijden en beperken. Uit het verweer van vermoedelijke overtreder en de daarin opgenomen foto’s blijkt op heden een continue geluidsmeting en een begrenzer voor de muziekinstallatie aanwezig te zijn, waarbij de DJ’s worden verplicht deze begrensde installatie aan te wenden. Er werd bijkomende isolatie voorzien ter hoogte van de ramen vooraan. Ook werd een vergunning bekomen voor het plaatsen van een geluidsisolerende wand langs de perceelsgrens met beroepers. Er worden door vermoedelijke overtreder aldus maatregelen getroffen dan wel in het vooruitzicht gesteld om, zoals het een normaal zorgvuldig exploitant betaamt, de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving en de hinder voor de buurt te beperken. Beroepsindiener toont niet concreet aan dat vermoedelijke overtreder in strijd met artikel 4.1.3.2 VLAREM II en artikel 4.5.1.1, § 1 VLAREM II niet alle nodige maatregelen treft als normaal zorgvuldig persoon om de hinder voor de buurt te beperken. Beroepsindiener toont daarnaast evenmin concreet aan dat de waterhinder te wijten zou zijn aan het niet treffen van alle nodige maatregelen door vermoedelijke overtreder. Vermoedelijke overtreder betwist op zijn beurt een officiële gracht te hebben gedicht. Ook de stelling dat de geurhinder te wijten is aan een niet adequate afvoer van het vuil water, waarbij de septische putten niet voldoende zouden zijn, wordt niet concreet aangetoond door beroepsindiener. Bijgevolg blijkt niet afdoende dat, ongeacht de ervaren hinder, er sprake is van het bestaan van een milieumisdrijf. Gelet op het voorgaande kon verwerende partij zich ten tijde van de bestreden beslissing baseren op de informatie ontvangen van de lokale politie om de beoordeling van de ervaren hinder zoveel mogelijk te objectiveren. Verwerende partij kon met verwijzing naar het feit dat bij 28 vaststellingen ter plaatse en bij 5 metingen geen schending van de geluidsnormen of een ander milieumisdrijf werd vastgesteld, beslissen om geen bestuurlijke maatregel op te leggen. Beroepsindiener is verder van oordeel dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd. Beroepsindiener stelt daarbij terecht dat het bestaan van een milieumisdrijf in hoofde van de bevoegde overheid niet de uitoefening vergt van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Beroepsindiener vervolgt dat wanneer een milieumisdrijf is vastgesteld, de daartoe bevoegde overheid in beginsel de plicht zou hebben om van deze bevoegdheid gebruik te maken, gelet op het algemeen belang dat gediend is met de handhaving. Op grond van rechtspraak van de Raad van State kan slechts aan de principiële plicht worden verzaakt, voor zover dit uitdrukkelijk wordt gemotiveerd, waarbij de motivering afdoende dient te zijn in het licht van het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke VII-40.923-9/20 maatregelen dat zelf voldoende gemotiveerd moet zijn en de standpunten die ontwikkeld worden in het bestuurlijk beroepschrift. Er werd reeds eerder opgemerkt dat artikel 16.4.18, § 2 van het DABM inderdaad voorschrijft dat een verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen voldoende gemotiveerd moet zijn en aannemelijk moet maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is. Bij afwezigheid van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf kan geen bestuurlijke maatregel worden opgelegd. Artikel 16.4.5 van het DABM omvat evenwel geen verplichting om bestuurlijke maatregelen op te leggen wanneer een milieumisdrijf wordt vastgesteld. Zoals reeds aangegeven behoort het tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om te bepalen welke gevolgen hij koppelt aan de vaststelling dat er sprake is van een milieumisdrijf mits men hierbij rekening houdt met de decretale voorschriften en de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder inderdaad de motiveringsplicht. Deze motivering dient, zoals beroepsindiener terecht stelt, afdoende te zijn in het licht van het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen dat zelf voldoende gemotiveerd moet zijn en van de standpunten die ontwikkeld worden in het bestuurlijk beroepschrift. Beroepsindiener wierp in diens verzoekschrift samengevat op dat vermoedelijke overtreder niet beschikt over de nodige melding of vergunning, dat deze de milieuvoorwaarden, waaronder de geluidsnormen, niet naleeft en geen maatregelen treft om hinder te voorkomen. Verwerende partij heeft geantwoord op de verschillende standpunten uit het verzoekschrift. Inzake het ontbreken van een melding of vergunning, werd reeds vastgesteld dat verwerende partij op afdoende wijze kon verwijzen naar de vaststelling dat vermoedelijke overtreder de nodige melding had ingediend bij de stad Turnhout op 27 februari
- Inzake het niet naleven van de geluidsnormen, werd reeds eerder vastgesteld dat beroepsindiener het bestaan van een schending van de geluidsnormen niet concreet aannemelijk maakte in het verzoekschrift. Verwerende partij overwoog dat bij 28 vaststellingen ter plaatse en 5 uitgevoerde metingen, geen schending van de geluidsnormen werd vastgesteld. Inzake de niet naleving van de overige opgeworpen milieuvoorwaarden, stelde verwerende partij enerzijds vast dat er een continue geluidsmeting en een begrenzer voor de installatie aanwezig was, alsook dat bij 28 plaatsbezoeken van de politie geen milieumisdrijf werd vastgesteld. Ook wat betreft het argument van beroepsindiener dat er geen maatregelen worden getroffen om de hinder te voorkomen, werd vastgesteld dat beroepsindiener dit gebrek aan afdoende maatregelen niet concreet aannemelijk maakt. Het aantal interventies op initiatief van de beroepsindiener, is daarbij zoals aangegeven geen bewijs van het bestaan van buitensporige hinder. Er werd reeds vastgesteld dat het aan verwerende partij toekwam de ondervonden overlast zoveel mogelijk te objectiveren, in casu door zich bij de beoordeling van de hinder te baseren op de informatie verkregen van de lokale politie. Beroepsindiener is nog van mening dat vermoedelijke overtreder de verwerende partij met de meldingsakte een rad voor de ogen draaide, gelet op het toekomstig karakter van vele van de hierin opgenomen maatregelen. Hieromtrent wordt ten overvloede opgemerkt dat het toekomstig karakter van een deel van de voorziene maatregelen in de meldingsakte (waaronder VII-40.923-10/20 het plaatsen van een geluidsisolerende wand) niet verhindert dat door verwerende partij dienstig naar deze melding kon verwezen worden. Zoals aangegeven wordt het bestaan van schendingen van de geluidsnormen of het bestaan van een ander misdrijf niet aangetoond door beroepsindiener. Het feit dat een deel van de maatregelen werd gerealiseerd (waaronder de aanwezigheid van een begrenzer) en er verdere maatregelen om de hinder te beperken in het vooruitzicht worden gesteld, maakt dat verwerende partij op relevante wijze met het bestaan van deze meldingsakte rekening kon houden. Ingevolge artikel 16.4.18, § 2 van het DABM is het aan beroepsindiener om het bestaan van een milieumisdrijf concreet aannemelijk te maken in het verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen. De motivering door verwerende partij dient afdoende te zijn in het licht van het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen dat zelf in eerste instantie voldoende gemotiveerd moet zijn. Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat verwerende partij ten tijde van de bestreden beslissing met verwijzing naar het feit dat een melding werd ingediend door vermoedelijke overtreder en met verwijzing naar de informatie verkregen van de lokale politie waarbij werd bevestigd dat geen schending van de geluidsnormen of een ander milieumisdrijf werd vastgesteld, binnen diens discretionaire beslissingsruimte en conform het proportionaliteitsbeginsel, rechtmatig kon beslissen om geen bestuurlijke maatregel op te leggen. Tot slot maakt beroepsindiener nog bezwaren omtrent de wijze waarop het college van burgemeester en schepenen akte nam van de melding. Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de ‘hoven en rechtbanken [...] de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe[passen] in zoverre zij met de wetten overeenstemmen’. Dit grondwetsartikel geldt enkel voor de met rechtspraak belaste organen en niet voor het actief bestuur. De minister treedt in onderhavige beroepsprocedure op als orgaan van actief bestuur en niet als een met rechtspraak belast orgaan. De minister is er derhalve toe gehouden de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe te passen, zolang zij niet zijn opgeheven, ingetrokken of vernietigd, tenzij zij wegens hun flagrante, onbetwistbare onwettigheid als niet bestaande moeten worden beschouwd. Daarbij dient een flagrante, onbetwistbare onwettigheid te bestaan uit een onregelmatigheid die door iedereen in het rechtsverkeer zonder meer kan worden vastgesteld. Voorliggende beroepsprocedure is niet de voorgeschreven procedure om te oordelen over de vraag of de aktename van de melding al dan niet terecht is gebeurd. De betwisting van de rechtmatigheid van een toegekende omgevingsvergunning of meldingsakte dient te gebeuren door gebruik te maken van de beroepsmogelijkheid tegen een afgeleverde vergunning of meldingsakte. De mogelijkheid om te verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en de beroepsprocedure bij de weigering daarvan, is hoe dan ook niet gericht op het rechtzetten van een (vermeend) motiveringsgebrek in de meldingsakte van een inrichting of activiteit. Zonder uitspraak te doen over de juridische geldigheid van de motivering van de meldingsakte, kan wel in alle redelijkheid worden geoordeeld dat de meldingsakte niet behept is met een zodanig flagrante, onbetwistbare onwettigheid dat ze als niet bestaande moet worden beschouwd. De VII-40.923-11/20 meldingsakte is op vandaag dus niet opgeheven, ingetrokken of vernietigd en kan ook niet voor onbestaande worden gehouden”. 3.
- De verzoekende partijen hebben bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen een vernietigingsberoep ingediend tegen de aktename door de stad Turnhout van de melding voor de exploitatie van een feestzaal met muziekactiviteiten tot 95 dB(A). Bij arrest nr. RvVb-A-2122-0133 van 14 oktober 2021 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen dit beroep verworpen. IV. Onderzoek van de middelen
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring worden twee middelen aangevoerd. Ter terechtzitting doen de verzoekende partijen afstand van het tweede middel, zodat enkel nog het eerste middel onderzocht moet worden. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 16.1.2, 2°, 16.4.5, 16.4.18, § 2 en 16.6.1, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de miskenning van artikel 4.1.3.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II) een milieumisdrijf uitmaakt daar deze bepaling aan de exploitant oplegt om als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen te treffen om de buurt niet te hinderen door onder meer geluid, stof, geur, rook en licht. In de toelichting bij het middel verwijzen de verzoekende partijen met betrekking tot de geurhinder, naar de conclusie na tussenvonnis, VII-40.923-12/20 opgesteld door de exploitant in het kader van de burgerlijke procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout, waarin staat te lezen dat er een rioolgeur aanwezig is, maar wordt deze vaststelling ten onrechte in verband gebracht met de weigering tot inbuizing van de bestaande gracht en de afwezigheid van een adequate riolering aan de Heizijde. Zij zetten voorts uiteen dat in de stedenbouwkundige vergunning voor het herbouwen van de schuur tot feestzaal, de aanleg van een septische put wordt opgelegd als vergunningsvoorwaarde. Het spreekt voor zich dat er aldus geen rechtstreekse afvoer van afvalwater mag zijn naar de gracht of de riolering. Door het toelaten van 480 personen op feesten, verliest de septische installatie elke efficiëntie. Volgens de verzoekende partijen is er bovendien sprake van onaanvaardbare geluidshinder. In dit verband beklemtonen zij dat niet verwacht kan worden dat zij op hun kosten een akoestisch onderzoek laten uitvoeren om de geluidshinder objectief en op wetenschappelijke wijze in kaart te brengen, nog minder omdat de feestzaal sinds april 2018 tot en met de akteneming door het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout van de melding van de exploitatie van een feestzaal, zonder de vereiste toelating werd geëxploiteerd. In het meldingsdossier is voorts sprake van verscheidene maatregelen om geluidsoverlast te beperken, terwijl die maatregelen, waaronder het plaatsen van een geluidsbegrenzer, nooit werden uitgevoerd. Bovendien wijzen de verzoekende partijen erop dat een houten schutting geen enkel geluiddempend effect heeft en dat de aanleg van een geluidsisolerende wand nog steeds niet werd gerealiseerd. Omtrent hetzelfde meldingsdossier stellen de verzoekende partijen dat de eenzijdige beweringen van de exploitant niet op hun juistheid konden worden beoordeeld. Tevens menen zij dat de stad Turnhout niet op een zorgvuldige wijze en binnen de grenzen van de redelijkheid tot het besluit kon komen dat de aangekondigde maatregelen voldoende zullen zijn om de verwachte geluidsoverlast tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Volgens de verzoekende partijen werd de exploitant blind vertrouwd in de mededeling dat een geluidsbegrenzer werd geplaatst. Daarenboven is ook de uitvoering van de overige door de vermoedelijke overtreder aangekondigde maatregelen niet bewezen, zodat de verwerende partij daaruit geen houvast kan afleiden dat de geluidshinder binnen aanvaardbare perken zal blijven. VII-40.923-13/20 De verzoekende partijen beklemtonen dat de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel gebieden dat de beoordeling van de geluidshinder gebeurt aan de hand van duidelijke, bestaande maatstaven en maatregelen. Uit de bestreden beslissing blijkt echter dat de verscheidende aangekondigde maatregelen niet werden uitgevoerd, dan wel geen enkel nuttig effect hebben voor het bestrijden van de geluidshinder. Het plaatsen van een geluidsbegrenzer en een decibelmeter zijn naar het oordeel van de verzoekende partijen onvoldoende om aan te nemen dat de artikelen 4.1.3.2 en 4.5.1 van Vlarem II niet geschonden zijn. Van hun kant wijzen zij op twee processen-verbaal, een resem meldingen wegens geluidsoverlast, een aantal filmopnames, een procedure voor de burgerlijke rechtbank en het ontbreken van de vereiste meldingsakte voor de uitbating van de feestzaal.
- De verwerende partij antwoordt dat overeenkomstig de artikelen 16.4.5 en 16.4.16 DABM de gewestelijke toezichthouder bestuurlijke maatregelen kan opleggen na de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf. Bijgevolg kan er slechts worden overgegaan tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen indien de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf vaststaat. Het zijn de verzoekende partijen, die vragen dat bestuurlijke maatregelen worden opgelegd, die moeten aantonen dat er sprake is van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf. De graad van hinderlijkheid van een inrichting is volgens de verwerende partij een subjectief gegeven in hoofde van de omwonenden. Voor de objectieve beoordeling van die hinder, heeft zij zich van haar kant gebaseerd op de informatie van de lokale politie die geen milieumisdrijf heeft vastgesteld en op het feit dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de geurhinder te wijten zou zijn aan de nalatigheid van de exploitant. Met betrekking tot de beweerde geluidshinder merkt zij in de eerste plaats op dat een overschrijding van de toepasselijke geluidsnormen op geen enkel ogenblik werd vastgesteld. Het beroepschrift noch het administratief dossier bevat meetresultaten waaruit blijkt dat de inrichting meer dan 95 dB(A) geluid produceert. Voorts stelt de verwerende partij dat zij zich voor de beoordeling van de beweerde geluidshinder heeft gebaseerd op de informatie van de lokale politie die 28 keer ter plaatse is geweest na meldingen van geluidsoverlast. De politie VII-40.923-14/20 heeft aan de toezichthouder gemeld dat er geen overschrijdingen van de geluidsnormen noch ander milieumisdrijven werden vastgesteld. Daarenboven toont de exploitant aan dat hij maatregelen heeft genomen om de geluidshinder te beperken, zoals onder meer het plaatsen van een begrenzer op de muziekinstallatie en het aanbrengen van bijkomende isolatie. In zoverre de verzoekende partijen in twijfel trekken dat deze maatregelen daadwerkelijk werden uitgevoerd, verwijst de verwerende partij naar het controleverslag van de toezichthouder van 26 februari 2020 waarin wordt bevestigd dat een geluidsmeter en een geluidsbegrenzer in de inrichting aanwezig zijn. Op basis van al deze gegevens meent de verwerende partij dat zij in alle redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het bestaan van het milieumisdrijf niet aannemelijk wordt gemaakt door de verzoekende partijen.
- De tussenkomende partijen laten gelden dat de inrichting over alle vereiste vergunningen beschikt en dat er geen sprake is van inbreuken op de milieuwetgeving. Bij het nemen van de bestreden beslissing werd rekening gehouden met alle gegevens en omstandigheden van de zaak. Die beslissing is ook afdoende gemotiveerd.
- In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat een milieumisdrijf ook kan bestaan uit de miskenning van de algemene milieuvoorwaarden. In artikel 22 van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ lag een algemene zorgvuldigheidsplicht vervat, die bijdraagt tot de verwezenlijking van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu dat door artikel 23 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Thans is deze algemene zorgvuldigheidsplicht geconcretiseerd in de artikelen 4.1.2.1, § 1, en 4.1.3.2 van Vlarem II. De uit deze bepalingen voortvloeiende verplichtingen voor de exploitant gelden ongeacht de verleende (milieu- of omgevings)vergunning en zijn een specificatie van het algemeen voorzorgs- en beheerbeginsel inzake milieu. De opgelegde zorgvuldigheidsplicht is niet beperkt tot het strikt naleven van de wettelijke en administratieve voorschriften, doch is algemeen en omvat aldus elke maatregel van voorzichtigheid of voorzorg. Degenen tot wie de bepaling is gericht, moeten maatregelen nemen zoals het een normaal zorgvuldige en vooruitziende persoon die zich in dezelfde omstandigheden bevindt, betaamt. Dit moet in concreto worden beoordeeld. Bij de VII-40.923-15/20 vaststelling dat niet de best beschikbare technieken werden toegepast en dat niet de nodige maatregelen werden genomen om hinder, onder meer door geur, tegen te gaan, moet de rechter niet aangeven wat de best beschikbare techniek is en welke maatregelen genomen hadden kunnen worden. Het volstaat dat de rechter vaststelt dat bij de exploitatie niet de best beschikbare technieken werden toegepast ter bescherming van mens en milieu en dat niet de nodige maatregelen werden genomen om de buurt niet te hinderen door, onder meer, abnormale hinder van geur of geluid. In dit geval wordt het bestaan van geluidsoverlast erkend doordat in de omgevingsvergunning het plaatsen van een “geluidswand” wordt opgelegd. Hoewel de verwerende partij aantoont dat er een decibelmeter en geluidsbegrenzer aanwezig zouden zijn, volgt zij voor het overige blindelings de beweringen van de exploitant. Bovendien gaat de verwerende partij er aan voorbij dat de exploitant het bestaan van geurhinder heeft bevestigd.
- De verzoekende partijen voegen in hun laatste memorie nog toe dat de straat (Heizijde) intussen werd heraangelegd met inbuizing van de grachten en dat de geurhinder intussen is verdwenen, dat de exploitatie van de feestzaal pas met de aktename van de melding in 2020 werd geregulariseerd zodat de feestzaal twee jaar zonder de vereiste melding werd uitgebaat hetgeen overeenkomstig artikel 16.6.1 DABM een milieumisdrijf is. Tot slot leiden zij uit recente foto’s op de Facebook-pagina van de feestzaal af dat de geluidsmeter en de geluidsbegrenzer niet conform de voorschriften van Vlarem II werden geplaatst. Beoordeling
- Luidens artikel 16.4.5, tweede lid, DABM kunnen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd “ten aanzien van degene die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf uitmaken”. Overeenkomstig artikel 16.4.18, § 2, DABM moet het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen “voldoende gemotiveerd zijn en aannemelijk maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is”. VII-40.923-16/20
- De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen.
- In het middel voeren de verzoekende partijen aan dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt besloten dat niet wordt aangetoond dat de exploitant in strijd met de artikelen 4.1.3.2 en 4.5.1.1, § 1, van Vlarem II niet alle nodige maatregelen heeft getroffen als normaal zorgvuldig persoon om de geur- en geluidshinder voor de buurt te beperken. Artikel 4.1.3.2 van Vlarem II vereist dat de exploitant als normaal zorgvuldig persoon “alle nodige maatregelen treft om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer”. Overeenkomstig artikel 4.5.1.1, § 1, van hetzelfde besluit moet de exploitant de nodige maatregelen treffen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken. Met betrekking tot de beweerde geurhinder wordt in de bestreden beslissing overwogen dat de bewering dat “de geurhinder te wijten is aan een niet adequate afvoer van het vuil water, waarbij de septische putten niet VII-40.923-17/20 voldoende zouden zijn, […] niet concreet [wordt] aangetoond” door de verzoekende partijen. Alleen al in het licht van de verklaring in de laatste memorie van de verzoekende partijen dat na de heraanleg van de straat en de inbuizing van de grachten de geurhinder “verdwenen” is, wordt niet aangenomen dat de verwerende partij bij de beoordeling van de beweerde geurhinder is uitgegaan van foutieve feitelijke gegevens en/of niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Bovendien ontberen de verzoekende partijen het vereiste belang bij hun kritiek die strekt tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel voor het beperken van geurhinder die actueel “verdwenen” blijkt te zijn. Omtrent het standpunt van de verzoekende partijen dat de exploitant niet als een normaal zorgvuldig persoon heeft gehandeld door na te laten om maatregelen te treffen om de omgeving niet te hinderen door geluidshinder, wordt vastgesteld dat in de bestreden beslissing wordt aangegeven dat tijdens een inspectie van de toezichthouder op 20 februari 2020 de exploitant heeft verklaard dat hij “over een geluidsmeter en een begrenzer beschikte”, dat “uit de melding, waarvan akte werd genomen op 12 maart 2020, […] eveneens [blijkt] dat de plaatsing van een dB-meter een van de maatregelen is die wordt voorzien om de geluidsoverlast te beperken”, dat de exploitant bij zijn verweerschrift dat hij bij de cluster sanctionering en advisering heeft ingediend een foto heeft bijgevoegd van de decibelmeter, dat in de beroepen beslissing van de Omgevingsinspectie Antwerpen uitdrukkelijk wordt overwogen dat de exploitant beschikt over een “continue geluidsmeting”, dat de DJ’s verplicht worden de begrensde muziekinstallatie te gebruiken, dat “bijkomende isolatie [werd] voorzien ter hoogte van de ramen vooraan” en dat een vergunning werd verkregen voor “het plaatsen van een geluidsisolerende wand langs de perceelsgrens met beroepers”. Uit die motieven, waarvan de onjuistheid niet wordt aangetoond, kan bezwaarlijk worden afgeleid dat de exploitant geen aandacht heeft gehad voor de zorgplicht die voortvloeit uit artikel 4.1.3.2 van Vlarem II en dat de verwerende partij ertoe gehouden was om een bestuurlijke maatregel op te leggen wegens de miskenning van voormelde bepaling. Waar de verzoekende partijen de effectiviteit van de door de exploitant genomen maatregelen in twijfel menen te moeten trekken, weerleggen zij niet, zoals wordt vastgesteld in de bestreden beslissing, dat “geen enkele keer een overschrijding van de geluidsnormen [werd] gemeten” en dat de VII-40.923-18/20 lokale politie heeft bevestigd dat “er, rekening houdend met de meetfouten, geen schending van de geluidsnormen werd gemeten, noch een ander milieumisdrijf werd vastgesteld”.
- In zoverre de verzoekende partijen in hun laatste memorie aanvoeren dat de inrichting gedurende een bepaalde periode werd geëxploiteerd zonder te voldoen aan de door het omgevingsvergunningsdecreet vereiste meldingsplicht en er dientengevolge sprake is van een milieumisdrijf, geven zij aan het middel een nieuwe grondslag die laattijdig is en daarom als onontvankelijk moet worden verworpen. Hetzelfde geldt met betrekking tot de voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde kritiek dat de decibelmeter en geluidsbegrenzer niet zouden voldoen aan de technische voorschriften van Vlarem II.
- Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-40.923-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes juli tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.923-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div