← België

Arrest 257073 - Varia (justitie) - 06/07/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.073 Rolnummer: A. 239457/IX-10275 Zaak: Arrest 257073 - Varia (justitie) - 06/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-07 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-06 05:51 Fiche Arrest nr 257.073 van 6 juli 2023 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe VAKANTIEKAMER nr. 257.073 van 6 juli 2023 in de zaak A. 239.457/IX-10.275 In zake: het EXECUTIEF VAN DE MOSLIMS VAN BELGIË bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Bart Martel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 28 juni 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 12 juni 2023 ‘tot erkenning van een voorlopig representatief orgaan voor de islamitische eredienst in België en tot opheffing van de artikelen 2 en 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 september 2022 tot intrekking van de erkenning van het Executief van de Moslims van België en tot opheffing van het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België’ (BS 15 juni 2023). IX-10.275-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juli 2023, om 10.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Martel, die tevens loco advocaat Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Artikel 19bis van de wet van 4 maart 1870 ‘op de temporaliën van de erediensten’ luidt als volgt: “De besturen die eigen zijn aan de islamitische en orthodoxe erediensten worden op de door artikel 19 bepaalde wijze ingericht op het grondgebied van de provincies en van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De betrekkingen met de burgerlijke overheid worden verzorgd door het representatief orgaan van de islamitische eredienst en door het representatief orgaan van de orthodoxe kerk. Het toezicht op die besturen wordt uitgeoefend door de Minister van Justitie op de wijze omschreven in de bepalingen van het hoofdstuk IIbis. Voor hun oprichting alsook voor de civielrechtelijke handelingen die zij verrichten en de aanneming van giften die aan hen gedaan worden, is IX-10.275-2/15 evenwel de machtiging van de Koning vereist, na advies van de bestendige deputatie van de betrokken provincieraden. Daartoe worden de aanvragen tot oprichting van een bestuur overgezonden aan de Minister van Justitie door het representatief orgaan van de eredienst. De beslissingen betreffende de civielrechtelijke handelingen en giften worden toegezonden aan de bestendige deputaties van de provincieraad die hun advies uitbrengen binnen een maand na die mededeling. Een afschrift van die beslissingen wordt aan de Minister van Justitie medegedeeld. De adviezen worden geacht gunstig te zijn indien zij niet binnen die termijn zijn uitgebracht. De civielrechtelijke handelingen en de aanneming van giften waarvan het bedrag 10.000 [euro] niet overschrijdt, zijn echter onderworpen aan het algemeen toezicht. De lijst van die handelingen wordt door de besturen die eigen zijn aan de eredienst na afloop van elk kalenderjaar toegezonden aan de Minister van Justitie. De Koning kan het bedrag dat in het voorgaande lid wordt vastgesteld, aanpassen aan de monetaire ontwikkeling. De geldelijke tegemoetkomingen van de gemeenten ten voordele van de bedienaars en de besturen der erediensten bepaald in de vorige artikelen, komen ten laste van de provincies en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wat de islamitische en orthodoxe erediensten betreft.” 3.2. Ter uitvoering van artikel 19bis van de voornoemde wet van 4 maart 1870 is het koninklijk besluit van 15 februari 2016 ‘houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België’ (hierna: koninklijk besluit van 15 februari 2016) genomen. 3.3. Bij koninklijk besluit van 29 september 2022 ‘tot intrekking van de erkenning van het Executief van de Moslims van België en tot opheffing van het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België’ (hierna: koninklijk besluit van 29 september 2022) wordt het koninklijk besluit van 15 februari 2016 opgeheven. Het koninklijk besluit van 29 september 2022 luidt als volgt: “Artikel 1. Het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 april 2017, wordt opgeheven. Art. 2. § 1. De betrekkingen met de burgerlijke overheden worden voorlopig waargenomen door het Bureau van het Executief van de Moslims van België. De secretarissen-generaal van het Executief van de Moslims IX-10.275-3/15 van België, bedoeld in artikel 29bis van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten, verlenen hun medewerking aan het Bureau van het Executief van de Moslims van België bij de uitvoering van deze taak. § 2. Het Bureau van het Executief van de Moslims van België, ondersteund door de secretarissen-generaal van het Executief van de Moslims van België is, tijdens de periode vermeld in artikel 3, tweede lid, belast met het verzekeren van de continuïteit van de openbare dienst, in het bijzonder: 1° het beheer van de dossiers van de bedienaars van de islamitische eredienst; 2° het beheer van de dossiers van de erkende en te erkennen lokale islamitische geloofsgemeenschappen; 3° de aanstelling van leraren islamitische godsdienst in het onderwijs; 4° de aanstelling van islamitische consulenten bij Defensie, in de penitentiaire inrichtingen, in de ziekenhuizen, de rust- en verzorgingstehuizen; 5° de organisatie van religieuze uitzendingen op radio en televisie; 6° islamitische percelen op openbare begraafplaatsen. § 3. In uitvoering van de wet houdende algemene uitgavenbegroting wordt een facultatief krediet, dat de werkingskosten moet dekken en voorzien van het Bureau van het Executief van de Moslims van België ingeschreven, op programma 12, afdeling 59, artikel 33.00.02. De minister van Justitie legt de modaliteiten voor deze werkingskosten vast per trimester op basis van facturen die door het Executief van de Moslims van België overgemaakt zullen worden aan de FOD Justitie. De vzw ‘Collège de l’Exécutif des Musulmans de Belgique’ ontvangt dit bedrag en betaalt de schuldeisers binnen de 10 werkdagen na het ontvangen van de gelden. Indien de vzw dat niet doet, betaalt zij de ontvangen gelden onmiddellijk terug aan de FOD Justitie. De vzw ‘Collège de l’Exécutif des Musulmans de Belgique’ maakt de FOD Justitie binnen de 20 werkdagen na het ontvangen van de gelden de betalingsbewijzen over. Alle stukken dienen te zijn ondertekend door alle daartoe statutair toegelaten personen. Indien de sociale bijdragen en de belastingen niet zouden worden betaald, is dit bedrag onmiddellijk terugvorderbaar. Art. 3. Dit besluit treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Artikel 2 houdt op uitwerking te hebben op 14 september 2023. Art. 4. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.” Bij arrest nr. 255.934 van 2 maart 2023 is een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 29 september 2022, ingesteld onder meer door de huidige verzoekende partij, verworpen. Tevens is bij arrest nr. 257.007 van 30 juni 2023 een vordering tot schorsing bij uiterst IX-10.275-4/15 dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 29 september 2022 , ingesteld door de huidige verzoekende partij, verworpen. 3.4. Bij koninklijk besluit van 12 juni 2023 ‘tot erkenning van een voorlopig representatief orgaan voor de islamitische eredienst in België en tot opheffing van de artikelen 2 en 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 september 2022 tot intrekking van de erkenning van het Executief van de Moslims van België en tot opheffing van het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België’ (BS 15 juni 2023) (hierna: het koninklijk besluit van 12 juni 2023) wordt de vzw Moslimraad van België erkend als voorlopig representatief orgaan van de islamitische eredienst in België voor een periode van twee jaar. Ook wordt met ingang van 26 juni 2023 een einde gesteld aan de opdracht van het bureau van het Executief van de Moslims van België waarbij deze werd belast met het verzekeren van de continuïteit van de openbare dienst. Het koninklijk besluit van 12 juni 2023 luidt als volgt: “Artikel 1. De vzw Moslimraad van België (MRB, ondernemingsnummer: 0802.469.122) wordt erkend als voorlopig representatief orgaan van de islamitische eredienst in België voor een periode van twee jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Het is belast met het verzekeren van de continuïteit van de openbare dienst, in het bijzonder: 1° de betrekkingen met de burgerlijke overheden; 2° het beheer van de dossiers van de bedienaars van de islamitische eredienst; 3° het beheer van de dossiers van de erkende en te erkennen lokale islamitische geloofsgemeenschappen; 4° de aanstelling van leraren en inspecteurs islamitische godsdienst in het onderwijs; 5° de aanstelling van islamitische consulenten bij Defensie, in de penitentiaire inrichtingen, in de ziekenhuizen, de rust- en verzorgingstehuizen en de havens en luchthavens; 6° de organisatie van religieuze uitzendingen op radio en televisie; 7° islamitische percelen op openbare begraafplaatsen. Naast de taak vermeld in het eerste lid, is de vzw Moslimraad van België (MRB, ondernemingsnummer: 0802.469.122) belast met het voorbereiden en uitvoeren van het proces dat leidt tot de erkenning van een nieuw definitief representatief orgaan van de islamitische eredienst. IX-10.275-5/15 Art. 2. In de taken vermeld in artikel 1 wordt de vzw Moslimraad van België (MRB, ondernemingsnummer: 0802.469.122) ondersteund door de secretarissen-generaal, bedoeld in artikel 29bis van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten. Art. 3. De minister van Justitie bepaalt de voorwaarden voor de vergoeding van de werkingskosten van de administratie en de kosten voor het verzekeren van de continuïteit van de openbare dienst, bedoeld in artikel 1 van dit besluit. Art. 4. De minister van Justitie bepaalt de voorwaarden en de bedragen van de zitpenningen die kunnen worden toegekend aan de leden van de vzw Moslimraad van België (MRB, ondernemingsnummer: 0802.469.122). Art. 5. De artikelen 2 en 3, tweede lid van het koninklijk besluit van 29 september 2022 tot intrekking van de erkenning van het Executief van de Moslims van België en tot opheffing van het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België, worden opgeheven. Art. 6. Dit besluit treedt in werking op 26 juni 2023. Art. 7. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.” Dat is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 5 Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende IX-10.275-6/15 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid 6. De verzoekende partij motiveert de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering in haar verzoekschrift als volgt (voetnoten weggelaten): “299. Krachtens de bestreden beslissing wordt de overgangsregeling na het intrekkings-KB van 29 september 2022 abrupt en voortijdig opgeheven en een nieuwe vzw Moslimraad van België erkend als ‘voorlopig representatief orgaan’ voor een periode van 2 jaar. De nieuwe ‘voorlopige regeling’ geldt vanaf 26 juni 2023 […]. Dit KB van 12 juni 2023 erkent de vzw Moslimraad als voorlopig representatief orgaan voor de islamitische eredienst in België. De artikelen 2 en 3 van het KB van 14 september 2022 worden opgeheven. Verwerende partij beëindigt daarmee ook de overgangsperiode die in het KB van 29 september 2022 voorzien was tot en met 14 september 2023 en maakt een einde aan de overgangsregeling, waarbij het EMB via zijn bureau nog belast was met het verzekeren van de continuïteit van de openbare dienst. 300. Abrupt breekt verwerende partij dus het door haarzelf ingestelde overgangstraject compleet af en maakt zij het verzoekende partij nu totaal onmogelijk om nog verkiezingen te organiseren. Wat er nog van het EMB overblijft, wordt volledig en abrupt geliquideerd met ingang van 26 juni 2023. Het in het nieuwe KB erkende orgaan ‘usurpeert’ immers vanaf dan de positie van representatief orgaan van de islamitische gemeenschap. Meer nog: verwerende partij zegt dat het voorlopige representatieve orgaan tot doel heeft om een ‘transparant verkiezingsproces’ te organiseren dat leidt tot een nieuw definitief representatief orgaan. Zoals de Raad van State echter reeds vaststelde in het arrest van 2 maart 2023, valt de organisatie van verkiezingen onder de autonomie van geloofsgemeenschappen. Verzoekende partij heeft toegeving na toegeving gedaan aan verwerende partij, en de organisatie van de verkiezingen daarbij uit goodwill steeds opnieuw uitgesteld. Zo wilde zij een maximaal draagvlak creëren voor het moment waarop de verkiezingen uiteindelijk zouden doorgaan. Verwerende partij was zich hier goed genoeg van bewust. Door haar handelwijze bewijst verwerende partij nu echter overduidelijk dat geen enkele toegeving van verzoekende partij ooit genoeg zou geweest zijn, en dat zij verzoekende partij nooit een ernstige kans wilde geven. In plaats van minstens de door haarzelf geïnstigeerde overgangsperiode af te wachten en IX-10.275-7/15 een eerlijke kans aan verzoekende partij te geven om haar vernieuwingsproject te implementeren, stopt zij de overgangsperiode geheel voorbarig en zet zij verzoekende partij nu definitief buitenspel. Verwerende partij erkent een vzw die dezelfde vermeende ‘gebreken’ vertoont als die welke ten onrechte aan het EMB werden verweten en die dienden om de erkenning van het EMB in te trekken (KB 29 september 2022). Er is sprake van een totaal gebrek aan transparantie: de 4 leden van deze vzw hebben nooit gecommuniceerd met de religieuze gemeenschappen van dit land en zijn slechts representatief voor zichzelf zoals vermeld in hun statuten gepubliceerd op 9 juni 2023. De minister van Justitie komt opnieuw op frontale en agressieve wijze tussenbeide in de autonomie van het islamitische geloof. Bovendien draagt ze aan deze vzw, niet gekozen en niet aangewezen door de religieuze gemeenschappen, de prerogatieven over van diensten aan het publiek die tot dan toe werden vervuld door het orgaan gekozen door 292 moskeeën zonder officiële ‘aanbesteding’ (principe van gelijkheid tussen alle non-profitorganisaties in het land die een dergelijk contract hadden kunnen aanvragen) of zelfs zonder overleg met de moslimgemeenschappen van het land. 301. Verwerende partij rekent duidelijk op het verstrijken van de tijd en op het creëren van voldongen feiten om verzoekende partij definitief opzij te schuiven ten voordele van het nieuwe orgaan. Nog los van de wettigheid van de erkenning van het nieuwe orgaan (die ook aangevochten zal worden), kan er niet aan voorbijgegaan worden dat de nieuwe elementen in huidig dossier (zijnde het nieuwe KB dat op het bestreden KB voortbouwt) de zaak voor verzoekende partij wel zéér acuut maakt, nu zij volledig in haar voortbestaan bedreigd wordt. Het EMB wordt volledig geliquideerd en buiten spel gezet. Daarenboven beschikt het EMB over geen werkingsmiddelen meer, nu de minister de subsidies al sinds 2022 niet meer wil uitbetalen aan de bijhorende vzw. Verwerende partij creëert met de beide KB’s nu aldus een voor haar perfecte ‘self-fulfilling prophecy’: de werkingsmiddelen worden afgenomen en de organisatie van verkiezingen wordt onmogelijk gemaakt, om het EMB dan vervolgens te verwijten dat het niet meer functioneert. Door de combinatie van beide opeenvolgende onwettige KB’s heeft verwerende partij nu het punt bereikt waarop zij van meet af aan steeds gemikt heeft: de totale uitrangering van het EMB en de vervanging van het EMB door de ‘nieuwe’ vzw als pion, die nu als voorlopig representatief orgaan erkend is. Het moge dan ook duidelijk zijn dat de doorlooptijd van de annulatieprocedure, en zelfs van een gewone schorsingsprocedure, niet meer afgewacht kan worden. Verzoekende partij krijgt zelfs niet meer de kans om van de overgangsfase tot medio september 2023 gebruik te maken om haar vernieuwingsproject verder uit te bouwen. 302. Alles is nu door verwerende partij op zeer abrupte en definitieve wijze stopgezet. Er is aldus duidelijk voldaan aan de UDN-vereiste dat een situatie te urgent is opdat een gewone schorsingsvordering nog tijdig soelaas kan bieden: zoals de Raad van State reeds oordeelde, rechtvaardigt een acute dreiging voor het voortbestaan van een verzoekende partij de aanvaarding van een uiterst dringende noodzakelijkheid: IX-10.275-8/15 ‘Gelet op deze elementen wordt vastgesteld dat wachten op een uitspraak ten gronde en op het daaropvolgende rechtsherstel voor de verzoekende partij als certificerende onderneming geen onmiddellijk nut meer dreigt te hebben. Door de bestreden maatregel en de daaruit voortvloeiende reputatieschade worden haar activiteit(

  1. en)en concurrentiepositie op onherstelbare wijze beschadigd zodat de penurie die daardoor veroorzaakt wordt het financieel evenwicht of de leefbaarheid van de onderneming en zelfs haar voortbestaan op ernstige wijze in gevaar brengt.” En: ‘Inderdaad is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ongeveer tachtig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing ingesteld. Dat heeft volgens de Raad van State evenwel een aanvaardbare reden. Omdat het geen pas geeft om tegen de bestreden beslissing met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid op te komen in een periode waarin de verkoop van ijsjes sowieso stilligt, heeft verzoekster in eerste instantie, midden januari 2019, een gewone vordering tot schorsing ingediend. Nu de behandeling van die vordering niet opschoot, maar wel het nieuwe ijsseizoen een start nam, heeft zij een tweede vordering tot schorsing ingediend, dit keer, niet onbegrijpelijk, bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Niet ernstig te betwijfelen valt dat verzoekster essentieel leeft van de mobiele verkoop van ijs op het grondgebied van de stad Antwerpen. De bestreden beslissing maakt dat voortaan onmogelijk. Met verzoekster wordt aangenomen dat dit haar op vandaag in een uiterst dringend te verhelpen situatie plaatst. Het is daartoe niet vereist dat zij met bewijskrachtige gegevens aantoont zonder gebeurlijke schorsing onmiddellijk failliet te gaan. Ook de mogelijkheid waarover verzoekster zou beschikken om een totaal andere activiteit te beginnen, is niet van aard die acute urgentie tegen te spreken.’ En: ‘Overwegende dat, gelet op de gegevens van de zaak, kan worden aangenomen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verzoekster op korte termijn bedreigt in haar voortbestaan; dat eveneens aannemelijk is dat zij een ernstig en moeilijk te herstellen moreel nadeel kan lijden, nu de bestreden beslissing van die aard is dat zij een negatieve invloed kan hebben op de relatie tussen verzoekster en haar zakenpartners; dat verzoeksters uiteenzetting voldoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;’ En: ‘Rekening houdend met de gegevens die verzoekster overlegt, kan aangenomen worden dat het verplicht sluiten van de opslagplaats en het stilvallen van de verkoop, waardoor zij zonder inkomsten valt, haar in een penibele financiële situatie brengt die haar voortbestaan hypothekeert. Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aanvaard.’ […] IX-10.275-9/15 303. Er dient bovendien opgemerkt te worden dat het nieuwe KB van 12 juni 2023 het hier bestreden KB niet intrekt, maar louter opheft voor de toekomst: ook dit vormt het duidelijke bewijs dat de beide KB’s deel uitmaken van een geplande en gefaseerde strategie en ‘samen gelezen’ dienen te worden. De UDN-schorsing van het bestreden KB zou de rechtsgrond voor het nieuwe KB (waarvan de UDN-schorsing ook gevorderd wordt) onderuit halen en verwerende partij tot heroverweging dwingen. Een en ander zou ertoe leiden dat de keten van onwettigheden stopgezet wordt, het Erkenningsbesluit herleeft, en verzoekende partij alsnog de kans krijgt om verkiezingen te organiseren en haar vernieuwingsproject verder te zetten. 304. Verzoekende partij merkt op dat zij, na de publicatie van het KB, afgewacht heeft of er antwoord zou komen op haar openbaarheidsvraag van 19 juni 2023, in vervolg op de eerdere openbaarheidsvraag van 13 juni 2023 […]. Mogelijk zouden er in dergelijk antwoord immers motieven kunnen staan waar verzoekende partij heden nog geen kennis van heeft en waartegen zij een gepast verweer wil voeren. Heden 28 juni 2023 blijkt echter duidelijk dat de minister dit antwoord niet kan of wil geven. Verzoekende partij wil dan ook niet langer wachten met het instellen van huidige UDN. Verzoekende partij maakt wel alle voorbehoud inzake het ontwikkelen van middelen tegen motieven waar zij heden nog geen kennis van heeft. 305. Al deze elementen leiden ertoe dat het duidelijk is dat verzoekende partij zeer ernstige nadelen zal lijden, waardoor een schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zich opdringt.” Beoordeling 7. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, moet een verzoekende partij in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. De voorwaarde van spoedeisendheid ligt met andere woorden besloten in die van de uiterst dringende noodzakelijkheid. 8.1. Ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid argumenteert de verzoekende partij vooreerst dat het bestreden besluit de vzw Moslimraad van België erkent als voorlopig representatief orgaan voor de islamitische eredienst in België, dat ermee belast wordt een “transparant verkiezingsproces” te organiseren IX-10.275-10/15 dat moet leiden tot een nieuw definitief representatief orgaan. Daarbij stelt de verwerende partij dat het bestreden besluit met ingang van 26 juni 2023 een einde maakt aan de overgangsregeling van het koninklijk besluit van 29 september 2022 waarbij het bureau van de verzoekende partij werd belast met het verzekeren van de continuïteit van de openbare dienst tot 14 september 2023. Dit abrupt afbreken van het door de verwerende partij “ingestelde overgangstraject” maakt het volgens de verzoekende partij bijgevolg voor haar “totaal onmogelijk om nog verkiezingen te organiseren”. Zij wijst er daarbij op dat de organisatie van de verkiezingen valt onder de autonomie van de geloofsgemeenschappen. Door alzo te handelen, komt volgens haar de minister van Justitie tussenbeide in de autonomie van het islamitisch geloof. Wat de overdracht aan de Moslimraad van België betreft, van “de prerogatieven […] van diensten aan het publiek die tot dan toe werden vervuld door het orgaan gekozen door 292 moskeeën”, betoogt de verzoekende partij nog dat dit gebeurt “zonder officiële ‘aanbesteding’ (principe van gelijkheid tussen alle non-profitorganisaties in het land die een dergelijk contract hadden kunnen aanvragen) of zelfs zonder overleg met de moslimgemeenschappen van het land”. 8.2. Voor zover de verzoekende partij zich beroept op het onwettig handelen van de overheid, betreft dit een argument dat betrekking heeft op de schorsingsvoorwaarde van de ernst van de middelen. Er dient in dit verband te worden benadrukt dat de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering een schorsingsvoorwaarde is die afzonderlijk moet worden onderzocht. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd, zijn op zich geen reden om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden. 8.3. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat het bestreden besluit het voor haar “totaal onmogelijk [maakt] om nog verkiezingen te organiseren”, moet erop worden gewezen dat de organisatie van die verkiezingen valt onder de organisatorische autonomie van de geloofsgemeenschappen. Ze is trouwens IX-10.275-11/15 voorgeschreven door het intern werkreglement van de verzoekende partij. Het bestreden besluit verhindert geenszins dat de verzoekende partij die verkiezingen zou organiseren. Ten overvloede kan nog worden vastgesteld dat de verzoekende partij bovendien onvoldoende aantoont dat het bestreden besluit de organisatie van verkiezingen zou kunnen belemmeren en dat zij noch in haar verzoekschrift, noch op de terechtzitting heeft toegelicht waarom zij die aangevoerde nadelige gevolgen niet zou kunnen verdragen tot uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. 9.1. Vervolgens voert de verzoekende partij aan dat “de nieuwe elementen in huidig dossier […] de zaak voor [haar] wel zéér acuut maakt, nu zij volledig in haar voortbestaan bedreigd wordt”, “het EMB […] volledig geliquideerd [wordt]” en zij “over geen werkingsmiddelen meer [beschikt], nu de minister de subsidies al sinds 2022 niet meer wil uitbetalen”. Dit alles vormt volgens de verzoekende partij “een acute dreiging voor het voortbestaan van een verzoekende partij [en rechtvaardigt] de aanvaarding van een uiterst dringende noodzakelijkheid”. 9.2.1. Voor zover de verzoekende partij aanvoert dat zij door het bestreden besluit volledig wordt geliquideerd, dient te worden vastgesteld dat dit besluit geen enkele invloed heeft op het voortbestaan van de verzoekende partij als feitelijke vereniging. 9.2.2. In de mate dat de verzoekende partij argumenteert dat haar “werkingsmiddelen worden afgenomen”, dient vooreerst erop te worden gewezen dat die betrokken werkingsmiddelen dienen voor “het verzekeren van de continuïteit van de openbare dienst” zoals bepaald in artikel 1 van het bestreden besluit. Aangezien de in artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 september 2022 vermelde opdrachten krachtens artikel 1 van het bestreden besluit, gelezen in samenhang met artikel 3 van het bestreden besluit, met ingang van 26 juni 2023 worden waargenomen door de vzw Moslimraad van België, valt niet goed in te IX-10.275-12/15 zien waarom de verzoekende partij benadeeld kan zijn door het verlies van die werkingsmiddelen. 9.2.3. Voor zover de verzoekende partij lijkt aan te voeren dat haar voortbestaan wordt bedreigd doordat zij over geen werkingsmiddelen meer beschikt, dient erop te worden gewezen dat zij in gebreke blijft aan te tonen wat haar bestaande financiële verplichtingen en haar lopende verbintenissen zijn. Zij toont ook niet aan dat zij bepaalde betalingsproblemen ondervindt. Zij legt daartoe geen enkel stuk voor. Zij geeft ook geen inzicht in wat haar huidige financiële reserves zijn. 9.2.4. In de mate dat de verzoekende partij betoogt dat “de minister [van Justitie] de subsidies al sinds 2022 niet meer wil uitbetalen”, moet worden vastgesteld dat die weigering niet het gevolg is van het bestreden besluit. 10. Voor zover de verzoekende partij in haar verzoekschrift nog ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering het volgende aanvoert, “Er dient bovendien opgemerkt te worden dat het nieuwe KB van 12 juni 2023 het hier bestreden KB niet intrekt, maar louter opheft voor de toekomst: ook dit vormt het duidelijke bewijs dat de beide KB’s deel uitmaken van een geplande en gefaseerde strategie en ‘samen gelezen’ dienen te worden. De UDN-schorsing van het bestreden KB zou de rechtsgrond voor het nieuwe KB (waarvan de UDN-schorsing ook gevorderd wordt) onderuit halen en verwerende partij tot heroverweging dwingen. Een en ander zou ertoe leiden dat de keten van onwettigheden stopgezet wordt, het Erkenningsbesluit herleeft, en verzoekende partij alsnog de kans krijgt om verkiezingen te organiseren en haar vernieuwingsproject verder te zetten.”, moet worden gewezen op wat volgt. Met haar voorliggende vordering verzoekt de verzoekende partij de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 12 juni 2023 – dit is het bestreden besluit – en dus niet de schorsing van het koninklijk besluit van 29 september 2022. Bijgevolg valt niet in IX-10.275-13/15 te zien hoe de schorsing van het bestreden besluit de nadelige gevolgen zou ongedaan maken die de verzoekende partij toeschrijft aan het koninklijk besluit van 29 september 2022. 11. In de gegeven omstandigheden kan de verzoekende partij de Raad van State er niet van overtuigen dat zij ten gevolge van het bestreden besluit een zodanig ernstig en urgent te verhelpen nadeel riskeert dat alleen een schorsing uitgesproken bij uiterst dringende noodzakelijkheid er passend aan tegemoet kan komen en dat zij niet de behandeling van de zaak in een beroep tot nietigverklaring kan afwachten. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes juli tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.275-14/15 Vera Wauters Johan Lust IX-10.275-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.073 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.