id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.089 Rolnummer: A. 239341/XII-9384 Zaak: Arrest 257089 - Concessies - 10/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-11 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-06 05:56 Fiche Arrest nr 257.089 van 10 juli 2023 Overheidsopdrachten en openbare werken - Concessies Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 257.089 van 10 juli 2023 in de zaak A. 239.341/XII-9384 In zake: de VZW VLAAMSE VERENIGING VOOR WATERSPORT TAXANDRIA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184 tegen: de NV DE VLAAMSE WATERWEG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de STAD TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 juni 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de nv De Vlaamse Waterweg van 31 mei 2023 XII-9384-1/15 tot intrekking van de domeinvergunning van 25 augustus 2021 aan de vzw Vlaamse vereniging voor watersport Taxandria. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 26 juni 2023 heeft de stad Turnhout gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juli 2023, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Steven Van Geeteruyen, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Glenn Declercq, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De nv De Vlaamse Waterweg, verwerende partij, is de domeinbeheerder van de jachthaven te Turnhout, Nieuwe Kaai, aan het kanaal Dessel-Turnhout-Schoten. XII-9384-2/15 Bij besluit van 25 augustus 2021 verleent de verwerende partij met betrekking tot de jachthaven een domeinvergunning aan verzoekster voor de inname van 1.258 m² wateroppervlakte voor het afmeren van pleziervaartuigen. Ook de nv De Haven bezit, met betrekking tot een ander deel van de jachthaven, een domeinvergunning, op grond waarvan zij 9.600 m² wateroppervlakte mag exploiteren. Op 4 mei 2023 beslist het college van burgemeester en schepenen van de tussenkomende partij om, “[g]emotiveerd vanuit het algemeen belang”, aan de verwerende partij te vragen de bestaande contracten, vergunningen of toelatingen van verzoekster aan de Nieuwe Kaai te beëindigen. De aanleiding is de onrust tussen de twee exploitanten die na de toekenning van de vergunningen geëscaleerd is en die zich uit onder de vorm van onder meer pesterijen, bedreigingen en scheldtirades . De eigenlijke “[a]rgumentatie” luidt: “De Nieuwe Kaai in Turnhout is een belangrijke plek in de stad. De site is een poort van de stad voor bezoekers die vanuit het noorden en het westen de stad binnenkomen. De openbare ruimte rondom het kanaal is een veel gebruikte wandel- en rustplaats voor de vele bewoners. Maar bovenal is het een belangrijke toeristische trekpleister, voor de vele fietsers, wandelaars en andere passanten die er een rust- en beleefplek vinden. Het is van groot belang voor de stad dat de omgeving deze functie kan blijven invullen. Het is dan ook omwille van de uitstraling van de stad enerzijds en het belang van het bewaken van de openbare orde anderzijds, nodig dat de stad kan optreden. Voor de stad is de geschetste verzuurde situatie aan de Nieuwe Kaai niet meer toelaatbaar binnen de grenzen van de openbare orde en het algemeen publiek belang. Mandatarissen en medewerkers worden voortdurend gevraagd tussen te komen of actie te ondernemen in een poging om de geëscaleerde situatie aan de jachthaven te bedaren. Hiervan getuigen de vele politie-interventies, maar ook verschillende klachten en mails van omwonenden. Het gegeven dat er twee exploitanten zijn voor één jachthaven, die erg beperkt in omvang is, biedt bovendien geen enkele meerwaarde voor de stad. Meer nog, het maakt de situatie voor passanten en bezoekers erg onduidelijk. Gezien de geschetste aanhoudende problematiek en de onmogelijkheid om met de twee betrokken partijen tot een gezamenlijke oplossing te komen, is de stad dan ook genoodzaakt om de Vlaamse Waterweg te vragen de bestaande contracten, vergunningen of toelatingen toegekend aan VVW Taxandria vzw, geheel te beëindigen. XII-9384-3/15 Het is wenselijk dat de stad zich daarbij tevens bereid toont om de betreffende zone zelf in beheer te nemen, met de mogelijkheid om de exploitatie aan een derde partij toe te kennen.” Na verzoekster met een brief van 15 mei 2023 in de gelegenheid te hebben gesteld haar zienswijze naar voor te brengen over het al dan niet intrekken van haar domeinvergunning, beslist de verwerende partij op 31 mei 2023 de domeinvergunning die op 25 augustus 2021 aan verzoekster is verleend, in te trekken. De intrekking treedt direct in en verzoekster moet binnen drie kalenderdagen alle goederen verwijderen van het domein van de verwerende partij. In de beslissing overweegt de verwerende partij dat zij bij het nemen van een maatregel in het algemeen belang over drie opties beschikt, dat de intrekking van de domeinvergunning de meest verregaande remedie is en het meest ingrijpt op de rechtspositie van de vergunninghouder, en dat uit de gedragingen die aan verzoekster kunnen worden toegerekend, niet blijkt dat haar het nodige vertrouwen kan worden gegeven om een jachthaven uit te baten. De intrekking wordt concreet verantwoord door de volgende motieven: “I. Taxandria heeft het clubschip Taxandria geëxploiteerd zonder over de rechtens vereiste exploitatievergunning te beschikken. In de domeinvergunning COM-AAK-02-0009776 is uitdrukkelijk bepaald dat Taxandria alle wettelijke verplichtingen moet naleven. II. Taxandria heeft grijs water of vervuild water rechtstreeks geloosd in het kanaal. Na deze vaststellingen werd Taxandria aangemaand door de milieupolitie om dit uiterlijk 28 april 2023 in orde te brengen. In de domeinvergunning COM-AAK-02-0009776 is uitdrukkelijk bepaald dat Taxandria alle wettelijke verplichtingen moet naleven. III. Uit de beschikking uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout met nr. 22/3881 in de zaak met rolnummer 22/14/C blijkt dat er problemen bestaan tussen de twee private partijen die over een domeinvergunning en/of domeinconcessie beschikken in functie van de exploitatie van een gedeelte van de jachthaven. Deze problemen worden uitdrukkelijk benoemd door de voorzitter wanneer wordt verwezen naar de animositeit die in de jachthaven duidelijk bestaat tussen Taxandria en nv De Haven. IV. Op 19 juli 2022 werd het clubschip van Taxandria weggesleept op instructie van de burgemeester van de stad Turnhout. De burgemeester van de stad Turnhout heeft het nodig geacht om voorafgaand, op 18 juli 2022, aan de lokale politie om bijstand te verzoeken. V. Op basis van de gegevens waarover De Vlaamse Waterweg beschikt, kan worden aangenomen dat de stad Turnhout alle inspanningen heeft XII-9384-4/15 geleverd die zij redelijkerwijs kan kunnen leveren om de situatie ter plaatsen te bedaren. De voornaamste maatregel is de plaatsing van de kubus door de stad Turnhout. Uit de beschikking waarnaar hoger wordt verwezen, blijkt evenwel dat Taxandria de situatie ter plaatsen niet heeft kunnen aanvaarden.” IV. Tussenkomst
- De stad Turnhout vraagt in het geding te mogen tussenkomen. Uit het feitenrelaas blijkt genoegzaam dat haar belangen bij de zaak betrokken zijn. Er is reden om het verzoek in te willigen. V. Ontvankelijkheid Exceptie
- Volgens de tussenkomende partij is verzoekster zonder legitiem belang. Zij is van mening dat er “geen enkele redelijke twijfel bestaat over het feit dat de uitbating van de horecazaak, van waaruit verzoekende partij haar concessiedeel van de jachthaven beheert […], niet langer beschikt over een geldige exploitatievergunning”. De exploitatievergunning van 29 maart 2018 voor de horecazaak de Kantine Boot is van rechtswege vervallen omdat de raad van bestuur van verzoekster sedert 19 november 2021 substantieel gewijzigd is. Beoordeling
- Terecht merkt de tussenkomende partij op dat gelet op de Uniform gemeentelijke politieverordening (UGP) de exploitatievergunning voor een horecazaak van rechtswege vervalt in geval van, onder meer, de “wijziging van de organen van de rechtspersoon”. XII-9384-5/15 Te dezen evenwel leest de Raad van State in de vergunning van 29 maart 2018 voor het exploiteren van de horecazaak de Kantine Boot dat ze niet verleend is aan een rechtspersoon, maar aan vijf natuurlijke personen.
- Overigens is het beweerde verval van de exploitatievergunning de eerste reden voor de bestreden beslissing en wordt die reden door verzoekster juist betwist in haar middelen. In dat licht betreft de exceptie niet de ontvankelijkheid maar de grond van de zaak.
- De exceptie van gebrek aan belang wordt bijgevolg verworpen. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. VII. Voorwaarde van een ernstig middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster leidt een tweede middel af uit de schending van artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 maart 2002 ‘betreffende het toekennen van vergunningen, het vaststellen en innen van retributies voor het privatieve gebruik van het openbaar domein van de wegen, de waterwegen en hun aanhorigheden, de zeewering en de dijken’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 29 maart 2002), de schending van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de XII-9384-6/15 bestuurshandelingen’, en de schending van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, evenredigheids- en onpartijdigheidsbeginsel. Samengevat wordt onder meer toegelicht dat de verwerende partij pas kan overgaan tot intrekking van de domeinvergunning indien er redenen van algemeen belang voorhanden zijn. Een opsomming van private redenen en redenen inzake handhaving volstaat niet. Naar de mening van verzoekster heeft de verwerende partij “klakkeloos”, “zonder eigen onderzoek of zonder eigen verificatie of beoordeling van de feiten”, de argumentatie van de tussenkomende partij overgenomen. Deze redenen in de bestreden beslissing hebben evenwel “niets te maken” met het beheer van de jachthaven en met de domeinvergunning. Ze stroken ook niet met de werkelijkheid. Ten slotte is de bestreden beslissing de meest verregaande maatregel die de verwerende partij kon nemen en heeft zij blijkbaar zelfs niet een minder verregaande optie overwogen.
- In de nota antwoordt de verwerende partij dat de bestreden beslissing steunt op artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 maart 2002 en genomen is naar aanleiding van een concreet verzoek van de tussenkomende partij, bij brief van 4 mei
- De collegebeslissing van 4 mei 2023, die bij de brief gevoegd is, schetst zeer uitvoerig de aanwezige animositeit ter hoogte van de jachthaven en omschrijft een hele reeks incidenten die te beschouwen zijn als een vorm van verstoring van de openbare rust, openbare orde en openbare veiligheid. Deze argumentatie, die verzoekster niet tegenspreekt, volstaat voor de intrekking van de domeinvergunning met toepassing van artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 maart
- In casu, aldus nog de verwerende partij, heeft zij geoordeeld dat de tussenkomende partij in haar verzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zich een intrekking van de vergunning om redenen van algemeen belang opdringt. Aanvullend meent de verwerende partij dat er wel degelijk sprake is van een exploitatie zonder exploitatievergunning. Er is immers een wijziging van het bestuursorgaan geweest, gepubliceerd op 24 januari 2022, waardoor de vergunning van rechtswege vervallen is. XII-9384-7/15
- Van haar kant betoogt de tussenkomende partij dat zij geenszins haar eigen private belangen of die van derden dient. Dat verzoekster over een exploitatievergunning voor haar clubschip zou beschikken is ten onrechte. Verzoekster “weet maar al te goed” dat zij niet in overeenstemming is met de UGP. Ook de naleving van de milieuregelgeving wordt door de verwerende partij terecht bij haar besluitvorming betrokken. Verzoekster heeft jarenlang grijs water/toiletafvoer geloosd in het kanaal. Dat die situatie maanden geleden al in orde is gebracht, moet worden tegengesproken. Voor het overige lijkt verzoekster, naar de mening van de tussenkomende partij, maar niet te vatten dat “de situatie op het terrein dusdanig verzuurd is dat een andere oplossing dan de intrekking van de domeinvergunning van verzoekende partij, die zich ook nog eens schuldig maakt aan milieuverontreiniging en een onvergunde inrichting uitbaat, de enige mogelijke uitkomst bleek te zijn om de openbare orde op lange en duurzame wijze te herstellen”. De beide exploitanten kunnen niet meer door dezelfde deur en door alle partijen en door de media wordt gesproken van een toxische verstandhouding, animositeit tussen beide exploitanten, een geëscaleerde situatie. Dat de tussenkomende partij aan de verwerende partij de suggestie deed tot intrekking van de domeinvergunning, kadert volledig binnen de verplichting die zij heeft om de openbare orde te bewaken en te herstellen bij verstoring ervan. Het is voorts onjuist dat de verwerende partij de conclusies van de tussenkomende partij zou hebben overgenomen zonder een feitelijk en concreet onderzoek van de ter beschikking staande gegevens. Beoordeling
- Zoals de verwerende partij in de nota uitdrukkelijk bevestigt, berust de bestreden beslissing op artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 maart 2002, luidend: “Onverminderd de bepalingen inzake het in gebreke blijven van de vergunninghouder kan de domeinbeheerder de vergunning op elk ogenblik XII-9384-8/15 geheel of gedeeltelijk intrekken, schorsen of wijzigen in het algemeen belang, zonder dat de vergunninghouder aanspraak kan maken op schadeloosstelling. In geval van intrekking in het algemeen belang worden de al betaalde bedragen van de variabele retributie voor het lopende jaar pro rata per kalendermaand terugbetaald.” Wat de in het eerste lid, eerste zinsdeel, vermelde “bepalingen inzake het in gebreke blijven van de vergunninghouder” betreft, schrijft hoofdstuk VII, Overtredingen, in artikel 21 voor: “§
- Elke vaststelling van overtreding van de vergunningsvoorwaarden wordt bij aangetekend schrijven meegedeeld aan de vergunninghouder. §
- De mededeling bevat de termijn waarbinnen hij zijn verplichtingen moet nakomen of zijn verweer kenbaar kan maken. §
- Indien de vergunninghouder binnen de in § 2 bedoelde termijn zijn verplichtingen niet is nagekomen en geen verweer kenbaar heeft gemaakt, kan de domeinbeheerder naast het opleggen van een forfaitaire vergoeding gelijk aan de vaste retributie, de overtreding doen ophouden op kosten van de vergunninghouder en zo nodig de vergunning intrekken. §
- Indien het verweer wordt verworpen, deelt de domeinbeheerder dat schriftelijk mee met vermelding van de termijn waarbinnen de vergunninghouder zijn verplichtingen moet nakomen. Geeft de vergunninghouder hieraan geen gevolg, dan treedt de domeinbeheerder op zoals bepaald in §
- §
- Indien de vergunninghouder na zestig kalenderdagen, na het kenbaar maken van zijn verweer, geen antwoord ontvangen heeft op zijn verweer, wordt dat als ingewilligd beschouwd. §
- In afwijking van § 2 moet de vergunninghouder, in de gevallen waarin geen uitstel kan worden geduld, onmiddellijk gevolg geven aan de aanmaning, zo niet zal de domeinbeheerder ambtshalve optreden.”
- Gelet op de argumentatie in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 4 mei 2023 om de verwerende partij te vragen de vergunning van verzoekster te beëindigen in het kader van het algemeen belang, is de reden voor het verzoek in wezen, minstens in hoofdzaak, de onrust en de verzuurde situatie tussen de twee exploitanten van de jachthaven, die juist een rust- en beleefplek zou moeten zijn.
- Ten minste in de huidige stand van de procedure sluit de Raad van State geenszins uit dat die onrust en spanningen genoegzaam kunnen verantwoorden dat de verwerende partij, met het oog op het algemeen belang, XII-9384-9/15 toepassing maakt van artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 maart
- Dat lijkt dan wel te moeten gebeuren jegens de exploitant die redelijkerwijze voor de onrust en de verzuring verantwoordelijk is te houden of, gebeurlijk, geacht moet worden de oplossing van de onenigheid en frictie in de weg te staan of zelfs tegen te werken.
- In lijn met de zienswijze in de collegebeslissing van 4 mei 2023, neemt de verwerende partij in de bestreden beslissing de animositeit tussen de twee exploitanten in aanmerking (als het derde, vierde en vijfde motief) en rekent zij de geprikkelde wrijving specifiek verzoekster aan. Bovendien, en zelfs in de eerste plaats, hanteert de verwerende partij (als eerste en tweede motief) twee tekortkomingen die expliciet als een overtreding van de voorwaarden in de domeinvergunning worden aangemerkt.
- Om de betrokken animositeit verzoekster aan te rekenen, verwijst de verwerende partij allereerst (derde motief) naar de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, van 26 augustus
- Niet onterecht, zo lijkt, getuigt het motief volgens verzoekster van een “selectieve” lezing. In de beschikking maakt de voorzitter inderdaad uitdrukkelijk gewag van “de animositeit die in de jachthaven duidelijk bestaat tussen [verzoekster] en nv De Haven”, maar niet zonder er onmiddellijk aan toe te voegen: “waarbij de voorzitter geen standpunt inneemt wie gelijk heeft en welke beweringen of verwijten waar of onwaar zijn”.
- Ook de lijst van, aldus de verwerende partij, “zo maar even 15 (!) politie-interventies gedurende een periode van 2 jaar waarvan 3 interventies hebben geleid tot het opstellen van een proces-verbaal”, verschaft op het eerste gezicht geen enkele duidelijkheid over wie voor de animositeit verantwoordelijk is – voor zoveel, overigens, de interventies überhaupt al op het geschil tussen de XII-9384-10/15 verzoekster en de nv De Haven betrekking hebben, wat volgens de auteur van de lijst alleen maar “mogelijks” het geval is.
- In zoverre de verwerende partij (als vierde motief) aanvoert dat het clubschip van verzoekster moest worden weggesleept en dat de burgemeester daarvoor om toezicht van de politie verzocht, meent verzoekster dat dit bezwaarlijk tegen haar kan worden aangevoerd: zij is integendeel zelf “het slachtoffer van deze gebeurtenis”. Het is een verweer dat bevestiging lijkt te vinden in een vonnis van het vredegerecht van het eerste kanton Turnhout van 23 februari
- Daaruit lijkt af te leiden dat de vrederechter de wegsleping als een zaak van eigenrichting door de nv De Haven beschouwt en die laatste veroordeelt tot betaling aan verzoekster van 5.000 euro voor de schade die zij bij de verwijdering leed.
- De overweging ten slotte (vijfde motief) dat de tussenkomende partij “alle” inspanningen leverde om de toestand te bedaren, maar dat verzoekster er niet in meeging, lijkt nuancering te behoeven. Waar verzoekster kennelijk problemen mee heeft is “de kubus” die de tussenkomende partij plaatste, zijnde een technisch lokaaltje op de oever, met de aansluitingen voor elektriciteit en water voor de steigers in de jachthaven. Aangezien verzoekster geen sleutels van de kubus krijgt, heeft zij er geen vrije toegang toe en kan zij haar aansluitingen erin niet controleren zoals zij dat zou willen. Om die reden deelde zij op 11 juli 2022 aan de tussenkomende partij mee zich “ter bewaring van haar rechten” tot de rechter te zullen wenden. Toegevoegd werd dat de vordering niet belet dat een minnelijke regeling mogelijk blijft. De tussenkomende partij reageerde op 13 juli 2022 dat “in deze omstandigheden” het overleg van die dag niet kan doorgaan en dat een “eventueel opnieuw in te plannen overleg” met haar advocaat moest worden opgenomen. XII-9384-11/15 In dit verband argumenteert verzoekster, niet zonder elke overtuigingskracht, dat zij gerechtigd was gebruik te maken van “haar recht tot toegang tot de rechter voor discussies inzake de toegang van de kubus”, maar dat, blijkbaar, de tussenkomende partij “deze situatie niet heeft kunnen aanvaarden”.
- Resten nog de overtredingen die in het eerste en het tweede motief van de bestreden beslissing worden aangevoerd. Op het eerste gezicht gelden voor zulke overtredingen van de vergunningsvoorwaarden in principe de voorschriften van artikel 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 29 maart 2002, welke voorschriften overigens ook letterlijk in verzoeksters domeinvergunning van 25 augustus 2021 zijn overgenomen. Volgens die voorschriften deelt de vergunningverlenende overheid de vaststelling van een overtreding mee aan de vergunninghouder, tezamen met de termijn waarin hij zijn verplichtingen moet nakomen of zijn verweer kenbaar kan maken. Dient hij een verweer in en wordt het verworpen, dan krijgt de vergunninghouder een termijn om zijn verplichtingen na te komen. Het is pas wanneer de vergunninghouder geen gevolg geeft aan de mededeling van de overtreding of, na de verwerping van zijn verweer, zijn verplichtingen niet nakomt, dat erin wordt voorzien dat de vergunningverlenende overheid “zonodig de vergunning [kan] intrekken”.
- Verzoekster is door de verwerende partij niet in gebreke gesteld, noch voor de exploitatie van het clubschip zonder exploitatievergunning, noch voor het rechtstreeks lozen van grijs of vervuild water in het kanaal. Voorts werpt verzoekster tegen wel degelijk over een exploitatievergunning te beschikken. Ten minste in de huidige stand van de procedure lijkt het geen uitgemaakte zaak dat deze exploitatievergunning van 29 maart 2018, die aan vijf natuurlijke personen is verleend, vervallen zou zijn door een “wijziging van de organen van de rechtspersoon”. XII-9384-12/15 Wat dan weer het geloosde afvalwater betreft, blijkt verzoekster op 28 maart 2023 door de politie te zijn aangemaand om vóór 29 april 2023 “het nodige te doen om de toestand in orde te brengen”. Op 20 april 2023 heeft verzoekster geantwoord hieraan te hebben voldaan, en nodigde zij uit om “te komen controleren aan boord van het clubschip”. Die controle blijkt (nog) niet plaats te hebben gehad.
- Uit al het voorgaande wordt voorshands geconcludeerd dat niet blijkt dat de beslissing van de verwerende partij om te kiezen voor “de meest verregaande remedie”, die “het meest in[grijpt] op de rechtspositie van de vergunninghouder die met de maatregel wordt geconfronteerd”, het resultaat is van een voldoende zorgvuldig onderzoek en evenwichtige beoordeling van de gegevens van de zaak, en dat de verwerende partij op deugdelijke grond de domeinvergunning van verzoekster heeft ingetrokken. Het middel is in de besproken mate ernstig. VIII. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Naar verzoekster uiteenzet, heeft de bestreden beslissing tot gevolg dat zij na decennialang engagement en inzet zomaar verdwijnt uit het beheer van de jachthaven, die zij mee heeft helpen oprichten en ontwikkelen. Hiermee vervalt de bestaansreden van verzoekster en kan zij niet langer haar statutair doel realiseren. Indien de gewone schorsingstermijn moet worden afgewacht bestaat er een zeer reëel risico dat zij nooit meer haar activiteiten aan de jachthaven aan de Nieuwe Kaai zal kunnen hervatten. Verzoekster moet alle goederen binnen drie dagen verwijderen en heeft geen plek om ze te bewaren, noch een andere haven waar zij gerechtigd is om een doorstart te maken. XII-9384-13/15
- De verwerende partij verklaart zich wat de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen.
- Volgens de tussenkomende partij heeft verzoekster niet de vereiste diligentie en spoed aan de dag gelegd, door de UDN-vordering pas te hebben ingediend elf dagen nadat zij de zending met de bestreden beslissing op het postkantoor ophaalde. Bovendien werd al rond 23-24 mei 2023, acht dagen voordat de bestreden intrekkingsbeslissing werd genomen, door diverse media erover bericht dat de domeinvergunning zou worden opgezegd en dat verzoekster haar activiteiten aan de jachthaven zou moeten beëindigen. Beoordeling
- Het kan verzoekster niet euvel worden geduid dat zij de voorliggende vordering niet reeds indiende vóóraleer de bestreden beslissing werd genomen. Dat verzoekster de voorliggende vordering uiteindelijk instelde op de elfde dag nadat zij op 5 juni 2023 de zending met de bestreden beslissing op het postkantoor ontving, spreekt niet de door haar beweerde uiterste urgentie tegen. De omstandigheid dat verzoekster luidens de bestreden beslissing van 31 mei 2023 alle goederen binnen drie kalenderdagen van het domein van de verwerende partij moet verwijderen, doet daar niet anders over denken. In hoofde van verzoekster wordt geen gebrek aan diligentie bij het instellen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aangenomen.
- Wat de intrinsieke uiterst dringende noodzakelijkheid van de gevorderde schorsing betreft, wordt er noch door de verwerende partij, noch door de tussenkomende partij concreet verweer tegen gevoerd. XII-9384-14/15 Evenmin ziet de Raad van State reden om deze hoogstdringende noodzakelijkheid te betwijfelen.
- Ook de tweede en laatste cumulatieve grondvoorwaarde voor een schorsing is vervuld. BESLISSING
- Het verzoek van de stad Turnhout tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State beveelt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de nv De Vlaamse Waterweg van 31 mei 2023 tot intrekking van de domeinvergunning van 25 augustus 2021 aan de vzw Vlaamse vereniging voor watersport Taxandria. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juli tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust XII-9384-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.089 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.095 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.821 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.