← België

Arrest 257105 - Varia (justitie) - 13/07/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.105 Rolnummer: A. 239499/VII-42108 Zaak: Arrest 257105 - Varia (justitie) - 13/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-20 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-16 22:55 Fiche Arrest nr 257.105 van 13 juli 2023 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 257.105 van 13 juli 2023 in de zaak A. 239.499/VII-42.108 In zake: Donato OLIVERIO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Scheerlinck kantoor houdend te 9000 Gent Martelaarslaan 134 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14 bus 2 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 5 juli 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing [van 4 juli 2023] van de procureur des Konings Limburg, afdeling Hasselt tot weigering van het verzoek tot schorsing/uitstel van de tenuitvoerlegging van Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Italië”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juli 2023, om 11.00 uur. VII-42.108-1/9 Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaten Pieterjan Van Muysen en Soraya Louahrani, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker wordt op 21 oktober 2021 aangehouden in het kader van een Belgisch strafonderzoek voor feiten van deelname aan een criminele organisatie. Hij verblijft gedurende elf maanden in de gevangenis en wordt vervolgens in vrijheid gesteld. 3.
  5. Op 28 maart 2023 vaardigt een rechter van het vooronderzoek van de rechtbank van Reggio de Calabre (Italië) een Europees aanhoudingsbevel uit lastens verzoeker voor feiten van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen. 3.
  6. Op 3 mei 2023 wordt verzoeker daartoe aangehouden door de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren. 3.
  7. Op 16 mei 2023 beveelt de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. Op 17 mei 2023 stelt verzoeker hoger beroep in. VII-42.108-2/9 3.
  8. Op 15 juni 2023 verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van verzoeker ontvankelijk maar ongegrond en beveelt zij de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van Italië van 28 maart
  9. 3.
  10. Op 27 juni 2023 verwerpt het Hof Van Cassatie het beroep van verzoeker. 3.7 Op 29 juni 2023 verzoekt de raadsman van verzoeker de procureur des Konings van Limburg en de federale procureur om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te schorsen of uit te stellen. 3.
  11. Op 4 juli 2023 beslist de procureur des Konings van Limburg niet in te gaan op de vraag van de raadsman van verzoeker. Die beslissing luidt: “De internationale dienst belast met de procedure omtrent de Europese aanhoudingsbevelen was reeds in kennis van uw schrijven dd. 29 juni
  12. Aangezien uw cliënt momenteel niet in hechtenis verblijft in het kader van het dossier Costa, wordt de tenuitvoerlegging van de overlevering niet uitgesteld. Door de verwerping van het cassatieberoep op 27 juni 2023 is de beslissing inzake de tenuitvoerlegging van het Europese aanhoudingsbevel definitief en dient uw cliënt binnen de tien dagen aan Italië te worden overgeleverd. Deze overlevering zal morgen plaatsvinden.” Dat is de bestreden beslissing. 3.
  13. Op 5 juli 2023 sluit de federale procureur zich aan bij de beslissing van de procureur des Konings van Limburg. Die beslissing luidt: “Ik heb kennis genomen van uw verzoek tot schorsing. Gezien de heer OLIVERIO echter niet meer in hechtenis zit in het dossier Costa en er nog geen behandelingsdatum voor het dossier bepaald is, is het niet opportuun om de uitleveringsprocedure naar Italië te schorsen. Een nodeloze vertraging van de procedure in Italië, lijkt ook niet in het belang van uw cliënt. VII-42.108-3/9 Ik sluit me aldus aan bij de beslissing van mijn collega in Limburg. Mijn ambt en het ambt van de Procureur van Limburg hebben reeds de nodige contacten gelegd met de Italiaanse autoriteiten om in het kader van de behandeling ten gronde van het dossier Costa een tijdelijke overleving naar België van uw cliënt mogelijk te maken. Ik hield eraan u hiervan in kennis te stellen.” 3.
  14. Op 5 juli 2023 wordt verzoeker overgeleverd aan de Italiaanse autoriteiten. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
  15. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij stelt dat het beroep zich niet richt tegen een akte of reglement zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat de Raad van State geen kennis kan nemen van het beroep. Zij licht haar exceptie toe als volgt (voetnoten weggelaten): “3.
  16. Het voorwerp van het verzoek tot schorsing is een beslissing van een procureur des Konings, deel uitmakende van het openbaar ministerie. Overeenkomstig art. 22 e.v. van de Wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel organiseert het openbaar ministerie de overlevering van de gezochte persoon, in uitvoering van de beslissing van de raadkamer die beval het Europees aanhoudingsmandaat ten uitvoer te leggen. 3.
  17. De minister van Justitie wordt in de wet niet aangeduid als de bevoegde autoriteit om ter zake medewerking te geven aan de beslissing van de rechterlijke macht. De minister van Justitie kan ook niet vereenzelvigd worden met het openbaar ministerie, en kan dan ook niet worden beschouwd als de autoriteit die de bestreden beslissing heeft genomen. Het verzoek is gericht tegen een persoon die met de bestreden beslissing geen uitstaans heeft. 3.
  18. Omtrent de bevoegdheid van de Raad van State bepaalt artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wat volgt: ‘Art.
  19. §
  20. Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, VII-42.108-4/9 overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen.’ Overeenkomstig deze bepaling is de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State slechts bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring, indien de bestreden beslissing kan worden beschouwd, hetzij als een handeling van een administratieve overheid, in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, hetzij als een handeling van één van de overheden opgesomd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, voor zover het in het laatste geval gaat om een handeling met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. 3.
  21. De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een vordering die verband houdt met de uitvoering van vonnissen en arresten van de justitiële rechter. De ambtenaar van het openbaar ministerie bezit de hoedanigheid van magistraat en neemt in die hoedanigheid deel aan de rechtsbedeling, wat hem fundamenteel onderscheidt van de ambtenaren. Hij oefent een gerechtelijk ambt uit en werkt mee aan de uitoefening van de rechterlijke macht. Het openbaar ministerie is dan ook een gerechtelijke overheid en geen bestuursoverheid. De handelingen waarbij de leden van het openbaar ministerie hun medewerking verlenen aan de uitoefening van de rechterlijke macht kunnen niet als handelingen van een administratieve overheid worden beschouwd. 3.[5]. De Raad van State zal zich zonder rechtsmacht moeten verklaren om van het verzoek en het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing van het openbaar ministerie.”
  22. In antwoord op deze exceptie stelt verzoeker op de terechtzitting met verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 27 juni 2023, dat wanneer een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt bevolen het voorwerp uitmaakt van een strafvervolging in België, het openbaar ministerie met toepassing van artikel 24 § 1, van de wet van 19 december 2003 ‘betreffende het Europees aanhoudingsbevel’ de overlevering van de betrokken persoon kan uitstellen opdat hij in België zou kunnen worden vervolgd. De beslissing om de overlevering uit te stellen berust bij het openbaar VII-42.108-5/9 ministerie en niet bij het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. Volgens verzoeker is die beoordeling door het openbaar ministerie geen rechterlijke beslissing, gaat het niet over de betwisting van een subjectief recht en beschikt het openbaar ministerie in casu over een discretionaire bevoegdheid. Verzoeker wijst erop dat het daarbij verkeerd is te stellen dat de minister van Justitie “geen uitstaans heeft met de bestreden beslissing”, omdat het openbaar ministerie onder de bevoegdheid staat van de minister van Justitie, hij de vervolging kan bevelen en hij bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid kan vastleggen. Aangezien uit het voorgaande blijkt dat aan het openbaar ministerie een eigen appreciatie toekomt, kan worden gesteld “dat dit te maken heeft met het strafrechtelijk beleid en aldus eveneens toekomt aan de Minister van Justitie”. Beoordeling
  23. Wat verzoeker bestrijdt, is de handeling waarbij de procureur des Konings van Limburg weigert om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van Italië van 28 maart 2023 dat is bevolen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen op 15 juni 2023, te schorsen of uit te stellen.
  24. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen : 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke VII-42.108-6/9 macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. De in het eerste lid bedoelde onregelmatigheden geven slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in het eerste lid, 2°, bedoelde akten en reglementen.” Overeenkomstig deze bepaling heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State slechts rechtsmacht om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring, indien de bestreden beslissing kan worden beschouwd, hetzij als een handeling van een administratieve overheid, in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, hetzij als een handeling van één van de overheden opgesomd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, voor zover het in het laatste geval gaat om een handeling met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen.
  25. De ambtenaar van het openbaar ministerie heeft de hoedanigheid van magistraat en neemt in die hoedanigheid deel aan de rechtsbedeling, wat hem fundamenteel onderscheidt van de ambtenaren (Grondwettelijk Hof, nr. 27/2009 van 18 februari 2009). Hij oefent een gerechtelijk ambt uit en werkt mee aan de uitoefening van de rechterlijke macht. Het openbaar ministerie is dan ook een gerechtelijke overheid en geen bestuursoverheid. De handelingen waarbij de leden van het openbaar ministerie hun medewerking verlenen aan de uitoefening van de rechterlijke macht kunnen niet als handelingen van een administratieve overheid worden beschouwd. Daaruit volgt dat de procureur des konings niet valt onder de toepassing van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. VII-42.108-7/9
  26. Luidens artikel 2, § 3, van de voornoemde wet van 19 december 2003, is het Europees aanhoudingsbevel “een gerechtelijke beslissing genomen door de bevoegde rechterlijke autoriteit van een lid-Staat van de Europese Unie, uitvaardigende rechterlijke autoriteit genaamd, met het oog op de aanhouding en de overlevering door de bevoegde rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat, uitvoerende autoriteit genaamd, van een persoon gezocht met het oog op de instelling van strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel”. Als de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is bevolen door de raadkamer of in beroep door de kamer van inbeschuldigingstelling, dient het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 22, § 1, van de wet van 19 december 2003 “samen met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende Staat zo spoedig mogelijk de datum van overlevering vast[te stellen]” en moet [d]eze datum […] in ieder geval ten laatste tien dagen na de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel [vallen]”. Krachtens artikel 24, § 1, van de wet van 19 december 2003 kan het openbaar ministerie echter, “in afwijking van het bepaalde in artikel 22 [van de wet van 19 december 2003] de overlevering van de betrokken persoon uitstellen opdat hij in België zou kunnen worden vervolgd of indien hij reeds is veroordeeld, de straf zou kunnen ondergaan die hem is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft”. Wanneer het openbaar ministerie – in casu de procureur des konings – concrete handelingen stelt met toepassing van artikel 24, § 1, van de wet van 19 december 2003, houden deze verband met de strafrechtsbedeling of met de uitvoering van een rechterlijke beslissing. Deze handelingen zijn dan ook te onderscheiden van de in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde handelingen van organen van de rechterlijke macht “met betrekking tot overheidsopdrachten of leden van hun personeel”.
  27. Ten overvloede kan er nog worden op gewezen dat aan het voorgaande geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat het openbare ministerie VII-42.108-8/9 onderworpen is aan het gezag en het toezicht van de minister van Justitie. Wanneer de minister van Justitie immers zijn medewerking verleent aan de vordering van de rechterlijke macht of gebruik maakt van bepaalde prerogatieven die de wet hem heeft toegekend om tussen te komen bij de gerechtelijke overheden of om deze laatsten te sturen, dan handelt hij niet als een administratieve overheid en ontsnappen deze handelingen aan de bevoegdheid van de Raad van State.
  28. Gelet op het voorgaande, moet bijgevolg worden vastgesteld dat de Raad van State volgens de vigerende wetgeving niet bevoegd is om van de voorliggende vordering kennis te nemen. Derhalve vertoont de opgeworpen exceptie voldoende ernst zodat ze in de huidige stand van de procedure kan worden bijgevallen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien juli tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Bruno Seutin VII-42.108-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.105 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.