← België

Arrest 257116 - Overheidsopdrachten - 17/07/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.116 Rolnummer: A. 239342/XII-9382 Zaak: Arrest 257116 - Overheidsopdrachten - 17/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-18 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-07 02:18 Fiche Arrest nr 257.116 van 17 juli 2023 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 257.116 van 17 juli 2023 in de zaak A. 239.342/XII-9832 In zake: de NV EMG BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens, Andi Zrza en Tess Leppers kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Eerste minister bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser, Hans Plancke en Gauthier Vlassenbroeck kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 16 juni 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de gemotiveerde gunningsbeslissing voor de concessie voor diensten voor de uitbating van het audiovisuele en technische dienstenaanbod ten behoeve van de gebruikers van, en de full-service-ondersteuning van de audiovisuele en technische installaties in het Résidence palace – Internationaal Perscentrum, Wetstraat 155 blok C, 1040 Brussel van 24 mei 2023”. XII-9382-1/38 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juli 2023. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaten Bob Martens en Andi Zrza , die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaten Hans Plancke, Gauthier Vlassenbroeck en Sophie-Charlotte Gysen, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een opdracht uit met als voorwerp ‘Concessie voor diensten voor de uitbating van het audiovisuele en technische dienstenaanbod ten behoeve van de gebruikers van, en de full-service-ondersteuning van de audiovisuele en technische installaties in het Résidence Palace – Internationaal Perscentrum, Wetstraat 155 blok C, 1040 Brussel’. Er wordt gekozen voor een plaatsingsprocedure sui generis in één fase, waarbij voorzien is in onderhandelingen. De opdracht wordt nationaal en internationaal bekendgemaakt. XII-9382-2/38 3.2. In deel 1 ‘Algemene bepalingen’ van het beschrijvend concessiedocument dat op de voorliggende opdracht van toepassing is, wordt het voorwerp van de concessie als volgt toegelicht: “1.2. Voorwerp en aard van de concessie Deze concessie betreft de exclusieve uitbating van het audiovisuele dienstenaanbod ten behoeve van de gebruikers van het IPC, alsook de full-service-ondersteuning van de technische en audiovisuele installaties in het IPC. De precieze te verlenen diensten met hun technische en functionele specificaties staan integraal beschreven in luik 3 van dit beschrijvend document. […] De waarde van de concessie wordt geraamd op 8.000.000 euro. Deze raming is gebaseerd op de gemiddelde jaarlijkse netto-omzet van de concessiehouder van de concessie van openbare dienst voor de exploitatie en full-service ‐ ondersteuning van de technische en audiovisuele installaties in het IPC van 1 augustus 2013 tot 31 juli 2021, en houdt rekening met de investeringen die van de concessiehouder worden geëist in het kader van de te verlenen diensten voor deze concessie (luik 3 van dit beschrijvend document).” De indicatieve looptijd van de concessie is bepaald op 10 jaar. In deel 2 ‘Administratieve voorschriften’ zijn de volgende bepalingen in het kader van de voorliggende zaak relevant: “2.1. Plaatsing van de concessie […] 2.1.3. Prijsbepaling

  1. a)Concessieovereenkomst: financiële stroom in twee richtingen De exclusieve uitbating van het audiovisuele en technische dienstenaanbod in het IPC en de full-serviceondersteuning van de audiovisuele en technische installaties in het IPC creëren een financiële stroom in twee richtingen: - voor wat betreft de uitbating van het audiovisuele dienstenaanbod en het exclusieve recht daartoe: een vergoeding vanwege de concessiehouder aan de aanbestedende overheid; - voor wat betreft het installeren en het garanderen van de operationaliteit van de audiovisuele en technische infrastructuur in het kader van deze concessie: een bijdrage vanwege de aanbestedende overheid aan de concessiehouder.
  2. b)Concessievergoeding van de concessiehouder aan de aanbestedende overheid XII-9382-3/38 De audiovisuele en technische concessie wordt toegestaan en aanvaard tegen betaling van een concessievergoeding door de concessiehouder aan de aanbestedende overheid. Die bijdrage houdt verband enerzijds met de lokalen die de concessiehouder in het kader van zijn activiteiten m.b.t. de concessie bezet in het gebouw van de aanbestedende overheid (zie punt 3.2.1) en anderzijds met het recht dat de concessiehouder krijgt om het audiovisuele en technische dienstenaanbod aan de gebruikers van het IPC exclusief uit te baten. De aanbestedende overheid waarborgt aan de concessiehouder de exclusiviteit van de verkoop van de audiovisuele en technische diensten in de lokalen van de aanbestedende overheid (zoals omschreven in punt 3.2), voor zover zij bepaald worden in dit document. De aan de concessiehouder toegekende exclusiviteit houdt in dat de concessiehouder, in de lokalen van het IPC, als enige de in dit document beschreven diensten mag exploiteren, wat evenwel geenszins de verplichting inhoudt voor de aanbestedende overheid of voor een huurder van kantoorruimte in het IPC (zie punt 3.3.1.
  3. b)die over eigen aangepast materiaal beschikt, om van de diensten van de concessiehouder gebruik te maken. Indien de aanbestedende overheid of een huurder van eigen materiaal gebruik maakt in de lokalen van het IPC, dan kan dat alleen voor eigen rekening. De concessievergoeding is gelijk aan een percentage van de jaarlijkse netto-omzet, m.a.w. het omzetcijfer dat de concessiehouder in het kader van deze concessie verwezenlijkt, verminderd met de BTW en eventuele kortingen en reducties toegestaan op facturen, met een gewaarborgd minimum van 22.000 euro per jaar. Dit percentage is gelijk aan 12% tot en met 300.000,00 euro jaarlijkse netto omzet, 11% op de volgende schijf die gaat van 300.000,01 euro tot en met 400.000,00 euro, 10% op de schijf die gaat van 400.000,01 euro tot en met 500.000,00 euro, enz. naar rato van 1% minder per bijkomende schijf van 100.000,00 euro.[…] De vermelde percentages vormen een minimumvereiste; een meer interessante offerte zal gevaloriseerd worden in het kader van de gunningscriteria (zie punt 2.1.4.c -lees: 2.1.4.
  4. b)B). […]
  5. c)Operationaliteitsbijdrage van de aanbestedende overheid aan de concessiehouder Voor het installeren en het garanderen van de operationaliteit van de audiovisuele en technische infrastructuur van de aanbestedende overheid en de structurele begeleiding van de aanbestedende overheid op dat vlak (zie punt 3.3.2.a en 3.3.2.
  6. b)ontvangt de concessiehouder van de aanbestedende overheid een maandelijkse operationaliteitsbijdrage, waarvan de hoogte wordt bepaald door de inschrijver in zijn offerte op basis van zijn businessplan voor de concessie en die beoordeeld wordt in het kader van de gunningscriteria (zie punt 2.1.4.b). Het garanderen van de operationaliteit betekent enerzijds dat de concessiehouder ervoor moet XII-9382-4/38 zorgen dat alle audiovisuele en technische infrastructuur, niet alleen die hij installeert en ter beschikking stelt in het kader van de uitbating […], maar ook die waarvan de aanbestedende overheid de eigenaar is en die bij de aanvang van de concessie reeds aanwezig is (zie inventaris in bijlage 4), steeds operationeel is, en anderzijds dat hij de eerstelijnsondersteuning dient te bieden in geval van problemen met de infrastructuur of bij vragen van de gebruikers van het IPC op technisch vlak. Desgevallend houdt de inschrijver bij de berekening van het maandelijkse bedrag van de operationaliteitsbijdrage ook rekening met de financierings- en afschrijvingskosten die hij zal hebben en met het moment van de respectieve investeringen t.o.v. de totale looptijd van de concessie. Het maandelijkse bedrag is dan ook forfaitair, wat betekent dat de concessiehouder geacht wordt in zijn opgegeven prijs alle mogelijke kosten die op de diensten wegen te hebben begrepen, met uitzondering van de BTW. De maandprijs dekt de materiële en personele middelen alsook de investeringen die de concessiehouder hiertoe inzet, of de diensten nu geleverd worden ten behoeve van de aanbestedende overheid, voor huurders van kantoorruimte in het IPC dan wel voor journalisten werkzaam in het gebouw, en of de diensten nu geleverd worden door de concessiehouder zelf dan wel door onderaannemers met wie de concessiehouder bv. een onderhoudscontract heeft afgesloten. Bijgevolg kunnen deze diensten in geen geval het voorwerp uitmaken van een bijkomende facturatie aan de aanbestedende overheid, de huurders of de journalisten. De diensten moeten op eerste verzoek van de aanbestedende overheid worden uitgevoerd door de concessiehouder en worden integraal vergoed via de operationaliteitsbijdrage. […] 2.1.4. Gunningscriteria De concessie zal worden gegund aan de inschrijver die de economisch meest voordelige offerte heeft ingediend. Voor de keuze van de economisch meest voordelige offerte zal de aanbestedende overheid de regelmatige BAFO’s van de inschrijvers die bij de onderhandelingen werden betrokken, toetsen aan de volgende gunningscriteria: 1. Kwaliteit van de conceptuele nota Totaal: 40 punten A. Visie 10 punten B. Businessplan 10 punten C. Aangeboden oplossingen voor de vereiste 10 punten investeringen opgesomd in punt 3.4 D. Beroepservaring team dat tijdens concessie zal worden ingezet (projectmanager, 10 punten salesverantwoordelijke en technici) 2. Prijs Totaal: 60 punten A. Operationaliteitsbijdrage 40 punten XII-9382-5/38 B. Aangeboden percentages bovenop opgelegde 5 punten minimum-percentages van de netto-omzet voor de concessievergoeding C. Kortingspercentage voor audiovisuele en 5 punten technische diensten tijdens evenementen in de lokalen van het IPC t.b.v. federale instellingen (zie 2.1.4.
  7. d)– lees 2.1.4.
  8. b)B) D. Lijst met eenheidsprijzen voor bepaalde diensten 10 punten die buiten de operationaliteitsbijdrage vallen […] De concessie zal worden gegund aan de inschrijver van wie de (regelmatige) BAFO, na optelling van de verschillende deelscores voor de bovenvermelde gunningscriteria, het hoogste aantal punten behaalt.
  9. a)Kwaliteit van de conceptuele nota A. Visie […] B. Businessplan […] C. Aangeboden oplossingen voor de vereiste investeringen opgesomd in punt 3.4 […] D. Beroepservaring van het team (de projectmanager, de salesverantwoordelijke en technici) De inschrijver moet ook aantonen dat het team dat hij zal inzetten voor de uitvoering van de concessie de nodige beroepservaring heeft. Hiertoe neemt hij in de conceptuele nota ook het curriculum vitae op van de projectmanager die het dagelijkse beheer van de concessie op zich zal nemen, de salesverantwoordelijke die de contacten met de klant op zich zal nemen en de technici die in het IPC zullen worden ingezet. Aangezien de keuze van de beste offerte gedeeltelijk zal afhangen van dit onderdeel, kunnen alleen de projectmanager, de salesverantwoordelijke en de technici die in de offerte werden voorgesteld, worden ingezet tijdens de uitvoering van de concessie. Er kan van deze voorwaarde niet worden afgeweken, tenzij uitzonderlijk en met een behoorlijk gemotiveerde reden, voor zover de aanbestedende overheid het toestaat en de vervangers ten minste gelijkwaardige kwaliteiten en ervaring kunnen voorleggen als de personen die in de offerte werden voorgesteld. Indien er geen relatie van ondergeschiktheid bestaat tussen de personen die in de offerte worden voorgesteld en de inschrijver die de offerte indient, dan moeten de voorgestelde projectmanager, salesverantwoordelijke en technici een schriftelijke verbintenis voorleggen waarin zij zich ertoe verbinden om de diensten persoonlijk te leveren voor de volledige duur van de concessie.
  10. b)Prijs A. Operationaliteitsbijdrage […] B. Aangeboden percentages bovenop opgelegde minimum-percentages van de netto-omzet voor de concessievergoeding […] C. Kortingspercentage voor audiovisuele en technische diensten aan federale instellingen XII-9382-6/38 De inschrijver vermeldt in zijn offerte het kortingspercentage dat hij ambtshalve zal toekennen op zijn totale factuur wanneer hij audiovisuele en technische diensten verleent tijdens evenementen in de conferentie- en vergaderzalen van het IPC, georganiseerd door federale instellingen en de andere publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen die een opdracht van openbare dienstverlening vervullen die tot het federaal bevoegdheidsniveau behoort en die erkend zijn door de aanbestedende overheid (zie ook punt 3.3.1.f). Dat percentage dient minimaal 20% te bedragen, op straffe van nietigheid van de offerte. Het betreft concreet de volgende instellingen: 1. de federale overheidsdiensten (FOD’
  11. s)en het Ministerie van Defensie bv. de FOD Justitie, de FOD Financiën, de FOD BOSA, de FOD Economie, enz.; 2. de programmatorische federale overheidsdiensten (POD’
  12. s)bv. de POD Wetenschapsbeleid, de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid 3. de wetenschappelijke instellingen Deze instellingen hangen af van een FOD of een POD (meestal de POD Wetenschapsbeleid), bv. het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Ruimte-Aeronomie, enz.; 4. de federale instellingen van openbaar nut (ION) De ION’s zijn verbonden aan een of meer FOD’s of POD’s, bv. het Nationaal Geografisch Instituut, het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, enz.; 5. de openbare instellingen van sociale zekerheid (OISZ) De OISZ zijn verbonden met een of meerdere FOD’s en hebben elk een specifieke taak in het beleid van de sociale zekerheid, bv. de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), de Federale Pensioendienst (FPD), de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), enz. D. Lijst met eenheidsprijzen voor bepaalde diensten die buiten de operationaliteitsbijdrage vallen De inschrijver moet in zijn offerte ook verplicht de volgende lijst (eveneens opgenomen in het offerteformulier in bijlage 3) met eenheidsprijzen aanvullen voor de volgende diensten, die allemaal diensten zijn die buiten de operationaliteitsbijdrage vallen: - de inzet van een cameraman zonder uitrusting voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een zaaltechnicus voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een multimediatechnicus voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een graficus voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een geluidstechnicus voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); XII-9382-7/38 - de inzet van een monteur met uitrusting voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een video-ingenieur voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een éénmans-ENG-ploeg voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een tweemans-ENG-ploeg voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een fotograaf voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een tolk voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een gebarentolk voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de inzet van een mobiele regie voor een uur, een halve dag (max. 5 uur) en een hele dag (max. 10 uur); - de live-transmissie van een journalist in de studio in het IPC (duur: 10 minuten); - de live-transmissie van een evenement in het IPC via satelliet (duur: 2 uur); - de live-transmissie van een evenement via webstreaming (duur: 2 uur); - de multicamera-captatie van een evenement met vier bemande camera’s (duur: 2 uur); - de installatie, stand-by en demontage van sfeerverlichting in een zaal van het IPC; - de installatie, stand-by en demontage van een mobiel beeldscherm (42” - 105 cm); - de installatie, stand-by en demontage van een PA-set met zes luidsprekers. […] 2.2. Uitvoering van de concessie 2.2.1. Plaats waar de diensten worden uitgevoerd De diensten worden in hoofdzaak uitgevoerd in het Résidence Palace - Internationaal Perscentrum - Brussel, Wetstraat 155 blok C in 1040 Etterbeek. De concessiehouder kan verzocht worden, in het kader van wat bepaald is in punt 3.3.2.f en volgens de lijst van eenheidsprijzen besproken in punt 2.1.4.a.5 - lees: 2.1.4.
  13. b)D), diensten te verlenen in: - de Wetstraat 16 in 1000 Brussel (kantoor van de eerste minister, zijn beleidscel en de FOD Kanselarij van de Eerste Minister); - de ‘Lambermont’, Lambermontstraat 1 in 1000 Brussel (ambtswoning van de eerste minister); - het Kasteel Hertoginnedal, Hertoginnedallaan 4 in 1160 Oudergem; - het Egmontpaleis, Kleine Zavel 8 in 1000 Brussel; - het Koninklijk Paleis, Brederodestraat 16 in 1000 Brussel.” Voorts zijn in deel 3. ‘Technische en functionele voorschriften’, nog de volgende bepalingen in de voorliggende zaak relevant: XII-9382-8/38 “3.3. Beschrijving van de vereiste dienstverlening 3.3.1. Klanten […]
  14. a)Huurders van kantoren in het IPC […]
  15. b)Journalisten werkzaam in de Europese wijk […]
  16. c)Organisatoren van evenementen in zalen van het IPC […]
  17. d)Bezoekers/deelnemers van evenementen in zalen van het IPC […]
  18. e)De eerste minister, zijn beleidscellen en de FOD Kanselarij van de Eerste Minister Aangezien het IPC organisatorisch en administratief is ingebed in de Algemene Directie Externe Communicatie van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, kunnen zowel de beleidscellen van de eerste minister als de FOD Kanselarij van de Eerste Minister en de verschillende diensten opgericht bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister (o.m. het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling, het Centrum voor Cybersecurity België en de Federale Interne Audit) kosteloos gebruik maken van de conferentie- en vergaderzalen van het IPC. In het IPC vinden dan ook zeer geregeld vergaderingen en evenementen plaats die georganiseerd worden door de beleidscellen of de administratie van de eerste minister en die omwille van hun grote zichtbaarheid, hun politieke belang en/of het niveau van de deelnemers een speciale aandacht vergen van de concessiehouders van het IPC.
  19. f)Federale instellingen, federale ministers en staatssecretarissen Het IPC streeft ernaar dat federale communicatoren (woordvoerders van federale instellingen, ministers en staatssecretarissen) zo veel mogelijk actief gebruik maken van zijn infrastructuur. Daarom gelden er voor bepaalde federale instellingen gunsttarieven wanneer zij een zaal huren in het IPC: - 20% korting op de zaalhuur; - 20% op de catering tijdens het evenement (toegestaan door de concessiehouder voor de uitbating van het restaurant en de cateringdiensten); - minstens 20% korting op de audiovisuele en technische diensten geleverd tijdens het evenement (toe te staan door de audiovisuele en technische concessiehouder - zie punt 2.1.4.d - lees: punt 2.1.4.
  20. b)C); - wanneer de federale instelling het evenement organiseert in aanwezigheid van de bevoegde minister of staatssecretaris of wanneer het evenement georganiseerd wordt door diens beleidscel, dan rekent het IPC helemaal geen zaalhuur aan en worden de zalen dus gratis aangeboden. 3.3.2. Diensten
  21. a)Eerstelijnsondersteuning bij problemen met de audiovisuele en technische infrastructuur […]
  22. b)Garanderen van de operationaliteit van de audiovisuele en technische infrastructuur […]
  23. c)Dienstverlening aan pers en media […]
  24. d)Dienstverlening aan eventorganisatoren […]
  25. e)Leveren van snel, betrouwbaar en gebruiksvriendelijk internet […] XII-9382-9/38
  26. f)Ter beschikking stellen van mensen, middelen en diensten De aanbestedende overheid wil via de af te sluiten concessieovereenkomst ook een kader vastleggen voor de terbeschikkingstelling, op afroep, van audiovisuele en technische profielen, middelen en diensten, ten behoeve van het IPC zelf of ten behoeve van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister (waarvan het IPC organisatorisch en administratief afhangt). Deze diensten zullen steeds geleverd worden, hetzij in het IPC zelf, hetzij op het grondgebied gelegen binnen de grote ring van Brussel, bv. de Wet-straat 16, de Lambermontstraat 1, het Egmontpaleis, het Koninklijk Paleis of het Kasteel Hertoginnedal. De concessiehouder zal voor deze dienstverlening worden vergoed via een rechtstreekse facturatie, hetzij aan het IPC, hetzij aan de dienst van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister die er een beroep op doet, volgens de tarieven die hij in zijn offerte dient op te geven (zie punt 2.1.4.a.5 - punt 2.1.4.
  27. b)D) voor: [… ] De opgegeven eenheidsprijzen dienen forfaitair te zijn, m.a.w. de concessiehouder zal deze dienstverlening moeten uitvoeren tegen de overeengekomen prijs; hij wordt geacht alle mogelijke kosten die op de dienstverlening wegen in zijn eenheidsprijzen te hebben begrepen (o.m. administratiekosten, verplaatsingskosten, enz.), met uitzondering van de BTW. […]
  28. g)Beschikbaarheid voor de medewerkers van het IPC […] 3.4. Beschrijving van de vereiste investeringen 3.4.1. Investeringen voor specifieke diensten aan de media […] 3.4.2. Investeringen voor de vaste installatie van het gebouw […]
  29. d)Vaste PTZ-broadcastcamera’s in Polak-, Passage- en Maelbeekzaal In elk van de conferentiezalen Polak, Passage en Maelbeek moet de concessiehouder drie PTZ-camera’s installeren in een vaste opstelling, die via glasvezel verbonden zijn met de centrale softwarematige productieregie […] De camera’s moeten zowel lokaal als vanuit de Master Control Room bediend kunnen worden, rekening houdend dat de drie conferentiezalen gelijktijdig bediend moeten kunnen worden met de centrale softwarematige productieregie […]. De minimale vereisten voor de tien PTZ-broadcastcamera’s zijn de volgende: - type camera PTZ 4K 50P; - aansluitingsmogelijkheden: 12G-SDI, 3G SDI, glasvezel, IP, HDMI; - minimaal 20x optische zoom; - output zowel 4K als HD met NDI-support. Timing: De PTZ-broadcastcamera’s moeten ten laatste op 1 september 2023 operationeel zijn. Beoordelingscriteria voor de offertes: Bijkomende aangeboden functionaliteiten bovenop de hierboven vermelde minimumvereisten, bv. extra toegevoegde bewegingsmogelijkheden van de camera’s (op- en neerwaartse bewegingen van de units), enz. XII-9382-10/38 […].
  30. e)Centrale, softwarematige aansturing van de audiovisuele en technische infrastructuur Voor de aansturing van de audiovisuele en technische infrastructuur in de conferentie- en vergaderzalen van het IPC (en ook in zalen van andere overheidsgebouwen die via glasvezel met het IPC kunnen worden verbonden, mits ze met de correcte infrastructuur zijn uitgerust) moet de concessiehouder een centraal, softwarematig bedieningssysteem installeren, beheren en onderhouden, zodat de volledige regie tijdens producties zowel vanuit de Master Control Room van het IPC als vanuit elke zaal afzonderlijk kan worden uitgevoerd: […] Schakelen tussen verschillende zalen/producties moet eenvoudig, zeer snel (d.w.z. in minder dan vijf minuten) en geautomatiseerd kunnen verlopen. Om de producties in te plannen, moet de concessiehouder voorzien in een geïntegreerd plannings- en toewijzingsprogramma voor de verdeling van de rekenkracht van de servers. De ongecomprimeerde video- en audiosignalen worden via een RTN (Real-Time Network) en volgens SMPTE 2110 (standaarden van de Society of Motion Pictures and Television Engineers) of gelijkwaardige standaarden beeldnauwkeurig geschakeld tussen de Master Control Room en de verschillende zalen, die alle via glasvezel met elkaar verbonden zijn.[…] Timing: De centrale, softwarematige aansturing van de conferentie- en vergaderzalen moet uiterlijk bij de start van de concessieovereenkomst operationeel zijn. Beoordelingscriteria voor de offertes: Bijkomende aangeboden functionaliteiten bovenop de hierboven vermelde minimumvereisten, bv. meer dan drie zalen gelijktijdig aanstuurbaar, bijkomende werkinstrumenten bovenop de hierboven vermelde minimumvereisten.” 3.3. Op 23 september 2022 wordt een verplichte informatiesessie georganiseerd. 3.4. Blijkens het proces-verbaal van opening van de offertes hebben de nv EMG Belgium, zijnde de verzoekende partij, en de nv NEP Belgium een eerste offerte ingediend. Blijkens de “gemotiveerde selectiebeslissing” van 24 november 2022 worden beide kandidaten geselecteerd. In het ‘verslag onderzoek regelmatigheid offertes’ van 13 december 2022 (hierna: regelmatigheidsverslag) wordt het volgende gesteld: XII-9382-11/38 “Grondig onderzoek van de regelmatigheid van de offertes. Het onderzoek naar de administratieve regelmatigheid en de conformiteit van de offertes werd gevoerd door […]. Uit dat onderzoek bleek dat de ingediende offertes niet substantieel onregelmatig waren, maar dat er van de twee kandidaat-concessiehouders bijkomende informatie nodig was. Formele regelmatigheid […] Materiële regelmatigheid Visie Een overzicht van de verschillende minimumvereisten, met de input van de inschrijvers kan teruggevonden worden in bijlage (Bijlage 1). Aan beide inschrijvers werd verduidelijking gevraagd m.b.t. hun visiedocument: […] Beide inschrijvers hebben hun visie aangevuld zoals gevraagd. Businessplan Beide inschrijvers hebben een businessplan voorgelegd met de gevraagde elementen. [….] Investeringen Beide inschrijvers hebben de nodige investeringen voorzien die voldoen aan de gevraagde minimumvereisten. Een overzicht kan teruggevonden worden in bijlage (Bijlage 2). Besluit Beide inschrijvers hebben afdoende en binnen de opgelegde tijdslimiet geantwoord op deze vragen, zodat beide offertes administratief volledig en conform konden worden beschouwd.” 3.5. De onderhandelingen vinden plaats van 13 december 2022 tot en met 17 februari 2023. Tijdens die onderhandelingen worden de inschrijvers verzocht hun eerste offerte toe te lichten en economisch voordeliger te maken. In dit kader hebben de twee inschrijvers een eerste en tweede tussentijdse offerte ingediend. Na afronding van de onderhandelingen nodigt de verwerende partij op 17 februari 2023 de inschrijvers uit om een BAFO in te dienen. Op 23 februari 2023 stuurt de verzoekende partij nog een e-mailbericht aan de verwerende partij met een aantal vragen “[m]et betrekking tot de lijst met eenheidsprijzen voor bepaalde diensten die buiten de operationele garantie vallen”, waarop de verwerende partij dezelfde dag antwoordt. XII-9382-12/38 3.6. Op 9 maart 2023 wordt een gunningsverslag opgesteld. Wat de beoordeling van de offertes aan de hand van de gunningscriteria betreft, is de volgende motivering in de voorliggende zaak relevant: “5.2.3 Investeringen […] 5.2.3.2.4 Vaste PTZ-Broadcastcamera’s in Polak-, Passage en Maelbeekzaal (punt 3.4.2.D). […] Beide kandidaten leveren gelijkaardige voorstellen die voldoen aan de gevraagde minimumvereisten. Wat het soort PTZ-camera betreft voorziet NEP Belgium reeds de nieuwste generatie PTZ-camera’s, namelijk de Panasonic AW-UE160. EMG Belgium voorziet de Panasonic AW-U150, die ook voldoet aan de gevraagde minimumvereisten. De AW-UE150 is een camera die al 3 jaar op de markt is. Bij een gemiddelde levensduur van 5 jaar zal deze camera snel gedateerd zijn. Omdat de audiovisuele en technische concessie een duurtijd van 10 jaar zal hebben, is het verstandig om een nieuwere camera met de nieuwste technologie in te passen in het project. Doordat de camera die NEP Belgium voorziet (AW-UE160) voldoet aan de SMPTE 2110 norm is het makkelijk (plug and play) om hem in te bouwen in de door het IPC gewenste configuratie, zonder gebruik te moeten maken van meer ingewikkelde en dure verbindingstechnologie (gateways) zoals voor het oudere cameramodel (AW-UE150). De AW-UE160 heeft bovendien 4K-resolutie, is lichtgevoeliger en heeft een verbeterde Pan Tilt Zoom technologie die bewegingen nog vloeiender laat verlopen dan met de AW-UE150. Door de 4K resolutie kan de camera ook beter de toekomst aan. De evaluatiecommissie geeft het voorstel van NEP Belgium dan ook een iets betere beoordeling. […] 5.2.4 Beroepservaring team […] Beide inschrijvers hebben een team voorgesteld met de nodige beroepservaring en krijgen dan ook het maximum van de punten, namelijk 10 punten.” De offerte van de verzoekende partij scoort 89,59 op 100 tegenover 95,12 op 100 voor die van de nv NEP Belgium. De evaluatiecommissie stelt bijgevolg voor om de concessie te gunnen aan de nv NEP Belgium. XII-9382-13/38 Bij dit gunningsverslag worden gevoegd: het proces-verbaal van opening van de offertes (bijlage 1), de selectiebeslissing van 24 november 2022 (bijlage 2), en het regelmatigheidsverslag van 13 december 2022 (bijlage 3). 3.7. De verwerende partij maakt zich op 1 juni 2023 de motieven van het gunningsverslag eigen en beslist, in het verlengde daarvan, om de concessie te gunnen aan de nv NEP Belgium. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 46 en 55, § 2, derde lid, van de wet van 17 juni 2016 ‘betreffende de concessieovereenkomsten’ (hierna: de concessiewet), artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 juni 2017 ‘betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing concessie), het gelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, het XII-9382-14/38 beginsel patere legem quam ipse fecisti, de formele en materiële motiveringsplicht, en het transparantiebeginsel. Zij licht toe dat een aanbestedende overheid een regelmatigheidsonderzoek dient te voeren van de ingediende offertes, terwijl te dezen uit het regelmatigheidsverslag blijkt dat de verwerende partij enkel heeft onderzocht of de offertes van de inschrijvers voldoen aan de eerste drie subgunningscriteria van het kwaliteitscriterium (namelijk visie, businessplan en investeringen), doch niet aan het vierde subgunningscriterium ervan (namelijk de beroepservaring van het team), noch aan het prijscriterium en de daaraan gerelateerde vier subgunningscriteria. Zij stelt voorts dat een aanbestedende overheid ook een gedegen prijsonderzoek dient uit te voeren “in lijn met het zorgvuldigheids-, gelijkheids- en mededingingsbeginsel”, terwijl de verwerende partij zich te dezen beperkt tot het weergeven van een overzicht van de percentages, de prijzen en de bijhorende scores in het gunningsverslag, zonder na te gaan of deze aspecten regelmatig zijn en voldoen aan de vereisten van het beschrijvend document. Nochtans stelt het beschrijvend document voor de vereisten inzake beroepservaring en inzake prijs afzonderlijke (en dwingende) vereisten voorop. Zo dienden de inschrijvers wat betreft de ‘prijs van de operationaliteitsbijdrage’ het maandelijks bedrag te vermelden van de operationaliteitsbijdrage excl. BTW, het BTW-tarief en het maandelijkse bedrag incl. BTW. De verzoekende partij vraagt de Raad van State uitdrukkelijk om te verifiëren of (
  31. i)de begunstigde wel degelijk deze indeling heeft gemaakt én of (
  32. ii)de verwerende partij dit heeft geverifieerd, wat niet blijkt uit het gunningsverslag, evenals of (iii) er wel degelijk rekening is gehouden met “het bedrag incl. BTW” voor de berekening van de score voor dit gunningscriterium. Ook wordt in het derde subgunningscriterium op straffe van nietigheid van de offerte vereist dat een “kortingspercentage voor audiovisuele en technische diensten aan federale instellingen” van 20% werd toegekend aan de instellingen vermeld in het beschrijvend document. Naar aanleiding van een vraag om verduidelijking van de verzoekende partij deelde de verwerende partij ook mee dat dit kortingspercentage niet van toepassing is op de lijst met eenheidsprijzen. Ook dienden de prijzen van XII-9382-15/38 de lijst met eenheidsprijzen (vierde subgunningscriterium) “bruto” weergegeven te worden. Ook in dezen verzoekt de verzoekende partij de Raad van State uitdrukkelijk om in het administratief dossier te verifiëren of (
  33. i)de voormelde cruciale verduidelijkingen ook door de aanbestedende overheid aan de begunstigde werden meegedeeld en of (
  34. ii)de begunstigde deze voorwaarden (die op straffe van nietigheid van de offerte staan voorgeschreven) ook daadwerkelijk heeft nageleefd (namelijk geen kortingspercentage op de eenheidsprijzen en “bruto” weergave van de eenheidsprijzen). 6. De verzoekende partij erkent dat de formele motiveringsplicht niet vereist dat het regelmatigheidsonderzoek in extenso wordt weergegeven in het gunningsverslag wanneer er zich geen bijzondere problemen ter zake hebben voorgedaan. Volgens haar rijzen er te dezen echter wel ernstige bedenkingen. Het is immers niet uitgesloten dat de voormelde minimale vereisten van het beschrijvend document inderdaad niet zijn geverifieerd. Dit blijkt des te meer uit het feit dat het gunningsverslag wel degelijk een regelmatigheidsverslag bevat waaruit blijkt dat de materiële regelmatigheid van bepaalde aspecten werd onderzocht. De vraag rijst dan des te meer waarom zulks niet voor de overige aspecten is gebeurd. Beoordeling 7. De beoordeling van de regelmatigheid van de offertes gaat vooraf aan de inhoudelijke beoordeling ervan. Het komt in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid en niet aan de Raad van State toe om te beoordelen of een offerte beantwoordt aan de bepalingen in het beschrijvend concessiedocument. De Raad van State mag wel nagaan of die beoordeling steunt op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die voortvloeien uit een zorgvuldig onderzoek. 8. Bij het gunningsverslag is het regelmatigheidsverslag van 24 november 2022 als bijlage gevoegd. Daarin wordt besloten dat de beide inschrijvers afdoende en binnen de opgelegde tijdslimiet geantwoord hebben op de XII-9382-16/38 vragen zodat de beide offertes administratief volledig en conform konden worden beschouwd. Het verslag bevat een schema met een overzicht van de vereisten inzake formele regelmatigheid, en wat de materiële regelmatigheid betreft een bespreking van de kwaliteitscriteria “visie”, “businessplan” en “investeringen”. Wat in het bijzonder de “beroepservaring van het team” betreft, blijkt uit het regelmatigheidsverslag dat voor de beide inschrijvers is nagekeken of de curriculum vitae van de projectmanager, de salesverantwoordelijke en de technici zijn ingediend. De verwerende partij verwijst in haar nota naar een “Excel inzake regelmatigheidsonderzoek”, dat als vertrouwelijk stuk is neergelegd maar dat de Raad van State heeft kunnen inzien. Het betreft de bijlagen 1 en 2 bij het regelmatigheidsverslag. Uit dit stuk blijkt dat de verwerende partij de offertes heeft getoetst aan alle minimumvereisten, ook deze waaromtrent niets in het regelmatigheidsverslag of het gunningsverslag is vermeld. 9. Hieruit volgt dat het regelmatigheidsonderzoek niet fragmentair maar integendeel volledig lijkt te zijn gevoerd. In het regelmatigheidsverslag worden enkel die aspecten opgenomen waaromtrent vragen waren gerezen. Aangenomen wordt dat wanneer er bij het regelmatigheidsonderzoek geen bijzondere problemen rijzen, in het gunningsverslag niet voor elk mogelijk aspect dat aan de regelmatigheid van de offertes raakt de positieve redenen moeten worden opgegeven waarom de offerte niet onregelmatig moet worden verklaard. 10. Wat het onderzoek van de vereisten inzake de prijs betreft, vraagt de verzoekende partij aan de Raad van State om bepaalde gegevens inzake de operationaliteitsbijdrage en het kortingspercentage te verifiëren in de offerte van de gekozen inschrijver. Het komt evenwel niet aan de Raad van State toe om zelf een regelmatigheidsonderzoek uit te voeren, een bevoegdheid die enkel aan de aanbestedende overheid toekomt. De Raad van State kan wel nagaan of de aanbestedende overheid dat onderzoek zorgvuldig heeft gevoerd. Te dezen blijkt XII-9382-17/38 op het eerste gezicht niet dat de gekozen inschrijver bepaalde gegevens onvolledig of foutief zou hebben ingevuld. Voor de berekening van de score voor het gunningscriterium ‘Prijs’ heeft de verwerende partij voorts wel degelijk rekening gehouden met het opgegeven bedrag voor de operationaliteitsbijdrage “incl. BTW”. Ten slotte blijkt uit het administratief dossier dat de verwerende partij de verduidelijkingen inzake het subgunningscriterium ‘Kortingspercentage voor audiovisuele en technische diensten aan federale instellingen’ die zij op 23 februari 2023 aan de verzoekende partij heeft meegedeeld, op dezelfde dag ook aan de gekozen inschrijver heeft meegedeeld. De gekozen inschrijver heeft bijgevolg met deze verduidelijkingen rekening kunnen houden. 11. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 12. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het gelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, het mededingingsbeginsel en de formele en materiële motiveringsplicht, “doordat de verwerende partij in dezen geen prijsonderzoek heeft uitgevoerd (minstens zulks niet blijkt uit het gunningsverslag).” Zij licht toe dat ook in de context van de concessieregelgeving een gedegen prijsonderzoek dient te worden uitgevoerd, wat voortvloeit uit het zorgvuldigheids-, het gelijkheids- en het mededingingsbeginsel. Een aanbestedende overheid dient erover te waken dat de prijzen voorgesteld in de offertes van de inschrijvers vergelijkbaar zijn en toelaten de opdracht uit te voeren overeenkomstig de opdrachtdocumenten en de voorgestelde prijzen; voorts, dat de vrije mededinging wordt gewaarborgd en dat geen prijzen worden aanvaard die de eerlijke mededinging verstoren. Er kan volgens de verzoekende partij ook worden verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State in de context van overheidsopdrachten, waarin de aanbestedende overheid gehouden is minstens een XII-9382-18/38 algemeen prijs- of kostenonderzoek te voeren ongeacht de gekozen plaatsingsprocedure. De verzoekende partij stelt vast dat de verwerende partij zich in het gunningsverslag beperkt tot het geven van een overzicht van de voorgestelde percentages en prijzen van de inschrijvers, met de bijhorende score volgens de berekening opgenomen in het beschrijvend document. Dit wijst er volgens haar op dat de verwerende partij te dezen geen prijzenonderzoek heeft gevoerd, noch heeft nagekeken of de offerte van de gekozen inschrijver wel voldoet aan de minimale vereisten inzake het prijscriterium zoals opgenomen in het beschrijvend document. Ondanks de opmerkelijke prijsverschillen blijkt niet dat de verwerende partij enige vorm van prijsonderzoek heeft uitgevoerd, minstens werd dit niet expliciet of zelfs impliciet opgenomen in het gunningsverslag. Ter illustratie verwijst de verzoekende partij naar de prijzen voor “inzet van een graficus voor een uur”, “inzet van een gebarentolk voor een hele dag (max. 10 uur)”, en “multicamera-captatie van een evenement met vier bemande camera’s (duur: 2 uur)”, waarbij sprake is van grote verschillen tussen de prijzen van de verzoekende partij en die van de gekozen inschrijver, welke lager zijn. De verwerende partij had de offertes nader moeten onderzoeken en minstens moeten nagaan of de inschrijvers de prijsbepalingen op een juiste wijze interpreteren en toepassen. Desgevallend was de verwerende partij ertoe gehouden een verzoek tot verduidelijking te richten aan de inschrijvers. De verzoekende partij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State inzake overheidsopdrachten waarbij veel kleinere prijsverschillen zelfs als schijnbaar abnormaal werden aangemerkt. Beoordeling 13. De verzoekende partij voert in dit middel in essentie aan dat er te dezen geen deugdelijk prijsonderzoek is gevoerd. Zij betwist niet dat de regelgeving inzake concessieovereenkomsten terzake geen verplichtingen bevat, doch stelt dat de verwerende partij ingevolge het zorgvuldigheids-, het gelijkheids- en het mededingingsbeginsel de verplichting had om na te gaan of de offertes geen abnormale prijzen bevatten. XII-9382-19/38 14. De kwalificatie die in het beschrijvend concessiedocument aan de voorliggende opdracht is gegeven, is een “concessie voor diensten”, in de zin van artikel 2, 7°, van de concessiewet. Noch in die wet, noch in het koninklijk besluit plaatsing concessie is een regeling inzake een prijzen- of kostenonderzoek opgenomen, zoals dit wel het geval is bij de regelgeving inzake overheidsopdrachten. 15. De Raad van State stelt vast dat, overeenkomstig punt 2.1.3. ‘Prijsbepaling’ van het beschrijvend concessiedocument, er sprake is van een financiële stroom in twee richtingen. Zo dient, in de eerste plaats, de concessiehouder voor het recht op de exclusieve uitbating van het audiovisuele en technische dienstenaanbod in het IPC een concessievergoeding aan de aanbestedende overheid te betalen, waarvoor minimum-percentages van de netto-omzet worden opgelegd. De aangeboden percentages bovenop die minimum-percentages worden beoordeeld in een subgunningscriterium van het gunningscriterium ‘Prijs’ op 5 punten (zie punt 2.1.4.
  35. b)B van het beschrijvend concessiedocument). In de tweede plaats dient de aanbestedende overheid aan de concessiehouder een maandelijkse, forfaitaire operationaliteitsbijdrage te betalen. Deze bijdrage wordt beoordeeld in een subgunningscriterium van het gunningscriterium ‘Prijs’ op 40 punten (zie punt 2.1.4.
  36. b)A van het beschrijvend concessiedocument). Wanneer de concessiehouder audiovisuele en technische diensten aanbiedt tijdens evenementen in de zalen van het IPC, georganiseerd door federale instellingen en andere nader genoemde publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen, dient hij bovendien minimaal 20% korting op zijn totale factuur aan te bieden, Dit kortingspercentage wordt beoordeeld in een subgunningscriterium van het gunningscriterium ‘Prijs’ op 5 punten (zie punt 2.1.4.
  37. b)C van het beschrijvend concessiedocument). Wanneer de concessiehouder ten slotte mensen, middelen en diensten ter beschikking stelt, ten behoeve van het IPC zelf of ten behoeve van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, op afroep, dan wordt de concessiehouder vergoed voor deze dienstverlening via een rechtstreekse facturatie volgens de tarieven die hij aanbiedt in zijn offerte in de “lijst van eenheidsprijzen voor bepaalde diensten die buiten de XII-9382-20/38 operationaliteitsbijdrage vallen”. Die lijst wordt beoordeeld in een subgunningscriterium van het gunningscriterium ‘Prijs’ op 10 punten (zie punt 2.1.4.
  38. b)D van het beschrijvend concessiedocument). De verzoekende partij lijkt haar middel te richten op die tweede financiële stroom, in het bijzonder op de maandelijkse operationaliteitsbijdrage die de aanbestedende overheid aan de concessiehouder dient te betalen, alsook op de vergoeding die de aanbestedende overheid en de FOD Kanselarij dienen te betalen voor welbepaalde diensten “op afroep”. Zij beklaagt zich erover dat de verwerende partij niet zou hebben nagegaan of de in dat kader door de inschrijvers voorgestelde prijzen vergelijkbaar zijn en betwijfelt of de door de gekozen inschrijver aangeboden prijzen wel toelaten de opdracht correct uit te voeren. De verzoekende partij erkent dat de regelgeving inzake concessieovereenkomsten, anders dan die inzake overheidsopdrachten, niet voorziet in een verplichting om een algemeen prijzen- of kostenonderzoek uit te voeren. Op zich lijkt de rechtspraak terzake van de Raad van State dan ook niet relevant te zijn. Wel is een aanbestedende overheid die met naleving van het zorgvuldigheids- en het gelijkheidsbeginsel wil handelen, ertoe gehouden om de regelmatigheid van de offertes na te gaan, en een van de vereisten voor de regelmatigheid van een offerte is dat zij geen abnormale prijzen bevat. Het onderzoek dat de verwerende partij uit hoofde van die verplichting moet voeren, lijkt in het voorliggend kader van een concessie voor diensten op het eerste gezicht evenwel niet te vergelijken met het specifiek geregelde prijsonderzoek, zowel algemeen als eventueel bijzonder, dat een aanbestedende overheid dient te voeren in het kader van de overheidsopdrachtenreglementering. 16. Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij tijdens de onderhandelingen een uitvoerige bevraging bij de inschrijvers heeft gedaan over de gevraagde operationaliteitsbijdrage. XII-9382-21/38 Voorts blijkt uit het gunningsverslag dat, voor de beoordeling van het prijscriterium, onder meer de door de inschrijvers aangeboden operationaliteitsbijdragen en aangeboden eenheidsprijzen voor de diensten die buiten de operationaliteitsbijdrage vallen, in twee kolommen naast elkaar zijn geplaatst om aldus met elkaar te worden vergeleken. De verzoekende partij duidt concreet drie van de twintig posten aan op de “lijst met eenheidsprijzen voor bepaalde diensten die buiten de operationaliteitsbijdrage vallen”, waarvoor er volgens haar sprake zou zijn van een substantieel prijsverschil. De drie posten die de verzoekende partij “ter illustratie” aanduidt, betreffen het loon voor een graficus, het loon voor een gebarentolk, en de prijs voor een multicamera-captatie van een evenement gedurende twee uur. De verwerende partij maakt op het eerste gezicht aannemelijk dat prijsverschillen in de audiovisuele sector, waarin (minstens gedeeltelijk) intellectuele diensten worden verleend, veel voorkomen, en dat het loutere feit dat de prijs van de verzoekende partij voor enkele eenheidsprijzen hoger ligt dan die van de gekozen inschrijver, op zich geen indicatie vormt dat de prijs opgegeven door de gekozen inschrijver abnormaal laag zou zijn. Bovendien worden deze diensten verleend “op afroep”, hetzij door het IPC zelf, hetzij door de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, zonder dat de verwerende partij in het beschrijvend concessiedocument enige garantie op afnamehoeveelheden waarborgt. In die concrete omstandigheden lijkt de zorgvuldigheidsplicht niet te vereisen dat de verwerende partij deze prijzen nog nader zou onderzoeken, noch dat zij de gekozen inschrijver over die prijzen zou bevragen. 17. De vraag of de gekozen inschrijver sommige van de posten uit die lijst van eenheidsprijzen wel goed heeft begrepen, gelet op het groot prijsverschil tussen haar offerte en die van de verzoekende partij, en of de prijzen bijgevolg wel vergelijkbaar waren, komt in het derde middel aan bod. 18. Gelet op het voorgaande, maakt de verwerende partij op het eerste gezicht aannemelijk dat er voor haar geen aanwijzing was van een XII-9382-22/38 abnormale prijs in de offerte van de gekozen inschrijver, en dus ook geen aanleiding om een nader onderzoek te doen naar de door die partij aangeboden prijzen. In het licht van die conclusie diende zij daaromtrent geen formele motivering in de bestreden beslissing zelf op te nemen. 19. De door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen en beginselen lijken bijgevolg niet te zijn geschonden. Het tweede middel is niet ernstig. Onder voorbehoud van het nader onderzoek bedoeld in overweging 17, is het tweede middel niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 20. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 24 van de wet concessieovereenkomsten 2016, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het zorgvuldigheids-, het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel. Zij licht toe dat uit de opdrachtdocumenten blijkt dat de betrokken subgunningscriteria van het gunningscriterium ‘Prijs’ niet duidelijk, nauwkeurig of ondubbelzinnig worden weergegeven, waardoor geen objectieve vergelijking van de offertes mogelijk is. Volgens haar verklaart dit meteen ook de substantiële prijsverschillen tussen de beide offertes. Zij gaat specifiek in op de kortingspercentages en de lijst met eenheidsprijzen. 20.1. Wat het derde subgunningscriterium ‘Kortingspercentage voor audiovisuele en technische diensten aan federale instellingen’ betreft, stelt de verzoekende partij dat luidens het beschrijvend document dit percentage minimaal 20% dient te bedragen, op straffe van nietigheid. Het beschrijvend document bepaalt vervolgens voor welke instellingen dit percentage geldt, namelijk voor de federale overheidsdiensten (FOD’
  39. s)en het ministerie van Defensie, de programmatorische federale overheidsdiensten (POD’s), de wetenschappelijke XII-9382-23/38 instellingen, de federale instellingen van openbaar nut (ION) en de openbare instellingen van sociale zekerheid (OISZ). In verband met de opstelling van de lijst met eenheidsprijzen heeft de verzoekende partij op 23 februari 2023 volgende vragen tot verduidelijking gesteld, waarop de verwerende partij heeft geantwoord als volgt: “Dienen de opgegeven eenheidsprijzen bruto te worden weergegeven? M.a.w. voor de commissiebijdrage en voor het toegestane kortingspercentage aan federale instellingen (min 20%)? De opgegeven eenheidsprijzen dienen bruto te worden weergegeven. Er dient geen rekening gehouden te worden met de commissiebijdrage. Het kortingspercentage is niet van toepassing op deze lijst met eenheidsprijzen, aangezien de gevraagde mensen, middelen en diensten enkel ter beschikking dienen gesteld te worden ten behoeve van het IPC of ten behoeve van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister.” Uit dit antwoord blijkt dat het voormeld kortingspercentage niet van toepassing is op de middelen, en diensten die ter beschikking worden gesteld van het IPC of de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, terwijl de instellingen voor wie het kortingspercentage wordt toegepast in het beschrijvend concessiedocument veel ruimer worden opgevat, en daarin van het “IPC” geen sprake is. Gelet op deze tegenstrijdigheid is het volgens de verzoekende partij nu niet duidelijk of de inschrijvers, bij het vaststellen van hun strategie aangaande de prijsberekening, rekening hebben gehouden met een kortingspercentage voor alle “federale instellingen en andere publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen die een opdracht van openbare dienstverlening vervullen”, dan wel of zij dit kortingspercentage niet hebben toegepast voor de middelen en diensten die ter beschikking worden gesteld van het IPC en de FOD Kanselarij van de Eerste Minister. Bovendien bepaalt het offerteformulier dat een korting enkel ambtshalve toegekend moet worden “aan federale instellingen, bij het leveren van audiovisuele en technische diensten tijdens evenementen in het IPC”. In dat formulier is aldus enkel nog sprake van “federale instellingen. XII-9382-24/38 In de PowerPoint van de informatiesessie van 26 september 2022 wordt dan weer gesteld dat de minimale korting van 20% van toepassing is op de “Federale instellingen, ministers en staatssecretarissen”, en net niét op de “FOD Kanselarij van de Eerste Minister”. De verzoekende partij betoogt dat deze tegenstrijdigheden een rechtstreekse invloed hebben op de vergelijkbaarheid van de offertes. Bij de opmaak van de offerte kunnen de inschrijvers om strategische redenen beslissen om voor bepaalde posten hoger in te schrijven dan voor andere, in het licht van die kortingen. Bovendien kan niet worden uitgemaakt op welke wijze, waarop en ten aanzien van welke entiteiten de inschrijvers het kortingspercentage toepassen, nu zij enkel het percentage dienen in te vullen. 20.2. Wat het vierde subgunningscriterium ‘Lijst met eenheidsprijzen voor bepaalde diensten die buiten de operationaliteitsbijdrage vallen’ betreft, stelt de verzoekende partij vast dat in het beschrijvend document niet nader wordt bepaald hoe deze eenheidsprijzen samengesteld dienen te worden (bruto of netto, en met inbegrip van welke kosten). In verband met de opstelling van de lijst met eenheidsprijzen heeft de verzoekende partij op 23 februari 2023 ook nog volgende vraag tot verduidelijking gesteld, waarop de verwerende partij heeft geantwoord als volgt: “Voor bepaalde dienstverlening, is er niet gespecificeerd of deze dienstverlening inclusief of exclusief uitrusting is. Het betreft dan specifiek de dienst voor de graficus, geluidstechnicus, fotograaf en ENG ploeg. Mogen we ervan uitgaan dat deze diensten inclusief materiaal zijn? Als er niet gespecifieerd is dat iets exclusief uitrusting is, dan mag ervan uitgegaan worden dat deze diensten inclusief materiaal zijn.” Nochtans blijkt uit de lijst met eenheidsprijzen van het beschrijvend document dat bij sommige diensten expliciet wordt bepaald dat de dienst “met uitrusting” dan wel “zonder uitrusting” moet worden geleverd, terwijl bij andere diensten niets wordt bepaald. Wat die laatste diensten betreft, kan worden gesteld dat hiervoor een eenheidsprijs moet worden voorgesteld zonder XII-9382-25/38 uitrusting, maar gelet op het antwoord van de verwerende partij kan ook worden gesteld dat de inschrijver moet voorzien in een eenheidsprijs met uitrusting. Het lijdt volgens de verzoekende partij geen twijfel dat dit deze discrepanties voor diverse en onvergelijkbare interpretaties kunnen leiden en dat de verduidelijkende antwoorden van de verwerende partij interne contradicties opleveren in de opdrachtdocumenten. Deze manifeste onduidelijkheden en discrepanties hebben betrekking op essentiële prijsbestanddelen, wat rechtstreeks raakt aan de essentiële opdrachtvoorwaarden en aan de objectieve vergelijking van de offertes. Dit blijkt volgens de verzoekende partij uit de “merkbare prijsverschillen” voor de “inzet graficus voor een uur”, “inzet van een éénmans-ENG-ploeg voor een uur”, “inzet van een fotograaf voor een uur”, “live-transmissie van een journalist in de studio in het IPC (duur: 10 minuten)”, en “multicamera-captatie van een evenement met vier bemande camera’s (duur: 2 uur)”. Ter illustratie verwijst de verzoekende partij bijkomend nog naar haar vraag aan de verwerende partij “met betrekking tot de kosten die moeten worden voorzien voor de inzet van een gebarentolk voor een hele dag”. De verwerende partij antwoordde dat de eenheidsprijzen forfaitair dienen te zijn en geacht worden “alle mogelijke kosten” op te nemen, terwijl er een significant prijsverschil bestaat tussen de beide inschrijvers, en het onrealistisch lijkt dat de gekozen inschrijver eenzelfde dienst kan aanbieden aan minder dan de helft van de prijs. Beoordeling 21. Luidens artikel 55, § 1, van de wet concessieovereenkomsten 2016 worden concessies gegund “op basis van objectieve criteria die voldoen aan de in [artikel] 24, eerste lid, […] genoemde beginselen en die ervoor zorgen dat de offertes onder voorwaarden van daadwerkelijke mededinging worden beoordeeld, waardoor een algeheel economisch voordeel voor de aanbesteder kan worden vastgesteld”. Luidens artikel 55, § 2, houden de gunningscriteria verband met het voorwerp van de concessie en verschaffen ze de aanbesteder geen onbeperkte keuzevrijheid. Artikel 24, eerste lid, van dezelfde wet bepaalt dat de aanbestedende overheid zorgt voor de plaatsing en uitvoering van concessies XII-9382-26/38 overeenkomstig de beginselen van niet-discriminatie en gelijke behandeling van de ondernemers en dat zij op transparante en evenredige wijze handelt. De aanbestedende overheid dient aldus bij het vaststellen van de gunningscriteria, te dezen in het beschrijvend concessiedocument, de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen, onder meer om te vermijden dat het bestek voor dubbele interpretatie vatbaar is. De gunningscriteria dienen te worden geformuleerd op een wijze waardoor alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers in staat zijn deze criteria op dezelfde wijze te interpreteren. 22. Het betoog van de verzoekende partij, volgens welk het derde subgunningscriterium zoals omschreven in het beschrijvend concessiedocument voor interpretatie vatbaar is omdat niet duidelijk zou zijn op welke klantengroepen het kortingspercentage van 20% van toepassing is, lijkt op het eerste gezicht niet te kunnen worden bijgevallen. 22.1. Zoals bepaald in het beschrijvend concessiedocument heeft de concessiehouder het exclusief recht om audiovisuele en technische diensten aan te bieden in de lokalen van het IPC, waarvoor hij een concessievergoeding dient te betalen. Deze vergoeding houdt verband, enerzijds, met de lokalen die aan de concessiehouder ter beschikking worden gesteld in het kader van zijn activiteiten met betrekking tot de concessie (zoals beschreven in punt 3.2 van het beschrijvend concessiedocument), en anderzijds, met het recht dat de concessiehouder krijgt om het audiovisuele en technische dienstenaanbod aan de gebruikers van het IPC exclusief uit te baten (zoals beschreven in punt 3.3 van het beschrijvend concessiedocument) (zie overweging 3.2). Het is in die context dat punt 2.1.4
  40. b)van het beschrijvend concessiedocument moet worden gelezen, waarin onder littera C wordt bepaald dat de inschrijver in zijn offerte het kortingspercentage vermeldt “dat hij ambtshalve zal toekennen op zijn totale factuur wanneer hij audiovisuele en technische diensten verleent tijdens evenementen in de conferentie- en vergaderzalen van het IPC, georganiseerd door federale instellingen en de andere publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen die een opdracht van openbare dienstverlening XII-9382-27/38 vervullen die tot het federaal bevoegdheidsniveau behoort en die erkend zijn door de aanbestedende overheid (zie ook punt 3.3.1.f)”. Uit die bepaling blijkt duidelijk voor welke diensten deze korting van toepassing is, namelijk voor “audiovisuele en technische diensten […] tijdens evenementen in de conferentie- en vergaderzalen van het IPC”. Hieruit blijkt eveneens voor welke klantengroepen de korting van toepassing is, namelijk voor “federale instellingen en de andere publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen die een opdracht van openbare dienstverlening vervullen die tot het federaal bevoegdheidsniveau behoort en die erkend zijn door de aanbestedende overheid (zie ook punt 3.3.1.f)”. De instellingen die voorts in dit punt 2.1.4. b), onder littera C worden opgesomd, stemmen exact overeen met deze opgesomd in deel 3 ‘Technische en functionele voorschriften’, onder punt 3.3.1.f). Ook al staan ze niet uitdrukkelijk in die opsomming vermeld, het lijkt evident dat de Eerste Minister en zijn beleidscellen, de FOD Kanselarij en het IPC hieronder vallen. 22.2. Voorts maakt de verwerende partij op het eerste gezicht aannemelijk dat het vierde subgunningscriterium geen verband houdt met het derde subgunningscriterium, aangezien dit vierde subgunningscriterium de diensten betreft die buiten de operationaliteitsbijdrage vallen en die enkel kunnen worden besteld, op afroep, door de Eerste Minister, zijn beleidscellen en de FOD Kanselarij. Zoals beschreven in punt 3.3.2.
  41. f)van het beschrijvend concessiedocument, “wil [de aanbestedende overheid] via de af te sluiten concessieovereenkomst ook een kader vastleggen voor de terbeschikkingstelling, op afroep, van audiovisuele en technische profielen, middelen en diensten, ten behoeve van het IPC zelf of ten behoeve van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister (waarvan het IPC organisatorisch en administratief afhangt)”, die zullen worden geleverd, “hetzij in het IPC zelf, hetzij op het grondgebied gelegen binnen de grote ring van Brussel”, en zal de concessiehouder voor deze dienstverlening worden vergoed “via een rechtstreekse facturatie, hetzij aan het IPC, hetzij aan de XII-9382-28/38 dienst van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister die er een beroep op doet, volgens de tarieven die hij in zijn offerte dient op te geven”. Het antwoord dat de verwerende partij op 23 februari 2023 aan de beide inschrijvers heeft gegeven, bevestigt het voorgaande, namelijk dat het kortingspercentage niet op de lijst van eenheidsprijzen van toepassing is. Wanneer het IPC of de FOD Kanselarij op afroep diensten bestelt die in die lijst zijn opgenomen, dienen zij immers de opgegeven prijzen te betalen, zonder toepassing van een korting. 22.3. Anders dan de verzoekende partij het ziet, bevat het offerteformulier geen “variatie” op de beschrijving van de federale instellingen onder punt 2.1.4 van het beschrijvend document. Een offerteformulier bevat op een schematische en dus verkorte wijze een overzicht met invulgebieden die de inschrijvers dienen in te vullen. Te dezen wordt in het offerteformulier vermeld dat het kortingspercentage aangeboden moet worden “voor audiovisuele en technische diensten aan federale instellingen (zie punt 2.1.4.d en 3.3.1.f van het beschrijvend document)” en lijkt aldus uitdrukkelijk te worden verwezen naar de federale instellingen zoals deze “ruim” zijn opgevat in het beschrijvend concessiedocument. De Raad van State stelt weliswaar vast dat in dit offerteformulier – overigens ook in het beschrijvend concessiedocument, telkens wanneer sprake is van dit kortingspercentage – verkeerdelijk wordt verwezen naar de federale instellingen opgesomd in “punt 2.1.4.d)”. Zoals de verwerende partij erkent, is een verwijzing naar punt 2.1.4.
  42. b)“littera C” bedoeld. De verwerende partij maakt ter terechtzitting aannemelijk dat deze materiële vergissing geen onduidelijkheid heeft kunnen veroorzaken, aangezien het betrokken punt “d)” geen opsomming van federale instellingen bevat, en punt “C” wel, en aangezien dezelfde instellingen ook worden opgesomd in punt 3.3.1.
  43. f)van het beschrijvend concessiedocument. 22.4. Een powerpointpresentatie ten slotte, heeft louter de bedoeling om op schematische wijze enkele verduidelijkingen te brengen bij een mondelinge toelichting en lijkt bijgevolg niet nuttig te kunnen worden aangevoerd om tegenstrijdigheden in de opdrachtdocumenten aan te tonen. XII-9382-29/38 23. Het verdere betoog van de verzoekende partij, volgens welk het vierde subgunningscriterium ‘Lijst met eenheidsprijzen voor bepaalde diensten die buiten de operationaliteitsbijdrage vallen’ onduidelijk zou zijn opgesteld aangezien niet nader wordt bepaald hoe deze eenheidsprijzen samengesteld dienen te worden (bruto of netto, en met inbegrip van welke kosten), lijkt op het eerste gezicht evenmin te kunnen worden bijgevallen. Mocht de wijze waarop deze diensten in het beschrijvend cooncessiedocument zijn beschreven, al voor interpretatie vatbaar zijn, dan lijkt het antwoord dat de verwerende partij op 23 februari 2023 aan de beide inschrijvers heeft gegeven, dit mogelijk interpretatieprobleem in ieder geval te hebben weggenomen. Uit dat antwoord blijkt immers dat de prijzen “bruto” dienen te worden opgegeven, en dat, wanneer in de lijst niet wordt gespecificeerd dat de dienst “zonder uitrusting” wordt bedoeld, “ervan [mag] uitgegaan worden dat deze diensten inclusief materiaal zijn”. Wanneer in de lijst bij de betrokken dienst “met uitrusting” wordt vermeld of niets wordt vermeld, is de uitrusting bijgevolg wél inbegrepen. Dit lijkt in het verlengde te liggen van punt 3.3.1.
  44. f)van het beschrijvend concessiedocument, waarin wordt gesteld dat “de opgegeven eenheidsprijzen […] forfaitair [dienen] te zijn, m.a.w. de concessiehouder zal deze dienstverlening moeten uitvoeren tegen de overeengekomen prijs; hij wordt geacht alle mogelijke kosten die op de dienstverlening wegen in zijn eenheidsprijzen te hebben begrepen (o.m. administratiekosten, verplaatsingskosten, enz.), met uitzondering van de BTW”. 24. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aantoont dat de betrokken bepalingen in het beschrijvend concessiedocument onduidelijkheden of tegenstrijdigheden bevatten waardoor een objectieve vergelijking van de offertes niet mogelijk zou zijn geweest. Gelet op die voorlopige conclusie, dient niet te worden ingegaan op de exceptie van de verwerende partij volgens welke het middel niet ontvankelijk zou zijn omdat de verzoekende partij deze kritiek niet tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd en omdat zij de prijzen in haar BAFO, XII-9382-30/38 na het verkrijgen van de antwoorden van de verwerende partij, ten opzichte van haar eerste offerte nauwelijks blijkt te hebben veranderd. 25. Daargelaten of het middel ontvankelijk is, is het niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 26. In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 24 en 46, § 1, 1°, van de concessiewet, artikel 30, § 1, vierde lid, 3°, en § 3, van het koninklijk besluit plaatsing concessie, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden aangezien de verwerende partij de offerte van de gekozen inschrijver niet heeft geweerd, ondanks het feit dat deze offerte een “PTZ-broadcastcamera” voorstelt die niet voldoet aan de minimumvereisten van het beschrijvend document. Zij licht toe dat in de technische bepalingen van het beschrijvend document als minimumeis wordt gesteld dat de PTZ-broadcastcamera’s een output moeten voorzien van “zowel 4K als HD met NDI-support”. PTZ betekent “Pan Tilt Zoom”, letterlijk vertaald “draaien, kantelen en zoomen”, en 4K betekent dat de camera video’s in 4K-resolutie moet kunnen opnemen. Voorts wordt ook vereist dat de ongecomprimeerde video- en audiosignalen “via een RTN (Real-Time Network) en volgens SMPTE 2110 (standaarden van de Society of Motion Pictures and Television Engineers) of gelijkwaardige standaarden beeldnauwkeurig kunnen [worden] geschakeld tussen de Master Control Room en de verschillende zalen, die alle via glasvezel met elkaar verbonden zijn”. De verzoekende partij stelt dat te dezen uit het gunningsverslag blijkt dat de offerte van de gekozen inschrijver niet aan de bovenvermelde minimumeisen voldoet. Zijzelf voorziet in een “AW-UE150 camera”, die wel aan de minimumvereisten voldoet en wordt aangesloten via een “gateway op SMPTE 2110”, terwijl de gekozen inschrijver voorziet in een “AW-UE160 camera”, een XII-9382-31/38 nieuwer model dat eveneens SMPTE 2110 connectiviteit aan boord heeft, maar beperkt zou zijn tot “Full HD” en dus niet connecteerbaar zou zijn “in ongecomprimeerde 4K zonder een externe gateway”. Zij voegt hiertoe een verklaring toe van de producent Panasonic, die als volgt heeft bevestigd: “SFP+ (ST2110): up to 2K/60P uncompressed supported, compressed 4K/60 (jpeg XS) supported later dit jaar met firmware update”. Uit dit antwoord blijkt volgens de verzoekende partij onmiskenbaar dat de door de gekozen inschrijver voorgestelde “AW-UE160 camera” niet voldoet aan de minimale eisen. Pas later dit jaar, en dus ruim na de indiening van de offerte, zou hieraan voldaan kunnen zijn. Beoordeling 27. De verwerende partij maakt in deze stand van de procedure aannemelijk dat de verzoekende partij ten onrechte twee minimale technische eisen samenleest om een nieuwe minimale eis te doen ontstaan die niet in de technische bepalingen wordt gesteld. De vereisten waarover de verzoekende partij het heeft zijn, enerzijds, de vereiste onder punt 3.4.2. d), namelijk dat de PTZ-camera een output in 4K-resolutie dient te hebben, en anderzijds de vereiste onder punt 3.4.2. f), namelijk dat “de ongecomprimeerde video- en audiosignalen […] volgens SMPTE 2110 […] of gelijkwaardige standaarden tussen de Master Control Room en de verschillende zalen geschakeld kunnen worden”. Blijkens de beoordeling van het betreffend kwaliteitsgunningscriterium, zoals weergegeven in overweging 3.6, biedt de gekozen inschrijver de nieuwste generatie PTZ-camera aan die kan worden ingebouwd in de door de IPC gewenste configuratie, zonder gebruik te moeten maken van een “meer ingewikkelde en dure verbindingstechnologie (gateways) zoals voor het oudere cameramodel”, model dat de verzoekende partij aanbiedt. De verwerende partij stelt in haar nota dat in de huidige configuratie van de camera die de gekozen inschrijver aanbiedt, de schakeling van 4K-signalen via connectiviteit thans inderdaad nog niet mogelijk is en dat een dergelijke schakeling pas na een update van de camera mogelijk zal zijn. Zij maakt evenwel aannemelijk dat een schakeling wel mogelijk is van 2K-signalen of, indien nodig, ook van 4K-signalen maar dan via een “gateway” zoals het geval is XII-9382-32/38 voor het oudere cameramodel dat de verzoekende partij aanbiedt. Het beschrijvend concessiedocument lijkt niet te vereisen dat ongecomprimeerde 4K-signalen geschakeld moeten kunnen worden. Het volstaat dat de schakeling van signalen mogelijk is, zoals bijvoorbeeld van 2K-signalen. 28. Het middel, dat lijkt uit te gaan van een verkeerde lezing van de minimumvereisten vervat in het beschrijvend concessiedocument, is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 29. In een vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 5/1, 6°, van de rechtsbeschermingswet, “op basis waarvan de gemotiveerde gunningsbeslissing ‘de juridische en feitelijke motieven, waaronder de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte’ dient te bevatten”, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 24 van de concessiewet, “waarin de beginselen van niet-discriminatie en gelijke behandeling vervat zitten”, en het materiëlemotiverings-, het gelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. 29.1. In een eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat uit het gunningsverslag niet blijkt dat, wat het vierde subgunningscriterium van het kwaliteitscriterium ‘beroepservaring team dat tijdens de concessie zal worden ingezet’ betreft, een daadwerkelijke en inhoudelijke beoordeling en vergelijking van de offertes heeft plaatsgevonden. Het gunningsverslag beperkt zich voor de beoordeling van dit subgunningscriterium, dat nochtans op 10 punten staat, tot een summiere standaardmotivering. Een dergelijke motivering staat lijnrecht tegenover de vaste rechtspraak van de Raad van State op grond waarvan stijlformules niet worden aanvaard, en daarentegen een “daadwerkelijke inhoudelijke beoordeling en vergelijking van de offertes” is vereist. Het is volgens de verzoekende partij weinig waarschijnlijk, mede gelet op de specifieke aard van de opdracht, dat alle aangereikte curricula vitae, dus die van “de projectmanager, de XII-9382-33/38 salesverantwoordelijke en de technici die in de offerte werden voorgesteld [en die] worden ingezet tijdens de uitvoering van de concessie”, een volledig identiek kwaliteitsniveau kennen. Minstens blijkt niet op welke concrete motieven de verwerende partij haar conclusie steunt dat de beide offertes voor alle voorgestelde profielen een identieke kwaliteit aanbieden die de maximumscore verantwoordt. 29.2. In een tweede onderdeel stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij met betrekking tot de PTZ-broadcastcamera’s onterecht geen rekening heeft gehouden met de specificiteit van de offerte van de verzoekende partij. De verwerende partij neemt aanstoot aan het oudere model van de camera dat door de verzoekende partij in de offerte wordt voorgesteld (hetgeen, zoals hoger gesteld, precies gebeurde om te voldoen aan de minimumeisen inzake de verbindingstechnologie), en is van oordeel dat het “verstandig [is] om een nieuwere camera met de nieuwste technologie in te passen in het project” aangezien “[b]ij een gemiddelde levensduur van 5 jaar deze camera snel gedateerd [zal] zijn”. Dit gegeven leidt er zelfs toe dat het voorstel van de gekozen inschrijver beter werd beoordeeld. Nochtans bevat (deel 8 van
  45. de)offerte van de verzoekende partij (onder het opschrift ‘‘beschrijving oplossingen voor vereiste investeringen”) de volgende clausule: “Gezien de levertermijn van deze camera’s en remote panels, worden deze ten vroegste geïnstalleerd in de tweede helft van 2023 en voorzien we een vervanging na 5 jaar.” Met deze vervanging is kennelijk geen rekening gehouden in de bestreden beslissing. Meer nog, door foutief ervan uit te gaan dat er geen vervanging zou plaatsvinden, verkreeg de verzoekende partij onterecht een lagere score. 29.3. In een derde onderdeel stelt de verzoekende partij dat de offerte van de gekozen inschrijver op diverse vlakken beter wordt gewaardeerd en beoordeeld met betrekking tot aspecten die op nagenoeg dezelfde wijze door de verzoekende partij worden aangeboden en bij wie deze aspecten dan weer niét (of zelfs negatief) worden beoordeeld. Dit is een schending van het gelijkheidsbeginsel. Zo zou de gekozen inschrijver proactief nieuwe klanten aanbrengen, terwijl de verzoekende partij “niet op zoek gaat” naar nieuwe klanten en in dit verband eerder een ondersteunende rol opneemt. Dit wordt XII-9382-34/38 tegengesproken in de offerte van de verzoekende partij waarin zij in haar conceptuele visienota zelfs een afzonderlijk hoofdstuk heeft gewijd aan het “proactief aanbrengen van nieuwe klanten”. Daarnaast wordt de offerte van de gekozen inschrijver beter gewaardeerd omdat deze zou voorzien in een single point of contact voor eventorganisatoren, terwijl zulks ook het geval is bij de verzoekende partij, wat dan echter weer niet wordt opgemerkt. Blijkens de conceptuele visienota van de verzoekende partij is de sales verantwoordelijke de single point of contact. Meer nog, de verzoekende partij voorziet voor grote events zelfs in een extra service op dit vlak door een specifieke “eventverantwoordelijke” aan te duiden. Beoordeling Eerste onderdeel 30. Wat het subgunningscriterium ‘beroepservaring van het team (de projectmanager, de salesverantwoordelijke en de technici)’ betreft, luidt de motivering in het gunningsverslag als volgt: “Beide inschrijvers hebben een team voorgesteld met de nodige beroepservaring en krijgen dan ook het maximum van de punten, namelijk 10 punten.” Deze motivering is inderdaad beperkt maar laat op het eerste gezicht evenwel niet toe om te besluiten dat er geen daadwerkelijke inhoudelijke beoordeling en vergelijking van de offertes zou hebben plaatsgevonden. De verwerende partij betwist de stelling dat zij door gelijke scores toe te kennen, zou hebben aangegeven dat de beide offertes identieke profielen vermelden en een identieke beroepservaring opnemen. Zij stelt dat er wel degelijk verschillen tussen de offertes bestaan, maar dit niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat zij verplicht was om verschillende scores toe te kennen; dat zij integendeel heeft vastgesteld dat het kwaliteitsniveau van de offertes op het vlak van de beroepservaring vergelijkbaar is en daarom heeft beslist om gelijke scores toe te kennen. Beide inschrijvers hebben immers een team voorgesteld dat de nodige beroepservaring heeft om de opdracht te kunnen uitvoeren. XII-9382-35/38 De verwerende partij maakt aldus op het eerste gezicht aannemelijk dat het bestaan van verschillen tussen de diverse curricula vitae niet belet dat zij van oordeel kon zijn dat de beide inschrijvers op een evenwaardig niveau een team hebben voorgesteld dat over ruim voldoende ervaring beschikt om de concessie volgens de regels van de kunst uit te voeren. 31. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. Tweede en derde onderdeel 32. De verwerende partij werpt als exceptie bij het vijfde middel op dat, van zodra wordt vastgesteld dat de overige middelen dienen te worden verworpen, niet valt in te zien welk voordeel de verzoekende partij nog uit dit middel zou halen, gelet op het totale puntenverschil dat de verzoekende partij dient in te halen. Een verzoeker lijkt inderdaad slechts belang bij een middel te hebben in de mate de kritieken het verschil in de totaalscore met de andere inschrijver zouden kunnen overbruggen. 33. In het tweede onderdeel van het vijfde middel bekritiseert de verzoekende partij de motivering voor de lagere score die zij behaalde voor de voorgestelde PTZ-Broadcastcamera’s, en dan nog slechts één element van die motivering. De voorgestelde PTZ-Broadcastcamera’s worden, naast veel andere aspecten inzake de vereiste investeringen, beoordeeld onder het subgunningscriterium ‘Aangeboden oplossingen voor de vereiste investeringen opgesomd in punt 3.4’, dat in totaal op 10 punten staat. De offerte van de verzoekende partij behaalde 8 op 10, die van de gekozen inschrijver 9 op 10. In het derde onderdeel van het vijfde middel bekritiseert de verzoekende partij de betere score die de offerte van de verzoekende partij behaalt op bepaalde aspecten terwijl de verzoekende partij die diensten eveneens zou aanbieden, met name het aanbrengen van nieuwe klanten en het voorzien in een single point of contact voor eventorganisatoren. Deze elementen worden, naast veel andere, beoordeeld onder het subgunningscriterium ‘Visie’, dat in totaal op 10 XII-9382-36/38 punten staat. De offerte van de verzoekende partij behaalde 7 op 10, die van de gekozen inschrijver 9 op 10. Met de verwerende partij wordt op het eerste gezicht vastgesteld dat zelfs indien de kritieken van de verzoekende partij op deze enkele beoordelingselementen in het gunningsverslag ernstig zouden zijn, en de offerte van de verzoekende partij een hogere score zou behalen voor elk van de door haar bekritiseerde beoordelingselementen, dit nog steeds niet zou volstaan om het bestaande puntenverschil van 5,71 punten met de gekozen inschrijver in te halen. De verzoekende partij zet althans zelf niet uiteen hoe een herbeoordeling van haar offerte op grond van deze beoordelingselementen dit puntenverschil zou kunnen overbruggen zodat haar offerte voor gunning van de opdracht in aanmerking zou komen. 34. Het vijfde middel is niet ernstig. VI. Besluit 35. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. XII-9382-37/38 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien juli tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Patricia De Somere XII-9382-38/38 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.