id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.169 Rolnummer: A. 239716/XIV-39245 Zaak: Arrest 257169 - Federale en lokale politie – Reglementen - 10/08/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-08-11 Raadplegingen: 179 - laatst gezien 2026-06-19 03:27 Fiche Arrest nr 257.169 van 10 augustus 2023 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 257.169 van 10 augustus 2023 in de zaak A. 239.716/XIV-39.245 In zake: het VRIJ SYNDICAAT VOOR HET OPENBAAR AMBT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:
- de minister van Binnenlandse Zaken
- de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Niels Tack en Lieselotte Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 juli 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het koninklijk besluit van 29 juni 2023 ‘tot wijziging van het RPPol betreffende de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-39.245-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2023, om 10.00 uur. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Niels Tack en Lieselotte Schellekens, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- In het Belgisch Staatsblad van 26 juli 2023 wordt het bestreden besluit gepubliceerd. Het verslag aan de Koning bij dit besluit stelt het volgende: “[…] Het besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, situeert zich in de pensioenproblematiek binnen de politiesector en heeft meer bepaald betrekking op de reglementaire bepalingen die werden uitgewerkt na het arrest nr. 103/2014 van 10 juli 2014 van het Grondwettelijk Hof. Om de redenen uiteengezet in het voormeld arrest heeft het Hof de gehele preferentiële pensioenregeling voor de personeelsleden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie vernietigd. Met het oog op een billijke, humane en progressieve, maar tevens juridisch sluitende regeling werd een stelsel van non-activiteit voorafgaand aan de pensionering uitgewerkt. Het betrof een tijdelijke uittrederegeling die in ieder geval tot en met 2019 gehandhaafd zou worden. Daarbij werd bepaald dat het stelsel van non-activiteit voorafgaand aan de pensionering ten vroegste kon aanvangen op de leeftijd van 58 jaar, wat een verhoging met respectievelijk vier of twee jaar ten opzichte van de vroegere preferentiële leeftijden van 54 of 56 jaar impliceerde. XIV-39.245-2/7 De maximale duur van dit stelsel werd vastgelegd op vier jaar. Tevens werd voorzien in een structurele statutaire mogelijkheid voor de personeelsleden van het operationeel kader die de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt, om een aangepaste betrekking aan te vragen. In het kader van het eindeloopbaanbeleid werden inmiddels een reeks maatregelen genomen of in het vooruitzicht gesteld die moeten toelaten dat de personeelsleden van het operationeel kader langer aan het werk kunnen blijven. De behoefte om terug te vallen op het stelsel van non-activiteit voorafgaand aan de pensionering zal hierdoor verder worden afgebouwd. Dat beleid omvat onder meer een responsabilisering van de organisatie om tijdig voldoende aangepaste functies te voorzien, een verduidelijking en uitbreiding van de statutaire mogelijkheden die langer werken faciliteren en een verhoogde inzet op telewerk. Het sluitstuk van dat beleid bestaat erin het stelsel van non-activiteit voorafgaand aan het pensioen te laten uitdoven over een periode van tien jaar. Daartoe wordt stelselmatig de aanvangsleeftijd om toe te treden tot dit stelsel verhoogd en gelijktijdig wordt de opnameduur ervan verminderd. Tevens wordt bepaald dat het recht op non-activiteit voorafgaand aan het pensioen niet meer kan toegekend worden aan de personeelsleden die uiterlijk op 31 december 2030 niet voldoen aan de progressief verstrengde voorwaarden van dat stelsel. Daardoor zal het vanaf 1 januari 2033 niet meer mogelijk zijn dat een personeelslid zich nog bevindt in het stelsel van non-activiteit voorafgaand aan het pensioen. […]”. IV. Herinnering aan de voorwaarden van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing. XIV-39.245-3/7 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid wijst de verzoekende partij erop dat zij als representatieve syndicale organisatie betrokken moet worden bij de syndicale onderhandelingen zoals bedoeld in de wet van 24 maart 1999 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten’. Het door de overheid respecteren van deze syndicale betrokkenheid is van determinerend belang op het vlak van de syndicale vrijheid en werking, temeer daar het recht op collectief onderhandelen opgenomen is in artikel 23 van de Grondwet. Het is essentieel voor de sociale vrede en finaal ook voor de goede werking van de overheidsdiensten en het welbevinden van de personeelsleden dat de syndicale prerogatieven onverkort worden gerespecteerd, niet alleen in naam maar in het echt. De verzoekende partij benadrukt dat uit het door haar aangevoerde enig middel blijkt dat de verwerende partij bij het tot stand brengen van het bestreden besluit het vereiste van daadwerkelijke voorafgaandelijke onderhandeling niet heeft gerespecteerd. De verzoekende partij meent dat het gebrek aan respect voor haar syndicaal prerogatief haar in zeer grote mate schaadt. Dit is niet voor herhaling vatbaar en het moet duidelijk zijn dat het zo niet verder kan. Er moet een signaal worden gegeven zodat in de toekomst materies die ter onderhandeling worden voorgelegd wel op een volwaardige manier kunnen worden onderhandeld, met respect voor de syndicale prerogatieven. De verzoekende partij besluit dat het ontbreken van daadwerkelijke onderhandelingen “van dag aan dag problematisch is” en dat het “van uitermate en spoedig belang [is] dat dit zou worden gesanctioneerd met een nietigverklaring op dat in de toekomstige onderhandelingen duidelijk zou zijn dat deze ernstig dienen te worden gevoerd”. XIV-39.245-4/7 Beoordeling
- Er dient aan te worden herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert met name dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen.
- Te dezen werpt de verwerende partij terecht op dat de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid een schorsingsvoorwaarde is die afzonderlijk onderzocht moet worden. In haar verzoekschrift gaat de verzoekende partij er ten onrechte aan voorbij dat de onwettigheden die zij tegen het bestreden besluit aanvoert op zich geen reden kunnen zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden. XIV-39.245-5/7 De bewering dat een inwilliging van de vordering er de verwerende partij toe zou aanzetten in de toekomst een andere invulling te geven aan de syndicale betrokkenheid toont het uiterst dringend karakter van de zaak niet aan. In het verzoekschrift worden geen precieze en concrete feitelijke gegevens aangevoerd die zouden uitwijzen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen.
- De verzoekende partij toont gezien het voormelde de spoedeisendheid van haar vordering niet aan. VI. Besluit
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.245-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien augustus tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Jan Clement, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Jan Clement XIV-39.245-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.169 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.567 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div