id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.170 Rolnummer: A. 239717/XIV-39246 Zaak: Arrest 257170 - Federale en lokale politie – Reglementen - 10/08/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-08-11 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-16 22:38 Fiche Arrest nr 257.170 van 10 augustus 2023 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 257.170 van 10 augustus 2023 in de zaak A. 239.717/XIV-39.246 In zake:
- Vincent VANDECASTEELE
- Johan KALLAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:
- de minister van Binnenlandse Zaken
- de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Niels Tack en Lieselotte Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 juli 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het koninklijk besluit van 29 juni 2023 ‘tot wijziging van het RPPol betreffende de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-39.246-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2023, om 10.00 uur. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Niels Tack en Lieselotte Schellekens, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 26 juli 2023 wordt het bestreden besluit gepubliceerd. Het verslag aan de Koning bij dit besluit stelt het volgende: “[…] Het besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, situeert zich in de pensioenproblematiek binnen de politiesector en heeft meer bepaald betrekking op de reglementaire bepalingen die werden uitgewerkt na het arrest nr. 103/2014 van 10 juli 2014 van het Grondwettelijk Hof. Om de redenen uiteengezet in het voormeld arrest heeft het Hof de gehele preferentiële pensioenregeling voor de personeelsleden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie vernietigd. Met het oog op een billijke, humane en progressieve, maar tevens juridisch sluitende regeling werd een stelsel van non-activiteit voorafgaand aan de pensionering uitgewerkt. Het betrof een tijdelijke uittrederegeling die in ieder geval tot en met 2019 gehandhaafd zou worden. Daarbij werd bepaald dat het stelsel van non-activiteit voorafgaand aan de pensionering ten vroegste kon aanvangen op de leeftijd van 58 jaar, wat een verhoging met respectievelijk vier of twee jaar ten opzichte van de vroegere preferentiële leeftijden van 54 of 56 jaar impliceerde. XIV-39.246-2/7 De maximale duur van dit stelsel werd vastgelegd op vier jaar. Tevens werd voorzien in een structurele statutaire mogelijkheid voor de personeelsleden van het operationeel kader die de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt, om een aangepaste betrekking aan te vragen. In het kader van het eindeloopbaanbeleid werden inmiddels een reeks maatregelen genomen of in het vooruitzicht gesteld die moeten toelaten dat de personeelsleden van het operationeel kader langer aan het werk kunnen blijven. De behoefte om terug te vallen op het stelsel van non-activiteit voorafgaand aan de pensionering zal hierdoor verder worden afgebouwd. Dat beleid omvat onder meer een responsabilisering van de organisatie om tijdig voldoende aangepaste functies te voorzien, een verduidelijking en uitbreiding van de statutaire mogelijkheden die langer werken faciliteren en een verhoogde inzet op telewerk. Het sluitstuk van dat beleid bestaat erin het stelsel van non-activiteit voorafgaand aan het pensioen te laten uitdoven over een periode van tien jaar. Daartoe wordt stelselmatig de aanvangsleeftijd om toe te treden tot dit stelsel verhoogd en gelijktijdig wordt de opnameduur ervan verminderd. Tevens wordt bepaald dat het recht op non-activiteit voorafgaand aan het pensioen niet meer kan toegekend worden aan de personeelsleden die uiterlijk op 31 december 2030 niet voldoen aan de progressief verstrengde voorwaarden van dat stelsel. Daardoor zal het vanaf 1 januari 2033 niet meer mogelijk zijn dat een personeelslid zich nog bevindt in het stelsel van non-activiteit voorafgaand aan het pensioen. […]”. 3.
- Het bestreden besluit treedt in werking op 1 oktober
- Artikel 1 van dit besluit verhoogt vanaf die datum de aanvangsleeftijd om toe te treden tot het zogenaamde Navap (non-activiteit voorafgaand aan het pensioen) van 58 jaar rond naar 58 jaar en zes maanden. IV. Herinnering aan de voorwaarden van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn XIV-39.246-3/7 van een gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt er in het verzoekschrift op gewezen dat volgens de aan het bestreden besluit voorafgaande regeling eerste verzoeker op 1 december 2023 en tweede verzoeker op 1 februari 2024 in Navap zullen gaan. Krachtens het bestreden besluit zullen verzoekers pas zes maanden na de oorspronkelijk gestelde datum tot het Navap worden toegelaten. Zij zullen zodoende zes maanden langer volwaardig beroepsactief moeten zijn en niet kunnen genieten van het Navap. Elke dag die zij aldus verliezen is onherroepelijk, deze periode is voorbij en komt nooit meer terug. Men kan niet als het ware retroactief genieten van de non-activiteit. Teneinde hen effectief en daadwerkelijk zoals oorspronkelijk voorzien te kunnen laten genieten van het Navap dient het bestreden besluit in zijn uitvoering te worden geschorst. Gelet op de nabijheid van de data waarop het Navap oorspronkelijk zou ingaan, zou een afwikkeling van een gewone schorsingsprocedure – in acht genomen de normale doorlooptermijn – onherroepelijk te laat komen om het nadeel op te vangen, zijnde het verlies van een periode waarin reeds kan worden genoten van het Navap. Verzoekers benadrukken dat het pas later kunnen genieten van het Navap voor hen een heel groot nadeel is. Het is immers niet zonder reden dat het stelsel bestaat en het is niet zonder reden dat zij daartoe persoonlijk inleveren op het vlak van inkomen. Zij hadden zich beiden ook reeds mentaal ingesteld op het beëindigen van hun actieve beroepsloopbaan op 1 december 2023 en 1 februari 2024, zodat het uitstel van deze beëindiging zwaar valt. Verzoekers noemen het tot slot opmerkenswaardig dat het bestreden besluit “pas op 26-07-2023 is gepubliceerd in het Belgische Staatsblad XIV-39.246-4/7 alwaar dit reeds in de schuif ligt sedert minstens 11-01-2023, zijnde de datum van de notulen van het onderhandelingscomité voor de politiediensten”. Het had de overheid vrijgestaan om de notulen eerder ter beschikking te stellen en eerder tot publicatie over te gaan, maar – al te goed wetende dat diverse personeelsleden gingen getroffen worden – is gewacht en gepubliceerd in het midden van de zomer(vakantie). Beoordeling
- Er dient aan te worden herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen. XIV-39.246-5/7
- Te dezen staat verzoekers’ kritiek dat de verwerende partij het (ontwerp van) bestreden besluit “in de schuif” zou hebben laten liggen en dat tot publicatie in het Belgisch Staatsblad is overgegaan “te midden de zomer(vakantie)”, los van de vraag of de onderhavige vordering een uiterst dringend karakter heeft.
- Wat de laatstgenoemde vraag betreft, beroepen eerste verzoeker en tweede verzoeker zich op een nadeel dat respectievelijk over vier maanden en zes maanden aanvangt. In het verzoekschrift wordt beweerd dat een gewone schorsingsprocedure – gelet op de “normale doorlooptermijn” ervan – te laat zal komen om dit nadeel te voorkomen. In het verzoekschrift ontbreekt elk precies en concreet feitelijk gegeven dat deze bewering kan staven. Deze tekortkoming klemt des te meer nu de verwerende partij erop wijst dat uit het meest recente op internet beschikbare activiteitenverslag van de Raad van State afgeleid kan worden dat de gemiddelde behandelingsduur van een gewone schorsingszaak ongeveer drie maanden bedraagt. De conclusie is dat het verzoekschrift er niet van overtuigt dat een gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen.
- Verzoekers tonen gezien het voormelde de spoedeisendheid van hun vordering niet aan. VI. Besluit
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XIV-39.246-6/7 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien augustus tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Jan Clement, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Jan Clement XIV-39.246-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.170 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.