id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.180 Rolnummer: A. 239812/XIV-39251 Zaak: Arrest 257180 - Kind & Gezin - 18/08/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-08-22 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-06 06:59 Fiche Arrest nr 257.180 van 18 augustus 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 257.180 van 18 augustus 2023 in de zaak A. 239.812/XIV-39.251 In zake: de feitelijke vereniging KINDEROPVANG SLOEBERKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Coene kantoor houdend te 1040 Brussel Legerlaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 9 augustus 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Agentschap Opgroeien van 2 augustus 2023 waarbij het bezwaar tegen de beslissing van 27 juni 2023 tot opheffing van de vergunning en tot stopzetting van de subsidies voor een kinderopvanglocatie, onontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. XIV-39.251-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2023, om 14.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Geert Coene, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is organisator van kinderopvang Sloeberke te Sint-Pieters-Leeuw. 3.
- Op 27 juni 2023 beslist het Agentschap Opgroeien regie tot de opheffing van de vergunning voor de kinderopvanglocatie en tot stopzetting van de basissubsidie voor 25 plaatsen met ingang van 31 juli
- 3.
- Tegen voormelde beslissing dient de verzoekende partij bezwaar in bij het Agentschap Opgroeien. 3.
- Op 2 augustus 2023 neemt het Agentschap Opgroeien regie de thans bestreden beslissing waarbij het bezwaar van de verzoekende partij onontvankelijk wordt verklaard op grond van de vaststelling dat het “niet de nodige gegevens [bevat], vermeld in artikel 21 van het Handhavingsbesluit van XIV-39.251-2/8 11 december 2015”, meer bepaald dat in het bezwaarschrift “de vermelding of de organisator wenst gehoord te worden” ontbreekt. De beslissing is ondertekend door Ilse Volders, directeur klantenbeheer Kinderopvang “bij delegatie, voor Dieter Vanhecke, afwezig”. 3.
- Op 15 augustus 2023 ondertekent Bruno Vanobbergen, in zijn hoedanigheid van waarnemend administrateur-generaal van het Agentschap Opgroeien, een beslissing tot bekrachtiging van de bestreden beslissing. Aan de bekrachtiging wordt terugwerkende kracht verleend “tot op het moment van de genomen beslissing tot onontvankelijkheid van het bezwaar van 2 augustus 2023”. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. A. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij zet uiteen dat de bestreden beslissing meebrengt dat “de uitvoering van de beslissing van 27 juni 2023 niet wordt geschorst en het sluitingsbevel derhalve per 1 augustus 2023 van kracht is geworden zodat er vanaf deze datum geen opvang meer georganiseerd kan worden voor de 25 ingeschreven kinderen” en dat er “tot op heden geen noodopvang [is] XIV-39.251-3/8 georganiseerd door andere instanties wat tot een problematische situatie leidt voor zowel de betrokken kinderen als hun ouders en familieleden”.
- In haar nota wijst de verwerende partij erop dat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering niet wordt verantwoord door een persoonlijk nadeel dat de verzoekende partij zal lijden, maar door een nadeel dat enkel betrekking heeft op de ouders en de opgevangen kinderen. Tevens stelt zij dat aangenomen mag worden dat “de betrokken ouders gebruik hebben gemaakt van de zomervakantie om te zoeken naar alternatieve opvangmogelijkheden, in de wetenschap dat het instellen van bezwaar weliswaar de onmiddellijke uitvoering van de opheffingsbeslissing opschort, maar verzoekster de ouders uiteraard niet heeft kunnen verzekeren dat na bezwaar een andersluidende beslissing mag worden verwacht”. Voorts merkt de verwerende partij op dat geen enkel stuk wordt bijgebracht en dat de schade “reeds is ontstaan en aanwezig is”. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de XIV-39.251-4/8 verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
- De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de beslissing van de verwerende partij van 27 juni 2023 tot opheffing van de vergunning en tot stopzetting van de subsidies van de betrokken kinderopvang definitief wordt en dat de opvanglocatie met onmiddellijke ingang moest worden gesloten. Het spreekt vanzelf dat dergelijke drastische maatregelen op korte termijn een reële bedreiging vormen voor het voortbestaan van de verzoekende partij. De omstandigheid dat de verzoekende partij in haar uiteenzetting ook wijst op de gevolgen voor de ouders en de kinderen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat die bedreiging voor de verzoekende partij een persoonlijk karakter heeft. Evenmin doet het ter zake dat de verplichte sluiting van de kinderopvanglocatie reeds een aanvang heeft genomen. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is er precies op gericht om de onherstelbare schade of nadelen die zouden voorvloeien uit een langdurige sluiting van de voorziening af te wenden.
- De verzoekende partij doet in de gegeven concrete omstandigheden voldoende blijken van een urgentie die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing.
- De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. XIV-39.251-5/8 B. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel wordt de onbevoegdheid van de steller van de bestreden rechtshandeling aangevoerd. De verzoekende partij zou namelijk niet kunnen nagaan of “de ondertekenaar van de beslissing tot onontvankelijkheid van 2 augustus 2023 over de vereiste bevoegdheid beschikt om deze beslissing bij delegatie te ondertekenen”.
- De verwerende partij stelt dat de bestreden beslissing ondertekend werd door Ilse Volders, directeur klantenbeheer Kinderopvang, “op basis van de delegatieregeling voorzien in het besluit van de administrateur-generaal van het agentschap Opgroeien en Opgroeien regie tot tijdelijke delegatie van sommige beslissingsbevoegdheden inzake voorzieningenbeleid kinderopvang van 26 januari 2023, die aan de heer Vanhecke delegatiebevoegdheid toekent”. Voorts benadrukt zij dat “[t]eneinde de juridische onzekerheid omtrent de bevoegdheid van de heer Vanhecke tot subdelegatie en aldus omtrent de bevoegdheid van de ondertekenaar tot ondertekening van de bestreden beslissing weg te nemen”, de leidend ambtenaar en hoofd van het Agentschap op 2 augustus 2023 de bestreden beslissing heeft bekrachtigd waardoor de “mogelijke onregelmatigheid” werd gedekt. Beoordeling
- De bestreden beslissing werd ondertekend door Ilse Volders, directeur klantenbeheer Kinderopvang “bij delegatie, voor Dieter Vanhecke, afwezig”. In haar nota erkent de verwerende partij dat Ilse Volders heeft gehandeld op basis van het besluit van 26 januari 2023 waarbij aan Dieter Vanhecke bepaalde beslissingsbevoegdheden worden gedelegeerd. Op geen XIV-39.251-6/8 enkele manier wordt echter aangevoerd, laat staan aangetoond, dat met het voornoemde besluit van 26 januari 2023 de bevoegdheid om de bestreden beslissing te nemen rechtstreeks werd gedelegeerd aan Ilse Volders of dat aan Dieter Vanhecke machtiging werd verleend om de aan hem gedelegeerde beslissingsbevoegdheden inzake voorzieningenbeleid kinderopvang te subdelegeren aan andere ambtenaren. Bijgevolg moet aangenomen worden dat Ilse Volders niet bevoegd was om de bestreden beslissing te nemen.
- In zoverre de verwerende partij meent dat de begane onregelmatigheid werd geregulariseerd door de bekrachtiging met terugwerkende kracht van de bestreden beslissing bij besluit van de waarnemend administrateur-generaal van het Agentschap Opgroeien van 15 augustus 2023, geldt de vaststelling dat voor het nemen van een dergelijke bekrachtigingsbeslissing het bestaan van een wettelijke grondslag niet wordt aangetoond. Daarenboven is een bekrachtigingsbeslissing, die er volgens de verklaringen in de nota van de verwerende partij specifiek op gericht is om een onregelmatigheid in het kader van de bezwaarprocedure toe te dekken en aan de verzoekende partij een doeltreffend rechtsmiddel te ontnemen, ontoelaatbaar in het licht van artikel 24 van het Handhavingsbesluit Baby’s en Peuters van 11 december 2015 waaruit voortvloeit dat het ingediende bezwaar wordt geacht ontvankelijk te zijn als het agentschap uiterlijk tien kalenderdagen na de datum van de ontvangst van het bezwaar geen (regelmatige) beslissing heeft genomen over de ontvankelijkheid ervan.
- Het eerste middel is ernstig. XIV-39.251-7/8 BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het Agentschap Opgroeien van 2 augustus 2023 waarbij het bezwaar tegen de beslissing van 27 juni 2023 tot opheffing van de vergunning en tot stopzetting van de subsidies voor een kinderopvanglocatie, onontvankelijk wordt verklaard.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien augustus tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron XIV-39.251-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.180 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.697 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.