id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.241 Rolnummer: A. 233402/VII-41084 Zaak: Arrest 257241 - Milieuvergunningen - 07/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-12 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-15 15:56 Fiche Arrest nr 257.241 van 7 september 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.241 van 7 september 2023 in de zaak A. é.402/VII-41.084 In zake : Peter ROELENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de GEMEENTE KAMPENHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 8 februari 2021 waarbij het ministerieel besluit van 31 augustus 2018 wordt ingetrokken en het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 3 september 2015 houdende het verlenen aan de gemeente Kampenhout en de intercommunale Interza van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en VII-41.084-1/19 veranderen van een containerpark, gelegen aan de Neerstraat te Kampenhout, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De gemeente Kampenhout heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 28 oktober 2021 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Wannes Thyssen, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Matthias Boydens, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.084-2/19 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De gemeente Kampenhout dient op 13 mei 2015, samen met de intercommunale Interza, een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een containerpark gelegen aan de Neerstraat te Kampenhout. 3.
- Bij besluit van 3 september 2015 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning. 3.
- Verzoeker, die in de nabijheid van het vergunde containerpark woont, stelt op 4 november 2015 bij de Vlaamse regering bestuurlijk beroep in tegen voormelde vergunningsbeslissing van de deputatie. 3.
- Op 14 december 2015 verklaart de bevoegde Vlaamse minister het ingestelde beroep onontvankelijk wegens laattijdigheid. 3.
- Bij arrest nr. 241.069 van 22 maart 2018 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 14 december 2015 omdat het beroep van verzoeker niet te laat werd ingesteld. 3.
- Ingevolge voormeld vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen. Bij besluit van 31 augustus 2018 wordt het beroep van verzoeker ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. 3.
- Op 8 februari 2021 gaat de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme over tot de intrekking van het ministerieel besluit van 31 augustus 2018 en neemt zij een nieuwe beslissing over het ingestelde bestuurlijk beroep. VII-41.084-3/19 Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties nopens het belang van verzoeker
- De verwerende partij werpt op dat verzoeker niet aantoont dat hij effectief hinder zal ondervinden door de vergunde inrichting en dat het enkele feit van nabuurschap niet volstaat tot staving van het in rechte vereiste belang. Daarbij preciseert zij dat het vergunde containerpark niet op 150 meter, maar op meer dan 220 meter van de woning van verzoeker gelegen is en dat er sprake is van een afscheiding door een weide en gemeentelijke loodsen.
- De tussenkomende partij voegt toe dat het vergunde containerpark niet behoort tot de inrichtingen van klasse 1 en dat het in werkelijkheid gaat om een kleinschalig containerpark dat, rekening houdend met de specifieke karakteristieken ervan, bezwaarlijk hinder kan veroorzaken ter hoogte van de woning van verzoeker. In zoverre verzoeker meent zijn belang te kunnen baseren op de aantasting van de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, komt hij op voor het algemeen belang en niet voor een persoonlijk belang. Ook wijst de tussenkomende partij erop dat het recyclagepark reeds meer dan 20 jaar op dezelfde plaats wordt geëxploiteerd en dat de beweerde visuele hinder en lichthinder veroorzaakt wordt door de gemeentelijke loodsen. Evenmin zou verzoeker verduidelijken aan welke gezondheidsrisico’s hij dreigt te worden blootgesteld.
- In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat in het bijzonder rekening gehouden moet worden met de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting, dat het risico op geluidshinder voldoende aannemelijk wordt gemaakt en dat niet de ligging van zijn woning maar de perceelsgrenzen in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van zijn belang.
- De tussenkomende partij beklemtoont in haar laatste memorie dat het feit dat het administratief beroep van verzoeker ontvankelijk werd VII-41.084-4/19 verklaard niet betekent dat zijn belang bij een annulatieberoep bij de Raad van State automatisch moet worden erkend. Voorts herhaalt zij dat verzoeker niet concreet aannemelijk maakt dat hij hinder of nadeel zal ondervinden door de vergunde exploitatie. Beoordeling
- Om belang te hebben bij het bestrijden van een milieuvergunning moet een verzoekende partij aannemelijk maken dat zij hinder of nadeel kan ondervinden door de vergunde exploitatie. De afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de omwonende en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, geldt daarbij als een belangrijk objectief criterium. Opdat van een voldoende belang sprake zou zijn, moet niet worden aangetoond dat de aangevoerde hinder onaanvaardbaar is. Elke vorm van hinder, hoe miniem ook, komt in aanmerking om het belang te ondersteunen.
- Zelfs indien aangenomen zou worden dat verzoeker niet op 150 meter maar op 220 meter van de inrichting woont, kan niet volledig worden uitgesloten dat hij op die ruimere afstand hinder door de vergunde activiteiten kan ondervinden. Concreet beschrijft hij dat er sprake is van (geluids)hinder door het continu aan- en afrijden van voertuigen, het dichtslaan van portieren, het deponeren van afvalstoffen in de daartoe bestemde containers, het regelmatig bijeendrukken van afvalstoffen en het ophalen van de containers. De verwerende noch de tussenkomende partij bewijzen op onweerlegbare wijze dat de door verzoeker beschreven hinder, die typisch is voor de exploitatie van een containerpark, volledig uitgesloten is op een afstand van 220 meter van de plaats waarop de hinder zijn oorsprong vindt. Evenmin tonen zij aan dat de omstandigheid dat tussen de woning van verzoeker en het betrokken containerpark een weide, een groenscherm en gemeenteloodsen gelegen zijn, meebrengt dat hij op zijn woonplaats geen of slechts verwaarloosbare hinder kan ondervinden.
- De excepties worden verworpen. VII-41.084-5/19 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Als eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 4.3.2, §§ 2bis en 3bis, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van artikel 2, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-MER-besluit), van rubriek 11, b), van bijlage III bij voormeld besluit, van artikel 5.2.1.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), alsook van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens verzoeker schendt de bestreden beslissing de aangehaalde bepalingen en beginselen doordat een milieuvergunning wordt verleend voor de exploitatie van een uit te breiden containerpark waarvan de omgevingseffecten noch op planniveau, noch op projectniveau werden onderzocht. Uit het administratief dossier blijkt nochtans dat er verscheidene maatregelen genomen moeten worden om de hinder voor de omgeving onder controle te houden, zoals het aanleggen van een groenbuffer, het respecteren van maximumtermijnen voor opslag van bepaalde afvalstoffen, het aanbrengen van netten over en het sluiten van bepaalde afvalcontainers. Rubriek 11, b), van bijlage III bij het project-MER-besluit verwijst naar installaties voor de verwijdering van afval. In de interpretatiehandleiding met betrekking tot de MER-rubrieken inzake afvalverwerking wordt erop gewezen dat “afvalverwijdering” ruim geïnterpreteerd moet worden en dat onder andere ook installaties voor de nuttige toepassing van VII-41.084-6/19 afvalstoffen aan de MER-plicht zijn onderworpen. De verwerking van afvalstoffen kan immers bestaan uit een voorbehandeling en een daaropvolgende eindverwerking. Bovendien worden containerparken in Vlarem II gekwalificeerd als “inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen”. Uit de samenlezing van artikel 5.2.1.1 van Vlarem II en van de relevante bepalingen van het materialendecreet volgt dat, vooraleer de vergunning voor een containerpark verleend kan worden, minstens een project-MER-screeningsnota moet worden opgesteld over de potentiële milieueffecten.
- De verwerende partij antwoordt dat een containerpark beschouwd moet worden als een plaats waar afvalstoffen worden uitgeladen ter voorbereiding van verder transport voor terugwinning, behandeling of verwijdering en dat dergelijke inrichting niet gelijkgesteld kan worden met een “installatie voor de verwijdering van afval” in de zin van rubriek 11, b), van bijlage III bij het project-MER-besluit. In dit verband wijst zij erop dat het begrip “installatie voor de verwijdering van afval” overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State restrictief geïnterpreteerd moet worden. Daarenboven meent zij uit arrest C-275/09 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 maart 2011, een argument te kunnen putten dat in voorliggend geval de milieueffecten niet opnieuw moesten worden onderzocht omdat er geen sprake is van het uitvoeren van werken of ingrepen die de materiële toestand van de plaats beogen te veranderen.
- Ook de tussenkomende partij argumenteert dat een containerpark niet kan worden gelijkgesteld met een installatie voor de verwijdering van afval, maar daarentegen enkel de inzameling en verdere distributie van afval naar verwerkingscentrales beoogt. De notie “verwijderen van afvalstoffen” in de zin van bijlage III bij het project-MER-besluit moet worden begrepen overeenkomstig het begrip “verwijdering van afvalstoffen” in het materialendecreet. De parlementaire voorbereiding bij dat decreet verduidelijkt dat met het verwijderen van afvalstoffen niet de inzameling en het transport ervan worden bedoeld, maar wel de daadwerkelijke verwerking ervan, die bestaat uit een eventuele voorbehandeling en een daaropvolgende eindverwerking. Tot slot treedt de tussenkomende partij het betoog van de verwerende partij bij waarin wordt VII-41.084-7/19 gesteld dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag in kwestie enkel bestaat uit de hernieuwing van een vergunning en er geen sprake is van werken of ingrepen die de materiële toestand van de plaats veranderen.
- In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat uit artikel 4.3.2, § 2bis, DABM volgt dat de verplichting tot het uitvoeren van een project-MER-screening ook geldt ingeval de lopende vergunning voor het project verstrijkt en een hernieuwing van de vergunning moet worden aangevraagd en dat uit die decreetsbepaling niet kan worden afgeleid dat een screening niet nodig zou zijn als er geen ingrepen of werken gepland worden die de materiële toestand ter plaatse beogen te veranderen. Hij verwijst vervolgens naar de definitie van “afvalbeheer” of “afvalstoffenbeheer” in artikel 3, 9°, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 ‘betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen’, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 (hierna: afvalstoffenrichtlijn). Verzoeker stelt dat bij gebrek aan een definitie voor het begrip “installatie voor de verwijdering van afval” die niet onder het toepassingsgebied van bijlage I of II bij het project-MER-besluit valt, dient aangenomen te worden dat uit de interpretatiehandleiding voor MER-rubrieken inzake afvalverwerking volgt dat een stortplaats beschouwd moet worden als een “installatie voor nuttige toepassing van afvalstoffen”. Uit de definitie in artikel 3, 9°, van de afvalstoffenrichtlijn blijkt dat afvalbeheer of afvalstoffenbeheer onder meer de inzameling en nuttige toepassing, met inbegrip van sortering, van afval inhoudt. Installaties voor de nuttige toepassing van afvalstoffen zijn derhalve screeningsplichtig. Met betrekking tot het arrest C-275/09 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 maart 2011, meent verzoeker dat indien er geen beoordeling van de milieueffecten heeft plaatsgevonden naar aanleiding van vroegere projecten dergelijke beoordeling wel moet plaatsvinden in het kader van de aanvraag voor een nieuw project. Toegepast op voorliggende zaak wijst hij erop dat met betrekking tot het containerpark nooit een milieueffectenbeoordeling werd uitgevoerd, terwijl dergelijke beoordeling des te meer relevant is rekening houdend met de ligging van de inrichting op 50 meter van het habitatrichtlijngebied VII-41.084-8/19 “Valleigebied tussen Melsbroek, Kampenhout, Kortenberg en Veltem” dat grotendeels overeenstemt met het VEN-gebied “Torfbroek-Silsombos-Kastanjebos”. De nabijheid van waardevol natuurgebied, in combinatie met het feit dat het containerpark zelf in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen is, brengt verzoeker tot de conclusie dat in de bestreden beslissing de mogelijk ongunstige milieueffecten van de inrichting niet afdoende werden onderzocht.
- Verzoeker beklemtoont in zijn laatste memorie dat het begrip “afvalverwijdering” ruim moet worden opgevat en dat daarbij geen artificieel onderscheid moet worden gemaakt tussen “verwijdering” en “nuttige toepassing” van afvalstoffen. Beoordeling
- Artikel 3, § 1, 7°, van het decreet van 23 december 2011 ‘betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: materialendecreet) definieert het “beheren van afvalstoffen” als “het inzamelen, het tussentijds opslaan en overslaan, het vervoeren, het nuttig toepassen en het verwijderen van afvalstoffen, met inbegrip van het houden van toezicht op die handelingen en het uitvoeren van de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting, en met inbegrip van activiteiten van afvalstoffenhandelaars of -makelaars”. Uit die begripsomschrijving volgt dat het inzamelen en het verwijderen aangemerkt moeten worden als aparte vormen van beheer van afvalstoffen. In artikel 3, § 1, 18°, van hetzelfde decreet wordt “inzameling” omschreven als “het verzamelen van afvalstoffen, inclusief de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie”. Overeenkomstig artikel 3, § 1, 26°, van het meervermelde decreet moet onder “verwijdering” worden verstaan “iedere handeling die geen nuttige toepassing is, zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen, alsook de handelingen die als dusdanig worden bepaald door de Vlaamse Regering”. De parlementaire voorbereiding bij het materialendecreet verduidelijkt nog dat met VII-41.084-9/19 het verwijderen van afvalstoffen “niet de inzameling” ervan wordt bedoeld (Parl.St. Vl.Parl. 2010-2011, nr. 1é/1, 13).
- De geschonden geachte rubriek 11, b), van bijlage III bij het project-MER-besluit vermeldt “installaties voor de verwijdering van afval (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)”. Aangezien het verwijderen van afvalstoffen moet worden opgevat conform de in het materialendecreet gegeven begripsomschrijvingen, is een recyclagepark niet te beschouwen als een inrichting voor het verwijderen van afvalstoffen. De handelingen die in een recyclagepark worden uitgevoerd strekken immers tot de sortering en de tijdelijke opslag van afvalstoffen met het oog op de overbrenging naar andere inrichtingen voor de verwerking en verwijdering ervan. Rubriek 11, b), van bijlage III bij het project-MER-besluit was derhalve niet van toepassing op de vergunningaanvraag die heeft geleid tot de bestreden vergunningsbeslissing.
- De interpretatieve “Handleiding Afval” van het departement Omgeving kan de in het materialendecreet gegeven definities, die kracht van wet hebben, niet beperken noch verruimen. In zoverre verzoeker argumenten meent te kunnen putten uit de afvalstoffenrichtlijn gaat het om een nieuw middel dat niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 159 van de Grondwet, van artikel 21, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I), van de bindende en verordenende kracht van het gewestplan “Halle-Vilvoorde-Asse”, van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de VII-41.084-10/19 inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), van artikel 5.6.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, alsook van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker zet uiteen dat de bindende en verordenende kracht van de gewestplannen ook geldt bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen. Ook als zou vaststaan dat de door een inrichting veroorzaakte hinder binnen aanvaardbare perken blijft, kan geen milieuvergunning worden verleend wanneer het voorwerp van de aanvraag strijdt met de bestemming van het gebied. De eerdere afgifte van een stedenbouwkundige vergunning belet niet dat de milieuvergunningsaanvraag moet worden getoetst aan de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften. De bestreden beslissing bevat nergens een concrete beoordeling van de vraag of de inrichting daadwerkelijk strookt met de toepasselijke bestemmingsvoorschriften. Hij vervolgt dat de bestreden milieuvergunning is verleend in strijd met de bestemmingsvoorschriften voor landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat zowel een planologisch als een esthetisch criterium omvat. Wat betreft het planologisch criterium, kan volgens verzoeker duidelijk gesteld worden dat de oprichting en verdere exploitatie van het containerpark kennelijk in strijd is met de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied. Omtrent het esthetisch criterium, te onderscheiden van de toets met betrekking tot de overeenstemming van de inrichting met de onmiddellijke omgeving, voert de bestreden beslissing geen enkele concrete toetsing door. Verzoeker betwist dat het gebied structureel aangetast zou zijn, omdat de aanwezige bebouwing enkel bestaat uit het containerpark en twee boerderijen. Bovendien wordt er in de rechtspraak veelvuldig op gewezen dat de aanwezigheid van bebouwing geen reden vormt om het landschap door nieuwe bebouwing nog verder aan te tasten. Het nabijgelegen natuurgebied is erkend als VEN-gebied, wat de uitzonderlijke natuurwaarde van het gebied benadrukt. De oprichting en de exploitatie van het containerpark en de aanpalende gemeentelijke loodsen tasten de goede ruimtelijke VII-41.084-11/19 ordening ter plaatse ernstig aan, zullen voor overlast zorgen en zijn niet inpasbaar in de landelijke omgeving. In de bestreden beslissing wordt ter motivering van de verenigbaarheid van het containerpark met de gewestplanbestemming verwezen naar het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, naar de aanleg van een groenscherm, naar de langwerpige vorm van de inrichting en naar de aanwezigheid van woonlinten in het aangrenzend woongebied met landelijk karakter. Voorts vindt verzoeker het merkwaardig dat de verwerende partij het nodig acht te verwijzen naar artikel 5.6.7 VCRO, terwijl zij tegelijk van oordeel is dat het containerpark overeenkomstig het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een verworvenheid zou zijn. Daarnaast is volgens verzoeker niet voldaan aan de twee cumulatieve voorwaarden van artikel 5.6.7 VCRO. In de bestreden beslissing wordt niet aangetoond dat de exploitatie van het containerpark de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Voorts kan het containerpark niet als hoofdzakelijk vergund worden beschouwd. De bestreden beslissing bouwt voort op de argumentatie dat het om een bestaande inrichting zou gaan die tot 4 januari 2016 vergund was. De initiële stedenbouwkundige vergunning werd verleend op grond van het toentertijd geldende artikel 20 van het inrichtingsbesluit dat bepaalt dat voor bouwwerken voor openbare diensten kan worden afgeweken van de gewestplanvoorschriften, op voorwaarde dat de inrichting in kwestie verenigbaar is met de algemene basisbestemming en met het architectonisch karakter van het gebied. Verzoeker verwijst naar de toelichting bij die bepaling in de omzendbrief van 8 juli 1997 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ en besluit dat de uitzondering van artikel 20 van het inrichtingsbesluit slechts onder zeer strikte voorwaarden kan worden ingeroepen, namelijk dat er een dringende en absolute noodzaak bestaat en dat er niet kan worden gewacht op het opstellen van een gemeentelijk plan. Vermits de vergunningverlenende overheden zich bij het verlenen van de vroegere vergunningen onterecht hebben gebaseerd op artikel 20 van het inrichtingsbesluit dan wel op decretale afwijkingsmogelijkheden, zijn die vergunningen onwettig en dienen zij op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te worden gelaten. VII-41.084-12/19
- De verwerende partij werpt in de eerste plaats op dat de vroeger verleende stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunning definitief zijn en dat de definitief vergunde toestand thans niet meer in vraag kan worden gesteld. Voorts benadrukt zij dat op grond van artikel 5.6.7, § 1, VCRO de inrichting kon worden vergund in afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften. In de bestreden beslissing valt te lezen dat het voorwerp van de aanvraag werd beoordeeld in het licht van de bestaande onmiddellijke omgeving. Volgens de verwerende partij wordt niet aangetoond dat zij op onzorgvuldige of op onredelijke wijze tot het besluit is gekomen dat het containerpark vergund kon worden met toepassing van artikel 5.6.7, § 1, VCRO.
- De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel omdat het niet aan verzoeker toekomt om ter vrijwaring van het algemeen belang op de komen voor het nabijgelegen natuurgebied. Ten gronde verwijst zij naar de in de bestreden beslissing vermelde motieven met betrekking tot de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving. Zij meent dat de kritiek als zou de milieuvergunningsaanvraag niet getoetst zijn aan de gewestplanbestemming en de kenmerken van de onmiddellijke omgeving, feitelijke grondslag mist. De tussenkomende partij wijst er ook op dat het voorwerp van de aanvraag louter een hernieuwing van de milieuvergunning betreft en dat alle voorgaande vergunningen wel degelijk op wettige wijze tot stand zijn gekomen. Bovendien kan artikel 159 van de Grondwet enkel worden ingeroepen ten aanzien van reglementaire besluiten en niet ten aanzien beslissingen met een individuele strekking, zoals vergunningen. De vraag om de vroeger verleende vergunningen buiten toepassing te laten moet dan ook worden afgewezen. Voorts stelt zij dat de verwijzing naar het groenscherm niet pertinent is, het door verzoeker bijgebrachte fotomateriaal betrekking heeft op de gemeentelijke loodsen en niet op het containerpark en de woonlinten in de aangrenzende bestemmingszones eveneens een impact hebben op de schoonheidswaarde van het betrokken landschap. Ondergeschikt wijst de tussenkomende partij op de toepasbaarheid van de afwijkingsmogelijkheid VII-41.084-13/19 voorzien in artikel 5.6.7 VCRO. Er kan volgens haar niet ernstig worden betwist dat de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in de bestreden beslissing afdoende is, nu in detail wordt ingegaan op elk aandachtspunt vermeld in artikel 4.3.1 VCRO. Bovendien beschikt de verwerende partij ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid en slaagt verzoeker er niet in de feitelijke onjuistheid of onredelijkheid van de opgegeven motieven aan te tonen. Tot slot heeft de verwerende partij terecht aangenomen dat de inrichting hoofdzakelijk vergund is.
- In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat het feit dat in het verleden stedenbouwkundige vergunningen werden verleend niet meebrengt dat de hernieuwing van een (vervallen) exploitatievergunning niet kan worden geweigerd, dat artikel 5.6.7 VCRO geen vrijgeleide mag zijn om “willekeurig” milieuvergunningen te verlenen die in strijd zijn met de geldende gewestplanbestemming, dat de twee decretale voorwaarden om de afwijkingsregeling te kunnen toepassen dan ook in restrictieve zin moeten worden opgevat en dat meer bepaald de eerdere afgifte van een stedenbouwkundige vergunning niet verhindert dat de milieuvergunningsaanvraag moet worden getoetst aan de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften. Verzoeker besluit dat ten onrechte werd geoordeeld dat het containerpark planologisch en esthetisch verenigbaar is met de bestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat artikel 5.6.7, § 1, VCRO recht zou geven op de verlenging van de milieuvergunning in afwijking van de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Beoordeling
- De in het middel aangevoerde kritiek is niet louter beperkt tot de beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting met het nabijgelegen natuurgebied Torfbroek. Het middel is ontvankelijk. VII-41.084-14/19
- In de bestreden beslissing wordt onder meer het volgende overwogen: “Overwegende dat de exploitatie volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (Koninklijk Besluit van 7 maart 1977) gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat behoudens bijzondere bepalingen de agrarische gebieden enkel mogen bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woningen van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid, voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven; dat gebouwen bestemd voor een met aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, slechts opgericht mogen worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 700 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstand van 300 en 700 m evenwel niet geldt in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven; dat de overschakeling naar bosgebied toegestaan is overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden; dat de landschappelijk waardevolle gebieden gebieden zijn waarvoor bepaalde beperkingen gelden om het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; Overwegende dat er geen nadere ordening geldt; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5.6.7, § 1, van de VCRO, een milieuvergunningsaanvraag vergund kan worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden: 1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezig of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; 2° de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund; dat uit de hierna vermelde motivering duidelijk blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan; Overwegende dat de inrichting stedenbouwkundig vergund is; dat er met de huidige aanvraag geen nieuwe bouwvergunningsplichtige infrastructuur wordt gevraagd; Overwegende dat de beoordeling van artikel 159 van de Grondwet in verband met de wettigheid van de afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen behoort aan de rechtbanken en niet aan de milieuvergunningverlenende overheid; Overwegende dat ten noorden en ten westen van de inrichting zich op circa 50 meter natuurgebied bevindt, waarin op ongeveer 350 meter het natuurreservaat Torfbroek is gesitueerd; dat de inplantingsplaats gelegen is op 450 meter van woongebied, 100 meter van woongebied met landelijk karakter en 200 meter van een parkgebied; dat achter het containerpark zich de wijk ‘Laar’, een woongebied met landelijk karakter bevindt; dat het VII-41.084-15/19 containerpark zich situeert op een gunstige locatie ten overstaan van de deelgemeenten Berg, Kampenhout-Centrum en Nederokkerzeel; Overwegende dat het containerpark gelegen is op ongeveer 50 meter van het habitatrichtlijngebied ‘Valleigebied tussen Melsbroek, Kampenhout, Kortenberg en Veltem’, dat overeenkomt met het VEN-gebied ‘Torfbroek-Silsombos-Kastanjebos’; dat er geen negatieve effecten van de exploitatie op het gebied worden verwacht; Overwegende dat de situering van het containerpark in de Neerstraat in overeenstemming is met het ruimtelijk beleid van de gemeente, zoals vervat in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van maart 2006; dat het Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan (GNOP) een onderdeel is van het milieuconvenant dat de gemeente afsloot met de Vlaamse overheid; dat het een plan is dat wordt opgemaakt voor de gehele gemeente en dat een beschrijving inhoudt van de natuurwaarden en de concrete maatregelen die nodig zijn voor het behoud en de vergroting van de natuurwaarden; Overwegende dat de hoofddoelstelling van het GNOP is het beleid van de gemeente op het vlak van natuurbehoud uit te werken; dat op de eerste plaats dit beleid zicht richt tot de ontwikkeling en de vergroting van de aanwezige natuurwaarden van gebieden, soorten, levensgemeenschappen, kleine landschapselementen en het vergroten van het maatschappelijk draagvlak door sensibilisatie en educatie; dat voortvloeiend uit de inventarisatie en het knelpuntenoverzicht in het GNOP door de gemeente Kampenhout een aantal algemene doelstellingen vooropgesteld werden; dat deze doelstellingen werden geconcretiseerd in een aantal acties; dat de inrichting van het containerpark op de huidige locatie één van deze acties uitmaakt; Overwegende dat er zich één woning binnen een straal van 100 meter bevindt, te weten op 90 meter van de inrichting; dat de woning van de beroepsindiener zich bevindt op circa 200 m afstand zuidelijk van het containerpark zelf; dat tussen diens perceel en het containerpark zich een weide, een groenscherm en het perceel met de gemeenteloods en verhardingen bevinden; Overwegende dat de verleende stedenbouwkundige vergunning van 11 september 1995 voor het containerpark een 3 m breed groenscherm bevat langs de oostelijke zijde en een 4 m breed groenscherm aan de westelijke zijde; dat aan de westelijke zijde de vergunning een weg voorzag vanuit de Neerstraat naar het perceel met de loods; dat het 4 m brede groenscherm tussen die weg en het containerpark ligt; dat langs de westelijke zijde van die weg er intussen eveneens een groenscherm is; dat omwille van dat bijkomende groenscherm en de afstand tot de dichtstbij gelegen woningen geen ruimtelijke impact verwacht wordt door het reduceren van het 4 m brede groenscherm tot 3 m; Overwegende dat het ruimtegebruik verantwoordbaar is; dat er niet meer open ruimte aangesneden wordt dan nodig; dat daarenboven door onderhavige milieuvergunningsaanvraag geen bijkomende ruimte ingenomen wordt; dat de aantasting van de open ruimte zoveel mogelijk wordt beperkt door de kleinschaligheid van het containerpark; dat door de langwerpige vorm van de inrichting, met de lange zijden loodrecht op het natuurgebied Torfbroek bovendien de visuele impact van het containerpark op het gebied zoveel mogelijk beperkt wordt; dat daarenboven het containerpark visueel gebufferd wordt ten aanzien van de omgeving door VII-41.084-16/19 middel van een omheining van 2 meter hoogte en een groenscherm rondom; dat de visuele hinder tot een minimum beperkt zou blijven; […] Overwegende dat het landschappelijk waardevol agrarisch gebied ter hoogte van het containerpark reeds in aanzienlijke mate aangetast is door de aanwezigheid van woonlinten ter hoogte van de Neerstraat, Laarstraat en Casemierstraat, alsook door een aantal woningen ter hoogte van de Kruisstraat; Overwegende dat door de inplanting van het containerpark op haar huidige locatie, de bereikbaarheid van deze noodzakelijke openbare nutsvoorziening geoptimaliseerd wordt, met een minimale belasting voor de te bedienen woonkernen; Overwegende dat de wegenissen van en naar het containerpark hierop voorzien zijn; dat, gelet op de beperkte openingsuren van het containerpark, zijnde van 13 uur tot 19 uur op dinsdag, woensdag en vrijdag en van 10 uur tot 17 uur op zaterdag, de mobiliteitsdoorstroming in de nabije omgeving niet onevenredig wordt belast; Overwegende dat het voorwerp van de aanvraag door haar inplanting, haar gabarit en het gebruik van een visueel groenscherm naadloos inpasbaar is in de heterogene omgeving; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”. Uit de aangehaalde motivering blijkt dat de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, VCRO. Die bepaling laat de vergunningverlenende overheid onder bepaalde voorwaarden toe om de gevraagde vergunning te verlenen in afwijking van de vigerende planologische voorschriften. In de mate dat verzoeker argumenteert dat het vergunde containerpark niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften die gelden voor een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarvan de verwerende partij op grond van een decretale bepaling echter meent te kunnen afwijken, is het middel niet dienend.
- Het verlenen van een milieuvergunning in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift met toepassing van artikel 5.6.7, § 1, VCRO, vereist dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad en dat de inrichting stedenbouwkundig vergunbaar is in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, hoofdzakelijk is vergund. VII-41.084-17/19 Wat de tweede voorwaarde betreft, wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat de inrichting “stedenbouwkundig vergund is” en dat “er met de huidige aanvraag geen nieuwe bouwvergunningsplichtige infrastructuur wordt gevraagd”. In de mate dat verzoeker tegen die motieven inbrengt dat zowel de stedenbouwkundige vergunningen van 11 september 1995, 22 januari 1999 en 26 mei 2004 als de milieuvergunningen van 4 januari 1996 en 6 november 1997 wegens onwettigheid buiten toepassing moeten worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet, faalt het middel naar recht aangezien artikel 159 van de Grondwet niet kan worden ingeroepen ten aanzien van individuele administratieve rechtshandelingen die een definitief karakter hebben verkregen. Verzoeker toont met zijn betoog bijgevolg niet aan dat de verwerende partij op basis van in rechte of in feite onjuiste motieven heeft vastgesteld dat het betrokken recyclagepark beschouwd moet worden als een bestaande inrichting, die hoofdzakelijk vergund is, zoals vereist door artikel 5.6.7, § 1, VCRO. Wat betreft de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening - eerste constitutieve voorwaarde voor de toepassing van artikel 5.6.7, § 1, VCRO - bekritiseert verzoeker de in de bestreden beslissing opgegeven motieven slechts zeer partieel en meent hij uit de gegrondheid van die partiële kritiek te kunnen afleiden dat met de bestreden beslissing volstrekt niet wordt aangetoond dat de exploitatie van het recyclagepark de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Er zijn echter geen redenen om aan te nemen dat de door verzoeker niet-bekritiseerde motieven op zich onmogelijk kunnen dienen als afdoende verantwoording voor de vaststelling dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad door de exploitatie van de vergunde inrichting. Om voormelde redenen wordt niet aangenomen dat de verwerende partij ten onrechte tot het besluit is gekomen dat ook aan de eerste voorwaarde van artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, VCRO is voldaan.
- Het tweede middel is ongegrond. VII-41.084-18/19 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeven september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.084-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div