id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.254 Rolnummer: A. 239933/IX-10315 Zaak: Arrest 257254 - Examens (onderwijs) - 08/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-12 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 11:25 Fiche Arrest nr 257.254 van 8 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.254 van 8 september 2023 in de zaak A. 239.933/IX-10.315 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS GROOT-BEVEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Groot-Beveren van 25 augustus 2023 waarbij de beslissing van de delibererende klassenraad om aan XXXX een oriënteringsattest C toe te kennen, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.315-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2022, om 11.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Christophe Vangeel verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is tijdens het schooljaar 2022-2023 leerling van het eerste leerjaar van de derde graad, studierichting ‘Verzorging’, in de Sint-Maarten Bovenschool te Beveren, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Het eindrapport van verzoekster vermeldt, wat het vak ‘Verzorging’ betreft, jaartekorten voor vijf van de zeven algemene doelstellingen (AD) en, specifiek wat de stages betreft, jaartekorten bij de zes algemene doelstellingen die deze stages in rekening brengen. De klassenraad geeft daarbij een schriftelijke toelichting. Hij wijst op de “zeer beperkte sociale vaardigheden” van verzoekster en vermeldt onder meer: “Het lukte je niet om op een gepaste manier te communiceren (verbaal en non-verbaal) met de zorgvragers. Vanaf week 1 heeft de stagebegeleiding getracht duidelijk te maken dat je een andere manier van communiceren moet aannemen (verbaal en non-verbaal) ten opzichte van de zorgvrager maar omdat we geen evolutie zagen in de groei naar een betere communicatie hebben we dan ook beslist om je op stage enkel nog indirecte zorg te laten verlenen.” IX-10.315-2/16 3.
- Op 30 juni 2023 beslist de delibererende klassenraad dat verzoekster niet geslaagd is en dat haar een oriënteringsattest C wordt toegekend. De motivering van deze beslissing luidt: “Omwille van de gemiddelde tekorten en het niet behalen van de leer- plandoelstellingen die eigen zijn aan de studierichting verzorging: AD1 stage, AD2 Communiceren, AD2 Stage, AD3 Werken in team, AD3 stage, AD4 Gezondheid en welzijn, AD4 stage, AD5 (Ped)agogisch handelen, AD5 stage, AD6 Indirecte zorg, AD6 stage, We verwijzen naar het blad opvolging studieproblemen en de gesprekken met leerkrachten, stagementoren, directie en leerlingenbegeleiding.” 3.
- Verzoekster gaat niet akkoord met het toegekende C-attest en vraagt een overleg aan bij de schooldirectie. Nadat dat overleg heeft plaatsgehad, oordeelt de schooldirectie dat een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad niet aangewezen is. 3.
- De moeder van verzoekster stelt op 10 juli 2023 een beroep in bij het schoolbestuur tegen de voormelde beslissing van de delibererende klassenraad. 3.
- Op 18 augustus 2023 worden verzoekster en haar moeder, bijgestaan door hun raadsman, gehoord door de beroepscommissie van de verwerende partij. De raadsman dient bij die gelegenheid schriftelijk “bijkomende bezwaren” in tegen de betwiste beslissing van de delibererende klassenraad. Verzoekster doet daarbij onder meer gelden, letterlijk, hetgeen volgt (met weglating van de verwijzingen, vooral in voetnoot, naar rechtspraak van de Raad van State): “VI. Bijzondere omstandigheden Zoals eerder vermeld kunnen de resultaten voor de stage van verzoekster op geen enkele wijze als representatief worden aanzien. IX-10.315-3/16 Zo hebben er zich het afgelopen schooljaar bijzondere omstandigheden voorgedaan waardoor verzoekster volledig buiten haar wil om niet in staat was haar volledige kunnen aan te tonen. Zo was de begeleiding op haar stage dermate gebrekkig dat deze op onrechtmatige wijze werd stopgezet en er voor 1 van de 4 stageperiodes geen resultaten voorliggen. Gezien het kleine tekort dat voorligt op de cluster verzorging zijn de ontbrekende gegevens cruciaal in het dossier van verzoekster. Onderstaand schets verzoekster nogmaals de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan: De school heeft het nagelaten de juiste begeleiding en ondersteuning te bieden aan verzoekster tijdens de stage. Ze hebben haar aan haar lot overgelaten toen men zag dat ze het sociaal wat moeilijker had dan de rest van haar klas. Ze maakt moeilijker contact met mensen door jarenlange pesterijen en faalangst. De school is reeds verschillende jaren op de hoogte van deze problematiek, echter werd er nooit enige gepaste hulp geboden. Zo kreeg verzoekster louter de kans om één maal om de twee weken gebruik te maken van de leerlingenbegeleiding, maar dit echter pas zeer toen men reeds ver gevorderd was in het schooljaar, nl. vanaf eind april. Tijdens de stage diende verzoekster twee lavobowassingen uit te voeren met zorgverlener. Hierna kreeg ze de feedback dat ze deze goed had uitgevoerd. Later tijdens de stage diende verzoekster deze opnieuw uit te voeren, ditmaal onder toezicht van de stagebegeleiding. Verzoekster voerde deze op dezelfde manier uit, maar wordt plots onderbroken en diende te stoppen omdat men van mening was dat ze dit verkeerd deed. Sindsdien besloot men verzoekster louter logistieke taken te laten uitvoeren die vallen onder de noemer indirecte zorg en die niet tot het leerstofpakket behoren. Daarbij komt nog het feit dat verzoekster daarna gedurende de volledige vierde periode geen beoordeling of cijfer heeft gekregen. Er ontbreek dan ook enig spoor van evaluatie gedurende 25% procent van de stageperiode! Begrijpe, wie begrijpen kan... De vraag die dan ook zeer duidelijk naar boven komt, is of verzoekster in normale omstandigheden niet veel hoger had kunnen scoren. Ofwel erkent men dat deze bijzonder omstandigheden een invloed hebben gehad en dat deze in het licht van het feit dat verzoekster de afgelopen schooljaren steeds wel slaagde – tot een A-attest kunnen leiden, ofwel moet men vaststellen dat men een zekere twijfel heeft omtrent de representativiteit van deze cijfers in het licht van de kennis van de leerling. In dat laatste geval dient dus een bijkomende proef of alternatieve maatregel opgelegd te worden. Een uitgestelde proef kan, zo men daartoe redenen ziet, uitwijzen of een onverwacht zwak resultaat mogelijk door een externe factor is veroorzaakt, veeleer dan door het inherente falen van de leerling. Nu de leerling voordien steeds goede/voldoende resultaten had, kan en moet dit voor de klassenraad wel een knipperlicht zijn waarmee hij rekening had dienen te houden om eventueel te besluiten dat de resultaten, die thans van de leerling voorliggen, geen betrouwbaar of geloofwaardig beeld geven van het kennen en kunnen van de bedoelde leerling en dat er, bijgevolg, reden is om zijn IX-10.315-4/16 beslissing over het al dan niet slagen van de leerling uit te stellen, om door middel van bijkomende proeven aanvullende informatie in te winnen. Als een leerling uitzonderlijk omstandigheden inroept om een bijkomende proef te krijgen, moet de klassenraad die vraag ernstig onderzoeken en zijn weigering in beginsel ook verantwoorden. Dit gebeurt in casu niet. De hele kwestie wordt doodgezwegen. Een klassenraad mag het toestaan van een bijkomende proef niet bij voorbaat uitsluiten, bijvoorbeeld omdat aan de leerling een waarschuwing is gegeven, omdat de leerling de suggesties van de klassenraad in de wind sloeg of welke reden dan ook. De delibererende klassenraad zal zich steeds een oordeel moeten vormen over het werkelijk bestaan van bijzondere omstandigheden die een uitgestelde beslissing en het opleggen van bijkomende proeven kunnen verantwoorden. De bestreden beslissing geeft verder geen globale beoordeling zoals nochtans vereist, houdt geen rekening met de ingeroepen elementen en faalt in zijn motivering. De motivering focust zich enkel op de tekorten. Enkel reeds hierdoor is de beslissing onwettig, want de beroepscommissie dient het hele dossier en dus ook de positieve resultaten van de leerling in de beslissing te betrekken. Verzoekers verwijzen ook naar de vaste rechtspraak van de Raad van State: […] Verzoekster vraagt dan ook om rekening te houden met haar volledige dossier en om deze redenen verzoekers te horen en de beslissing te herzien en dat een A-attest zou worden toegekend, minstens haar een bijkomende stage op te leggen om de ontbrekende evaluatie uit de vierde periode te bekomen en enige twijfel weg te werken. Verzoeker heeft geen bezwaar, om indien de interne beroepscommissie dit nodig acht een alternatieve maatregel uit te voeren teneinde alle twijfel over het kunnen van verzoeker weg te nemen (vakantietaak, bijkomende proef, bijwerkplan in het komende jaar,....).” 3.
- Op 25 augustus 2023 verklaart de beroepscommissie het beroep van verzoekster ontvankelijk, maar ongegrond en neemt zij de thans bestreden beslissing om de beslissing van de delibererende klassenraad waarbij aan verzoekster een oriënteringsattest C wordt toegekend, te bevestigen. De beroepscommissie beoordeelt daarbij het bij haar ingestelde beroep “ten gronde” als volgt: “
- De delibererende klassenraad oordeelde en motiveerde als volgt: […]
- IX-10.315-5/16 Een oriënteringsattest C betekent dat de leerling het leerjaar niet met vrucht beëindigd heeft in de betrokken school en derhalve niet tot het volgende leerjaar mag worden toegelaten.
- De deliberatievraag die zich stelt is of XXXX in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, bereikt heeft om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar. De klemtoon ligt daarbij op de kansen die de leerling heeft om in het volgende leerjaar te slagen.
- Bij de beoordeling van de deliberatievraag wordt uitgegaan van de mogelijkheden op basis van de vorderingen die de leerling gedurende het voorbije schooljaar gemaakt heeft en van de globale vorming van de leerling, het totaal van zijn talenten en aanleg om de kansen te beoordelen die de leerling heeft om in het volgende leerjaar te slagen.
- Na kennisname van de dossierstukken, na het horen van XXXX, haar moeder en hun raadsman, en na een uitvoerige beraadslaging komt de Beroepscommissie tot de vaststelling dat er geen redenen zijn om de door de delibererende klassenraad voorgestelde attestering te wijzigen.
- De Beroepscommissie stelt onder andere vast wat volgt: - het tussentijds rapport 2 toont voor het vak Verzorging, onderdeel stage tekorten; als toelichting van de klassenraad wordt vermeld: ‘Wij maken ons ernstige zorgen over je welbevinden en je slaagkansen, XXXX. Sociale vaardigheden staan centraal in de richting Verzorging. We raden je aan contact op te nemen met het CLB voor het vinden van een studierichting die beter past bij je mogelijkheden.’ - Het eindrapport voor periode 1 toont voor het vak Verzorging voor alle stageonderdelen een tekort; Als toelichting van de klassenraad wordt vermeld: ‘Voor algemene vakken behaal je schitterende resultaten en we weten ook dat je hier heel hard voor werkt, dat is heel knap van jou. Omwille van je beperkte sociale vaardigheden lukt het echter niet om te kunnen functioneren op stage als een verzorgende. We hebben je reeds bij het vorig rapport en bij verschillende gesprekken aangeraden om op zoek te gaan naar een studierichting die wel bij je mogelijkheden aansluit en waarin jij gelukkig kan worden. We maken ons ernstige zorgen over je welbevinden.’ - het tussentijds rapport 3 vermeldt voor stage tekorten de klassenraad meldt: ‘Dit zijn mooie resultaten voor taken en toetsen. jammer genoeg is de stage in verzorging op vlak van sociale vaardigheden te hoog gegrepen voor jou, dit hebben we reeds in de vele gesprekken met jou en je mama besproken. We wensen je een deugddoende vakantie toe.’
- Volgende beroepsgrieven worden aangebracht: - de school heeft nagelaten de juiste begeleiding en steun te bieden tijdens de stage; - tijdens de vierde stageperiode mochten nog enkel logistieke taken worden uitgevoerd; IX-10.315-6/16 - leerlingen die door omstandigheden geen stage hebben kunnen doen zijn wel geslaagd; in de bijkomende bezwaren wordt opgenomen: - er wordt enkel rekening gehouden met de tekorten, er is geen globale beoordeling; Er wordt verzocht om een A-attest toe te kennen, minstens een bijkomende stage op te leggen om de ontbrekende evaluatie uit de vierde periode te bekomen.
- Het vak verzorging in het eerste jaar van de 3de graad BSO valt onder één leerplan. Dit vak is een ‘clustervak’ dat permanent wordt geëvalueerd en opgesplitst is in zeven algemene doelstellingen (AD). Behalve de AD Oriënteren op beroep en studieloopbaan, worden zes AD’s opgesplitst in ‘dagelijks werk’ en ‘stage’. Om te komen tot het eindresultaat voor elke AD ‘wegen’ de stageresultaten aan 150 en de dagelijks werkresultaten aan
- Het doel van een stage is een eerste kennismaking met ‘het echte werk’ waarbij de leerling voor het eerst te maken krijgt met realistische werksituaties en de leerling de kennis die ze op school heeft opgedaan kan omzetten in de praktijk. Voor de leerlingen van het eerste jaar van de 3de graad Verzorging is deze stage dus hun eerste werkplekervaring. Voordien waren er tijdens de schoolloopbaan geen stages en waren bepaalde vaardigheden dus nog niet getoetst geworden.
- XXXX heeft voor periode 1 voor alle AD-stages een – aanzienlijk – tekort (van 10% tot 41%), Dit herhaalt zich voor periode 2 (van 10% tot 45%). Daarnaast is er een globaal tekort op 4 AD’s. Wanneer voor dit ‘clustervak’, rekening houdend met de weging van stage en dagelijks werk, het percentage wordt berekend op basis van de voorliggende cijfers dan wordt op het vak verzorging 44% behaald (en niet 47%). Het is niet uitgesloten om een leerling met één tekort niet geslaagd te verklaren. De Raad van State heeft uiteengezet dat zelfs één tekort reden kan zijn om een leerling niet geslaagd te verklaren, als daarvoor ten minste specifieke redenen voorhanden zijn. Die kunnen te vinden zijn in de aard van het vak zelf, zoals wegens zijn aandeel in de totale studie, omwille van de specifieke kunde die het bedoelde vak wil en moet uittesten, te denken valt aan een stage of voor de opleiding noodzakelijke praktische vaardigheden. Het clustervak verzorging is een richtingbepalend vak (22 uren van de 33 uren). De stage ‘het jonge kind’ en de stage ‘de oudere zorgvrager’ heeft tot doel specifieke vaardigheden te testen. Indien uit de stage volgt dat deze specifieke vaardigheden niet behaald worden dan heeft dit een nefast gevolg. Tijdens het schooljaar worden er 4 stageperiodes voorzien waarbij XXXX deze op 3 stageplaatsen heeft gelopen. Tijdens de laatste stageperiode mocht XXXX geen zorghandelingen meer uitoefenen, enkel nog ondersteunende taken. Hiervoor werden geen punten opgenomen in de beoordeling. IX-10.315-7/16 Dat dit laatste een nefaste invloed zou hebben op het totaal resultaat wordt niet onderschreven. Er kan enkel vastgesteld worden dat de resultaten voor de overige 3 stageperiodes en op 2 andere stageplaatsen eveneens negatief zijn hetgeen wijst op een gebrek aan welbepaalde vaardigheden.
- Op het verzoek om een bijkomende proef onder de vorm van een stage op te leggen kan dan ook niet worden ingegaan. Enkel in het geval de klassenraad op 30 juni van het betrokken schooljaar omwille van bijzondere omstandigheden over onvoldoende nuttige elementen beschikt om een eindbeslissing te kunnen treffen kan een bijkomende proef worden opgelegd. De beroepscommissie is van oordeel dat er in huidig dossier voldoende nuttige elementen beschikbaar zijn om een definitieve beslissing te nemen.
- Voor de beoordeling van leerlingen is een beroep op het gelijkheidsbeginsel in principe niet relevant. De leerlingen van eenzelfde klas verhouden zich tegenover elkaar immers niet als concurrenten voor een voordeel dat alleen aan een of aan enkelen onder hen kan worden toegekend […]. Eenzelfde mathematisch resultaat voor twee leerlingen van eenzelfde klas kan leiden tot het uitreiken van een ander oriëntatieattest zonder dat daarbij het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden […]. Het is het globaal dossier van een leerling dat moet worden beoordeeld, waarin zich tal van gegevens bevinden die losstaan van de cijfermatige beoordeling en die verschillend zijn van leerling tot leerling. Het feit dat een leerling die door omstandigheden geen stage heeft kunnen doen wel geslaagd is, schendt op zich, gelet op het globaal dossier van de leerlingen, het gelijkheidsbeginsel niet.
- Falende begeleiding is in beginsel geen nuttig middel. Om uitzondering op dit beginsel te genieten is vereist dat met de nodige precisie wordt aangetoond waar de school tekortgeschoten is in welbepaalde vooraf gemaakte afspraken. Dit falen dient tevens in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht te worden met de wettigheid van de beslissing. Uit het dossier kan geen falende begeleiding van XXXX door de school worden vastgesteld. Meermaals is via rapporten, overleg, oudercontact, ... gewezen op het zeer moeilijk verloop van de stages. De zorg omtrent de sociale vaardigheden van XXXX werden meermaals geuit en er werd geadviseerd om hiervoor op zoek te gaan naar professionele ondersteuning.
- De gegevens van het voorliggend dossier in het algemeen en de bovenstaande overwegingen in het bijzonder verantwoorden een oriënteringsattest C.” IX-10.315-8/16 IX-10.315-9/16 IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van “de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel”.
- Aangezien in het inleidend verzoekschrift geen samenvatting van de aangevoerde grief is opgenomen, zoals bedoeld in het thans geldende artikel 16, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, gelezen in samenhang met artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State’, vat de Raad van State het aangevoerde middel in de huidige stand van de rechtspleging zelf samen als volgt.
- Verzoekster argumenteert dat zij “duidelijk [heeft] aangegeven dat er zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan waardoor [zij] volledig buiten haar wil om niet in staat was haar volledige kunnen aan te tonen”. Zo waren er volgens haar enerzijds de “uitermate gebrekkig[e]” begeleiding van haar stage en anderzijds de “finale onrechtmatige stopzetting van de stage” waardoor er voor IX-10.315-10/16 één van de vier stageperiodes geen resultaten voor haar zorgkundig handelen voorliggen. Door de slechte begeleiding en het feit dat zij geen zorgkundige handelingen meer mocht stellen, werd het haar onmogelijk gemaakt om “leerkansen te grijpen, te evolueren en dus het kleine tekort alsnog weg te werken”. Volgens verzoekster heeft zij deze grieven zeer uitvoerig uiteengezet in “het aanvullend intern verzoekschrift” dat op 18 augustus 2023 werd ingediend door haar raadsman en waaruit zij citeert hetgeen hiervóór sub 3.5 reeds is aangehaald. Van enige pertinente en draagkrachtige motivering die een gedegen antwoord geeft op haar “cruciale vraag”, is er in de bestreden beslissing evenwel geen sprake, zo stelt verzoekster. Er wordt immers niet ingegaan op het aspect van de gebrekkige begeleiding, noch op het aspect van de foutieve stopzetting van de stage. Verzoekster betoogt voorts dat ook het antwoord van de beroepscommissie met betrekking tot “een manifest ontbrekend deel in de beoordeling” niet kan worden bijgevallen. Gelet op het “relatief geringe tekort” voor de cluster ‘Verzorging’ – volgens verzoekster “74%” (versta: 47%), volgens de verwerende partij 44% – hangt er, aldus verzoekster, “een enorm groot belang [vast] aan de ontbrekende gegevens uit de vierde stageperiode”. De evaluatie van de vierde stageperiode had verzoeksters tekort volledig kunnen wegwerken. Deze kans, die elke andere medeleerling wel kreeg, werd haar onrechtmatig ontnomen. Het standpunt van de beroepscommissie dat uit de drie vorige stageperiodes kan worden afgeleid dat een vierde stageperiode geen wijziging van de beoordeling met zich zou meebrengen, is volgens verzoekster nergens op gebaseerd en miskent de groei die elke stage kan kennen, zeker bij een degelijke begeleiding. Nog volgens verzoekster gaat de beroepscommissie “compleet foutief” ervan uit dat een bijkomende proef enkel kan worden opgelegd in het geval dat de klassenraad op 30 juni van het betrokken schooljaar omwille van bijzondere omstandigheden over onvoldoende nuttige elementen beschikt om een eindbeslissing te kunnen nemen. Zij wijst erop dat de beroepscommissie over IX-10.315-11/16 volheid van bevoegdheid beschikt en “alle daden [kan] stellen die de klassenraad kan stellen”. Ten slotte stelt verzoekster dat de beroepscommissie duidelijk heeft kunnen vaststellen dat de aangevoerde bijzondere omstandigheden aan haar tekort ten grondslag liggen, “alsook dat de vermeende gebrekkige sociale vaardigheden te maken hebben met een ernstig pestverleden waar [zij] het slachtoffer van was”. De school en het dossier tonen volgens verzoekster op geen enkele wijze aan hoe men heeft geprobeerd dat te verhelpen of te remediëren. In de plaats van hulp te bieden, werd de stage “eenvoudigweg [stopgezet] zonder dat daarover ooit transparant en op gemotiveerde wijze is gecommuniceerd”. Verzoekster besluit dat de beroepscommissie haar grieven niet zorgvuldig heeft onderzocht en dat de beslissing tot het toekennen van een C-attest manifest onredelijk is. Beoordeling
- Het standpunt van verzoekster dat de bestreden beslissing geen gedegen antwoord geeft op de in haar beroepschrift aangevoerde “bijzondere omstandigheden […] waardoor [zij] volledig buiten haar wil om niet in staat was haar volledige kunnen aan te tonen”, namelijk enerzijds de “uitermate gebrekkig[e]” begeleiding van haar stage en anderzijds de “finale onrechtmatige stopzetting van de stage”, mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag. Een antwoord op beide voormelde “bijzondere omstandigheden” lijkt immers te kunnen worden gelezen respectievelijk onder nr. 12 en nr. 9 van de bestreden beslissing (zie hiervóór sub 3.6).
- Wat de beweerde falende begeleiding betreft, lijkt de beroepscommissie onder nr. 12 van de bestreden beslissing terecht te stellen dat deze grief “in beginsel geen nuttig middel” is. Het beweerde falen vermag immers op zich niet aan te tonen dat de stages van verzoekster ten onrechte ongunstig IX-10.315-12/16 werden beoordeeld. Even terecht, zo lijkt, wijst de beroepscommissie erop dat een uitzondering op het voormelde beginsel vereist dat met de nodige precisie wordt aangetoond dat de school is tekortgeschoten in welbepaalde vooraf individueel gemaakte afspraken en dat dit falen door de aard van de betrokken miskende afspraken in een rechtstreeks oorzakelijk verband kan worden gebracht met de bestreden beslissing. Verzoekster toont niet aan dat zulks in haar situatie het geval is. Verzoekster ontkracht overigens ook niet de vaststelling van de beroepscommissie dat uit haar dossier helemaal geen falende begeleiding blijkt. Zij beperkt zich tot loutere beweringen betreffende een gebrekkige begeleiding van haar stages, maar toont ze op het eerste gezicht niet concreet aan.
- Onder nr. 9 van de bestreden beslissing gaat de beroepscommissie in op de resultaten van verzoekster voor het clustervak ‘Verzorging’ en in het bijzonder op de beoordeling van haar stages. Zij weerspreekt ook dat de omstandigheid dat verzoekster tijdens haar laatste stageperiode geen zorgkundige handelingen meer mocht stellen, een nefaste invloed zou hebben gehad op haar totale resultaat voor dat clustervak. Anders dan verzoekster het ziet, is een resultaat van 44% voor het “richtingbepalend” clustervak ‘Verzorging’, het dagelijks werk inbegrepen, geen “relatief gering tekort”. Verzoekster maakt in haar inleidend verzoekschrift zelf gewag van een totaal resultaat van “74%” (versta: 47%), maar zet niet uiteen hoe zij daartoe komt. Terecht wijst de bestreden beslissing er bovendien op dat de tekorten van verzoekster op alle “AD-stages” aanzienlijk zijn, op jaarbasis gaande van 10% tot 43%. Uit de vaststelling van de beroepscommissie onder nr. 6 van de bestreden beslissing kan op het eerste gezicht worden begrepen dat een wezenlijk IX-10.315-13/16 gebrek aan vereiste sociale vaardigheden om te kunnen functioneren als verzorgende, tot de ongunstige beoordeling van verzoeksters stages heeft geleid. Dit blijkt overigens ook uit de toelichting van de klassenraad bij het eindrapport van verzoekster. Verzoekster maakt niet aannemelijk – gezien haar tijdens vroegere stageperiodes vastgestelde en als zodanig niet-betwiste gebrek aan vereiste sociale vaardigheden, waarin geen gunstige evolutie kon worden onderkend – dat de omstandigheid dat zij tijdens haar vierde stageperiode geen zorgkundige handelingen meer mocht stellen, als “onrechtmatig” moet worden beschouwd. Verzoekster overtuigt op het eerste gezicht evenmin ervan dat de beroepscommissie, op grond van de tekortkomingen die bij haar op het vlak van vereiste sociale vaardigheden waren vastgesteld tijdens drie andere stageperiodes op twee andere stageplaatsen, het standpunt dat zij in haar beroepschrift vertolkte, namelijk dat de voormelde omstandigheid een “cruciale” invloed heeft gehad op haar totale resultaat, in redelijkheid niet vermocht tegen te spreken. De stelling van verzoekster dat “de vermeende gebrekkige sociale vaardigheden te maken hebben met een ernstig pestverleden waar [zij] het slachtoffer van was” en dat de school en het dossier niet aantonen hoe men dat heeft trachten te verhelpen, verandert niets daaraan, om dezelfde redenen als hiervóór sub 9 uiteengezet.
- Voorts lijkt verzoekster ten onrechte aan te voeren dat de beroepscommissie tekortkomt aan haar volheid van bevoegdheid doordat zij ervan uitgaat dat een bijkomende proef enkel kan worden opgelegd in het geval dat de klassenraad op 30 juni van het betrokken schooljaar omwille van bijzondere omstandigheden over onvoldoende nuttige elementen beschikt om een eindbeslissing te kunnen nemen. Uit de bestreden beslissing blijkt genoegzaam dat de beroepscommissie de vraag van verzoekster naar een bijkomende proef zelf in IX-10.315-14/16 overweging heeft genomen en vervolgens heeft geoordeeld dat “er in huidig dossier voldoende nuttige elementen beschikbaar zijn om een definitieve beslissing te nemen”.
- Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat verzoekster in de huidige stand van de rechtspleging geen schending aantoont van de in het middel aangevoerde beginselen. Het enige middel is niet ernstig.
- Aldus is er alvast niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn, opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.315-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-10.315-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.254 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.