← België

Arrest 257259 - Varia (fiscaliteit) - 11/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2

§ 4

, WIB 92; artikel84quinquies, § 4, WBTW) bepaalt dat geen onbeperkt uitstel van de invordering kan worden verleend voor sommen verschuldigd uit hoofde van fiscale en niet-fiscale XIV-38.657-3/16 schuldvorderingen die het voorwerp zijn van een administratief beroep of van een rechtsvordering, noch voor sommen verschuldigd uit hoofde van schuldvorderingen gevestigd ten gevolge van de vaststelling van fiscale fraude of in geval van samenloop van schuldeisers. De aanslagen, waarvoor het onbeperkt uitstel van de invordering wordt aangevraagd, werden gevestigd rekening houdende met de feitelijke gegevens die, naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, werden ter kennis gebracht van de bevoegde taxatie ambtenaar. Nazicht van het strafdossier reveleerde dat een belangrijk deel van de verworven inkomsten niet werden opgenomen in de door verzoekers ingediende belastingaangiften met betrekking tot de bovenvermelde aanslagjaren en dat destijds eveneens werd nagelaten om de btw door te storten aan de Schatkist. Bij de inzage door de diensten van de BBI van een strafdossier lastens verzoeker werd immers vastgesteld dat verzoeker in de jaren 2000-2003 vaten bier heeft aangekocht zonder dat een aankoopfactuur werd afgeleverd. De nettowinst van de uitbating van het café werd dan ook verhoogd met de winst uit de verkoop van de in het strafdossier vermelde vaten, verminderd met de kosten van aankoop; De geschilprocedures, die de diverse vorderingen van verzoekers als ongegrond hebben afgewezen, hebben niet geleid tot een herziening van de weerhouden belastinggrondslagen en verhogingen zodat het vaststaat dat verzoekers daadwerkelijk het genot hebben gehad van de verworven inkomsten. De handelingen die hebben geleid tot de vestiging van de kwestieuze belastingschulden staan haaks op de goede trouw die is vereist om van het onbeperkt uitstel van de invordering van belastingen te kunnen genieten. Dat verzoekers ter zake niet strafrechtelijk veroordeeld zijn, is van geen belang. De wetgeving inzake het onbeperkt uitstel voorziet immers niet in dergelijke veroordeling. Artikel 63, § 4, WMGI (

§ 4

, WIB 92; artikel84quinquies, § 4, WBTW) bepaalt enkel dat geen onbeperkt uitstel van de invordering kan worden verleend voor sommen verschuldigd uit hoofde van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die onder andere gevestigd zijn “ten gevolge van de vaststelling van fiscale fraude”. Dergelijke vaststelling blijkt al op grond van het feit dat de aanslagen waarvoor een onbeperkt uitstel werd gevraagd, werden gevestigd met een administratieve boete van 50%. Terecht wordt in het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 18 oktober 2017 (AR: 10122811A) daaromtrent het volgende opgemerkt: ‘Het opzet om de belastingen te ontduiken in hoofde van eisers blijkt uit de aanzienlijke hoeveelheden aankopen en de daaruit voortvloeiende verkopen die onder verscheidene jaren niet werden aangegeven. Eisers hebben van hun leveranciers bier afgenomen in het zwart en het bier dan doorverkocht in het café, wat maar kan gedaan zijn met het oog op het verwerven van inkomsten die niet aan belasting worden onderworpen. De door verweerder opgelegde administratieve boete van 50% beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten, ondanks het voor eisers zwaar wegende bedrag in absolute cijfers.’ Hoewel verzoekers in hun beroepsschrift terecht poneren dat ‘De FOD Financiën zich in onderhavige procedure 'verzoek definitieve uitstel van invordering' [kan] laten steunen op eigen onderzoek en bevindingen, zonder aan bepaalde gezegdes bindend gezag te kleven’, kan de Beroepscommissie de vaststelling van een XIV-38.657-4/16 fiscale fraude door de bevoegde taxatiediensten en door de rechtbanken, overeenkomstig artikel 63, § 4, WMGI (

§ 4

, WIB 92; artikel84quinquies, § 4, WBTW), niet naast zich neerleggen; Een onbeperkt uitstel van de invordering kan dan ook niet worden toegekend. De Beroepscommissie stelt bovendien vast dat er minstens sterke vermoedens zijn van het bewerkstelligen van hun onvermogen in hoofde van verzoekers, hetgeen eveneens een reden is om een onbeperkt uitstel te weigeren (artikel 63, § 2, 1°, WMGI;

, § 2, 1°, WIB 92; artikel 84quinquies, § 2, 1° WBTW); Na de problemen ingevolge het strafonderzoek en het daaropvolgende onderzoek van de BBI gingen verzoekers onmiddellijk over tot het wijzigen van hun huwelijksvermogensstelsel naar een stelsel van scheiding van goederen; De schuldvorderingen waarvoor om een onbeperkt uitstel wordt verzocht werden pas gevestigd na de akte van wijziging, zodat de invorderingsmogelijkheden ten aanzien van [tweede verzoekster] aan de Fiscus werden ontnomen; Bovendien stelt de Beroepscommissie vast dat alle goederen van verzoekers zijn ondergebracht onder de op 24 juni 2008 opgericht BVBA COVAME, zodat verzoekers zelf virtueel niets bezitten; Daarenboven stelt de Beroepscommissie vast dat, waar verzoekers bij de oprichting van BVBA COVAME samen over 80/100 aandelen beschikten, zij sinds 20 mei 2020 bijna al hun aandelen hebben overgedragen aan de zoon en schoondochter van [tweede verzoekster], zodat zij samen nog slechts 2/100 aandelen hebben; De waarde van hun aandelen in de BVBA stelt dan ook zo goed als niets meer voor, zodat een eventueel beslag op deze aandelen niet veel kan opleveren; Hetzelfde geldt bijgevolg voor hun aandeel in de prijs van het handelshuis van BVBA COVAME, dat momenteel te koop wordt aangeboden voor 795.000,00 €; Tenslotte wenst de Beroepscommissie nog het volgende op te merken; Hoewel de Beroepscommissie zich er zeer van bewust is dat corona crisis en de maatregelen van de regering ingevolge COVID 19 een grote impact hebben gehad, en nog steeds hebben, op de horeca, wenst de Beroepscommissie de invloed ervan in dit dossier enigszins te nuanceren; De Beroepscommissie stelt vast dat verzoekers zich reeds in de vorige procedure onbeperkt uitstel, in hun verzoek d. d. 11 juli 2019 - zijnde ruim voor het uitbreken van de corona crisis – beriepen op het feit dat [eerste verzoeker] over geen enkel inkomen beschikte, en het gezin zich diende te beredderen met het vervangingsinkomen van [tweede verzoekster]; Nu stellen dat verzoekers zonder inkomen zijn gevallen ingevolge de maatregelen van de regering, die hen zouden hebben genoopt hun zaak te sluiten, lijkt dan ook enigszins overdreven en doet bovendien eveneens vragen rijzen bij hun goede trouw; Er werd door de Commissie kennisgenomen van de argumenten opgenomen in het verzoekschrift en het beroepschrift; De Commissie heeft rekening gehouden met de ter zitting mondeling aangehaalde argumenten. […]”. 3.

  1. Bij aangetekende brief van 8 februari 2021 worden verzoekers op de hoogte gesteld van de bestreden beslissing. XIV-38.657-5/16 IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  2. Het eerste en enig middel is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, iuncto schending de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), iuncto “de beginselen van een eerlijk proces, behoorlijk bestuur en rechten van verdediging (zoals vervat in art. 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens)”. Verzoekers zetten in hun verzoekschrift met verwijzing naar artikel 23 van de Grondwet, uiteen dat het recht op menswaardig leven in het Belgisch recht is gewaarborgd. Het beroep van verzoekers “inhoudende de bevestiging van de verzoeken om kwijtschelding bij verwerende partij dienen dit menswaardig bestaan te kunnen waarborgen”. Verzoekers zijn immers ziek en hebben nauwelijks inkomsten waaraan de verwerende partij voorbijgaat, zeker “in combinatie met hetgeen van een behoorlijke overheid, die behoorlijk dient te motiveren, kan en mag worden verwacht”. Wat de ingeroepen schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreft, zetten de verzoekers uiteen dat zulks vereist dat “administratieve overheidsinstellingen, zoals verwerende partij, behoorlijk dienen te motiveren, en op de/alle opgeworpen middelen behoorlijk dienen te antwoorden”. De verwerende partij blijft hierin in gebreke. Zij antwoordt immers “middels gestandaardiseerde en clichématige, zelfs vage en oncontroleerbare antwoorden, los van enige zin voor realiteit, wordt het verzoek afgewezen”. Het staat vast dat de verwerende partij niet of niet afdoende gemotiveerd heeft, door – in weerwil van alle motieven en feitelijkheden – het verzoek van verzoekers te verwerpen. Een dergelijke wijze van motivering “ontbeert elke redelijkheid en zorgvuldigheid”, mede gelet op de ernstige gevolgen die de bestreden beslissing voor verzoekers meebrengt. Minstens motiveert de verwerende partij haar bestreden beslissing “niet voldoende daadkrachtig en ernstig”. De motivering moet de bestreden beslissing nochtans kunnen schragen zodat verzoekers “volledig van alle formele XIV-38.657-6/16 in inhoudelijke beslissingen op de hoogte is”, zodat zij met kennis van zaken (al dan niet) beroep kunnen instellen. Inzonderheid zijn volgende elementen en middelen opgeworpen in het door verzoekers ingediende beroep doch waarmee geen of niet afdoende rekening is gehouden. Zo is geen of onvoldoende rekening gehouden met: “- het gegeven dat verzoekers te goeder trouw zijn, en geen fraudeurs; - het gegeven dat verzoekers bij het aanvankelijk verhoor dd. 15/12/2006 door de fiscale controleur, geen bijstand van een raadsman hadden; - het gegeven dat het de clubs (kaarters, wielrenners,...) waren die voor het verbruik van de kwestieuze vaten bij Derudder instonden; - het gegeven dat verzoekers gehuwd zijn onder scheiding van goederen, en dit niet (afdoende) separaat doorwerkt; - het gegeven dat beide verzoekers ziek en hulpbehoevend zijn; - het gegeven dat de ziekte-uitkering van de Bond Moyson voor het gezin ontoereikend is; - het gegeven dat de coronacrisismaatregelen een nefaste invloed hebben op de frituuruitbating in het toeristisch Brugge, alsook op de hangende tekoopstelling van het onroerend goed van de BV Covame.” In de “motivering” van 14 januari 2021 van de verwerende partij zet zij uiteen dat zij het strafdossier heeft “nagezien” maar ze zet niet uiteen hoe dit werd nagezien en op welke elementen zij steunde, om te besluiten dat verzoekers wel degelijk het opzet hadden om te ontduiken, quod non. De impact van de coronacrisis wordt ten onrechte geminimaliseerd door de verwerende partij. Wat, tot slot, de ingeroepen schending van artikel 6 van het Verdrag ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM) betreft, stellen verzoekers dat zij in ieder geval in de mogelijkheid moeten zijn (huidig) annulatieberoep aan te tekenen bij de Raad van State. Zoals de verwerende partij immers “in een voorafgaandelijke analoge eerste procedure verzoek onbeperkt uitstel van invordering (met verzoek dd. 11/07/2019 van verzoekers bij het Regionaal Invorderingscentrum West-Vlaanderen, waarna op 26/11/2019 ongunstige beslissing van de Gewestelijke Directeur tussenkwam, waartegen op 06/01/2020 beroep bij de Beroepscommissie was aangetekend, leidend tot verwerping dd. 27/02/2020 van deze Beroepscommissie) had erkend, middels schrijven dd. 19/05/2020, is immers weldegelijk annulatieberoep bij de Raad van State mogelijk”, ook voor oude schulden met uitvoerbare titel van vóór 1 XIV-38.657-7/16 januari 2020 zoals te dezen. Dit is, aldus verzoekers, een erkentenis, met alle gevolgen vandien”. Thans voorhouden dat geen annulatieberoep bij de Raad van State meer mogelijk is/zou zijn, zou aldus verzoekers “een schending zijn van de rechten op een eerlijk proces en deugdzame toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM”. In hun memorie van wederantwoord hernemen verzoekers wat zij eerder hebben uiteengezet en repliceren nog dat in de mate de verwerende partij verwijst naar haar e-mail van 19 mei 2020 waarin zij toelichting gaf omtrent de (te volgen) jurisdictionele beroepsprocedure, er niet kan worden ontkend dat die toelichting “dubbelzinnig” was en de werkwijze van de verwerende partij “al te slordig is geschied, niet strokend met hetgeen van een behoorlijke overheid mag/kan verwacht worden”. Volgende verzoekers wist de verwerende partij zelf niet “of en hoe de beroepsprocedure werkte, waarbij vooreerst urenlang intern overleg nodig was, waarbij finaal te kennen werd gegeven dat steeds een nieuwe aanvraag “onbeperkt uitstel” kan worden benaarstigd. Een goed werkende overheid hoort ondubbelzinnig, correct en onverwijld advies te (kunnen) geven, hetgeen hier niet is geschied”. In hun laatste memorie stellen verzoekers “integraal [te] volharden”. Beoordeling
  3. Bij artikel 332 van de programmawet van 27 december 2004 wordt in Titel VII, Hoofdstuk VIII, van het WIB ‘92, een afdeling IVbis ‘betreffende het onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen’ (artikelen 413bis tot 413octies WIB’92), ingevoegd. Hieraan ontleent de fiscus de mogelijkheid (“kan”) om onbeperkt uitstel te verlenen van de invordering van de directe belastingschulden ten voordele van natuurlijke personen die duurzame betalingsmoeilijkheden hebben. Het verlenen van het onbeperkt uitstel heeft een dubbele doelstelling. Deze maatregel laat, eensdeels, aan de belastingplichtige die XIV-38.657-8/16 ongelukkig en te goeder trouw is, toe om een nieuwe start te nemen waarbij hij wordt aangemoedigd zich te onttrekken aan zijn moeilijke situatie en, anderdeels, wordt de Staat als bevoorrecht schuldeiser verzekerd om een deel van de schuldvordering in ontvangst te nemen. De begunstigde kan immers pas van het onbeperkt uitstel genieten als hij de voorwaarde heeft nageleefd bestaande uit de betaling van het door de directeur vastgestelde bedrag. De toekenning van deze gunst houdt in dat de aanvrager definitief is bevrijd van de invordering van de aanslagen waarvoor hem uitstel is verleend (Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 51-1437/001, 207). Een gelijkaardige regeling ligt vervat in artikel 84quinquies WBTW. Het aldus bij artikel 332 van de programmawet van 27 december 2004 ingevoegde

, § 2, WIB ’92 bepaalt dat het verzoek tot onbeperkt uitstel enkel ontvankelijk is, indien is voldaan aan twee voorwaarden: ten eerste moet een verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevinden waarin hij niet in staat is om op duurzame wijze zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen; ten tweede mag de belastingplichtige-verzoeker geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering hebben verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Voorts kan op grond van

, § 4, WIB ’92 geen onbeperkt uitstel van de invordering worden verleend voor betwiste belastingen of voor belastingen waarvoor nog een bezwaar of een vordering in rechte kan worden ingediend, noch voor belastingen of aanvullende belastingen gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude, noch in geval van samenloop van schuldeisers. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt nog dat de bevoegdheid om onbeperkt uitstel te verlenen van de directe belastingschulden een “uitzonderlijke gunstmaatregel” betreft (Parl.St. Kamer, 2004-2005, nr. 51-1437/001, 209). XIV-38.657-9/16

  1. Het Wetboek van 13 april 2019 ‘van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen’ (hierna: het WMGI) bevat een hoofdstuk 5 dat handelt over ‘[h]et onbeperkt uitstel van de invordering’. De daarin opgenomen artikelen 63 tot 69 betreffen een regeling inzake het onbeperkt uitstel van de invordering die grotendeels gelijkaardig is aan de vorige regelingen inzake het onbeperkt uitstel van de invordering. De nieuwe regeling geldt zowel voor fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en is luidens artikel 139 van de wet van 13 april 2019 ‘tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen’ in werking getreden op 1 januari
  2. Gelet op de overgangsbepaling in artikel 138, 5° ervan, is deze wet echter niet van toepassing “op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgenomen in een kohier, een bijzonder kohier of een innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard voor de datum van haar inwerkingtreding”. Aangezien de in het geding zijnde fiscale schuldvorderingen onder deze overgangsregeling vallen, is de vorige regeling nog van toepassing. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet (cfr. supra punt 5), blijkt uit de parlementaire voorbereiding bij de programmawet van 27 december 2004 dat de maatregel van het onbeperkt uitstel een “uitzonderlijke gunstmaatregel”. Zulks wordt nog bevestigd in de parlementaire voorbereiding bij artikel 63 van het WMGI waar gewag wordt gemaakt van een “buitengewone gunstmaatregel” (Parl. St. Kamer, 2018-2019, nr. 3625/001, 81-82) . Doordat het verlenen van een onbeperkt uitstel een uitzonderlijke gunstmaatregel is, kan de beroepscommissie het verzoek inwilligen zonder daartoe verplicht te zijn. De belastingadministratie beschikt ter zake dan ook over een discretionaire beoordelingsmarge.
  3. Te dezen, in de mate verzoekers artikel 23 van de Grondwet geschonden achten, dient vastgesteld dat artikel 23, eerste lid, bepaalt dat ieder het recht heeft een menswaardig leven te leiden. Het komt, overeenkomstig het tweede lid ervan, “de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel” toe om, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele XIV-38.657-10/16 rechten te waarborgen, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen”. Krachtens artikel 23, derde lid, van de Grondwet, omvatten die rechten “inzonderheid” de in dat derde lid opgesomde rechten zoals het recht op arbeid, het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid, op een behoorlijke huisvesting, enzovoort. Daargelaten of aan artikel 23 van de Grondwet directe werking kan worden verleend, nu het niet bepaalt wat de daarin voormelde rechten impliceren noch preciseert welk niveau van bescherming moet worden bereikt om het recht op menswaardig leven te respecteren, dient vastgesteld dat erin wel een standstill-verplichting voor de overheden ligt vervat. Deze standstill-verplichting verbiedt de overheid het regelgevend kader zo te wijzigen dat het voorheen in dat kader voor die grondrechten verzekerde beschermingsniveau aanzienlijk wordt verminderd, behoudens indien dit kan worden gerechtvaardigd door redenen die verband houden met het algemeen belang of wordt gecompenseerd door een toename van de bescherming in andere domeinen. Zoals uit de bestreden beslissing blijkt, maakt de verwerende partij toepassing van de regeling inzake onbeperkt uitstel opgenomen in het WMGI (waarbij zij weliswaar ook verwijst naar de vorige regeling inzake het onbeperkt uitstel). Wat belastingschulden betreft, is dit een overname van die vroegere regeling. Er kan dan ook geen sprake van een schending van de standstill-verplichting zijn. Daarnaast kunnen verzoekers zich niet rechtstreeks op artikel 23 van de Grondwet beroepen om aan hen de gunst van het onbeperkt uitstel van de invordering te bekomen. Verzoekers dienen immers niet alleen te voldoen aan de voorwaarden in de toepasselijke regelgeving; daarenboven heeft de verwerende partij een ruime beoordelingsmarge om al dan niet op de aanvraag in te gaan.
  4. Een schending van artikel 23 van de Grondwet ligt niet voor. XIV-38.657-11/16
  5. Wat de door verzoekers ingeroepen schending van “de beginselen van een eerlijk proces, behoorlijk bestuur en rechten van verdediging (zoals vervat in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens)” betreft, dient vastgesteld dat artikel 6 van het EVRM in beginsel geen toepassing vindt op procedures voor organen van het actief bestuur. De waarborgen die artikel 6 van het EVRM biedt, onder meer wat het recht van verdediging en het recht op toegang tot een rechter “met volle rechtsmacht” in de zin van die bepaling betreft, zijn van toepassing op rechterlijke beslissingen en kunnen niet betrokken worden op een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als orgaan van het actief bestuur. Het is voldoende, vanuit het oogpunt van de vereisten van artikel 6 van het EVRM, dat uiteindelijk een beroep mogelijk is bij een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht die aan de bij artikel 6 van het EVRM gestelde vereisten voldoet. Te dezen, in zoverre verzoekers zoals uit het verzoekschrift blijkt, vreesden geen toegang tot de Raad van State te hebben met het oog op de vernietiging van de bestreden beslissing, faalt hun grief in de feiten. Verzoekers hebben wel degelijk een annulatieberoep kunnen instellen voor de Raad van State zonder dat de verwerende partij hiertegen een bezwaar heeft geuit. Een eventueel gebrek in de kennisgeving van de bestreden beslissing over het instellen van een jurisdictioneel beroep om de onwettigheid van het bestreden besluit aantonen, doet hieraan te dezen niet af, te meer nu uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij reeds met een e-mail van 19 mei 2020 heeft aangegeven dat, wat het verzoek tot onbeperkt uitstel betreft, “in uw dossier dus toch de Raad van State de bevoegde rechtbank [zal] blijven”. In zoverre verzoekers zich nog beroepen op “de verplichting voor het bestuur om de rechten van verdediging, als beginsel van behoorlijk bestuur, na te leven”, dient vastgesteld dat het recht van verdediging “als beginsel van behoorlijk bestuur” – behoudens andersluidend voorschrift – enkel in tucht- en strafzaken geldt, wat te dezen niet het geval is. XIV-38.657-12/16
  6. Een schending van het recht van verdediging ligt niet voor.
  7. Tot slot, en in de mate dat in het middel verzoekers ook een schending van de hoorplicht “als beginsel van behoorlijk bestuur” zien, merkt de Raad van State op dat hieraan te dezen hoe dan ook is voldaan. De aanvragers van het verzoek om onbeperkt uitstel hebben immers alle nuttige elementen kunnen en ook laten gelden in het door hen ingediende verzoek om uitstel. Voorts blijkt niet dat de fiscus bij de weigering van het gevraagde voordeel rekening heeft gehouden met essentiële elementen of zich heeft gesteund op doorslaggevende gegevens die de betrokkenen redelijkerwijze niet konden of niet moesten kennen bij het indienen van hun aanvraag. Niet blijkt, minstens wordt niet redelijkerwijze aannemelijk gemaakt of uiteengezet, dat de fiscale administratie zou hebben gesteund op redenen waarop verzoekers in hun verzoek om onbeperkt uitstel niet konden of moesten anticiperen. Niet blijkt derhalve dat verzoekers niet de mogelijkheid is geboden om op nuttige wijze hun standpunt kenbaar te maken nopens die feiten en redenen. Dat geldt des te meer nu in de bestreden beslissing wordt vermeld dat verzoekers “vertegenwoordigd door Mr. [T. V.], bij toepassing van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, [werden] gehoord ter zitting van de Beroepscommissie”, wat door verzoekers niet wordt betwist.
  8. Een schending van de hoorplicht ligt evenmin voor.
  9. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste XIV-38.657-13/16 bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
  10. Zoals hiervoor sub 5 en 6 is uiteengezet, betreft het verlenen van onbeperkt uitstel naar aanleiding van een ontvankelijk verzoek daartoe, een “uitzonderlijke” cq. “buitengewone” gunstmaatregel waarbij de fiscale administratie over een discretionaire beoordelingsruimte beschikt. Het komt de Raad van State niet toe om zich in de plaats te stellen van de administratie bij de beoordeling van de motieven om dit onbeperkt uitstel al dan niet toe te staan. De Raad van State kan, desgevraagd, wel nagaan of de beoordeling van de overheid steunt op feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven en of die beoordeling binnen de grenzen van de redelijkheid blijft.
  11. De sub 3.7 aangehaalde bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd. De motivering is volledig betrokken op de concrete situatie van verzoekers en kan, anders dan de verzoekers dat zien, niet als een standaardformulering worden weggezet. Zo verwijst de bestreden beslissing naar XIV-38.657-14/16 het strafdossier lastens eerste verzoeker waarbij onder meer werd vastgesteld dat “verzoeker in de jaren 2000-2003 vaten bier heeft aangekocht zonder dat een aankoopfactuur werd afgeleverd”. Naast talrijke andere overwegingen kan in de bestreden beslissing nog worden gelezen dat “[n]a de problemen ingevolge het strafonderzoek en het daaropvolgende onderzoek van de BBI […] verzoekers onmiddellijk over[gingen] tot het wijzigen van hun huwelijksvermogensstelsel naar een stelsel van scheiding van goederen. De schuldvorderingen waarvoor om een onbeperkt uitstel wordt verzocht, werden pas gevestigd na de akte van wijziging, zodat de invorderingsmogelijkheden ten aanzien van [tweede verzoekster] aan de fiscus werden ontnomen”. Verzoekers kunnen in de bestreden beslissing genoegzaam achterhalen waarom aan hen niet de gunstmaatregel werd verleend van het onbeperkt uitstel van de invordering. Daarenboven kunnen verzoekers uit de motivering, minstens impliciet, achterhalen waarom hun argumenten niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Tot slot, in de mate verzoekers nog inhoudelijk kritiek leveren op de motivering, in die zin dat de verwerende partij ten onrechte de impact van de coronacrisis heeft geminimaliseerd, kunnen zij niet worden bijgevallen. Verzoekers zetten in het verzoekschrift geenszins uiteen waarom dit aspect zou zijn “geminimaliseerd” noch waarom het oordeel van de verwerende partij te zake onterecht zou zijn. Verzoekers mogen het dan wel oneens zijn met de beoordeling van de beroepscommissie en zelf mogen zij ervan overtuigd zijn dat de beroepsinstantie dwaalt, maar door dit louter te poneren als een stelling tonen zij niet aan dat die beoordeling steunt op onjuiste feitelijke gegevens of op een verkeerde beoordeling in rechte.
  12. Een schending van de motiveringsplicht ligt niet voor.
  13. Het enig middel is ongegrond. XIV-38.657-15/16 BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het beroep.
  15. Verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft en een bijdrage van 20 euro.
  16. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekers weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel op elf september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.657-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.259 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.