← België

Arrest 257302 - Milieuvergunningen - 14/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.302 Rolnummer: A. 230179/VII-40762 Zaak: Arrest 257302 - Milieuvergunningen - 14/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-21 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 11:51 Fiche Arrest nr 257.302 van 14 september 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.302 van 14 september 2023 in de zaak A. 230.179/VII-40.762 In zake : de NV INTERNATIONAL DISTRIBUTION PARTNERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Gelijkens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA AFBRAAKWERKEN VAN KEMPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Katrien Crauwels en Koen Clonen kantoor houdend te 2600 Berchem Fruithoflaan 124, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 6 december 2019 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 februari 2016 houdende het verlenen aan de bvba Afbraakwerken Van Kempen van de milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor afbraakwerken, gelegen aan de Westkaai 21 te VII-40.762-1/12 Merksem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd en het beroep voor het overige wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Afbraakwerken Van Kempen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 juni
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 30 november 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Astrid Gelijkens, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bart Bronders, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Flora Wauters, die loco advocaten Katrien Crauwels en Koen Clonen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-40.762-2/12 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De bvba Afbraakwerken Van Kempen dient op 1 oktober 2015 een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor afbraakwerken, gelegen aan de Westkaai 21 te Merksem. De verzoekende partij huurt in de onmiddellijke omgeving twee gebouwen die aangewend worden als opslagplaats voor het verwerken, verpakken en transporteren van voedingsmiddelen. 3.
  7. Bij besluit van 18 februari 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning onder voorwaarden. 3.
  8. Tegen deze vergunningsbeslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
  9. Op 29 september 2016 beslist de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw om het bestuurlijk beroep gedeeltelijk in te willigen. 3.
  10. De vergunningbeslissing van 29 september 2016 wordt door de verzoekende partij vervolgens aangevochten bij de Raad van State. 3.
  11. Bij arrest nr. 245.087 van de Raad van State van 4 juli 2019 wordt het ministerieel besluit van 29 september 2016 vernietigd op grond van de volgende motieven: “[…] Onder Deel 5 Sectorale milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen, Hoofdstuk 5.2 Inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, Afdeling 5.2.1 Algemene bepalingen, luidt artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II, zoals geldig ten tijde van de bestreden beslissing, als volgt: VII-40.762-3/12 ‘Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning wordt langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5 m breedte aangelegd. Het groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen om zo snel mogelijk een efficiënt groenscherm te bekomen. Voor nieuwe inrichtingen wordt het groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Indien geen bouwwerken worden uitgevoerd, wordt het groenscherm aangeplant in het eerste plantseizoen dat bij de aanvang van de uitbating aansluit’. […] De verzoekende partij betoogt terecht dat van de sectorale voorwaarde van een groenscherm van minstens 5 meter breedte die langsheen de randen van de inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient te worden geplaatst, niet zonder bijzondere motivering kan worden afgeweken. In de bestreden beslissing wordt niet onderzocht of de door de exploitant voorgestelde maatregelen gelijkwaardige waarborgen bieden als een groenscherm opgelegd in artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de gevraagde afwijking gunstig beoordeelt enerzijds omdat ‘het grootste deel van de opslag aan het zicht wordt onttrokken aangezien het overgrote deel van het afval in de open hallen ligt en het bouw- en steenpuin dat buiten ligt, wordt afgeschermd door middel van betonnen bouwblokken’, en anderzijds ‘dat de exploitant stelt dat het zeer moeilijk is om een voldoende breed groenscherm te voorzien omwille van het verlies van plaats’. Deze overwegingen komen niet tegemoet aan het in het bestuurlijk beroep aangevoerde bezwaar dat de voorgestelde alternatieven van draadafsluiting met zichtdoek en klimop en betonnen bouwblokken de voorziene stofhinder niet zullen ondervangen. De verzoekende partij maakt integendeel aannemelijk dat deze alternatieven niet als evenwaardig kunnen worden beschouwd wat het tegengaan van die stofhinder betreft. De omstandigheid dat er onvoldoende plaats is voor een groenscherm van minstens 5 meter breedte, dient de vergunningverlenende overheid er eerder toe doen besluiten dat de gevraagde activiteiten, die op die plaats niet aan de sectorale milieuvoorwaarden kunnen voldoen, niet kunnen worden vergund”. 3.
  12. De herneming van de beroepsprocedure leidt tot het thans bestreden besluit waarbij de gevraagde milieuvergunning opnieuw wordt verleend, doch onder gewijzigde bijzondere voorwaarden. IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  13. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 5.2.1.5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 VII-40.762-4/12 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het motiverings-, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. In de toelichting bij het middel wijst de verzoekende partij erop dat de vergunningsaanvrager meent dat de aanleg van een groenscherm, zoals vereist door artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II, niet nodig is omdat aan een zijde van het perceel een draadafsluiting met zichtdoek en klimop wordt voorzien en aan de overige drie zijden een ommuring. Volgens de verzoekende partij is een draadafsluiting met doek en klimop geen evenwaardig alternatief voor de aanleg van een groenscherm met een breedte van vijf meter. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat een afwijking van de in artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II bepaalde milieuvoorwaarde werd verleend omdat voor de aanleg van een breed groenscherm onvoldoende plaats beschikbaar is. De verzoekende partij beklemtoont dat de voorgestelde “andere” maatregelen om stofhinder tegen te gaan, hoe dan ook nageleefd moeten worden overeenkomstig de voorschriften van Vlarem II. Bijgevolg kunnen die maatregelen niet beschouwd worden als een evenwaardig alternatief voor de aanleg van een groenscherm. Indien er te weinig plaats is om te voldoen aan de geldende milieuvoorwaarde van Vlarem II, kan er geen activiteit die aan deze milieuvoorwaarde onderworpen is, worden vergund. Voorts wordt voorzien in een omheining met betonnen bouwblokken van minstens 3,2 meter hoogte, waarbij alle toegangen moeten worden afgesloten met winddichte poorten, en een maximale hoogte van de opslag van stuifgevoelige stoffen wordt opgelegd. Ook deze maatregelen zullen volgens de verzoekende partij niet voorkomen dat stof zal opwaaien en zich in de omgeving zal verspreiden.
  14. De verwerende partij antwoordt dat het middel feitelijke grondslag mist en verwijst in dit verband naar de motivering van het bestreden besluit. Uit die motivering blijkt dat van de verplichting tot het aanleggen van een groenscherm, zoals bepaald in artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II, kon worden afgeweken omdat de voorgestelde preventieve maatregelen, nog meer dan een VII-40.762-5/12 groenscherm, waarborgen dat de stofhinder binnen aanvaardbare perken zal blijven.
  15. De tussenkomende partij zet uiteen dat de bestreden beslissing omstandig de redenen vermeldt op grond waarvan een afwijking van de in artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II bepaalde verplichting tot het aanleggen van een groenscherm kan worden toegestaan en dat de voorgestelde alternatieve maatregelen voor een groenscherm met een breedte van 5 meter ervoor zullen zorgen dat de stofhinder in de omgeving tot een aanvaardbaar niveau zal worden beperkt. Het standpunt van de verzoekende partij dat deze alternatieve maatregelen niet evenwaardig zouden zijn, wordt volgens de tussenkomende partij niet aannemelijk gemaakt. Bovendien wordt in de bestreden beslissing niet enkel verwezen naar andere verplichtingen die hoe dan ook door Vlarem II moeten worden nageleefd, maar worden wel degelijk bijkomende verplichtingen opgelegd. De tussenkomende partij verwijst ter zake naar artikel 2 van de bestreden beslissing dat bijkomende bijzondere exploitatievoorwaarden bevat. Tot slot wijst zij erop dat alle adviesinstanties een gunstig advies hebben verleend om van de verplichting tot de aanleg van een groenscherm te mogen afwijken.
  16. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij nog dat de zogenaamd andere of alternatieve maatregelen “hoe dan ook voorgeschreven [zijn] door het Vlarem II (afdeling 4.4.7 Vlarem II), bovenop de verplichting in artikel 5.2.1.5, § 5 Vlarem II (het groenscherm)” en dat de exploitant derhalve “niet [voorziet] in ‘exceptionele’ maatregelen die de weglating van het groenscherm zouden kunnen rechtvaardigen”. Beoordeling
  17. Artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II luidt als volgt: “Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5m breedte aangelegd. Het groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen om zo snel mogelijk een efficiënt groenscherm te bekomen. -Voor nieuwe inrichtingen wordt het VII-40.762-6/12 groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Indien geen bouwwerken worden uitgevoerd, wordt het groenscherm aangeplant in het eerste plantseizoen dat bij de aanvang van de uitbating aansluit”. In arrest nr. 245.087 van 4 juli 2019 heeft de Raad van State geoordeeld dat “van de sectorale voorwaarde van een groenscherm van minstens 5 meter breedte die langsheen de randen van de inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient te worden geplaatst, niet zonder bijzondere motivering kan worden afgeweken”.
  18. De bestreden milieuvergunning bepaalt dat in afwijking van artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II geen groenscherm moet voorzien worden ter hoogte van de Noordkaai en de Westkaai en langsheen de randen van het perceel 2-C-286N
  19. De afwijking van de betrokken sectorale milieuvoorwaarde wordt als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat er afwijking wordt gevraagd van artikel 5.2.1.5, § 5, van VLAREM II m.b.t. de aanleg van een 5 m breed groenscherm; Overwegende dat meer dan de helft van het hoofdterrein met muren is omgeven; dat de rest van dit terrein is omgeven door een draadafsluiting en een brede toegangspoort; dat achter sommige stukken van de draadafsluiting op het hoofdterrein (namelijk aan de kant van de Noordkaai) eveneens een muur van 4 betonnen legoblokken hoog, is gebouwd; dat gevraagd wordt om de bestaande draadafsluiting (inclusief de muur van 4 betonnen legoblokken hoog aan de kant van de Noordkaai) te behouden en te beplanten met groene klimop; Overwegende dat de exploitant stelt dat het zeer moeilijk is om een voldoende breed groenscherm te voorzien omwille van het verlies van plaats; dat ook voor deel 2 en deel 3, de terreinen op de kade, wordt gevraagd om de voorgestelde opstelling met betonblokken te kunnen plaatsen en geen groenscherm te moeten voorzien; Overwegende dat het grootste deel van de opslag aan het zicht van de woongebieden en de beroeper wordt onttrokken aangezien het overgrote deel van het afval in de open hallen ligt en het bouw- en steenpuin dat buiten ligt, wordt afgeschermd door middel van betonnen bouwblokken; dat het afval op de kaden eveneens wordt afgeschermd, namelijk door middel van betonnen bouwblokken met een minimale hoogte van 3,2 m waarbij de toegangen worden afgesloten met poorten; dat deze maatregelen er eveneens voor zullen zorgen dat de stofhinder tot een aanvaardbaar minimum wordt gereduceerd; dat de loods en het kantoorgebouw namelijk een fysieke afscheiding vormen ten opzichte van het woongebied en de opslagplaats van beroeper aan de Noordkaai; dat deze gebouwen omwille van hun hoogte (tussen 7 en 19 m) een bufferende werking hebben onder meer inzake VII-40.762-7/12 stofverspreiding; dat bij de opslag van stuivende stoffen in open lucht stofverspreiding op het bedrijf maximaal wordt beperkt door het vochtig houden van de stuivende stoffen; dat de afvalstoffen in open lucht worden opgeslagen tussen modulaire keerwanden; dat de wegen op het terrein en de plaatsen waar de op- en overslag plaatsvindt, regelmatig schoongemaakt worden met bezemwagens; dat de wegen worden besproeid bij kans op stofverspreiding; dat de breker voor het houtafval zal voorzien zijn van een waterverneveling die steeds ingezet wordt tijdens het shredderen van hout; dat in de hal een vaste vernevelingsinstallatie voorzien wordt met uitzondering van de werkplaats; dat deze installatie preventief ingeschakeld wordt bij werken in de loods; dat deze twee vaste vernevelingskanonnen voorzien zijn tegen de wand van de loods ter bevochtiging van de binnen- en buitenopslag (op het terrein); dat deze waterverneveling wordt ingeschakeld wanneer diffuse stofemissies vastgesteld worden; dat bij droogte preventief wordt verneveld of gesproeid op het terrein; dat eveneens een mobiele vernevelingsinstallatie wordt voorzien, die aanvullend ingezet kan worden, onder andere ter hoogte van de kades in geval van droge periodes en tijdens het laden en lossen van afvalstoffen op het terrein of op de kades; dat de belangrijkste stofproducerende activiteiten, met name het shredderen van houtafval en het crushen van betonpuin, plaatsvinden in de loods die gesloten is in de richting van het woongebied en de beroepsindiener; dat de maatregelen ter beperking van diffuse stofemissies, zoals opgenomen in de BBT-toetsing in het stofrapport van 12 november 2015, worden uitgevoerd op het bedrijf; dat de exploitant dus voornamelijk maatregelen aan de bron neemt (sproei-installatie) om stofhinder te voorkomen, wat efficiënter is dan een groenscherm; dat bijgevolg de voorgestelde alternatieven voor het 5 m-brede groenscherm ter preventie van stofhinder ervoor zullen zorgen dat de stofhinder tot een aanvaardbaar minimum voor de omgeving zal worden gereduceerd; dat aldus zo alle bezwaren inzake stofhinder en visuele hinder worden ondervangen; Overwegende dat de exploitant aangeeft tijdens het horen tijdens de gewestelijke milieuvergunningencommissie van 5 november 2019 dat hij boven op de muur van 4 betonnen legoblokken op het terrein aan de kant van de Noordkaai nog 1 à 2 betonnen legoblokken kan bijzetten; dat het aangewezen is dat dit in de bijzondere voorwaarden wordt opgenomen; Overwegende dat de afwijking gunstig kan geadviseerd worden mits: - het voorzien van een draadafsluiting ter hoogte van perceel 2-C-286N6 met zichtdoek en klimop beplanting (waarbij eveneens op het perceel 2-C-286N6 aan de kant van de Noordkaai achter de draadafsluiting een muur van 6 betonnen legoblokken hoog voorzien wordt); - het uitvoeren van de voorgestelde stofpreventiemaatregelen; dat een deel van deze maatregelen reeds werden opgenomen in de bijzondere voorwaarden van het bestreden besluit; dat het andere deel van de maatregelen aanvullend wordt opgenomen in de bijzondere voorwaarden van onderhavig besluit”. VII-40.762-8/12 De maatregelen waarvan sprake in de aangehaalde motivering worden in het beschikkend gedeelte van de bestreden milieuvergunning als volgt omschreven: a) “In afwijking van art. 5.2.1.5, § 5 van VLAREM II moet geen groenscherm voorzien worden ter hoogte van de Noordkaai en de Westkaai. De kaaien worden afgesloten met betonblokken met een minimale hoogte van 3,2 m en alle toegangen worden afgesloten met winddichte poorten. De hoogte van de opslag van stuifgevoelige stoffen blijft 0,5 m onder de rand van de betonblokken. In afwijking van art. 5.2.1.5, § 5 van VLAREM II moet langsheen de randen van het perceel 2-C-286N6 geen groenscherm voorzien worden voor die delen die omgeven zijn door gebouwen. Voor de andere delen moet alleen draadafsluiting met zichtdoek en klimopbeplanting voorzien worden zoals aangeduid op het uitvoeringsplan van 28/08/2015 (met uitzondering van het deel van het perceel aan de kant van de Noordkaai waarbij ook een muur van 6 betonnen legoblokken hoog voorzien wordt achter de draadafsluiting met zichtdoek en klimopbeplanting)”; b) “- de wand van de loods is voorzien van 2 vernevelingsinstallaties die 180° wendbaar zijn zodat zowel de buiten- als de binnenopslag van afval kunnen worden bevochtigd; - er is een mobiele vernevelingsinstallatie aanwezig op de inrichting, die wordt ingezet ter hoogte van de kades in geval van droge periodes en tijdens het laden en lossen van afvalstoffen op het terrein of op de kades; - de maatregelen ter beperking van diffuse stofemissies, zoals opgenomen in de BBT-toetsing in het stofrapport van 12 november 2015, worden uitgevoerd; - de afvalstoffen in open lucht op het terrein worden opgeslagen tussen modulaire keerwanden; - de afvalstoffen op het terrein mogen niet hoger worden opgeslagen dan de hoogte van de keermuren; - de wegen op het terrein en de plaatsen waar de op- en overslag plaatsvindt, worden regelmatig schoongemaakt met bezemwagens; - de wegen worden besproeid bij kans op stofverspreiding; - er wordt maximum 6 maal per jaar, gedurende maximaal 2 dagen, hout gebroken”. VII-40.762-9/12
  20. Uit de motieven die ter verantwoording van de individuele afwijking op de sectorale milieuvoorwaarde van artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II worden opgegeven, blijkt vooreerst dat het plaatsen op bepaalde delen van de perceelsgrens van een draadafsluiting met zichtdoek en klimopbeplanting, gedeeltelijk aangevuld met een muur van 6 betonnen legoblokken achter de draadafsluiting, in werkelijkheid ingegeven is door het “verlies van plaats” dat de aanleg van een voldoende breed groenscherm zou meebrengen. Voorts worden in de bestreden beslissing enkele beschouwingen gewijd aan de visuele afscherming van de in open lucht gelegen opslagplaatsen, hetgeen echter niet gelijkgesteld kan worden aan maatregelen die effectief waarborgen dat de verspreiding van stof ten gevolge van de behandeling van de afvalstoffen zoveel als mogelijk wordt vermeden. Hoewel het niet aan de Raad van State toekomt om te onderzoeken of het plaatsen van een draadafsluiting met zichtdoek en klimopbeplanting en van betonnen legoblokken er daadwerkelijk toe zullen leiden dat de stofhinder in de onmiddellijke omgeving van de vergunde activiteiten zal worden verminderd, kan hij wel vaststellen dat in geen enkel motief van de bestreden vergunningsbeslissing uitdrukkelijk wordt ingegaan op de effectiviteit van die alternatieve maatregelen in vergelijking met het door Vlarem II vooropgestelde groenscherm met een minimumbreedte van 5 meter.
  21. Voorts haalt de bestreden beslissing verscheidene preventieve maatregelen aan die tijdens de exploitatie van de inrichting genomen zullen worden om de verspreiding van stof tegen te gaan. In dit verband merkt de verzoekende partij terecht op dat het naleven van deze preventieve maatregelen van rechtswege voortvloeit uit de milieuvoorwaarden van Vlarem II en dat voor het opleggen van die maatregelen geen individuele bijzondere vergunningsvoorwaarde vereist is. Zo is de exploitant er op grond van artikel 4.1.3.2 van Vlarem II toe gehouden als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen te nemen om de buurt niet te hinderen door “geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer”. Voorts bepaalt artikel 4.4.7.1.1, § 1, van Vlarem II dat de exploitant maatregelen neemt om “de stofemissies die afkomstig zijn van de opslag van stuivende stoffen en van VII-40.762-10/12 installaties waarbij stuivende stoffen worden getransporteerd of behandeld, zo laag mogelijk te houden”. Die maatregelen houden onder meer in dat bij de opslag in open lucht van stuivende stoffen stofverspreiding maximaal wordt beperkt door het bevochtigen van de stuivende stoffen (artikel 4.4.7.2.5, § 1, eerste lid, van Vlarem II). De in het bestreden besluit vermelde stofpreventiemaatregelen die als bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd, kunnen op zich de individuele afwijking op de sectorale milieuvoorwaarde van artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II niet naar recht verantwoorden.
  22. Het middel is gegrond. BESLISSING
  23. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 6 december 2019 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 februari 2016 houdende het verlenen aan de bvba Afbraakwerken Van Kempen van de milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor afbraakwerken, gelegen aan de Westkaai 21 te Merksem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd en het beroep voor het overige wordt verworpen.
  24. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  25. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.762-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.762-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.302 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.