id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.316 Rolnummer: A. 239969/IX-10323 Zaak: Arrest 257316 - Examens (onderwijs) - 15/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-18 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 11:56 Fiche Arrest nr 257.316 van 15 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.316 van 15 september 2023 in de zaak A. 239.969/IX-10.323 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW PRIESTER DAENS COLLEGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dominique Van den Eynde kantoor houdend te 9300 Aalst Priester Daensplein 2 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Priester Daens College van 28 augustus 2023, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B wordt toegekend zonder mogelijkheid tot overzitten. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.323-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2023, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Dominique Van den Eynde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 leerling in het tweede jaar van de tweede graad natuurwetenschappen op de Sint-Jozefschool te Erpe-Mere, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar behaalt hij met jaartekorten voor chemie (46,9%) en Frans (37%) een oriënteringsattest B, zonder mogelijkheid tot overzitten en met clausulering van “alle structuuronderdelen van de doorstroomfinaliteit en de structuuronderdelen Taal en communicatie TSO, Toerisme (domein Economie en organisatie) TSO, Toerisme (domein Taal en cultuur) TSO en Toerisme (domein Voeding en horeca) TSO”. De beroepscommissie bevestigt op 28 augustus 2023 dit B-attest met de thans bestreden beslissing. IX-10.323-2/16 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- In haar nota met opmerkingen werpt de verwerende partij op dat de vordering moet worden afgewezen “bij gebreke aan belang in hoofde van verzoeker”. Zij werkt dit niet nader uit en de Raad ziet niet spontaan in waarom een verzoeker die een A-attest nastreeft, zonder belang zou zijn bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van het B-attest. Deze exceptie mist ernst. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Om de uiterst dringende noodzakelijkheid te staven, beroept verzoeker zich onder meer op het gegeven dat hij thans zijn “normale studieloopbaan niet kan vervolgen”.
- De verwerende partij werpt op dat de “loutere dreiging van het verlies van een schooljaar” niet volstaat om aan de urgentievoorwaarde te voldoen. IX-10.323-3/16 Beoordeling
- Het is niet de bestreden beslissing zelf die een “verlies van een schooljaar” inhoudt, integendeel. Het bindend advies om niet te mogen overzitten impliceert immers dat verzoeker net niét over de mogelijkheid beschikt om, met verlies weliswaar van een schooljaar, zijn studies voort te zetten in dezelfde, door hem geambieerde richting. Het attest verplicht verzoeker integendeel om over te gaan naar de derde graad, maar met uitsluiting van de geclausuleerde structuuronderdelen. Zoals verzoeker opmerkt, dreigt een schorsing in het kader van de gewone schorsingsprocedure en de daarop nog te nemen nieuwe beslissing van de beroepscommissie voor hem echter wel te laat te komen, opdat hij nog nuttig kan aansluiten in de door hem gekozen, thans geclausuleerde studierichting terwijl het schooljaar dan noodzakelijk al enige maanden verstreken is. Het is in die zin dat een verlies van schooljaar dreigt, als verzoeker zijn studies in de derde graad wetenschappen- wiskunde wenst voort te zetten.
- Het verweer faalt. De Raad van State ziet geen reden om in deze zaak af te wijken van zijn vaste rechtspraak die aanneemt dat ook een B-attest in principe met een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid mag worden aangevochten. VII. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 38 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (“het organisatiebesluit van 2002”) “met een schending van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel tot gevolg”. IX-10.323-4/16 Verzoeker leidt uit de voormelde bepaling van het organisatiebesluit van 2002 af dat een oriënteringsattest B, dat impliceert dat een leerling het leerjaar wel met vrucht heeft beëindigd maar toch uitgesloten wordt van welbepaalde studierichtingen, een zorgvuldige motivering moet bevatten. Volgens verzoeker ontbreekt het de bestreden beslissing aan “pertinente en draagkrachtige” motieven, nu de beroepscommissie niet heeft geantwoord op zijn “cruciale vraag” welke “zeer overtuigende motieven” er zijn die zouden aantonen dat zijn kansen om te slagen in het volgende leerjaar wetenschappen-wiskunde onbestaande zijn. Evenmin worden overtuigende motieven bijgebracht waarom er geen enkele kans op slagen zou zijn indien hij het jaar zou overzitten. Waarom de vraag tot overzitten wordt afgewezen, wordt zelfs niet toegelicht. De bestreden beslissing bevat alleen een verwijzing naar de tekorten van het voorbije schooljaar, de gemiste remediëringskansen en “iets over de abstractiegraad van Frans in de doorstroomfinaliteit”. Verzoeker vraagt zich af waar de beroepscommissie uit afleidt dat de niet-behaalde leerplandoelstellingen voor Frans “van groot belang” zijn. Het vak Frans is niet richtingspecifiek, zo meent hij, en omvat slechts een beperkt aantal uren in vergelijking met de wetenschappelijke vakken. Het tekort van chemie noemt verzoeker dan weer “gering”. Bovendien plaatst verzoeker daartegenover dat hij voor tien van de twaalf lesuren aan wetenschappelijke vakken wél geslaagd is. Beide vakken maken ook maar “één (klein) aspect” uit van de door hem geambieerde studierichting, zo gaat verzoeker verder. In die studierichting zou Frans ook in aantal lesuren dalen. Een en ander laat volgens hem niet toe te besluiten dat deze studierichting voor hem niet haalbaar zou zijn. Aan IX-10.323-5/16 dat argument heeft de beroepscommissie volgens verzoeker geen enkele aandacht besteed. Verzoeker wijst er ook op dat hij zich in de vakantie “uitvoerig [heeft] bijgewerkt” voor Frans en chemie, dat hij daaromtrent stukken en bewijzen aan de beroepscommissie heeft bezorgd, maar dat die commissie daarmee “nauwelijks rekening […] houdt”. Verzoeker is van oordeel dat dit niet alleen een schending van de motiveringsplicht oplevert, maar ook wijst op een onzorgvuldigheid en een onredelijkheid. Hij noemt de bestreden beslissing des te meer onredelijk omdat zelfs de mogelijkheid tot overzitten wordt uitgesloten. Het ontbreken van basiskennis acht verzoeker dan weer geen “sluitende motivering”, want daarvoor is een “globale beoordeling” nodig. Die beoordeling ontbreekt. Voorts meent verzoeker dat in de bestreden beslissing niet werd geantwoord op verschillende van zijn grieven in verband met zijn redelijke slaagkansen in de door hem geambieerde studierichting. Beoordeling 11.
- Luidens artikel 82, tweede lid, 2° van het organisatiebesluit van 2002, ingevoegd bij artikel 100 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (“het organisatiebesluit van 2022”), houdt het organisatiebesluit van 2002 op uitwerking te hebben op 31 augustus 2022 “in het tweede leerjaar van de tweede graad”. Aldus moet prima facie worden vastgesteld dat het door verzoeker aangevoerde artikel 38 van het organisatiebesluit van 2002 in zijn geval niet langer van kracht was. IX-10.323-6/16 Voor zover het middel de schending aanvoert van een bepaling die op verzoeker geen uitwerking heeft, mist het ernst. 11.
- In het organisatiebesluit van 2022 lijkt een woordelijk identieke bepaling als die waarvan verzoeker de schending aanvoert, niet te zijn opgenomen. In de huidige stand van de rechtspleging, waar de Raad van State wordt gevraagd “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” op te treden en waarbij de rechten van verdediging van de verwerende partij zeer beperkt zijn, valt het de Raad niet toe om eigener beweging na te gaan of er enigszins gelijkaardige bepalingen voorkomen in het nieuwe organisatiebesluit en om vervolgens zelf – na een vergelijking tussen beide – het middel te herschrijven in de plaats van verzoeker door zijn grieven, ontleend aan de schending van het organisatiebesluit van 2002 in te passen in de bepalingen van het organisatiebesluit van
- 11.
- Hoe dan ook voert verzoeker wezenlijk aan dat niet, minstens niet afdoende werd geantwoord op zijn vraag waarom zijn slaagkansen voor de studierichting wetenschappen-wiskunde zodanig laag werden ingeschat dat hem ook de toegang tot die richting moest worden ontzegd. Die wettigheidskritiek ziet op de ook door verzoeker in het middel aangevoerde (formele)motiveringsplicht. Het middel wordt onder die invalshoek onderzocht.
- Verzoeker voert in zijn verzoekschrift weliswaar ook aan dat de bestreden beslissing niet uitlegt waarom overzitten wordt uitgesloten en hij acht de beslissing in die mate ook onredelijk. Evenwel dient vastgesteld dat de beslissing van de klassenraad van einde juni dezelfde strekking had en dat verzoeker zich daartegen in zijn beroepschrift bij het schoolbestuur op het eerste gezicht niet heeft verzet. Daarmee lijkt verzoeker de inzet van zijn rechtsstrijd definitief te hebben bepaald. Lezing van het beroepschrift van verzoeker doet prima facie besluiten dat het hem er enkel om te doen was de studierichting wetenschappen-wiskunde uit de clausulering te doen verwijderen. IX-10.323-7/16 Er lijkt op de beroepscommissie dan ook geen verplichting te rusten om het aspect van het overzitten nog specifiek en apart te motiveren. In de mate dat verzoeker thans kritiek uit op de in de bestreden beslissing opgenomen uitsluiting van de mogelijkheid om het tweede jaar van de tweede graad over te zitten, lijkt het middel onontvankelijk en is het dus niet ernstig.
- Meer nog, verzoeker heeft in zijn beroepschrift meermaals aangegeven dat zijn voorkeur voor het eerste leerjaar van de derde graad uitgaat naar de studierichting wetenschappen-wiskunde. De overige clausuleringen lijkt hij niet in vraag te stellen. Het enige middel moet, zo lijkt, dan ook vanuit dat oogpunt worden beoordeeld.
- Aan verzoeker is een oriënteringsattest B toegekend. Verzoeker heeft derhalve, naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit van 2022, het tweede leerjaar van de tweede graad “met vrucht en met clausulering” beëindigd. Clausulering betekent, aldus artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit van 2022, dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd”. In het tweede jaar van de tweede graad zijn de mogelijke clausuleringen “de uitsluiting van een of meer finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen” (artikel 61, tweede lid, 2°, van het organisatiebesluit van 2022). De jaartekorten die verzoeker liet optekenen waren voor de beroepscommissie geen reden om te besluiten dat hij het leerjaar “niet met vrucht heeft beëindigd” en om hem een daarmee overeenstemmend C-attest toe te kennen. Het doet aannemen, zo lijkt, dat een dergelijk B-attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd, toch de IX-10.323-8/16 toegang tot welbepaalde finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen moet worden ontzegd.
- Het toekennen van een B-attest vereist een zogenaamd prospectief onderzoek, dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60 van het organisatiebesluit van 2022). Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel stelt de beroepscommissie zich als het ware in de plaats van de klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers lijkt te behoren om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling of van zijn ouders. Een klassenraad of beroepscommissie kan op basis van zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een bepaalde studiekeuze te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, het leerjaar met vrucht heeft beëindigd. De beroepscommissie die een clausulering toevoegt aan het oriënteringsattest, verkiest echter in de plaats van die leerling de schoolloopbaan gedeeltelijk te bepalen.
- De aard van de prospectieve deliberatie moet een beroepscommissie bij het opleggen van een clausulering aan een leerling die het jaar met vrucht heeft beëindigd tot grotere omzichtigheid in de motivering nopen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar beslissing om aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen op te leggen des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. IX-10.323-9/16 Zo een vooruitblik is noodzakelijk ook deels subjectief. Daarom moet de beroepscommissie deze deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar koppelen aan de beschikbare gegevens van het dossier en in het bijzonder aan de bagage waarover de leerling nu beschikt. Kan de beroepscommissie dat niet, dan zou zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden.
- Om de in de bestreden beslissing gehanteerde clausulering voor de richtingen met doorstroomfinaliteit – daarin begrepen dus de door verzoeker geambieerde studierichting wetenschappen-wiskunde – te verantwoorden, lijkt de bestreden beslissing uitsluitend te refereren aan de resultaten van verzoeker voor Frans. Immers, alleen voor dat ene vak wordt gewezen op “het ontbreken van de nodige voorkennis […] om de aangehaalde geclausuleerde studierichtingen te kunnen aanvatten” en wordt aangevoerd dat “de abstractiegraad voor het vak frans in de finaliteit doorstroom groot is en de nodige basiskennis bij [verzoeker] niet aanwezig is”. Het jaartekort voor chemie wordt, zo lijkt, in de bestreden beslissing geacteerd zonder dat het prima facie op enige wijze in verband wordt gebracht met de opgelegde clausulering.
- Alle andere motieven dan deze over het vak Frans, zijn op het eerste gezicht dan ook overtollig ten opzichte van de clausulering van – onder meer – de studierichting wetenschappen-wiskunde. Kritiek op overtollige motieven om de clausulering te betwisten, lijkt onontvankelijk en in die mate is het middel niet ernstig.
- De kritiek van verzoeker dat het de bestreden beslissing aan “zeer overtuigende motieven” ontbreekt om aan te tonen dat zijn slaagkansen in het volgende leerjaar zo miniem zijn dat hem de toegang tot dat volgende leerjaar in zekere studierichtingen moet worden ontzegd, lijkt niet terecht. IX-10.323-10/16 Er wordt namelijk uitdrukkelijk aangehaald dat verzoeker de noodzakelijke voorkennis inzake Frans mist om zelfs maar één van de geclausuleerde studierichtingen te kunnen aanvatten. Dat hij niet die voorkennis heeft, betwist verzoeker niet, zo lijkt. Het tegendeel zou mogen verbazen, aangezien verzoeker er noch in het eerste jaar, noch in het tweede jaar van de tweede graad in geslaagd is om voor Frans een voldoende jaartotaal te behalen. Het eerste jaar van de tweede graad behaalde hij een totaal van 40,5% voor Frans. In het tweede jaar van dezelfde graad bedraagt zijn jaartotaal voor Frans, zoals gezien, 37%. Welke bijkomende uitleg of verantwoording hij dan nog wil om zijn slaagkansen voor dit vak in een volgend leerjaar in de geclausuleerde studierichtingen ingeschat te zien, verduidelijkt verzoeker niet. Die gegevens voor ogen, lijkt de inschatting die de beroepscommissie maakt van de slaagkansen van verzoeker niet onredelijk. In die mate is het middel niet ernstig.
- Dat verzoeker met dat gebrek aan basiskennis de geclausuleerde studierichtingen niet kan aanvatten, lijkt hij te betwisten door erop te wijzen dat Frans een beperkter aantal uren vertegenwoordigt in de lessentabel van de derde graad wetenschappen-wiskunde. Dat argument zou trouwens door de beroepscommissie onbesproken zijn gebleven. Verzoeker kan in die kritiek op het eerste gezicht niet worden bijgevallen. Immers, de beroepscommissie heeft wel degelijk gewezen op de hoge abstractiegraad voor het vak Frans in de studierichtingen met doorstroomfinaliteit. Dit impliceert ook: ongeacht de omvang ervan in de IX-10.323-11/16 lessentabel. Daarmee heeft de beroepscommissie, zo lijkt, impliciet maar zeker aangegeven dat het aantal uren Frans in de lessentabel niet relevant is. Dat oordeel lijkt voorts niet van iedere redelijkheid ontdaan. Alleszins wordt het in de huidige stand van de rechtspleging door verzoeker niet ontkracht. Ook in die mate is het middel niet ernstig.
- Verzoeker betoogt nog dat de beroepscommissie op grond van twee jaartekorten “moeilijk [kan] besluiten dat de gehele richting volstrekt onhaalbaar zou zijn” en dat “een globale beoordeling van deze richting nodig [is]”. Daarmee lijkt verzoeker te bedoelen dat de cijfers voor deze twee vakken (Frans en chemie) niet dienstig kunnen zijn om zijn slaagkansen in te schatten. Dat impliceert dat hij bij voorbaat ervan uitgaat dat in het volgende schooljaar onmogelijk kan worden geoordeeld dat, bijvoorbeeld, één jaartekort voor Frans hem aangerekend kan worden. Daarmee stuurt verzoeker, zo lijkt, aan op een vorm van vrijstelling. Daarmee lijkt verzoeker de ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de klassenraad van het volgende leerjaar volstrekt te negeren. Om die reden kan die kritiek prima facie evenmin tot de schorsing leiden.
- Het argument dat verzoeker zich tijdens de vakantie zou hebben bijgewerkt, met daarbij de stukken die daarover aan de beroepscommissie werden voorgelegd, werd op het eerste gezicht eveneens betrokken in de bestreden beslissing. De beroepscommissie stelt immers vast dat “het door de leerling IX-10.323-12/16 aangereikte materiaal weinig extra meerwaarde voor de vakken frans en chemie bevat”. Daarmee is er formeel antwoord gekomen op die elementen. Dat dit motief niet deugdelijk is, voert verzoeker dan weer niet aan. Het middel is in zoverre evenmin ernstig.
- Dat een motivering “logisch coherent” moet zijn, daarin kan verzoeker worden bijgevallen. In welke mate de thans bestreden beslissing dat niet is, lijkt hij niet te verduidelijken. In die mate lijkt het middel onontvankelijk en is het evenmin ernstig.
- Onder punt ‘IV.1.2’ van zijn verzoekschrift betoogt verzoeker ook nog dat “verschillende opgeworpen grieven” op geen enkele manier werden betrokken in de beslissing. Het citaat uit het beroepschrift dat verzoeker dan aanhaalt, bevat op het eerste gezicht geen afzonderlijke grief. Hij herhaalt daarin nog eens, samengevat, dat de beroepscommissie zich moet afvragen of verzoeker “absoluut zeker” een C-attest zal behalen in het volgende leerjaar in de studierichting wetenschappen-wiskunde, citeert vervolgens bepalingen uit het organisatiebesluit van 2002, omschrijft wat hij verstaat onder verschillende beginselen van behoorlijk bestuur en citeert rechtspraak van de Raad van State. IX-10.323-13/16 Daargelaten dat een absolute zekerheid in verband met de slaagkansen van een leerling in een volgend jaar nooit voorhanden is, is hiervóór gebleken dat verzoeker er niet kan van overtuigen dat geen juiste inschatting van zijn slaagkansen is gebeurd. Dat geen antwoord zou zijn gekomen op verwijzingen naar zekere bepalingen uit het organisatiebesluit van 2002 lijkt verzoeker voorts moeilijk aan de beroepscommissie te kunnen verwijten, nu deze bepalingen, zoals gezien, op het geval van verzoeker niet meer van toepassing waren. Net zomin kan prima facie aan de beroepscommissie worden verweten niet te zijn ingegaan op passages in het beroepschrift die niets méér inhouden dan omschrijvingen van beginselen van behoorlijk bestuur of citaten uit de rechtspraak van de Raad van State, zonder dat die in concreto op het geval verzoeker worden toegespitst. Ook in die mate is het middel niet ernstig.
- Aan de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel geeft verzoeker op het eerste gezicht dan weer geen andere invulling, naast wat hij reeds heeft uiteengezet onder de noemer van de schending van het motiveringsbeginsel. Het niet-ernstig bevinden van het middel in de mate dat het de schending van de motiveringsplicht betreft, maakt dat het middel evenmin ernstig is ten aanzien van de twee andere voormelde beginselen.
- Het enige middel is in zijn geheel niet ernstig, zodat de vordering dient te worden afgewezen. BESLISSING IX-10.323-14/16
- De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.323-15/16
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.323-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.316 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.