← België

Arrest 257323 - Examens (onderwijs) - 15/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.323 Rolnummer: A. 239968/IX-10322 Zaak: Arrest 257323 - Examens (onderwijs) - 15/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-18 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 11:52 Fiche Arrest nr 257.323 van 15 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.323 van 15 september 2023 in de zaak A. 239.968/IX-10.322 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SPORTSCHOOL MEULEBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Thomas Fiers kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 6 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Sportschool Meulebeke van 23 augustus 2023, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2023, om 11.00 uur. IX-10.322-1/12 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 leerling in het tweede jaar van de derde graad Lichamelijke Opvoeding en Sport (TSO) op de Sportschool Meulebeke. Op het einde van het schooljaar behaalt hij een oriënteringsattest C. De beroepscommissie bevestigt op 23 augustus 2023 dit C-attest met de thans bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.322-2/12 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  6. Het vervuld zijn van de voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, wordt door de verwerende partij terecht niet betwist. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de artikelen 5, § 5, 38 en 39 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (“het organisatiebesluit”). Verzoeker argumenteert dat hij in het kader van het intern beroep duidelijk had aangegeven “dat de school niet op zorgvuldige wijze is omgegaan met de medische problematiek van zijn moeder en de enorme mentale impact die dit [op hem] heeft gehad”. Hij meent dat hij daardoor geen kans heeft gekregen op bijkomende proeven voor de vakken wiskunde en toegepaste biologie. De beroepscommissie gaat volledig voorbij aan “het aspect dat de resultaten van [verzoeker] zijn aangetast door de bijzondere omstandigheden”. De bestreden beslissing zou op “geen enkele wijze [antwoorden]” op deze “meest cruciale argumentatie van verzoeker” of nog, de bestreden beslissing zou “[d]e[ze] hele kwestie […] dood[zwijgen]”. Nochtans meent verzoeker dat zijn “onverwacht zwakke” examenresultaten in juni voor de vakken wiskunde en toegepaste biologie door deze externe factor zijn veroorzaakt, veeleer dan door zijn inherent falen. Zijn inzet – of de afwezigheid ervan – is volgens verzoeker “een constante parameter IX-10.322-3/12 die niet kan verklaren waarom verzoeker net zoals in het eerste jaar van de graad niet zou kunnen slagen”. Beoordeling
  8. Dit middel heeft enkel betrekking, zo lijkt, op de weigering om bijkomende proeven te mogen afleggen voor de vakken wiskunde en toegepaste biologie, waarvan verzoeker de behaalde resultaten op zich in het middel niet betwist.
  9. In de toelichting bij het middel zet verzoeker nergens uiteen hoe de door hem aangevoerde bepalingen van het organisatiebesluit door de beroepscommissie zijn miskend. In die mate is het middel niet ontvankelijk.
  10. De “meest cruciale argumentatie van verzoeker”, waarop volgens hem op “geen enkele wijze” wordt geantwoord door de beroepscommissie betreft de weerslag van de ziekte van zijn moeder op zijn prestaties, welke om die reden niet representatief heten te zijn. De vraag rijst of verzoeker de bestreden beslissing wel aandachtig heeft gelezen. Immers, de problematiek van de ernstige ziekte van zijn moeder wordt in deze beslissing helemaal niet doodgezwegen. Wel integendeel. De argumenten van verzoeker en van de voorzitter van de klassenraad hierover worden samengevat en op diverse plaatsen in de motivering van de beslissing wordt dieper ingegaan op deze argumentatie van verzoeker. Van een schending van de formelemotiveringsplicht is geen sprake, zo lijkt. IX-10.322-4/12
  11. De volgende passage uit de bestreden beslissing lijkt in dat kader van belang te zijn: “2.- In het beroep dat door [verzoeker] is ingesteld tegen de beslissing van de klassenraad, wordt in ondergeschikte orde gevraagd om bijkomende proeven op te leggen. In het schoolreglement (artikel 24.5.2) is bepaald dat het heel uitzonderlijk kan gebeuren dat de delibererende klassenraad eind juni over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen beslissen of een leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en daarom bijkomende proeven oplegt om zo de nodige gegevens te verzamelen. Een leerling heeft geen recht op herexamens of bijkomende proeven. Het behoort tot de autonomie van de klassenraad om te oordelen of een leerling aan een bijkomende proef moet onderworpen worden omdat de klassenraad door bijzondere omstandigheden meent op het einde van het schooljaar toch niet over alle nuttige gegevens te beschikken om over het al dan niet slagen oordeelkundig te beslissen. Het toestaan van bijkomende proeven is dan ook uitzondering en geen regel. In de regel beschikt een klassenraad over voldoende inzicht om zich over de prestaties van een leerling te bui[g]en en om zelfs tegenvallende resultaten te duiden […]. Ook in casu beschikte de klassenraad over voldoende gegevens om te beslissen of [verzoeker] het leerjaar al dan niet met vrucht heeft beëindigd. [Verzoeker] heeft voldoende examens, toetsen en proeven afgelegd om de klassenraad toe te laten om die beoordeling te maken. De leden van de klassenraad hadden kennis van de ernstige ziekte van de moeder van [verzoeker], maar vonden niet dat dit leidde tot twijfel wat betreft de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de voorliggende resultaten. De beroepscommissie bevestigt dit standpunt. De zwakke resultaten zijn niet onverwacht, maar eerder de regel (zie vijfde jaar en ook vierde jaar). Ze reflecteren o.a. de aanhoudend zwakke studiehouding en het gebrek aan kwaliteiten van de leerling op het vlak van kennisverwerving en zelfstandig studeren. Dit was in het vierde en voornamelijk het vijfde jaar al een groot werkpunt maar leidde toen niet tot ontoelaatbare tekorten, in tegenstelling tot het zesde jaar waar de tekorten voor twee hoofdvakken te groot zijn. De moeilijke persoonlijke omstandigheden hadden voornamelijk betrekking op het eerste trimester, en de zwakste resultaten zijn neergezet in het tweede en derde trimester. Tijdens het eerste trimester is de thuissituatie soms voorwerp van gesprek geweest met [verzoeker]. Tijdens het tweede en derde trimester kwam dit bij [verzoeker] niet meer naar boven en bleek uit zijn houding ook niet dat hij daarmee worstelde. Op het internaat zag men ook gans het zesde jaar geen verschil in de houding of het gedrag van [verzoeker] in vergelijking met het vijfde jaar. Jammer genoeg betekent dit dat er in het zesde jaar een even groot gebrek aan studie-ijver was als in het vijfde jaar. IX-10.322-5/12 Er zijn dan ook geen redenen om te twijfelen aan de representativiteit van de resultaten behaald op examens, toetsen en proeven. De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat er in het dossier van [verzoeker] wel degelijk voldoende gegevens beschikbaar zijn om te kunnen beslissen dat de leerling het leerjaar niet met vrucht heeft beëindigd en zijn de uitzonderlijke voorwaarden om te beslissen tot bijkomende proeven niet vervuld.” Verzoeker beweert niet dat de aangehaalde feitelijke vaststellingen strijdig zijn met de stukken van het administratief dossier. Voor zover verzoeker meent dat zijn examenresultaten in juni voor de vakken wiskunde en toegepaste biologie “onverwacht zwak” kunnen worden genoemd, spoort die zienswijze niet met de vaststellingen van de beroepscommissie. Verzoeker ziet het anders, maar slaagt er vooralsnog niet in om te weerleggen dat hij ook in het vierde en vijfde jaar tekorten had – weze het minder grote tekorten; dat hij een “even groot gebrek” aan studie-ijver vertoonde als in het vijfde jaar; dat “de tekorten voor twee hoofdvakken” stilaan “te groot zijn”; dat de moeilijke persoonlijke omstandigheden “voornamelijk betrekking [hebben] op het eerste trimester, en de zwakste resultaten zijn neergezet in het tweede en derde trimester” en dat hij op internaat geen blijk gaf van de thans aangevoerde impact van zijn moeders ziekte. De beroepscommissie komt, rekening houdend met deze elementen uit het leerlingendossier van verzoeker, tot het besluit dat zijn zwakke resultaten in lijn liggen met de resultaten die verzoeker eerder op het jaar en tijdens de voorgaande schooljaren voor deze vakken behaalde, zodat de zwakke examenresultaten in juni dan ook helemaal niet als “onverwacht” kunnen worden bestempeld en er derhalve dan ook geen twijfel kan rijzen aangaande de representativiteit van deze cijfers. Deze weerlegging van het niet-representatief karakter van zijn cijfers is op het eerste gezicht deugdelijk en vermag de bestreden weigering prima facie te dragen. Het valt de Raad van State niet toe om in de plaats van de beroepscommissie die beoordeling over te doen. Verzoeker slaagt er in de huidige stand van de procedure niet in om ervan te overtuigen dat de beroepscommissie ten onrechte de behaalde cijfers als representatief bestempelt, zodat er geen reden is om bijkomende proeven toe te staan. IX-10.322-6/12 Ook de schending van de materiëlemotiveringsplicht is niet genoegzaam aangetoond.
  12. Verzoeker schrijft in de voorlaatste alinea van de toelichting bij het middel “dat de beroepscommissie de grieven van verzoeker evenmin zorgvuldig heeft onderzocht, waardoor de beslissing tevens het zorgvuldigheidsbeginsel schendt”. Dit is niet meer dan een niet-onderbouwde stelling, geen ontvankelijk middel.
  13. Verzoeker poneert in de laatste alinea van de toelichting bij het middel dat “niet [kan] worden aangenomen dat een zorgvuldige beroepscommissie in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou nalaten op de grieven van een leerling en zijn ouders te antwoorden – zodat de beslissing tot het weigeren van een uitgestelde proef en het toekennen van een C-attest manifest kennelijk onredelijk is”. Verzoeker werkt deze zienswijze niet concreet uit, zodat het middel ook in die mate niet ontvankelijk is. Overigens is hiervóór het uitgangspunt van verzoeker dat op zijn grieven niet is geantwoord, al afgewezen.
  14. Kortom: het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  15. Ook in een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, alsook een schending van het redelijkheidsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de artikelen 5, § 5, 38 en 39 van het organisatiebesluit. IX-10.322-7/12 Verzoeker argumenteert dat de bestreden beslissing “nauwelijks een spoor vertoont” van hoe zijn grieven door de beroepscommissie “voldoende in de beslissing zijn betrokken of waarom deze niet doorslaggevend zouden kunnen zijn”. Verzoeker citeert dan overheen zes bladzijden zijn beroepschrift en somt op één bladzijde de argumenten op die hij op de hoorzitting liet gelden. Hij meent dat hij “geen correcte antwoorden op zijn argumenten” vindt. Hij is ook de mening toegedaan dat de beroepscommissie bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden met “alle relevante concrete gegevens” van zijn dossier, terwijl artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit “de klassenraad tot een globale appreciatie verplicht”. De “klassenraad” moet bij zijn beraadslaging “de andere concrete gegevens van het dossier” afwegen “tegenover dit ene tekort”. Beoordeling
  16. De aangevoerde schending van de artikelen 38 en 39 van het organisatiebesluit wordt nergens toegelicht, zodat het middel in die mate onontvankelijk is.
  17. Een verzoeker die aanvoert dat niet, of niet deugdelijk is geantwoord op zijn grieven – en aldus een schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht – mag er niet mee volstaan in de toelichting van dat middel louter zijn bezwaarschrift voor de beroepscommissie te herhalen. Het ligt niet op de weg van de Raad van State om zelf het middel voor verzoeker te schrijven, door de intern aangevoerde bezwaren te plaatsen tegenover de in de bestreden beslissing gegeven motieven en om vervolgens zelf telkenmale na te gaan of grief per grief wel een antwoord is gegeven en, zo ja, of dit antwoord draagkrachtig is. Voorts rijst ook hier weer de vraag of verzoeker, die meent géén antwoorden op zijn bezwaarschrift te kunnen terugvinden in de formele motivering van de bestreden beslissing, deze beslissing wel aandachtig heeft gelezen. IX-10.322-8/12 Hoe dan ook bevat de bestreden beslissing onder punt 1 een omstandige motivering van meer dan drie bladzijden – in punt 2 wordt vervolgens, zoals gezien, ingegaan op de vraag naar bijkomende proeven. Uit die neergeschreven motivering blijkt dat de beroepscommissie een antwoord formuleert op wat zij leest als de grieven van verzoeker en dat zij ook rekening heeft gehouden “met alle concrete gegevens van het dossier van de leerling” zoals onder meer maar niet uitsluitend de remediërende handelingen en aanbevelingen, de zwakke studiehouding van verzoeker, het gebrek aan kwaliteiten van verzoeker op het vlak van kennisverwerving en zelfstandig studeren en de aangeboden begeleiding bij het opmaken van een studieplanning.
  18. Er kan op het eerste gezicht alvast niet worden volgehouden dat de beroepscommissie het dossier van verzoeker niet zorgvuldig zou hebben onderzocht.
  19. Voor zover de beroepscommissie spijts haar ruim uitgeschreven motivering inderdaad, zoals verzoeker beweert, verzuimt op de ene of de andere concrete grief te antwoorden, lag het op verzoekers weg zijn kritiek precies en nauwkeurig op papier te zetten en niet, zoals hij nu deed, zijn volledige interne beroepschrift te kopiëren en dan maar te beweren dat hij “geen correcte antwoorden” vindt. Meer nog, verzoeker betrekt in de toelichting bij het middel op geen enkele wijze het uitgeschreven antwoord van de beroepscommissie. Hij lijkt dus gewoon de Raad van State uit te nodigen om datgene te doen wat hij niet mag – namelijk, los van wat de beroepscommissie ervan vindt, het onderzoek van verzoekers intern bezwaar overdoen en zijn eigen beoordeling ervan in de plaats te stellen van de beslissing van de beroepscommissie. Daarmee verkijkt verzoeker zich op de opdracht van de Raad van State als rechter van de wettigheid. In zoverre is het middel onontvankelijk. IX-10.322-9/12
  20. Een schending van de in het middel aangevoerde beginselen is in de huidige stand van de procedure niet aangetoond.
  21. Artikel 5 van het organisatiebesluit richt zich tot de klassenraad, niet tot de beroepscommissie. Verzoekers bewering dat de klassenraad dit artikel heeft geschonden, vermag de onwettigheid van de beslissing van de beroepscommissie niet aan te tonen. Verzoeker maakt voorts gewag van een afweging van zijn andere resultaten tegenover “dit ene tekort”. Hij lijkt te zijn vergeten dat hij niet één, maar twéé jaartekorten heeft. Ten slotte hééft de beroepscommissie haar beslissing mede afgewogen in functie van de andere door verzoeker behaalde resultaten. Inzonderheid wordt verwezen naar “ook lage scores voor andere richtingspecifieke vakken toegepaste fysica (50,6%), toegepaste chemie (54,8%) en psychologie (50,2%)”. Het is alweer een motief waaraan verzoeker in zijn verzoekschrift voorbijgaat. Voor zover het middel refereert aan een schending van artikel 5 van het organisatiebesluit, is het niet ernstig.
  22. Ook het tweede middel mist ernst. C. Besluit
  23. Geen van de beide middelen is ernstig gebleken. Er is dan ook niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn IX-10.322-10/12 wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. IX-10.322-11/12 BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt de vordering.
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  26. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.322-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.323 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.