← België

Arrest 257328 - Examens (onderwijs) - 15/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.328 Rolnummer: A. 239957/IX-10320 Zaak: Arrest 257328 - Examens (onderwijs) - 15/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-19 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-10 11:54 Fiche Arrest nr 257.328 van 15 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.328 van 15 september 2023 in de zaak A. 239.957/IX-10.320 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Greet Louwet kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de PROVINCIE LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Laura Martens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 5 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing dd. 25 augustus 2023 van de interne beroepscommissie van de Provinciale Secundaire School Bilzen waarbij aan de leerling XXXX werd opgelegd bijkomende proeven af te leggen voor de vakken Nederlands, Duits en zakelijke communicatie Frans met betrekking tot de leerstof van het gehele schooljaar”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.320 -1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 september 2023, om 11.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Greet Louwet, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Laura Martens en Nick Parthoens, loco advocaat Koen Geelen, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 leerling van het eerste leerjaar van de derde graad, studierichting ‘Handel’, in de Provinciale Secundaire School Bilzen, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Volgens verzoeker, die daarin niet wordt tegengesproken door de verwerende partij, ondervindt hij vanaf eind november 2022 “onverwachte medische problemen” en is hij van 17 februari 2023 tot 16 april 2023 gewettigd afwezig op de school. Na de paasvakantie worden afspraken gemaakt over onderwijs aan huis, online lessen, taken en opdrachten. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker jaartekorten voor Nederlands (46,3%), Duits (41,9%), wiskunde uitdieping (48,5%) en zakelijke communicatie Frans (33%). Zijn algemeen eindresultaat bedraagt 57,7%. IX-10.320 -2/16 3.2. Op 30 juni 2023 beslist de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering van “technisch secundair onderwijs”. De klassenraad geeft tevens een gunstig advies met betrekking tot het overzitten van het leerjaar. De motivering luidt: “XXXX heeft 3 jaartekorten voor Nederlands, Duits, zakelijk Frans en 7 examentekorten. Ondanks de remediëringsacties (o.a. onderwijs aan huis) en gegeven feedback was er onvoldoende vooruitgang.” 3.3. De ouders van verzoeker gaan niet akkoord met de voormelde beslissing van de delibererende klassenraad en vragen een overleg aan bij de schooldirecteur. Nadat dat overleg heeft plaatsgehad, oordeelt de schooldirecteur dat de argumenten van de ouders “geen nieuwe bijeenkomst van de klassenraad rechtvaardigen”. 3.4. Op 11 juli 2023 stelt verzoeker een beroep in bij het schoolbestuur tegen de voormelde beslissing van de delibererende klassenraad. 3.5. Op 25 augustus 2023 worden verzoeker en zijn raadsman, alsook zijn ouders gehoord door de beroepscommissie van de verwerende partij. 3.6. Op 25 augustus 2023 neemt de beroepscommissie de thans bestreden beslissing om aan verzoeker “de mogelijkheid [te bieden] om bijkomende proeven af te leggen voor de vakken Nederlands, Duits en Zakelijke Communicatie Frans met betrekking tot leerstof van het hele schooljaar om aan te tonen dat hij weldegelijk de leerplandoelstellingen behaalt”. IX-10.320 -3/16 De beroepscommissie overweegt onder meer: “Overwegende dat XXXX in het eerste leerjaar van de derde graad Handel (5Handel) een algemeen totaal van 57,7% en dus een globaal slaagcijfer behaalt; dat leerling op het eindrapport drie jaartekorten heeft, 46,3% voor Nederlands, 41,9% voor Duits en 33% voor Zakelijke Communicatie Frans; dat de interne beroepscommissie oordeelt dat de drie jaartekorten op het eindrapport, niet mogen worden geminimaliseerd gezien de zwaarte van de tekorten; dat de leerling, gezien de zwaarte van deze tekorten, de leerplandoelstellingen voor de vakken Nederlands, Duits en Zakelijke Communicatie Frans kennelijk niet heeft bereikt; […] Overwegende dat de IBC tijdens de hoorzitting vaststelt dat de ouders geen gebruik maken van hun eigen Smartschool-account; dat zij hun zoon opvolgen via de Smartschool-account van de leerling; dat derhalve geen enkel bericht van de school naar de ouders daadwerkelijk bij de ouders lijkt te zijn toegekomen; dat het dan ook niet redelijk is om te beweren dat de school niet communiceerde over de opvolging en begeleiding van de leerling; Overwegende dat de interne beroepscommissie rekening houdt met de langdurige afwezigheid van de leerling omwille van medische problemen, en de mogelijke invloed van deze medische problemen op de studieresultaten van de leerling; dat XXXX door zijn medische problemen minder evaluatiekansen heeft gehad doorheen het schooljaar; dat de interne beroepscommissie vaststelt dat er derhalve onvoldoende evaluatiegegevens van de leerling beschikbaar zijn om te kunnen oordelen of XXXX de leerplandoelstellingen voor de vakken Nederlands, Duits en Zakelijke Communicatie Frans al dan niet heeft bereikt; Overwegende dat de grieven in de eerste plaats lijken te doelen op een gebrek aan begeleiding en remediëring vanuit de school en daarnaast op een gebrekkige evaluatie; dat een eventueel gebrek in begeleiding en remediëring niet automatisch aanleiding [kan] geven tot het toekennen van een A-attest; dat de Raad van State reeds herhaaldelijk oordeelde dat grieven omtrent een gebrek aan begeleiding en remediëring mogelijk kunnen aantonen dat de school medeaansprakelijk is voor het minder gunstig resultaat maar niet kunnen aantonen dat dergelijk resultaat ten onrechte als minder gunstig wordt beschouwd; dat het een zaak is of een leerling kan bewijzen de vereiste kennis en kunde te bezitten en een andere dat als hij die kennis en kunde niet heeft wie daarvoor dan de schuld draagt; dat los van de grieven rond begeleiding en remediëring er ernstige vragen gesteld worden rond de beschikbare evaluatiegegevens zelf; IX-10.320 -4/16 Overwegende dat de beslissing van de interne beroepscommissie in de plaats komt van de beslissing van de delibererende klassenraad en dat de interne beroepscommissie daarbij over eigen onderzoeksbevoegdheden beschikt; Overwegende dat, op basis van het verhoor, het voorliggende dossier en bovenstaande redenen, blijkt dat er vragen zijn gerezen omtrent de evaluatie van XXXX; dat er, zoals hoger aangehaald, kennelijk onvoldoende evaluatiegegevens aanwezig zijn om een deugdelijke beslissing te nemen; dat het daarom aangewezen is om bijkomende proeven te organiseren voor de vakken Nederlands, Duits en Zakelijke Communicatie Frans en zo meer evaluatiegegevens te verzamelen; dat de bijkomende proeven plaatsvinden op maandag 11 september 2023 (bijkomende proef Duits), maandag 18 september 2023 (bijkomende proef Zakelijke Communicatie Frans) en maandag 25 september 2023 (bijkomende proef Nederlands); dat [A.P.], directeur en voorzitter van de klassenraad van de Provinciale Secundaire School Bilzen en lid van de interne beroepscommissie, verantwoordelijk is voor de planning, inhoud en organisatie van de bijkomende proeven; dat de leerling middels de bijkomende proeven alsnog kan aantonen de leer- plandoelstellingen daadwerkelijk te hebben bereikt voor de vakken Nederlands, Duits en Zakelijke Communicatie Frans; dat na afloop van de bijkomende proeven voldoende evaluatiegegevens van de leerling beschikbaar zijn voor de interne beroepscommissie om te kunnen oordelen of XXXX de leerplandoelstellingen voor de vakken Nederlands, Duits en Zakelijke Communicatie Frans al dan niet heeft bereikt.” IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. De verwerende partij werpt in haar nota excepties van onontvankelijkheid van de vordering op, gesteund op de niet-aanvechtbaarheid van de bestreden beslissing en het gebrek aan belang in hoofde van verzoeker. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over die excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende IX-10.320 -5/16 noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.1. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 123/17, § 2, eerste lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs, gelezen in samenhang met artikel 18, § 2, van het huishoudelijk reglement van “de interne beroepscommissie tucht, respectievelijk evaluatie, voor het beroep tegen een definitieve uitsluiting, respectievelijk een evaluatiebeslissing”, alsook de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel: “doordat uit de bestreden beslissing van de interne beroepscommissie niet kan worden afgeleid op welke wijze de besluitvorming tot stand is gekomen en wie daaraan heeft deelgenomen terwijl […] hetzij in de beslissing zelf, dan wel in een begeleidend stuk dient te blijken dat de interne beroepscommissie op een reglementaire wijze met de vereiste meerderheden een beslissing heeft genomen.” 6.2. Verzoeker licht toe dat er geen notulen van de beraadslaging van de beroepscommissie werden opgesteld en dat noch uit het verslag van de hoorzitting van de beroepscommissie, noch uit de bestreden beslissing zelf blijkt of er sprake is geweest van een beslissing bij “consensus”, dan wel bij “meerderheid”, of er werd gestemd en of bij de stemming de wettelijk voorgeschreven pariteit werd gerespecteerd. IX-10.320 -6/16 Volgens verzoeker kan aldus noch uit de bestreden beslissing, noch uit een ander document worden afgeleid of de procedure bij de besluitvorming op een regelmatige wijze is verlopen. Gelet op het standpunt dat bepaalde leden van de beroepscommissie hebben ingenomen met betrekking tot de aangevoerde onregelmatigheid van het eindrapport en van de beslissing van de directeur, is dit – zo stelt verzoeker – een cruciaal element dat ontbreekt en moet worden besloten dat de bestreden beslissing niet op een regelmatige wijze tot stand is gekomen. Beoordeling 7. Het door verzoeker ingeroepen artikel 123/17, § 2, eerste lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs luidt, letterlijk, als volgt: “In het secundair onderwijs bepaalt het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen: […] 2° de samenstelling is als volgt: enerzijds ‘interne leden’, zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds ‘externe leden’, zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen. In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:

  1. a)wordt onder een lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;
  2. b)wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
  3. c)wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt
  4. b)van toepassing is.” Artikel 18, § 2, van het huishoudelijk reglement van de beroepscommissie luidt: IX-10.320 -7/16 “De beroepscommissie streeft naar een consensus. Wanneer het toch tot een stemming komt, is elk lid in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn. Is dit laatste niet het geval dan wordt via loting bepaald wie mag deelnemen aan de stemming. De beslissing wordt genomen bij gewone meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.” 8. De bestreden beslissing vermeldt de namen van de aanwezigen bij de besluitvorming, evenals of zij als “interne leden”, dan wel als “externe leden” worden beschouwd. Verzoeker kent aldus de samenstelling van de beroepscommissie en voert in dat verband geen enkele onregelmatigheid aan. De bestreden beslissing vermeldt tevens dat extern lid D.B., jurist bij het provinciebestuur, “naar aanleiding van het onevenwicht tussen het aantal aanwezige interne en externe leden” niet heeft deelgenomen aan de stemming. Verzoeker kon uit die vermelding vernemen dat de bestreden beslissing bij stemming werd genomen. Uit het verslag van de vergadering van de beroepscommissie van 25 augustus 2023 (stuk 12 van het administratief dossier), dat door de verwerende partij bij de Raad van State werd neergelegd, blijkt dat de bestreden beslissing met zeven stemmen tegen één werd genomen door een paritair samengestelde beroepscommissie, overeenkomstig “art. 10, § 2” (versta: artikel 18, § 2,) van het huishoudelijk reglement van de beroepscommissie. Geen van de door verzoeker aangevoerde bepalingen legt aan de beroepscommissie de verplichting op om over het resultaat van een dergelijke stemming een uitdrukkelijke vermelding op te nemen in de genomen beslissing, laat staan dat die bepalingen een dergelijke vermelding op straffe van nietigheid van de beslissing zouden voorschrijven. IX-10.320 -8/16 Verzoeker toont aldus op het eerste gezicht niet aan dat de bestreden beslissing niet wettig tot stand is gekomen of dat de beroepscommissie onzorgvuldig zou hebben gehandeld. 9. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10.1. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 123/15, § 3, 2°, en 123/17, § 2, tweede lid, 4° en 6°, van de Codex Secundair Onderwijs, gelezen in samenhang met de artikelen 8, 9.1.7 en 13 van het schoolreglement, alsook de schending van de formelemotiveringsplicht, zoals vervat in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, “in samenhang met” de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel: “doordat verwerende partij in de bestreden evaluatiebeslissing dd. 25.08.2023 erkent dat de gebrekkige evaluatiegegevens de bestreden evaluatiebeslissing dd. 30.06.2023 van de delibererende klassenraad de facto en de iure niet kunnen onderbouwen, doch zij in plaats van de leerkrachten aan te spreken ter remediëring, aan [verzoeker] voor de vakken Duits, Nederlands en zakelijke communicatie Frans bijkomende proeven voor de gehele leerstof oplegt, zonder dat geweten is welke evaluatiecriteria zullen worden aangewend ter beoordeling hiervan, zonder dat dit door verzoekende partijen gevraagd werd, zonder eerst verder onderzoek te doen m.b.t. de opgeworpen onregelmatigheid en onrechtmatigheid van de toegekende punten en zonder de betrokken leerkrachten hierover te bevragen, […] terwijl van een zorgvuldig handelende interne beroepscommissie mag verwacht worden dat zij bij het nemen van haar beslissing alle voor de beslissing relevante feiten met zorgvuldigheid vaststelt, uitgaande van de objectieve gegevens gestaafd door stukken, waarbij er een onderzoek dient te worden gedaan naar de bezwaren die in dat verband worden opgeworpen met een duidelijke oordeelsvorming of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement, en zij deze toetsing formeel en afdoende veruitwendigt in de betrokken beslissing, zodat deze voor de verzoekende IX-10.320 -9/16 partijen duidelijk en begrijpelijk zijn en zij de bestreden beslissing kunnen schragen en terwijl van een zorgvuldig handelende interne beroepscommissie mag verwacht worden dat zij bij het stellen van bijkomende onderzoeksdaden, in het bijzonder het opleggen van bijkomende proeven voor drie vakken m.b.t. de leerstof van het gehele jaar uitgaat van de noodzakelijkheid, de proportionaliteit en de redelijkheid hiervan en op voorhand aan de rechtsonderhorige meedeelt hoe deze zal worden beoordeeld en zich zal verhouden in de definitieve evaluatiebeslissing.” 10.2. Verzoeker licht vooreerst toe dat nog steeds niet duidelijk is welke deliberatienormen worden gehanteerd bij het beoordelen van de taalvakken. Evenmin is duidelijk “of en hoe de verschillende componenten van de eindtermen worden geëvalueerd (kennis en de vaardigheden) en welk het aandeel is van de verschillende componenten o.m. de verhouding dagelijks werk, examen 1 en 2 in het jaartotaal”. Volgens verzoeker dienen “deze criteria” in een zorgvuldig afgewogen beslissing van de delibererende klassenraad en vervolgens van de beroepscommissie duidelijk bepaald te zijn en is het voor hem belangrijk hierover geïnformeerd te zijn. In de motieven van de bestreden beslissing kan evenwel geen “verantwoording of rechtvaardiging” worden gevonden. Voorts doet verzoeker gelden dat “de motivering van de tussentijdse evaluatiebeslissingen en de eindevaluatie van 30.06.2023 in deze zaak problematisch [is], niet alleen als feit op zich, doch ook omdat welbepaalde evaluatiegegevens er wel zijn of geweest hadden kunnen zijn, doch niet of verkeerdelijk in de rapporten van [verzoeker] werden opgenomen of vermeld”. In de beslissing van de beroepscommissie wordt dat weliswaar onderkend, maar wordt er geen onderzoek naar gedaan. De beslissing van de beroepscommissie is volgens verzoeker niet wettig “nu enkel [van] de insteek dat ‘er kennelijk onvoldoende evaluatiegegevens aanwezig zouden zijn om een deugdelijke beslissing te nemen’ wordt uitgegaan om dienvolgens dan aan de leerling zelf bijkomende proeven op te leggen voor de gehele leerstof van een gans schooljaar”. Volgens verzoeker zou geen enkele redelijk en zorgvuldig handelende beroepscommissie op deze wijze hebben gehandeld, maar zou zij eerst een toetsing IX-10.320 -10/16 hebben gedaan van de noodzaak en de proportionaliteit van deze bijkomende proeven, die trouwens door geen enkele partij gevraagd zijn. Wat het vak ‘zakelijke communicatie Frans’ betreft, betoogt verzoeker dat de verwerende partij alvorens bijkomende proeven op te leggen, eerst een bevraging had kunnen doen naar de juistheid van de puntenscores. Hij wijst erop dat ten onrechte rekening werd gehouden met een nulquotering, terwijl voor een andere, later ingediende taak nooit punten werden gegeven. Volgens verzoeker had de beroepscommissie deze onwettigheden kunnen vaststellen en rechtzetten, zodat dienvolgens had kunnen worden nagegaan of de leerplandoelstellingen voor dit vak al dan niet waren bereikt, in de plaats van opnieuw een bijkomende proef op te leggen over de leerstof, waarvan de inhoud quasi identiek is aan de laatstgenoemde taak waarop werd nagelaten punten te geven. Wat de vakken Nederlands en Duits betreft, stelt verzoeker dat er door de betrokken leerkracht geen remediëringsacties werden ondernomen. Het standpunt van deze leerkracht dat verzoeker te weinig inzet toonde, kan geen verklaring en verantwoording bieden voor het gebrek aan evaluatiegegevens voor de betrokken vakken. Volgens verzoeker werden hem vanaf 17 april 2023 geen taken meer gegeven, zonder dat daarvoor enige verantwoording bestaat. Na 7 februari 2023 is er geen enkel evaluatiemoment meer geweest voor de vakken van de betrokken leerkracht. Hij heeft deze grieven aangevoerd voor de beroepscommissie, maar die is er in de bestreden beslissing aan voorbijgegaan. “Bijkomend” stelt verzoeker erop te moeten wijzen dat er “m.b.t. puntenscores voor Duits een aantal onregelmatigheden vast te stellen zijn”. Zo zijn er voor “de periode DW1 en DW4” geen punten terug te vinden en stemmen de puntenscores voor “DW3” niet overeen met de realiteit. Maar ook met deze grieven, aldus verzoeker, werd geen rekening gehouden. Ten slotte betoogt verzoeker dat het motief van de bestreden beslissing dat zijn ouders geen gebruik hebben gemaakt van hun eigen IX-10.320 -11/16 Smartschool-account en hun zoon hebben gevolgd via het Smartschool-account van de leerling, niet pertinent is om de bestreden evaluatiebeslissing te onderbouwen. Hij benadrukt dat hij “de school niet [verwijt] onvoldoende te hebben gecommuniceerd over de begeleiding van de leerling, doch wél onvoldoende te hebben geremedieerd en geëvalueerd om alzo op het einde van het jaar de te bereiken leerdoelen te kunnen behalen”. IX-10.320 -12/16 Beoordeling 11. Voor zover verzoeker de in het middel genoemde bepalingen en beginselen geschonden acht, doordat de bestreden beslissing hem voor de vakken Duits, Nederlands en zakelijke communicatie Frans bijkomende proeven voor de gehele leerstof oplegt “zonder dat geweten is welke evaluatiecriteria zullen worden aangewend ter beoordeling hiervan”, voert hij een grief aan die niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing lijkt te kunnen leiden. Hij klaagt aldus immers louter een gebrek aan informatie aan over de evaluatiecriteria die voor de beoordeling van zijn proeven zullen worden aangewend. Dat beweerde gebrek aan informatie, daargelaten of het feitelijk juist is, vermag als zodanig op het eerste gezicht de onwettigheid van het opleggen van bijkomende proeven niet aan te tonen. 12. Verzoeker verwijt de bestreden beslissing tevens dat ze hem de voormelde bijkomende proeven oplegt “zonder dat dit door [hem] gevraagd werd, zonder eerst verder onderzoek te doen m.b.t. de opgeworpen onregelmatigheid en onrechtmatigheid van de toegekende punten en zonder de betrokken leerkrachten hierover te bevragen”. Hij kan daarin op het eerste gezicht niet worden bijgevallen. Vooreerst is het opleggen van bijkomende proeven niet afhankelijk van een vraag die in die zin wordt gesteld door de betrokken leerling. De beroepscommissie vermag daartoe van ambtswege te besluiten wanneer, zoals in dit geval – zo lijkt – onvoldoende evaluatiegegevens voorliggen die haar toelaten een deugdelijke evaluatiebeslissing te nemen. Uit de overwegingen van de bestreden beslissing die hiervóór sub 3.6 zijn aangehaald, blijkt voorts op het eerste gezicht genoegzaam dat de beroepscommissie beoogt gevolg te geven aan verzoekers opmerkingen en bezwaren met betrekking tot “een gebrekkige evaluatie”, onder meer wat de IX-10.320 -13/16 vakken Nederlands, Duits en zakelijke communicatie Frans betreft, en mede op grond van de vaststelling dat verzoeker “door zijn medische problemen minder evaluatiekansen heeft gehad”, besluit dat er “onvoldoende evaluatiegegevens van de leerling beschikbaar zijn om te kunnen oordelen of [verzoeker] de leerplandoelstellingen voor de vakken Nederlands, Duits en Zakelijke Communicatie Frans al dan niet heeft bereikt” en dat het “daarom aangewezen is om bijkomende proeven te organiseren”. Verzoeker overtuigt in de huidige stand van de rechtspleging niet ervan dat een dergelijk besluit nog een “verder onderzoek” vergde en een bevraging van de betrokken leerkrachten. Ook maakt hij niet concreet aannemelijk dat het opleggen van bijkomende proeven na de door de beroepscommissie gemaakte vaststelling niet noodzakelijk en niet proportioneel zou zijn. Voor zover verzoeker ervan lijkt uit te gaan dat het bedoelde onderzoek ertoe had kunnen leiden dat hem op grond van de reeds tijdens het schooljaar afgelegde proeven en toetsen en uitgevoerde taken en de reeds beschikbare evaluatiegegevens een A-attest werd verleend, moet worden vastgesteld dat verzoekers argumentatie daarover in zijn inleidend verzoekschrift op het eerste gezicht veeleer verwarrend, vaag en weinig concreet is en merendeels gesteund is op niet-gestaafde beweringen. Zo doet verzoeker met betrekking tot het vak ‘zakelijke communicatie Frans’ in het bijzonder gelden dat ten onrechte rekening werd gehouden met een nulquotering, terwijl voor een later ingediende taak, waarvan de inhoud quasi identiek is met de leerstof van de opgelegde bijkomende proef, nooit punten werden gegeven. Dit lijkt echter, alvast in de huidige stand van de rechtspleging, een bewering waarvan verzoeker geen overtuigend bewijs bijbrengt en die door de verwerende partij in haar nota formeel wordt tegengesproken. Wat de vakken Nederlands en Duits betreft, klaagt verzoeker over een gebrek aan remediëringsacties van de betrokken leerkracht. Daargelaten IX-10.320 -14/16 of deze klacht van verzoeker in feite juist is, lijkt ze in rechte hoe dan ook niet dienstig. Het beweerde falen van begeleiding en remediëring vermag immers op zich niet aan te tonen dat de evaluatiegegevens van verzoeker ten onrechte door de beroepscommissie als ontoereikend worden beschouwd. Terecht merkt de beroepscommissie in de bestreden beslissing op dat “de Raad van State reeds herhaaldelijk oordeelde dat grieven omtrent een gebrek aan begeleiding en reme- diëring mogelijk kunnen aantonen dat de school medeaansprakelijk is voor het minder gunstig resultaat maar niet kunnen aantonen dat dergelijk resultaat ten onrechte als minder gunstig wordt beschouwd”. In de huidige stand van de rechtspleging bevestigt de Raad van State dit oordeel voor de voorliggende zaak. 13. Verzoeker stelt ten slotte dat de overweging van de bestreden beslissing dat zijn ouders geen gebruik hebben gemaakt van hun eigen Smartschool-account en hun zoon hebben gevolgd via het Smartschool-account van de leerling, niet pertinent is om de bestreden beslissing tot het opleggen van bijkomende proeven te onderbouwen. Uit niets blijkt evenwel dat die bekritiseerde overweging een decisief motief van de bestreden beslissing beoogt te zijn. Op het eerste gezicht is ze niet meer dan een overweging ten overvloede die de inhoud van de bestreden beslissing niet heeft bepaald. 14. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker in de huidige stand van de rechtspleging geen schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen aantoont. Het tweede middel is derhalve evenmin ernstig. 15. Aldus is er alvast niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn, opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. IX-10.320 -15/16 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-10.320 -16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.328 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.654 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.